Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2
Part 18
Marx deed noch 't een noch 't ander. Hij trachtte de ontwikkelingswet der maatschappij na te gaan. Hij vond, dat de tegenwoordige toestand een tijdvak was, dat noodwendig moest komen, hij voorspelde even zeker een nieuw tijdvak, dat, krachtens de wet der maatschappelijke ontwikkeling zelf, zou ontstaan. Voor Nietzsche is er eigenlijk alleen geschiedenis van groote persoonlijkheden. Voor Marx is er geschiedenis van productiewijze en toestanden: de personen maken de geschiedenis niet: de geschiedenis maakt hén.
Zal er doelmatige productie komen, dan moet er leiding, straffe leiding zijn. Dan moet er gezag zijn, dat regelt. Er moet onderwerping zijn in vast verband. Dat autoritaire, dat gezaghebbende stuit sommigen tegen de borst. Ook zij wenschen heil voor ieder, en ieder gezind, niet zich, maar de gemeenschap te dienen. Maar dat niet ten koste van wat hun 't onontbeerlijkste en schoonste goed schijnt: de persoonlijke vrijheid. Zoo ontstaat het anarchisme.
§ 44. Stirner.
Jong-Hegelianen.
Reeds Heraclitus (I, 19) wezen wij er op, hoe van Hegel, zèlf conservatief, zeer radicale stroomingen uitgingen. Strauss en Feuerbach (II, 93 v.v.) hadden niet zijn leer, wel zijn methode aanvaard. En door die dialectische methode waren ze gekomen tot geheel andere opvattingen van den godsdienst, dan de meester zelf. Feuerbach, het Godsbegrip onderzoekende, had geleerd, dat eigenlijk niet God den mensch naar Zijn beeld geschapen had, maar de mensch God naar zijn beeld. Het zedelijk ideaal des menschen was als buiten den mensch zelfstandig bestaande gedacht en daarvoor knielde de mensch. Op staatkundig gebied nu werd een zelfde leer ontworpen door de Jong-Hegelianen. Hegel's methode werd gretig "opgevangen door jonge, aan de wetenschap zich wijdende mannen, die, daardoor geleid werden om straks in het kamp van het socialisme te gaan dienen, doch die, wat zij ook deden en schreven, in al hun uitingen en redevoeringen altijd lieten zien, dat zij eens gestudeerd hadden, nacht en dag, in de boeken van den "eenigen" Hegel."
Het eigendom nu, zoo redeneerde men, hing ook innig samen met den mensch. Maar men had het van den mensch afgenomen, buiten hem geplaatst, evenals zijn Godsbegrip, en evenals voor God knielde hij nu voor eigendom en geld, dat hij de rol van meester had laten spelen. Hierin moest verandering komen. Alle beperking moest vervallen. Vrijheid was noodig!
Stirner's Leven.
Het gistte op allerlei manieren. Een zeer eigenaardige kring had men in 1840 en 1841, die geregeld samenkwam in een bierhuis bij Hippel. Die heetten de "vrijen van Hippel". Studenten, kunstenaars, journalisten, sommige vrije vrouwen, vereenigden zich daar. Ontelbare glazen bier drinkend, en groote rookwolken uitblazend, zat men daar de diepste, meest ingewikkelde en moeilijkste problemen te bespreken. In dezen kring werd ook een jong leeraar, Caspar Schmidt, ingeleid. Hij was in 1806 te Bayreuth geboren, verloor vroeg zijn vader, trok met zijn moeder mee naar andere plaatsen, kwam op twaalfjarigen leeftijd weer bij een oom in Bayreuth terecht, liep 't gymnasium af, studeerde letteren en behaalde den graad van candidaat. Daarmee kreeg hij een gedeeltelijke bevoegdheid tot lesgeven. Tot 'n doctoraat kwam hij--waarschijnlijk door geldgebrek--niet. Hij trouwde met een meisje uit 't huis waar hij inwoonde. Zij overleed bij de geboorte van hun kind, dat eveneens stierf. Hij stond weer alleen en zat, zwijgend toeluisterend bij Hippel. Hij had een betrekking als leeraar aan een meisjesschool gekregen. Hij werd meer en meer gewaardeerd in den kring der vrijen. In 1845 verraste hij al zijn bekenden met het merkwaardige boek: "De Eenige en zijn eigendom." Het kwam uit onder zijn studentennaam. Zijn voorhoofd (Stirn) was zeer hoog. Daarnaar heette men hem Stirner. 'n Oogenblik lachte 't geluk hem toe. Hij vond de liefde van een bemiddeld meisje, Marie Dänhart, aan wie ook zijn boek is opgedragen. Hij huwde haar. Als leeraar neemt hij ontslag. Met 't geld van zijn vrouw begint hij een melkzaak. Ze gaat niet: handelstalenten ontbraken onzen schrijver. Ook het huwelijk is ongelukkig. Echtscheiding volgt. Eenzaam en arm als vroeger gaat Stirner weer door 't leven. Met vertaalwerk voorziet hij in zijn onderhoud. In 1856 sterft hij aan den beet van een giftige vlieg. Hij wordt vergeten. Maar als Nietzsche optreedt, wordt de aandacht weer gevestigd op Stirner, in wiens werk men reeds Nietzsche's leer in knop meent te vinden. Op zijn graf wordt een gedenksteen geplaatst. Van zijn werk komen herdrukken en vertalingen, 'n levensbeschrijving verschijnt [51].
Stirner's boek.
Het is een merkwaardig boek: dat "de Eenige en zijn eigendom." Men hoort er de gesprekken in van de vrijen bij Hippel. Het is hier en daar zonderling van bouw en stijl. "Daar hangt een atmosfeer van bier en tabakswalm uit lange Duitsche pijpen over dit boek." Maar de grondtoon is diep en ernstig: Het predikt onder alle vormen het egoïsme. "Mij gaat niets boven mij zelve." Waarom zou ik voor een ander, voor God, voor het vaderland leven, voor de menschheid? Zij leven toch ook voor zichzelf? Zoo wil ik ook voor mij zelf leven. Ik wil mijn zaak op niets stellen. Niemand kan mij gebieden. Ook niet de staat. Hier komt het woord recht niet te pas. Alleen 't woord macht. Zoover mijn macht gaat, gaat mijn eigendom. Waar ik voor te waken heb, is, dat ik van mijzelf waarde maak. Niet een partij, een familie, een vaderland bindt mij. Wij moeten egoïsten zijn en beminnen met de liefde van 't egoïsme.
Wat ik zoek is mijn genot. Niet het genot van den mensch als soort, maar van mijzelf als enkeling. Wat daaraan bevorderlijk is, waardeer ik en juich ik toe, onder wat naam het ook optreedt.
Max Stirner heeft geen oog voor de ellende der arbeiders. Armoede is minderwaardigheid. Wie weinig macht heeft, wie dus weinig bezit, heeft zich zelve niet meer waard weten te maken. Den liberalen staat verwerpt hij. Diens vrijheid komt neer op zijn onderwerping aan en door de wet. Verwerpelijk is het communisme dat de maatschappij heer over ons maakt. Zoek maar naar uw macht. "Dan wordt al 't andere, ook de vrijheid, de gelijkheid u wel toegeworpen."
Stirner's leer is de ontkenning der zedeleer. Alle band is verbroken. De mensch, die alles gebruiken, niets eerbiedigen, en niets gehoorzamen moet, die niets boven zich erkent, die voor zichzelf de eenige is: ziedaar het ideaal van Stirner. De mensch doe als de bloem, die al haar krachten inspant en aanwendt, "om van de wereld zoo goed en zoo veel als zij kan te genieten en te verteren."
Wenden wij ons van dit individualisme tot de theorie van den Übermensch, die Nietzsche heeft verkondigd.
§ 45. Nietzsche.
Leven.
Hij werd 15 October 1844 te Rocken bij Lützen geboren uit een domineesfamilie van vaders- en moederszijde, die misschien wel afstamde van een oud adellijk Poolsch geslacht. Op deze niet zekere afstamming mocht de jonge Nietzsche zich gaarne verhoovaardigen. Toen Friedrich 5 jaar was, stierf z'n vader aan hersenverweeking, toegeschreven aan een val. Zoo werd de jongen opgevoed door vrouwen. Hij leerde strenge tucht kennen op de school te Schulpforta, die hij, voorbereid voor de universiteit, verliet, nog vaststaande in het christelijk geloof waarin hij opgevoed was. Omdat hij toch iets moest kiezen en niets met voorliefde begeerde, koos hij klassieke philologie. Hij studeerde eerst te Bonn en daarna te Leipzig onder den grooten taalkundige Ritschl. Op diens aanbeveling werd hij op 24jarigen leeftijd hoogleeraar te Bazel, nog vóór zijn promotie. De Leipziger faculteit schonk hem eershalve den doctorstitel. Er werd een zware taak op de jonge schouders geladen. Misschien tè zwààr. College geven en philologie studeeren toch was voor Nietzsche een tààk, al vervulde hij die zeer zorgvuldig. Zijn lessen werden geroemd. Aan den grooten Duitschen oorlog mocht hij--Zwitsersch burger geworden--niet deelnemen als soldaat: hij trok mee als ziekenverpleger, deed een ziekte op, die hem niet meer verliet. Zijn gezicht werd minder. Maag-, hoofd- en oorpijnen kwelden hem. In 1876 lei hij zijn taak neer aan het paedagogium, waar hij Grieksch doceerde, in 1878 gaf hij het professoraat op. 's Zomers leefde hij in 't Engadin, 's winters aan de Riviera. Zijn ziekte nam toe. Schier onduldbare pijnen moest hij lijden. In één jaar had hij 119 dagen van zware pijn. Zijn zwak gezicht hield hem buiten boeken en wetenschap, zijn gezondheid maakte hem eenzaam. Bijwijlen scheen hij de vertwijfeling nabij.
Langzamerhand beterde zijn toestand iets. Hij ging door met schrijven. Toen in 1889 brak plotseling de waanzin uit. Hij was in Turijn. 4 Januari schrijft hij een briefje aan Brandes met groote letters op potloodlijntjes als voor een kind, onderteekend: de gekruisigde. De waanzin was ingetreden.
Hij vond trouwe verpleging. Eerst bij zijn moeder in Naumburg. Na haar dood bij zijn zuster in Weimar. Hier bezweek het lichaam: 11 jaar, nadat het bewust leven opgehouden had: 26 Augustus 1900.
Persoonlijkheid.
Nietzsche's filosofie wordt gedragen door, is éen met zijn persoonlijkheid. Hij is het tegendeel van Spencer. Hij is subjectief in de hoogste mate. Hij is een denker, hij is grooter kunstenaar. Krachtig, levendig, sterk, diep is zijn gevoel. Het is niet het weeke, overvloeiende zachte gevoel van Rousseau, het is geweldig, forsch. Nietzsche is hartstochtelijk--maar zinnelijkheid is hem vreemd. Teedere vriendschap heeft hij voor vrouwen gevoeld: nooit een heerlijke, overweldigende liefde [52]. Bijzonder ook hechtte hij o. m. aan "krachtige vriendschap." Hij had echter zijn vrienden niet lief, maar het ideaal, dat hij zich naar hen vormde; en bleek dan later, dat hij had mis-gezien, dan verliet hij zijn vrienden: zijn eerlijkheid verbood hem te blijven. 't Pijnlijkst is dit gebleken uit zijn breuk met Richard Wagner. Nietzsche was dus niet de eenzame, van menschen afkeerige natuur, waarvoor men hem heeft gehouden. Hij werd door zijn gruwelijk lijden vereenzaamd. Hij was in den omgang uiterst hoffelijk, en al wat voornaam was, had zijn sympathie. Het burgerlijke, het platte, stootte hem af. Geestelijke of stoffelijke slordigheid, vuilheid, gemeenheid waren hem onduldbaar. Verbazend sterk was zijn lust tot arbeid en onbuigbaar zijn wil. Vele zijner werken werden geschreven met een minimum van kracht. Zijn hevig lijden genas hem van een pessimistische wereldopvatting: hij wilde "ja" zeggen tegen het leven en hij verdroeg. Eigenlijk bestuurde maar één passie zijn leven: hij wìlde de waarheid, of liever hij wilde zoeken, wat hèm waarheid was. Hij heeft dat doel nagejaagd met schier onbegrensde energie. Hij heeft alles doorzocht, elke gedachte tot het einde durven doordenken, onder misschien zoo hevig geestelijk leed, als niet door een ander kan worden bevroed. Hartstochtelijk heeft hij gezocht tot wel zijn verstand, niet zijn wil gebroken was. Men eert Nietzsche niet door hem te prijzen of hem te beklagen; lof heeft hij afgewezen, en medelijden, tegenover een hoogstaande geuit, heeft hij zelf steeds een onkieschheid gevonden.
Men heeft gevraagd: zijn Nietzsche's werken niet de werken van een waanzinnige? Er is zelfs beweerd: zij zijn geschreven tusschen de verblijven in krankzinnigengestichten in. Het laatste is beslist tegengesproken. Het eerste moet waarschijnlijk ontkend worden. Ongetwijfeld is er een ziekelijke trek in Nietzsche. Hij schiep zijn werken als in geestvervoering. Gedachten stroomden hem toe. Allerlei beelden drongen zich op. Alles ging licht en als met ingeving, als in een scheppingsroes. Het komt bij meer kunstenaars voor. Misschien mag zoo'n korte tijd van krachtig-scheppend leven meer van zijn gestel gevraagd hebben, dan hij kon verdragen. Er is hier aan een ongelukkige wisselwerking te denken. Zijn snel, geestvervoerend produceeren bevorderde zijn periodes van zwakte; hoe vaker deze kwamen, hoe minder zelfbedwang en matiging hij dan weer had bij 't werken en hoe grooter de op den arbeid gevolgde uitputting.
Maar zelfs in 1888 gevoelt hij zich gezond. Hij schreef, dat zijn hoofd helder was, zijn pols kalm (60 slagen), zelfs de duizeligheid van de koorts kende hij niet. De waanzin brak ook nog betrekkelijk plotseling en onverwacht uit. Had een beroerte een eind aan zijn leven gemaakt, vóór hij zielsziek werd (de beroerte, waarop hij soms hoopte) dan zou men er denkelijk nooit aan gedacht hebben in zijn werken de voortbrengselen van een krankzinnige te zien.
Werken en Ontwikkelingsgang.
Nietzsche heeft zich steeds beziggehouden met de vraag: Wat is de waarheid in de kultuur? Wat is de groote waarde in de beschaving? Hij is begonnen met de kunst als zoodanig te beschouwen. Hij verliet haar en meende nu aan de wetenschap en de kennis de grootste beteekenis te moeten toeschrijven. Maar dit is slechts een overgangsstadium. Hij keert tot zijn oude liefde terug. Hij wordt weer kunstenaar en schept het schitterende symbool van Zarathustra, die den Übermensch predikt, die een andere rangorde geeft aan de levenswaarden, die het medelijden en 't christendom wil bannen. Elk dier perioden heeft haar eigen werken. Gaan we, alvorens de eigenlijke kern der leer van Nietzsche te behandelen, enkele dier werken na.
Hij maakte zich bekend door zijn werk: "De geboorte der tragedie"; hij voer voort door zijn "Niet-actueele beschouwingen" (Unzeitgemäsze Betrachtungen). Hij begint met zich tegen David Strauss (zie 93) te kanten. Strauss is het beeld der verwaande middelmatigheid, die alles, wat niet in haar kraam past, ongezond noemt. Strauss is het type van den burgerlijken philister, die heenglijdt over de diepste vragen van wereld en lijden en 'n luchthartig optimisme kweekt. Het is een der scherpste strijdschriften van Duitschland. Hoe geheel anders is de toon, die klinkt uit de vierde beschouwing: "Wagner in Bayreuth." Nietzsche had vriendschap met Wagner gesloten in 1869 en had den musicus, die toen in Tribschen woonde, herhaaldelijk bezocht. Er was een groote innigheid en vertrouwdheid ontstaan. Toen het theater te Bayreuth zou worden opgericht, dacht Nietzsche er een oogenblik aan, zijn professoraat neer te leggen en door lezingen het werk van Bayreuth te steunen. Hij woonde de schitterende feesten in Bayreuth bij ter gelegenheid van de eerste steenlegging, hij was in 1876 bij de uitvoering der trilogie. En toen begon zijn geloof in Wagner een knak te krijgen. En terwijl hij reeds gevoelde, dat niet blijven kon wat geweest was, schreef hij zijn geestdriftig vereerend "Wagner in Bayreuth." Wagner had door een daad getoond, muziek en poëzie te kunnen vereenigen, de wijsheid uitte zich bij hem in den concreten vorm der kunst, hij had het Grieksche treurspel in zijn muziekdrama doen herleven, de opvoering van 1876 was een gebeurtenis, die op allerlei gebied gevolgen na zich zou sleepen.
Zoo lofzong Nietzsche. Maar... hij verliet Wagner en Bayreuth ontmoedigd. Eerst onthield hij zich van uitingen in 't publiek; pas later kwam hij er toe, om uitvoerig en scherp te schrijven. Wagner is geen vernieuwer meer voor hem, slechts een handig navolger, die uit allerlei elementen der 19de eeuw iets schijnbaar nieuws heeft getooverd, dat echter geen groote innerlijke waarde heeft.
Tusschen deze beide niet-actueele beschouwingen staan er andere: over de geschiedenis, haar voor- en nadeel voor 't leven, en over Schopenhauer als opvoeder. Geschiedenis kan haar nut hebben. Waar zij den mensch met eerbied vervult voor 't groote, dat het verleden opleverde, sterkt zij, en wekt op tot hooger opvoering van het menschelijk ideaal. Zoo zij van een schoonen voorbijgeganen tijd spreekt tot hen, wier eigen tijd droevig en leelijk is, kan zij dat heden verfraaien met illusies van 't verleden; waar zij komt tot hen, die gebogen liggen onder een last van dat verleden, kan zij, door te leeren dat alles voorbijgaan moet, dien druk afnemen. Maar zij beteekent niets voor het werkelijke leven, wanneer ze komt met de aanspraken eener objectieve wetenschap, die de waarheid in zichzelf heeft. Geschiedenis moet steeds persoonlijk zijn. Alleen door hen, die de toekomst zien en meemaken, kan geschiedenis geschreven worden, wijl het groote van het verleden door hen begrepen wordt. De geschiedenis, niet opgevat als zooeven geschetst, vult het hoofd met een groot aantal nuttelooze feiten. Zij wekt bovendien het krachtverlammend gevoel, dat men slechts tot de epigonen, navolgers behoort; ze ontneemt ons iets van onze oorspronkelijke scheppingskracht.
De geschiedenis kan bovendien een luchthartig optimisme bevorderen: zij kan het succes van de ruwe daad prediken. En eigenlijk is toch alleen die mensch gróót, die zichzelf geweest is. Reeds hier doemt de theorie van den Übermensch op. Er zal volgens Nietzsche een tijd komen, dat men niet langer eene geschiedenis der menschheid zal schetsen, maar alleen rekening zal houden met de alleenstaande individuen. "Zij volgen elkander niet op volgens eene wet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten, dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven; de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheid ligt niet in het eindpunt van haren loop--het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht."
Boven de geschiedenis stelt Nietzsche kunst en godsdienst. Zij zijn niet on- maar overhistorisch. Deze opvatting herinnert aan Schopenhauer. Diens werken waren Nietzsche bij toeval in handen gekomen, en toen hij eenmaal iets van den grimmigen wijze gelezen had, besloot hij geen bladzijde ongelezen te laten. In Wagner had hij den kunstenaar gezien, in Schopenhauer zag hij den wijsgeer, die der moderne beschaving den weg kon wijzen. Zoo schildert hij Schopenhauer als opvoeder. Hij prijst hem als een vrijen man, die moed houdt, stout, eerlijk, als bijna niemand. De mensch naar Schopenhauer draagt heldhaftig het lijden der wereld. Niet door illusie laat hij zich verblinden, hij ziet het kloekmoedig in de oogen.
Nietzsche's geschrift over Wagner was eigenlijk de laatste toon van zijn liefde, de stervenszang: met de beschouwing over Schopenhauer ging het eveneens. Nooit geheel was Nietzsche leerling van Schopenhauer. En weldra verzette hij zich tegen het pessimisme. Hij wilde niet neen, hij wilde ja, volmondig ja zeggen tegen het leven. Eerst had hij ja tegen het leven willen zeggen, omdat het schoon was: de kunst was waard, gediend te worden. Nu komt de tweede periode: de dienst der wetenschap.
Gewijd aan de nagedachtenis van Voltaire verscheen een verzameling aphorismen in 1878, een werk voor vrije geesten onder den titel: "Menschliches allzumenschliches." Hier komt hij dichter bij de Aufklärung. Vroeger, in de geboorte der tragedie, was Socrates hem het type geweest van dien nuchteren philister, die den heerlijken schoonheidszin der Grieken vijandig was. Thans komt er waardeering voor Socrates. Het Engelsche utilisme gaat niet geheel en al zonder waardeering uit. Kennis, Verlichting! De waarheid is het eenige goed, waarvoor geen offer, zelfs dat der menschheid, te groot is. Maar een streng wetenschappelijke methode past toch niet bij Nietzsche. Hij wil liever intuïtief raden dan verstandelijk logisch afleiden. Hij zocht de avonturen der kennis. Hij wordt kunstenaar in de wetenschap.
"Door de ontgoocheling over Wagner en de kunst werd Nietzsche de wetenschap toegevoerd. Hij vluchtte tot haar, om voor zich zelf te vluchten. Daarbij merkt men den dwang, dien hij zichzelf moest opleggen. De moeilijk getemperde gloed zijner hartstochtelijke ziel is nog in de koelste zinnen, die hij zich zelven weet te ontwringen, te gevoelen, en door de vijandigste wendingen tegen de kunst en de kunstenaars komt zijn slechts met geweld bedwongen heimwee naar de oude "dierbare illusies" gluren. Te midden der scepsis tegenover de kunst is hij kunstenaar gebleven; slechts het voorwerp, dat hij artistiek behandelt, is een ander geworden. Zooals vroeger tegenover het werk van Wagner, zoo is hij nu tegenover de wetenschap dichter. Hem trokken de aesthetische zijden der kennis aan: hij geraakte over de volstrekte zekerheid, de strengheid der wiskunde, der werktuigkunde in verrukking." (Riehl).
Waar zoo de wetenschappelijke methode inging tegen zijn overtuigingen, daar is 't niet te verwonderen, dat hij haar verliet. Eenmaal spotte hij: "dat zijn geen vrije geesten: zij gelooven nog aan de waarheid." Wie het geloof aan de waarheid opgeeft, geeft het vertrouwen in de wetenschap op.
Zoo breekt de derde periode aan, die de eigenlijke leer, als er bij dezen denker van een leer gesproken mag worden, zou brengen.
In "Aldus sprak Zarathustra" wordt dat gegeven in hoog-artistieken vorm, in symbolische inkleeding. Het is zijn hoofdwerk en hij, die het in heel korten tijd, in geestvervoering schreef, heeft het gevoeld en geuit, dat het een máchtig werk was. In wat hierna komt is misschien minder zelfbedwang, meer oratorie. Bovenmate bitter en honend wordt de uitdrukking soms. Nietzsche heeft er zelf eens op gewezen, dat hij er van hield de sterkste dingen sterk te zeggen, en men dus wel deed, zijn gezegden iets zwakker op te vatten. Vooral de werken van 1888: "De Antichrist" en "De wil tot macht" vertoonen die teekenen sterk. Minder is dat het geval met zijn "Genealogie der Moral". (Afstamming der zedeleer).
Nietzsche's leer.
De kernpunten van Nietzsche's leer zijn: het aantoonen van het verval der tegenwoordige beschaving door kuddemoraal en levensontkenning, het komen der nieuwe cultuur door den Übermensch, de noodzakelijkheid van een verandering in de rangorde der waarden, het geloof aan den eeuwigen wederkeer der werelden.
Behandelen wij elk kortelings.
Onze tegenwoordige cultuur is een cultuur van ontaarding. De menschheid verslapt. Zij is in het diepst van haar wezen pessimistisch. Zij heeft geen levenswil en levensmoed. Zij zegt neen tot het leven. Haar godsdienst, haar wijsbegeerte is de leer van het medelijden. Men moet met anderen mede-lijden. De zedeleer, ook van Schopenhauer bereikt haar toppunt in: Beleedig niemand, steun, zooveel gij kunt. Niemand zoekt meer zichzelf te zijn, de een wil op den ander steunen, om het gemakkelijk te krijgen. Er moet het geluk komen der kudde in groene weiden, waarin ieder gelijk is. Er heerscht slavenmoraal.
Stellen wij een lijst op van dingen, die ons waardevol toeschijnen, dan komt daarop het medelijden bovenaan, de rechtvaardigheid. Wie machtig is, en anderen aan zich onderwerpt, is de booze. Het oude Romeinsche rijk had een betere leer, het erkende de macht. Maar het Christendom, uit het Jodendom voortgekomen, heeft zijn bange kruipende, bevende slavenmoraal aan de wereld opgedrongen, heeft die door Luther's Hervorming nog eenmaal doen zegevieren, toen de renaissance het fiere zelfgevoel weer ten troon hief. Wat noodig is, is de rangorde der waarden veranderen. Het medelijden moet onderaan, de machtsuitoefening bovenaan. Verwerp toch het medelijden: het vermeerdert de som van lijden in de wereld; het is den groote, die een masker zoekt, waaronder hij zijn lijden mag verbergen, een beleediging, het is hem een onkieschheid. Aanvaard de smart. Nietzsche zelf heeft zijn gruwelijk lijden in de oogen gezien. Hij heeft het pessimisme àl de feiten toegegeven, waarop het zich beroept, maar hij heeft er een andere gevolgtrekking uit gemaakt. Hij heeft er door geleerd, zich niet te buigen, zich niet te vernederen, het leven te dragen, te aanvaarden. Hij wilde wat was, en door dat te willen, werd hij heer.