Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2
Part 9
Zelf ontving die kennis ook weer zekeren invloed van Alexander's tochten: onbekende verschijnselen (b.v. eb en vloed niet in de Middellandsche zee bekend) werden waargenomen, andere natuur werd gezien, afwijkende zeden en gebruiken aangetroffen, nieuwe planten en dieren leerde men kennen. Toch heeft al dat nieuwe niet machtig gewerkt. Gevolg van Alexander's tochten en de stichting van zijn wereldrijk is niet geweest een groote vooruitgang van Grieksche wijsbegeerte. Aristoteles heeft ongetwijfeld iets te danken gehad aan 't Oosten, maar verreweg 't meest aan zijn voorgangers in Griekenland. Met hem eindigt de echt-Grieksche wijsbegeerte.
Na deze komt de Helleensch-Romeinsche: de filosofie niet meer van Griekenland, nog veel minder van de wijzen in Athene, maar van al de beschaafde landen der oudheid, waar Grieksche beschaving ingang had gevonden.
Dit waren dus niet alleen Griekenland, Zuid-Italië, Klein-Azië, Cyprus en kleinere eilanden, Macedonië; dit was ook Egypte, waar Alexander's stichting Alexandrië een middelpunt werd van wetenschap.
Het wereldrijk van Alexander stortte na zijn dood in elkaar. Een aantal staten en staatjes hadden zich gevormd na een gewirwar van groote en kleine oorlogen, maar de Helleensche beschaving bleef gemeenschappelijk goed van vele dier deelen.
Een nieuw wereldrijk begon ± 200 op te komen. In Italië lag een boerenstaatje: Rome. Het had eerst wat gevochten met naburige staatjes, had ze overwonnen. Het had oorlogen gevoerd met de stammen van midden-Italië, had naar 't noorden zijn gebied uitgebreid, had ± 275 de Grieksche steden in Zuid-Italië onderworpen. Toen had het zich verder opgewerkt tot wereldmacht en was op de groote mogendheid gestooten, die het westelijk bekken der Middellandsche Zee beheerschte: Carthago. In drie oorlogen (tot 146) was dit ten slotte vernietigd. Tezelfdertijd had het ook naar 't Oosten zijn macht verbreid: het had Macedonië schatplichtig gemaakt en geannexeerd; Griekenland eerst in schijn zijn vrijheid gelaten: maar de Grieken der 2de eeuw konden die nog minder gebruiken dan die der vierde: Griekenland werd ook ingelijfd; Klein-Azië verging het eveneens, Syrië zag zich bedreigd.
Terwijl zoo deze staat zijn macht uitbreidde over de wereld, onderwierp het zichzelf aan de Hellenen. Rome was oorspronkelijk een boerenstaat, zonder manieren, zonder gevoel voor kunst, met geringe fantasie.
Maar nu kwam er rijkdom. De veroverde provinciën werden uitgezogen. Slaven waren goedkoop te krijgen om het land te bebouwen of de kudden te hoeden. De "ridders," de equites van het oude Romeinsche rijk, dreven groote bankierszaken.
Zoo ging, met uitbreiding van rijkdom en groeiende weelde, ook de behoefte gepaard aan meer kennis, beschaving en uiterlijke vorming, dan het oude Rome kon geven. Waar anders dan bij de Helleensche beschaving was die te zoeken? Rijke jongelui gingen naar de rhetorenscholen, later haalde men de rhetorica in Rome. Grieksche kunst werd gezocht en gekocht. De voorname Romeinen schreven Grieksch. Een oorspronkelijk Romeinsche letterkunde ontstond eigenlijk niet. Ook wat in 't Latijn verscheen, had in 't Grieksch zijn modellen en voorbeelden.
Nu was Rome nog betrekkelijk frisch en jong en het eigende zich die beschaving eenerzijds langzaam toe, met zekere voorzichtigheid; anderzijds niet, zonder er een eigen stempel op te drukken.
Rome werd ouder en grooter.
De opeenhooping van proletariaat in de hoofdstad, de verdrijving van den boeren-middenstand, die geen geld meer kon maken van zijne producten, daar ze uit de provincie kwamen en òf goedkoop òf gratis werden uitgedeeld, die niet kon concurreeren met de slaven-bezittende grootgrondbezitters--hadden de Romeinsche revoluties doen ontstaan onder de Gracchen (133-122).
In een hevige, lange worsteling had de democratie gestreden met de aristocratie: het einde was geweest de militaire opperheerschappij van Caesar en Augustus. Voor Rome was dit keizerrijk de vrede. Oorlogen werden slechts gevoerd aan de grenzen. Het keizerschap zelf wijdde zijn zorgen aan de provincie en onder zijn bestuur kwam in het uitgestrekte Romeinsche gebied stoffelijke vooruitgang en geestelijke bloei.
Doch ook dit keizerrijk wist niet meer nieuwe beschaving te geven. Zijn cultuur is "niet anders dan de laatste en minst eigenaardige schakel eener lange ontwikkeling. Ze is een cultuur, die partij trekt van het beste, wat eeuwenlang gevonden is, maar die ternauwernood meer bij machte is, zelf iets nieuws voort te brengen." (Van Gelder).
In dezen algemeenen toestand deelde de wijsbegeerte. Het was een uitleggen van oudere systemen, een vernieuwen, een vermengen, een voortzetten in enkele punten. Het volk zelf had zijn oud geloof en zijn oude moraal verloren. De hoogere standen vonden bevrediging of ook geen bevrediging in een of ander wijsgeerig stelsel, omlaag gehaald dikwijls tot een leer voor het dagelijksch leven.
Allereerst werd gevraagd naar een levensleer. Niet de theoretische, maar de practische filosofie stond op den voorgrond. De verschillende stelsels trachtten een beeld van den wijze te ontwerpen, dat als ideaal kon dienen.
In deze maatschappij leefde sterk de behoefte aan ontzondiging, heiligmaking. Merkwaardig viel die samen met grove onzedelijkheid en hoe veiler een deerne, hoe ijveriger ze somtijds was in den godsdienst.
Tot de komst van het Christendom schetsen we in groote trekken het verdere verloop van het denken. Twee groote ethische stelsels, dat der Stoïcijnen en dat der Epicuristen steken hoog uit boven het omringende en als geweldig slotstuk van het Grieksche denken staat een machtig godsdienstig systeem: het Neo-Platonisme.
§ 24a. De Stoa.
Een Semitisch koopman, Zeno (± 300) te Citium op Cyprus geboren, die, in Athene gekomen, verschillende wijsgeeren gehoord had, grondvestte in een, met muurschilderingen voorziene hal, in de "bonte gaanderij" (stoa poikilê) een school, waarin vooral een strenge zedeleer gehuldigd werd. Het derde schoolhoofd, Chrysippus (280-207) bracht de leer tot een volledig systeem. Later gingen de scherpe kanten er af. In het midden der 2de eeuw v. C. kwam ze door Panaetius (143) naar Rome, vond daar veel aanhangers en kreeg meer en meer het karakter van een religieus systeem. Seneca, Nero's bekende leermeester, ( 65 n. C), Epictetus (± 94), de schrijver van het onlangs ook nog in Nederland vertaalde "Handboekje der moraal," en de edele keizer Marcus Aurelius (120-180 n. C.), auteur der bekende "Zelfbespiegelingen" (eis heauton), zijn de bekendste vertegenwoordigers van een richting die, wetenschappelijk weinig beteekenend, door den karakteradel van haar voorstanders den hoogsten bloei vertoont van nobele Romeinsche zedeleer.
De wijsbegeerte omvatte voor de Stoïcijnen drie doelen: logica, physica en ethica. Het voornaamste was hun de ethica, studie der andere deelen was slechts noodzakelijk voor de ethiek, was als middel iets waard. De zedeleer was de dooier van het ei, waarvan de physica het wit, logica de schaal was; of met een ander beeld: de vrucht, terwijl de physica de grond, logica de omheining van den tuin was. Deze drie deelen hangen niet innig samen. Ze passen wel goed bij elkaar, maar niet noodwendig vloeit 't een uit 't andere voort. Uit tal van elementen van andere stelsels hebben de Stoïcijnen een goed en ordelijk geheel samengesteld, dat bij meerdere ontleding evenwel verraadt, dat het gemaakt is en samengevoegd, niet als één geheel gegroeid.
Logica.
Aristoteles' onderzoekingen hebben zij voortgezet en ook werkelijk iets verder gevoerd, tegelijk echter er een dood vormensysteem van gemaakt.
In de theorie der kennis huldigen ze 't sensualisme: onze gewaarwordingen geven afdrukken in de (stoffelijk gedachte) ziel als in een onbeschreven wastafel, of bewerkten er, zooals elders gezegd wordt, verandering. Uit de verschillende waarnemingen ontstonden sommige begrippen of wij vormden ze.
De zoo van zelf ontstane begrippen ontstaan bij elk mensch: ze zijn aldus aan elk gemeen. Andere vormen we ons door nadenken en bezinning.
De aan alle menschen gemeen zijnde begrippen (notiones communes) ontstaan in ons met en door onze waarneming. Ze zijn voor zeker en waar te houden. De overeenstemming bij de menschen (consensus gentium) is dan ook een bewijs voor verschillende dingen.
Zoo is b.v. het aanwezig zijn van een Godsbegrip bij alle menschen voor de Stoa het bewijs van het bestaan Gods.
Later heeft Cicero aangenomen, dat wij ze reeds vóór de waarneming, vóór de geboorte bezaten, ze meebrachten in het leven. Zoo ontstond de leer der aangeboren begrippen, die zulk een belangrijke rol in het denken spelen zou en later zoo energiek bestreden werd door Locke. (§ 46).
Bij 't begrip kan geen sprake zijn van waar of onwaar; maar eerst bij 't oordeel. Zeg ik: Socrates is een mensch, dan is dit een oordeel, niet door de samenvoeging der begrippen, maar door eene verrichting van mijn bewustzijn, dat die verbinding toestemt of ontkent. De voorstellingen en hunne verbindingen ontstaan buiten mijn wil, het oordeelen is een bewuste beslissing van mij zelf. Eerst als ik overtuigd ben van de waarheid in de voorstellingsverbinding vervat, eerst dan bestaat een oordeel.
Hoe weten we nu, of zoo'n combinatie van voorstellingen waarheid bevat? Wat is het kenmerk der waarheid?
De onmiddellijke verzekerdheid van den wijze, die deel heeft aan het wereldvernuft is de grond voor de waarheid.
Physica en metaphysica.
De Stoïcijnen vatten de oerstof weer op: als zoodanig geldt het vuur van Heraclitus, dat zich weer in de andere elementen omzet. Met den denker van Ephese erkennen ze dan ook de strenge wettelijkheid van al 't wereldgebeuren.
De geheele wereld is doorstroomd "bezield" met de godheid, die ook stoffelijk gedacht wordt: het pneuma [39]. De godheid is oorzaak van al 't gebeuren, alles loopt af naar haar beschikking. De Stoïcijnen hebben ontkend, dat er een tweestrijd zou bestaan tusschen causaliteit en voorzienigheid. Wel had de godheid, de logos (de rede, naam voor het pneuma ook gebruikt), alles vastgesteld, maar de ontwikkeling geschiedde volgens vaste wetten [40]. Aan elke gebeurtenis lag een vorige ten grondslag, die haar volle oorzaak was.
De Stoïcijnen hebben streng vastgehouden aan de causaliteit. Waar Aristoteles nog zich richtte op 't algemeene, of het vele, daar hebben zij vastgehouden dat ook het toevallige, het bijzondere, het enkele onderworpen was aan strenge wetten en bepaalde oorzaken had.
In hun causale natuuropvatting stemmen de Stoïcijnen dus overeen met Democritus. Maar ze missen zijn atomisme; dat er geen qualiteitsverschillen zijn, nemen ze niet aan. De qualiteiten bestaan voor hen ook weer als stoffelijke dingen, als lichamen en lichaampjes. Ze denken zich met Democritus de ziel stoffelijk; bestaat bij deze de ziel uit een bijzonder soort atomen (de fijnste, gladde, ronde), bij hen bestaat ze uit een bijzondere stof: het pneüm, een deel, een uitvloeisel van het wereldpneuma en daardoor heeft de mensch deel aan de godheid. De ziel is onsterfelijk, tot de groote wereldbrand ontstaat. Ze nemen met Heraclitus een periodiek verschijnen en verdwijnen aan; een ontstaan uit en een opgaan in de oerstof. Volgens sommigen Stoïci blijft alleen de ziel der wijzen zoolang bestaan.
Zooals de godheid de wereld beweegt en vervult zoo beweegt de ziel het lichaam en vervult het.
Daar ze de godheid als den grond der wereld aanzien, en de wereld als causale verwezenlijking van zijn wil, is hun wereldbeschouwing dus teleologisch: ze beschouwen de wereld en den mensch als doelmatig georganiseerd en bewijzen dat, tot in 't kleine en belachelijke afdalend. (Muizen b.v. zijn nuttig, omdat ze ons op ons bezit acht leeren geven).
Theologie.
Tot dusver hadden de denkers zich afgewend van de volksreligie: Xenophanes had de vermenschelijking der goden gegeeseld, bij Anaxagoras en Socrates vinden we nadering tot het monotheïsme. Protagoras was van asebie beschuldigd, Plato's hoogste idee staat tegenover de dagelijksche verschijnselen, Aristoteles stelt den eenen God op, die zichzelf beschouwt, de Cynici hadden de goden geloochend.
Bij de Stoïcijnen ontmoeten we een poging om het oude volksgeloof, het polytheïsme in hun systeem op te nemen en een geloofsleer te geven.
Naast den eenen God erkennen ze tal van anderen--pneuma's, uitvloeisels van het pneuma, ieder een deel bezielende en bewegende. Zoo zijn de sterren goden, enz. Ze duidden het volksgeloof om tot hun opvatting. Demeter, godin van den landbouw werd het pneuma van de velden, enz. Ja, ze gingen zoover dat ze de waarzeggerij en vogelwichelarij in hun systeem erkenden. Daar alles streng oorzakelijk samenhing in de wereld, kon er best fijner verband bestaan tusschen dingen, die schijnbaar niets met elkaar te maken hadden, en kon men van 't eene tot 't andere concludeeren.
De erkenning van vele goden en de waarde toegekend aan de waarzegging, maakt hun leer niet ongeschikt voor de Romeinen, wier staat zooveel hechtte aan de goden en wier staatsaangelegenheden nooit zonder ritueel en wichelarij volbracht werden.
Theodicee.
De Stoïcijnen hebben voor 't groote raadsel gestaan, hoe het kwaad, het zedelijke kwaad en de ellenden van het leven, in overeenstemming zijn te brengen met de doelmatigheid. Bij hen ontmoeten we de eerste pogingen eener theodicee.
Theodicee's zijn al oud. Het is bekend, dat velen in 't boek Job er een willen zien en onlangs heeft men een Babylonische theodicee ontdekt. In den jongeren tijd vindt men nog een van Leibniz. (§ 44).
Hoe verklaren nu de Stoïci het leed?
Allereerst ontkennen ze het physieke leed. Dood, lichamelijk lijden, armoede, dat alles is geen leed voor den wijze. Voor hem is het hoogste de deugd, en wat daarbuiten ligt is hem onverschillig. Leed, kwaad kan 't alleen worden door onze toestemming.
Zeer dikwijls komt ziekte ook door verkeerd gebruik. Men zou hier hun meening kunnen weergeven door Coornhert's vers:
Der dinghen recht gebruyck brengt vroolickheit en baet, Maar 't misbruik geeft niet dan schade met schuldigen pijne.
Wijst men erop, dat het den booze soms zooveel beter gaat dan den goede, dan zegt de Stoïcijn: het geluk van den booze is het schijngeluk, niet het ware, want het is de deugd niet. Het ongeluk der goeden is geen ongeluk, want het is de ondeugd niet.
Maar kon men zoo de ellenden, het stoffelijk kwaad omduiden of wegredeneeren, de Stoïcijnen, die zoo roerend konden klagen over de verdorvenheid van 't menschelijk geslacht, konden moeilijk de zedelijke slechtheid wegpraten. Ze stelden zich er dan ook mee tevreden, in algemeene wendingen een antwoord te geven op de vraag. Vooral betoonden ze daarbij, dat het goede alleen bestaan kan, indien zijn tegendeel, het kwade, aanwezig is: was er geen zonde, zoo was er ook geen deugd.
Misschien zou ook een dieper inzicht in de wereld leeren, dat de Voorzienigheid het booze slechts als middel had gebruikt, dat, schijnbaar weerstrevend, tòch het goede verwezenlijken moest.
Ethiek.
De kern van de Stoïsche leer ligt in haar ethiek; hier hebben ze ook met groote kracht gewerkt en het hoogste zedelijke ideaal van alle Helleensche scholen bereikt. En met dat ideaal hebben ze ernst gemaakt. De deugd is niet alleen het hoogste goed (summum bonum), het is ook het eenigst goed. Deugd zelf was te bereiken door overeenkomstig de natuur te leven (natura convenienter vivere.) Hun begrip natuur was echter een heel ander dan dat der Cynici, voor wie natuur de tegenstelling tot beschaving was. De tegenstelling die de oudheid maakte tusschen de natuur als 't geheel der dingen en de specifiek menschelijke natuur kende de Stoa niet. De mensch is een deel der natuur, ook in hem werkt iets van het albezielende pneuma. De natuur wordt geregeerd door een goddelijke rede, die ook in den mensch leeft. Leven overeenkomstig de natuur is dus, leven overeenkomstig ons diepste wezen, d. i. als redelijk, maatschappelijk, naastenlievend mensch.
Deze stelling nu bewezen ze niet. Ze is voor hen klaarblijkelijk.--Ze gaan uit van het natuurlijk plichtbesef, dat in ieder leeft: ze voeren het beginsel van den plicht in.
Tegenover de Cynici kenden ze noch aan andere dingen waarde toe, noch ontkenden ze de waarde van andere dingen. Ziekte of gezondheid, dood of leven, kracht of zwakte, rijkdom of armoe zijn onverschillig. De Cynici kenden rijkdom en beschaving als rampen, Aristoteles als middel, noodig om tot een beschouwend, wetenschappelijk leven te komen. Zij achtten ze niet begeerenswaard; zoo men ze bezat niet te verwerpen. Het leven was onverschillig: kon men met zijn leven geen goed meer doen, dan was zelfmoord ook geoorloofd.
De deugd mag dan ook nooit gezocht worden om de bevrediging die ze geeft: deze kan er hoogstens het gevolg van zijn, en de wijze zal dan het genot, dat hij vindt, niet verlengen.
De deugd is één. Vier kardinaaldeugden kennen ze dus niet. Zoo ze die vier bekende deugden aannemen, dan zijn deze eenvoudig verschillende uitingen der ééne deugd.
Ook bij hen staat het inzicht bovenaan. Vooral moet men oppassen voor de gemoedsberoeringen (perturbationes animi), de emotie, zouden wij zeggen. Deze hebben steeds de tendentie, ons verstand te benevelen, ons oordeel minder helder te maken. De Stoïci zijn dus door en door verstandsmenschen.
De deugd is één. Men bezit haar of bezit haar niet. De Stoïcijnsche leer doet eenigszins denken aan de oude romans, waarin de engelen des lichts strijden tegen de duivelen der duisternisse. Men is deugdzaam--een wijze--, of niet-deugdzaam--een dwaze--. Als men naar Rome wil en er niet komt, dan doet het er voor 't bereiken van 't doel niets toe, of men er 1000 mijlen of één mijl van verwijderd blijft. Zoo ook met de deugd.
Daarbij letten ze op de gezindheid, niet op de handeling. Een handeling kon wel volkomen in den haak zijn, zonder goede gezindheid. Iemand kan b.v. (om een modern voorbeeld te nemen) zijne betrekking met stiptheid en volkomen eerlijkheid vervullen, omdat hij begrijpt, dat het hem anders zijn betrekking zou kunnen kosten. Hij doet dan een betamende handeling. Maar het motief is niet zedelijk plichtbesef, doch eigenbelang.
Hiertegenover staat de echt deugdzame, die handelt uit inzicht en zedelijken wil. Dit alleen is zedelijk goed.
Deze onderscheiding is van veel belang. Kant heeft haar later geteekend in de uitdrukkingen: legaal en moraal. Legaal is het overeenkomende met de wet, de betamende handeling, moraal het zedelijk inzicht. Herbart heeft met zijn scherpen paedagogischen blik deze onderscheiding toegepast in de opvoedkunde, waarbij hij de zedelijke opvoeding liet bestaan in regeering en tucht; waar het doel van de eerste is, den discipel te brengen tot legaal, betamend handelen, wil de tweede hem tot zedelijke gezindheid brengen. Deze belangrijke onderscheiding doet zich ook nu nog dikwijls voor. B. v. in de leer der samenleving kan men vragen, of de staat te rekenen heeft met de handeling of de gezindheid zijner burgers, een nog niet beslist probleem.
In den staat zagen de Stoïcijnen niets. Ze achtten de vriendschap wel als gemeenzaamheid van redelijke menschen, en komen tot de gemeenschap van alle menschen; ze zijn de eerste cosmopolieten, wereldburgers, en hechten weinig aan de idee Staat. In het Romeinsche keizerrijk was hun ideaal ten deele verwezenlijkt.
Het is duidelijk, dat hun leer practisch groote gevaren moest meebrengen. Ze kon aanleiding geven tot pessimisme; als alle gradatie aan de deugd ontzegd werd, was het voor bijna niemand mogelijk, deugdzaam te worden. Paedagogisch werkte deze leer niet. Een vooruitkomen werd zoo goed als onmogelijk. Al kwam iemand nog zoo veel vooruit, maar bereikte hij de deugd niet, dan bleef hij een dwaze. Zoo kon een hoog, streng zedelijk ideaal in de practijk immoreel werken.
Reeds met Chrysippus begon de verflauwing der grenzen. De tegenstelling tusschen wijze en dwaze werd verzacht door het invoeren van den strevende, die, de deugd nog niet bereikt hebbende, er naar streefde een wijze te worden.
De onverschillige goederen werden ingedeeld in echt-onverschillige, te verkiezen en te verwerpen goederen. Streng hebben alle Stoïci zich hieraan niet gehouden en hun verhouding ten opzichte van deze kwestie is niet altijd gelijk.
De tijd vroeg vooral van de wijsbegeerte: teeken ons den mensch, zooals hij zijn moet. En verschillende scholen hebben getracht een beeld van den wijze te ontwerpen, een ideaal-wijze te teekenen.
De wijze der Stoïcijnen bewaart onder alle omstandigheden des levens zijn gemoedsrust. Hij matigt zijn hartstochten niet, maar overheerscht ze volmaaktelijk. Hij bezit dus de Stoïsche apathie. Niet door het leed of de vreugde, die hij misschien nog wel gevoelt, laat hij zich leiden, maar door wat zijn zuivere rede hem voorschrijft. Hij vergist zich niet, hij verwondert zich niet, hij veronderstelt niet, hij weet. Daar hij zich steeds door redelijke overwegingen laat leiden, is hij consequent.
Medelijden is hem vreemd; toch zal hij wel helpen. Zijn practisch leven is niet uit te beelden. Als armste zal men hem kunnen vinden, ook als vorst op den troon. Voor zijn levensonderhoud zal hij zorgen, tenzij hoogere plichten hem dit onmogelijk maken. Als privaat persoon kan hij gelukkig zijn, maar werkzaamheid in den staat behoeft hij niet te schuwen.
De wijze is de ware koning, de ware wijze de ware gelukkige. Want hij heeft 't eenige, dat iets beteekent in de wereld: de deugd. Rustig schrijdt hij voort door 't leven, niet geplaagd door berouw over 't verleden, waarin hij redelijk handelde, niet verontrust door de toekomst, die hem de deugd niet rooven kan.
"Aan de Stoïcijnsche ethica komt de roem toe, dat in haar het rijpste en hoogste, wat het zedelijk leven der oudheid voortgebracht heeft, het best geformuleerd is: de waarde der zedelijke persoonlijkheid; de overwinning der wereld in de zelfoverwinning van den mensch; de onderwerping van den enkeling aan de wereldwet; zijn inlijving in een ideaal verband van geesten, waardoor hij verre verheven werd boven de grenzen van zijn aardsche leven; daarbij een energiek plichtsgevoel, dat hem krachtdadig een plaats deed vervullen in het werkelijk leven--het zijn alle kenmerken van een wereldbeschouwing, die een der zegenrijkste en meest grootsche is in de geschiedenis der menschelijke overtuigingen."
§ 24b. De Epicuristen.
Sluiten de Stoïcijnen met hun leer van de deugd als eenig en hoogste goed aan bij de Cynici, aan de Cyrenaïci met hun verheffen van den lust als eenig princiep toonen zich de Epicuristen verwant.
Hun school werd gesticht door Epicurus (341-270), die als zoon van een Atheensch burger te Samos geboren werd. Hij had weinig onderricht gehad, was een autodidact, waarmee zijn geringe liefde voor de wetenschap schijnt samen te hangen. Hij heeft enorm veel geschreven, maar dit is grootendeels verloren gegaan. In het leerdicht van Lucretius Carus (96-55) vinden we een schoone, dichterlijke behandeling der Epicurische leer.
Die leer is veel meer een gesloten geheel geweest dan de Stoïcijnsche. Ze was meer geschikt voor 't practische leven, eischte dus minder omvorming. De weinige belangstelling voor theoretische wetenschap was geen prikkel tot verder onderzoek. Vele mannen van beteekenis, die zich zelfstandig met de leer konden bezighouden, hebben niet tot haar behoord.
Epicurus heeft zijn leer min of meer in "formules" gebracht, en die er "ingestampt," zoodat er een zeker houvast was voor zijn jongeren.