Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2
Part 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file was produced from images generously made available by The Internet Archive/American Libraries.)
WERELD BIBLIOTHEEK
ONDER LEIDING VAN L. SIMONS
R. CASIMIR
UIT DE ONTWIKKELINGSGESCHIEDENIS VAN HET MENSCHELIJK DENKEN
DEEL II (VAN KANT TOT HEDEN)
UITGEGEVEN DOOR DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR--AMSTERDAM
EERSTE AFDEELING.
KANT.
HOOFDSTUK I.
LEVEN EN WERKEN.
§ 1. Leven en persoonlijkheid.
Immanuel Kant werd den 22 April 1724 te Koningsbergen als zoon van eenvoudige burgers geboren. Zijn vader, een zadelmaker, was een ernstig, eerzaam, vlijtig handwerksman. Zijn moeder had een innig, vroom gemoed, een helder, gezond verstand, een open oog voor de natuur. Beide ouders waren op godsdienstig gebied de piëtistische richting toegedaan. Er heerschte in het huisgezin, waar de jonge Immanuel opgroeide, een ernstige, zedelijke stemming, wat diepen indruk op hem gemaakt heeft. Zijn geloof aan God, aan de onsterfelijkheid der ziel, aan 's menschen zedelijke vrijheid, kon hij uit het ouderhuis als onwrikbare overtuiging meenemen.
Reeds vroeg grooten aanleg vertoonende, werd hij op raad van den "huispredikant" der familie, in 't najaar van 1732 leerling van een school voor voorbereidend hooger onderwijs, ('t collegium Fridericianum) waar hij zeer goed latijn leerde, maar ook onder "strenge tucht van dwepers" stond en waar hij heel wat godsdienstplichten vervullen moest.
In 1740 kwam Kant als student aan de hoogeschool te Koningsbergen, waar hij in 't bizonder wis- en natuurkunde studeerde. Eigenlijk was de filosofische faculteit slechts een voorbereiding tot de andere. Kant echter, al heeft hij de theologische gekozen en misschien zelfs als candidaat in de omgeving gepreekt, gevoelde zich 't meest tot wis- en natuurkundige studies aangetrokken.
En met een natuurkundige verhandeling--zijn eerstelingsarbeid--nam hij in 1746 afscheid van de academie, waar hij slechts weinig uitnemende leermeesters had aangetroffen.
Naar de gewoonte dier dagen ging de onbemiddelde jonge man zijn brood als huisonderwijzer verdienen. Als zoodanig was hij in verschillende aanzienlijke families in Oost-Pruisen werkzaam. Zoo kon hij--de zadelmakerszoon uit piëtistische omgeving--de fijne, tactvolle man der wereld worden, die hij later, als hij wou, kon zijn.
Over zijn gaven als opvoeder was Kant zelf slecht tevreden. Hij wist, naar eigen zeggen, meer van de theorie dan van de practijk. Heel slecht schijnt die practijk intusschen niet geweest te zijn. Het is zeker geen bloot toeval, dat velen van Kant's leerlingen voorgingen in de afschaffing der lijfeigenschap. "De ingewanden keerden mij in 't lichaam om, wanneer ik dacht aan de schande der lijfeigenschap in mijn land," zei hij eens.
In 1755 meende Kant genoeg geld overgehouden en voldoende kennis vergaderd te hebben, om zich--voorbereiding voor het professoraat--als privaatdocent te kunnen vestigen. Hij bleef dit tot 1770, toen er eerst een professoraat voor hem kwam. Het eenige bezoldigde ambt--het gaf nog geen honderd thaler--dat hij tot dien tijd bekleedde, was dat van onder-bibliothecaris. Toch moet men zich Kant's positie in dien tijd niet als zeer slecht voorstellen. Hij zelf placht dit later de gelukkigste periode van zijn leven te noemen, en zijn werken uit die jaren zijn in een levendigen, pittigen, dikwijls geestigen stijl geschreven. Als docent stond hij ook toen in volle kracht. Herder, de dichter-denker, heeft ons het beeld van Kant als academisch leeraar uit het begin der zestiger jaren met frissche kleuren geteekend.
Boeiend en geestig, zelf nimmer aanmatigend, de waarheid boven alles liefhebbend, zijn leerlingen liefde voor de waarheid en lust tot studie inboezemend, gaf hij, zonder ooit te vervelen, college over de meest verschillende onderwerpen, "en niets wetenswaardigs was hem onverschillig."
Na de aanvaarding van zijn professoraat heeft Kant een geruimen tijd niets in 't licht gegeven. Ingespannen denkarbeid hield hem bezig. In 1781 kwam zijn hoofdwerk, de critiek der zuivere rede. Over de geschiedenis van Kants werken spreken we in de volgende §§.
Van zijn uiterlijk leven valt weinig te vertellen. Als zoovele groote wijsgeeren was ook Kant ongetrouwd. Hij leidde een buitengewoon regelmatig geleerdenleven: 5 uur op, 10 uur naar bed, op vaste tijden arbeiden en wandelen. Aan tafel zag hij gaarne een paar vrienden en hij voerde het tafelgesprek ver over het uur. Zijn stoffelijke omstandigheden waren langzamerhand gunstig geworden: hij liet nog een huis en een 30.000 thaler na.
Een bitter verdriet werd den denker, wiens roem zich reeds bij zijn leven over beschaafd Europa had verspreid en om wien te hooren en te zien menschen van heinde en ver naar Koningsbergen kwamen, nog in zijn 70ste jaar aangedaan.
Tijdens de regeering van Frederik den Groote had hij zich mogen verheugen in volle leervrijheid en achting. Waarschijnlijk heeft Frederik nooit iets bijzonders van Kant geweten, misschien den naam niet eens gekend. Maar zijn minister voor onderwijszaken, Von Zedlitz, koesterde grooten eerbied voor Kant en had zich van zijn leer op de hoogte laten brengen. Aan hem is dan ook de critiek der zuivere rede opgedragen. De opvolger van Frederik den Groote was echter een bekrompen, dweepziek man, die Von Zedlitz ontsloeg en in diens plaats een zijner geestverwanten benoemde, die de vrije gedachtenuiting zooveel mogelijk tegenging. Toen nu Kant in 1794 een werkje over den godsdienst uitgaf, waarin hij o. a. opkwam tegen de orthodoxe opvatting van het christendom, barstte de bom. Er kwam een berispend schrijven uit het kabinet des konings waarin bedreiging met strengere maatregelen, indien hij in deze richting voortging. Kant overwoog ernstig wat hem te doen stond. Herroepen wilde hij niet. Hij verdedigde veeleer in een schrijven de vrijheid van den leeraar der hoogeschool, verbond zich echter, als gehoorzame dienaar van Zijne Majesteit, niet meer over religie, 't zij de geopenbaarde, 't zij de natuurlijke, te schrijven.
Onder zijn onvermoeid denken is Kant vroeg oud geworden. Reeds zijn werken van 1781 dragen daarvan de sporen. Zijn laatste levensjaren zat hij in frissche oogenblikken nog aan zijn schrijftafel, maar produceerde niet veel van beteekenis. Zijn vermogen om te combineeren was gewoonlijk weg, herinnering ontbrak. Dwangvoorstellingen, rijen woorden, wijzen uit zijn kinderjaren, drongen zich aan hem op. Bange droomen kwelden hem 's nachts, onrust des daags. Den 12den Februari 1804 overleed hij na langzaam afsterven. "Het is goed," waren zijn laatste woorden. Hij is begraven in den Koningsberger dom, waar voor een passende omgeving is gezorgd.
Persoonlijkheid.
Kant was een flegmatische, weinig door emoties bewogen natuur, een verstandsmensch van taaie volharding en groote werkkracht. Man van groote belangstelling en ontwikkeling, reisde hij toch zeer weinig. De denker, die ook een beteekenend aardrijkskundige was, had nooit bergen gezien. Nu bood Koningsbergen, voor dien tijd een niet onaanzienlijke stad, met belangrijken handel, en in het oosten des rijks gelegen in de nabuurschap van andere volken (Polen b.v.) veel om op te merken. Reisbeschrijvingen behoorden tot Kants liefste lectuur. Ook sprak hij liever over andere dingen dan over wijsbegeerte. Hij kon op dit gebied niet best hóóren en verdroeg moeilijk afwijkingen van zijn meeningen. Met zijn voorgangers was hij over 't geheel slecht bekend. De enorme belezenheid van Leibniz was niet de zijne.
Kant was innig vroom en van eerbied vervuld voor de religie. Van godsdienstvormen, die hij ledig achtte had hij echter een besliste afkeer en kerksch was hij allerminst. Van den onderdaan gehoorzaamheid tegen den vorst eischend, betoonde hij die zelf ook. Overigens gevoelde hij weinig voor den Pruisischen staat. Hij vond de gruwelen van den oorlog verschrikkelijk. Den Amerikaanschen vrijheidsoorlog bewonderde hij, de groote beginselen der Fransche revolutie wist hij te schatten. De grootste filosoof van Duitschland was een vrijheidlievend wereldburger, die in zijn enge omgeving niet alleen het groote rijk der wetenschap doorzocht, maar ook op de gebeurtenissen van 't politieke leven belangstellend 't oog hield gericht.
§ 2. Werken en Ontwikkelingsgang.
De voorcritische periode.
Toen Kant zijn hoofdwerk schreef was hij 57 jaar oud. Hij had een belangwekkenden ontwikkelingsgang doorloopen, voor hij tot den opbouw van zijn leer kwam. De voortreffelijkste Kant-kenners verschillen onderling over de invloeden, die op Kant hebben ingewerkt, over de vraag, welke richtingen achtereenvolgens de zijne zijn geweest. In een populaire uiteenzetting kan op de bizonderheden niet ingegaan worden, maar het is wenschelijk, reeds bij den aanvang de aandacht te vestigen op het gebruik der woorden: het schijnt, waarschijnlijk, enz., die er telkens aan moeten herinneren, dat hier nog niet alles vaststaat, evenmin als in de biografie.
Toen Kant de academie verliet, was hij in de metafysica een aanhanger van Wolff. Hij dacht, als alle rationalisten, dat er een zekere, gewisse kennis der wereld te verkrijgen was op redelijken grondslag. Echt kind der aufklärung zag hij, het onwetende gepeupel verachtend, in verstandsontwikkeling de taak en de waarde van den mensch. Op natuurwetenschappelijk gebied sloot hij zich meer aan bij Newton en tot '60 blijft zijn aandacht meer op natuurwetenschappelijke vraagstukken gevestigd. Met groote liefde behandelde hij ook kwesties van aardrijkskundigen aard. Had zijn roem als wijsgeerig denker niet zijn beteekenis op dit gebied overstraald, hij zou als een baanbrekende geest op geographisch gebied zijn gehuldigd. Als hoogleeraar gaf hij gaarne colleges over de natuurkundige aardrijkskunde. Zijn scheppende beteekenis hier blijkt misschien wel 't duidelijkst uit 't volgende feit: Bij koninklijk besluit werd bepaald, dat hoogleeraren bij hun colleges gebruik moesten maken van handboeken. Met name echter werd Kant voor zijn college over physische geografie daarvan vrijgesteld, omdat er... geen handboek was.
Omtrent 1760 wendt Kant's blik zich meer van de buitenwereld naar de binnenwereld: de mensch begint hem te interesseeren en hij ging inzien, dat diens waarde niet alleen lag in zijn verstandelijke ontwikkeling. Hier werkte, naar Kant's eigen woorden, de invloed van Rousseau, wiens Emile in 1762 verscheen. "Rousseau heeft mij terecht gebracht." Voor Rousseau was het geloof aan God niet gevolg van verstandelijke overwegingen, maar het ontsprong aan de behoeften van zijn gemoed. De kennismaking met deze overtuiging, haar toppunt bereikend in het: "le sentiment est plus que la raison" (het gevoel is meer dan het verstand) mag Kant er toe gebracht hebben, om den rug te keeren aan de Wolffsche natuurlijke theologie. Maar ook op het terrein der kennistheorie kwam een wending. Ook hier verliet hij het rationalisme, om een meer empirische richting in te slaan. In de jaren tusschen '60 en '70 is er soms een zekere sceptische toon merkbaar. Dikwijls duidt men deze periode, volgend op zijn rationalistische, aan met den naam empirisch-sceptische. Of die kwalificeering juist is? Niet onwaarschijnlijk is het, dat Kant's denken in dien tijd geslingerd heeft tusschen empirisme en rationalisme. De invloed van Hume, met wiens werken hij in allen gevalle slechts gedeeltelijk bekend was, had hem, naar zijn eigen woorden, uit den dogmatischen sluimer wakker geschud. Wanneer? Misschien tusschen '60 en '65, misschien tusschen '65 en '70, misschien na '72, misschien heeft hij meermalen Hume's invloed ondergaan. Maar in den tijd van '60-'70 valt ook de verschijning van Leibniz' Nouveaux Essais, (vergel. I pag. 296) welks lectuur weer naar het rationalisme trok.
We zouden dus dit kunnen zeggen:
Het Wolffsche rationalisme heeft Kant na 1760 beslist verlaten.
Tot het standpunt, dat in '70, bij de aanvaarding van het professoraat werd ingenomen, is hij beslist nog niet gekomen.
Hij neigt in dezen tijd sterk tot het empirisme. Maar het mag betwijfeld worden, of hij in deze jaren gemeend heeft, dat al onze kennis uitsluitend uit ervaringselementen opgebouwd was. Evenmin is met zekerheid te zeggen, dat hij gewanhoopt heeft aan de mogelijkheid, om kennis te krijgen van de dingen der zinnelijke wereld, zooals zij zijn.
Spreken wij dus van Kant's sceptische-empirische periode, dan dient dit woord met groote omzichtigheid aanvaard te worden.
Preisschrift. Wiskunde en wijsbegeerte.
Van de werken uit dezen tijd noemen wij drie: In 1763 beantwoordde hij een prijsvraag. In het "Preisschrift" komt tot de conclusie, dat wiskunde en wijsbegeerte niet dezelfde methode hebben. Onder wijsbegeerte worden dan zoowel de natuurwetenschappen als de metafysica begrepen. Door onderscheidene methoden van behandeling te eischen, breekt Kant met het rationalisme, dat de wijsbegeerte steeds naar de wijze der meetkunde had behandeld, zij 't niet in zoo streng wiskundigen vorm als Spinoza.
Wat is dan het verschil?
De wiskunde construeert, de wijsbegeerte analyseert. Lichten we dit toe.
De wiskundige maakt zijn begrippen. Hij kan bijv. een rechthoekigen driehoek nemen en die om een zijner rechthoekszijden laten wentelen. Er ontstaat dan een kegel. In het begrip kegel komen niet meer kenmerken voor, dan hij er zelf in gelegd heeft. Hij kan met dat begrip dus rustig verder werken.
Maar neem nu bijv. den natuurkundige.
Hij heeft ijzer, dat hij moet onderzoeken. Hij kan bijv. het volgende begrip van die stof hebben: hard, zwaar, zet bij verwarming uit, kan roesten. Maar in dat ijzer kunnen nog andere kenmerken zitten. Het heeft een bepaald soortelijk gewicht: 1 dM3. weegt 7,17 KG. Het heeft een bepaalde uitzetting, bij 1°C. verwarming wordt 1 M. 1,000012, één M3. 1,000036. Het heeft een bepaald smeltpunt: bij 1200-1400°C. smelt het. Het is een goede geleider voor electriciteit. Deze kenmerken moet de natuurkundige opzoeken. Hij moet onderzoeken, wat er in het begrip ijzer aanwezig is, moet het ontleden, analyseeren. Hij kan niet, zooals de wiskundige zeggen, dit versta ik onder ijzer, maar heeft tot taak, het onduidelijke, vage begrip, dat hij van ijzer heeft, te verhelderen.
Tusschen de natuurwetenschappen en de wijsbegeerte bestaat dan ook geen verschil in methode. "De ware methode der metafysica is in den grond dezelfde als die, welke Newton in de natuurkunde invoerde." Het onderscheid ligt in de stof, in de te bestudeeren dingen. De metafysica bestudeert de gegevens van 't feitelijk denken.
Bewijzen voor 't Godsbestaan.
In hetzelfde jaar geeft Kant een werkje uit: "Eenige mogelijke bewijsgrond voor het bestaan van God." Hierin critiseert hij de tot dusver gangbare bewijzen voor het bestaan van God, en draagt zelf een nieuw voor. Op zijn critiek komen we in een ander verband (zie bladz. 36 v.v.), terug. Wat in dit werkje merkwaardig is, dat reeds op zijn volgende opvattingen wijst, is zijn uitspraak, dat het wel noodig is, dat men zich overtuige van het bestaan van God, maar niet zoo noodig, dat men het ook bewijze.
Hoe gevaarlijk Kant het achtte, te veel speculaties in te stellen over het bovenzinnelijke, blijkt uit een zijner geestigste werken: "Droomen van een geestenziener" (1766).
In dien tijd maakte een mysticus, de Zweed Swedenborg (1688-1772) verbazenden opgang. Hij zou dingen gezien hebben, die in de verte gebeurden, in verband getreden zijn met geesten van afgestorvenen, enz. Op aansporing van eenige bekenden liet Kant Swedenborg's werken uit Londen komen en bestudeerde ze. In het bovengenoemde werkje legde hij de resultaten neer van die lectuur. Hij geeft eerst een geestenleer van wezens, die tot een "intelligibele wereld" behooren, niet aan plaats en tijd gebonden zijn. Misschien is hier een eerste kiem van Kant's latere intelligibele wereld.
Vervolgens schetst hij de spiritistische verschijningen, die hij van naturalistisch-sceptisch standpunt als fantasieën van een ziekelijk brein beschouwt, dat ze in de buitenwereld als werkelijk onderstelt. In het tweede deel geeft hij verslag van de theorieën van Swedenborg, om te eindigen met een ernstig woord, waarin hij de filosofie aanraadt, zich te hoeden voor dergelijke bespiegelingen, die de grenzen onzer ervaring verre te buiten gaan. Of het mogelijk is dat geesten, zonder aan een lichaam gebonden te zijn, kunnen werken en denken; of er krachten zijn als die, welke Swedenborg meende te bezitten, kan men slechts door de ervaring, niet door redeneering alleen beslissen. Maar over die ervaring beschikken wij niet. Wij hebben geen eenstemmige ondervinding op dat gebied maar slechts de bevindingen van enkelingen, die niet als grondslag voor een hypothese kunnen dienen, waarover het verstand kan oordeelen, juist, omdat het bevindingen van slechts enkelen zijn. Men behoeft ze nu juist niet voor onmogelijk te verklaren, maar men kan de zaak laten rusten.
Noch op de metafysische bewijzen, noch op de empirische bewijzen van Swedenborg behoeven we de onsterfelijkheid der ziel te bouwen: haar steun vindt ze in het zedelijk geloof.
Kant had met het rationalisme van Wolff gebroken. Hij had den invloed van Rousseau's gevoelsfilosofie ondergaan, en waarschijnlijk van Hume's scepticisme; langzamerhand waren zijn gedachten gerijpt tot zijn eigen opvatting: het criticisme. Kant zelf onderscheidt in zijn leven twee groote perioden: de voorcritische en de critische. Alleen de geschriften uit de laatste wilde hij later erkennen, als zijn meening uitdrukkende.
§ 3. Werken en Ontwikkelingsgang.
De critische periode.
Men kan twijfelen aan de juistheid, de zekerheid der tot dusver verkregen kennis. Dat deed Descartes. Maar eenmaal een grondslag gevonden hebbende, die onmiskenbaar zeker voor hem was, "ik heb bewustzijn, dus ben ik," bouwde hij daarop voort en meende zoo een zekere kennis der geheele werkelijkheid te kunnen verkrijgen. Descartes werd de vader van het rationalisme in de nieuwere wijsbegeerte. Waarin Malebranche, Spinoza, Leibniz en Wolff ook met hem mogen verschild hebben, niet in de overtuiging, dat er een geheel van kennis op redelijken grondslag was te verkrijgen. Zonder nader onderzoek aanvaarden deze denkers dus onze rede, als een werktuig (dat misschien verkeerd kon aangewend, foutief gehanteerd worden) om tot zekere kennis te komen van de dingen, zooals ze zijn. Dit standpunt om onze rede zonder onderzoek te aanvaarden, noemt Kant het dogmatische.
Anders ging Locke te werk. Toen hij vastliep, vroeg hij of het mogelijk was kennis te verkrijgen, of ons verstand daartoe geschikt was. Zijn theorie werd door Hume voortgezet en deze ondergroef theoretisch eigenlijk de mogelijkheid van wetenschap, door het causaliteitsbeginsel te verklaren als een subjectieve verwachting zonder meer, gevolg van associatie van voorstellingen. (zie I pag. 321).
Zij gingen uit van de feiten der ervaring, volgden een inductieve methode.
Dit standpunt nu noemt Kant het sceptische.
Zetten we nog even scherp de kenmerken van beide tegenover elkaar.
Dogmatisme. Empirisme of Scepticisme.
Van te voren vertrouwen op onze Van te voren wantrouwen jegens rede. onze rede. Kennis door deductie. Kennis door inductie. Het denken geeft de ware zuivere De zinnen geven ons onze kennis, kennis, de zinnen onklare, dikwerf denken is een veranderd waarnemen. bedriegelijke.
In dezen strijd nu neemt Kant een eigen standpunt in door zijn criticisme, een leer, die beide richtingen wil overspannen. Het criticisme wil niet onderzoeken of we kennis kunnen verkrijgen, (hiervan mòet de wetenschap noodwendiger wijze uitgaan) maar hoe en waardoor ze mogelijk is.
Het criticisme is de eigenlijke leer van Kant. Het vertoont zich, zij 't niet in volle rijpheid in de rede, waarmee hij in 1770 zijn hoogleeraarsambt aanvaardde.
In deze rede, gewoonlijk de Dissertatie genoemd (Latijnsche titel: Dissertatio de mundi sensibilis atque intelligibilis forma et principiis--verhandeling over den vorm en de beginselen der zinnelijke en intelligibele wereld) komen nog niet alle, maar enkele zeer belangrijke beginselen voor der latere kennistheorie. Het wijst aan, dat de waarnemer en het waargenomene samenwerken, voor het ontstaan onzer kennis, dat subject en object samen de kennis vormen. De vorm waarin de kennis opgenomen wordt, hangt af van het subject. Dit bepaalt het formeele karakter der kennis. De bizondere, speciale inhoud der waarneming, het materieel gedeelte onzer kennis, hangt af van 't object. In onze kennis zijn dus idieele, niet uit de ervaring komende elementen. Dit richt zich tegen het empirisme. Maar de vormen, waarin onze kennis zich voegt, blijven ledig, beteekenen niets, wanneer er geen ervaring komt, die ze vult. Ook ervaring is dus noodig: de ons door de zinnen verstrekte gegevens zijn niet als schijn te verwerpen. Dit richt zich tegen het dogmatisme.
Bij deze opvattingen nu bleef Kant niet staan. Doordenkende in deze richting stuitte hij op moeilijkheden. Wij vinden ze aangewezen in een brief aan Marcus Herz van 21 Febr. 1772.
Hij vroeg zich af: Welk recht heb ik, om nu aan die, door het subject meegebrachte elementen, die absoluut onafhankelijk van de dingen zijn, geldigheid toe te schrijven voor de wereld der dingen?
In het peinzen over deze en andere vragen daarmee samenhangend, is Kant oud en moe geworden. Het werk dat in 1781 verscheen, "De critiek der zuivere rede" is de arbeid van een groot, maar een oud man. Het is een moeilijk te lezen werk. De stijl is zwaar. De zinnen zijn lang. Herhalingen matten af. Uitweidingen ontbreken niet. Sommige gedeelten zijn vergeleken met een eentonig, troosteloos duinenlandschap. Toch heeft dit werk ongemeene beteekenis en blijft het 't hoofdwerk van den denker. [1]
In 1783 gaf Kant de Prolegomena, die de hoofdgedachten wat korter en klaarder behandelden dan de kritiek. Deze verscheen in 1787 in tweeden druk, waarin zij sterke wijzigingen had ondergaan. Haar volgden een Critiek der praktische rede (1788) en een der Oordeelskracht (1790).
De critiek der zuivere rede behandelt de kennisleer, die der practische rede de zedeleer, die der oordeelskracht handelt over onze aesthetische waardeeringsoordeelen.
HOOFDSTUK II.
DE KENNISLEER.
§ 4. Ruimte en Tijd. Inhoud en Vorm.
Stel eenig willekeurig ding tegenover u, bijv. een boek. Dat heeft verschillende kenmerken: dikte, lengte, breedte, kleur, zwaarte, enz. Neem een geheel ander ding: een stoel. Ook die heeft zijn eigenschappen, evenals de tafel, waaraan ge zit, de lamp, die u beschijnt. Ge kunt u van al die dingen kenmerken veranderd denken of wegdenken, ja, ge zoudt u kunnen voorstellen, dat het boek, de tafel, de stoel, de lamp er in 't geheel niet waren.
Die dingen nemen een zekere ruimte in. En, nu kunt ge u wèl voorstellen, dat die dingen er niet meer waren, maar niét, dat die ruimte er niet zou zijn. Alle dingen die we in de buitenwereld waarnemen zijn in de ruimte en die ruimte zelf is niet wegdenkbaar.
Niet anders is het met den tijd. Alle gebeurtenissen, zoowel de geestelijke als de stoffelijke, vinden plaats in den tijd, die evenmin wegdenkbaar is. Ruimte en tijd zijn aanschouwingsvormen.