Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2

Part 8

Chapter 83,728 wordsPublic domain

Een belangrijk vraagpunt heeft Aristoteles wel aangeroerd, maar niet uitgewerkt. We zullen 't later terugvinden in de M. E., waar het, hoewel in gewijzigden vorm, een tijdlang in het brandpunt van het denken stond (nominalisme en realisme, zie § 31, bladz. 187).

In het ding verwezenlijkt zich het begrip. Maar wat is nu het eigenlijke: is dit het ding, of het begrip. Wat moeten we als het wezenlijk bestaande opvatten, dien hond en dien hond, of den hond, die wel nergens aan te wijzen is, maar in al die dingen zit.

Aristoteles is te veel man van de werkelijkheid en zijn blik is te veel op 't wezen der dingen gericht, dan dat hij niet zou inzien, dat de werkelijke dingen een zeker bestaan hebben. Maar anderzijds zag hij toch heel goed, dat de wetenschap zich moet bezighouden met begrippen en dat het algemeene, niet het bijzondere, het eigenlijk doel van wetenschappelijk onderzoek is.

Zoo komt hij er dan ook toe, het ding een bestaan toe te kennen en van soortbegrippen te spreken als tweede zelfstandigheden, "bestaandheden," zonder uit te maken, wat het eigenlijk is.

In ieder hond b.v. merkt men op het algemeene, maar ook iets toevalligs, iets bijkomstig, dat die hond nu juist heeft, b.v. een dikkere of dunnere beharing. Aristoteles wil deze toevalligheden veronachtzamen: hij telt ze niet mee. Zijn denken richt zich op het algemeene of het meeste. Treffend is het, dat de oudheid er bijna niet toe kon komen, om ook in het bijzondere, het schijnbaar toevallige, gevolgen te zien van algemeen werkende oorzaken. We zullen zien hoe de Renaissance, toen ze haar kamp begon tegen de middeleeuwsche filosofie, juist overal het individueele opzocht, en dat dit veel meer dan het algemeene tot haar sprak.

Een enkel woord over Aristoteles' sterrenkundige opvattingen mag niet uitblijven: door haar werden in de M. E. de zooveel juistere ideeën der Pythagoreërs niet gevolgd.

In het midden bevindt zich de aarde; dan de sfeer van maan, zon en planeten, dan de vaste sterren. De sterren wentelen zich in zuivere cirkels: de volmaakste beweging. Geen verandering is in de wereld der vaste sterren. Daar is het eeuwige, onveranderlijke, het vaste, niet afwijkende, het hemelsche tegenover het aardsche, het ondermaansche, waar wel beweging en verandering is. De sfeer der vaste sterren bestaat uit aether, een vijfde element naast de vier van Empedocles.

Dan komen de planeten die zich in verschillende banen bewegen, niet meer zuiver cirkelrond. Dan de aarde in 't midden.

De godheid beweegt de sfeer der vaste sterren, deze de planeten; van hier uit wordt de aarde bewogen. Aristoteles erkent den invloed der planeten op de aarde, een geloof, dat nog lang, tot over de M. E. heeft voortbestaan, en nu nog eenigszins voortsukkelt onder de "planetenlezers."

De aarde bestaat uit Empedocles' vier elementen water, aarde, lucht en vuur: in tegenstelling tot de sterren hebben ze een rechtlijnige beweging. Het vuur wil uit het middelpunt; de aarde nàar het middelpunt; het water gaat met de aarde maar wat minder sterk; de lucht eveneens wat minder sterk met het vuur uit het middelpunt.

Zoo krijgt dan elk element zijn natuurlijke plaats.

In het midden de vaste aarde, dan water en lucht er om heen, dan het vuur. Heeft een element zijn natuurlijke plaats bereikt, dan stokt de beweging; dit is een onderscheid met de eeuwig voortloopende beweging der cirkels.

Met deze theorie van het opeenhoopen van het zware hangt het geloof aan één wereld samen, want kwamen er meer, ze zouden elkaar weer zoeken.

In de M. E. behield men dit systeem met geringe wijzigingen en knoopte er allerlei theologische beschouwingen aan vast (één wereld, want Christus was maar éénmaal gestorven: waren er vele werelden, dan had hij vele malen den zoendood moeten sterven). Men stelde de aarde niet alleen naar haar plaats maar ook naar haar belang in 't middelpunt. Alles was om de aarde en om den mensch.

§ 20. Zielkunde. Ethiek. Staatsleer.

We hebben gezien, hoe op 't gebied der kennis een even groote kloof bestond als op dat der wereldbeschouwing. Zooals men daar zijn en worden tegenover elkaar stelde, had men bij het ontstaan van kennis de waarneming en het denken tegenover elkaar geplaatst. Anaxagoras, zich beklagend over de onvoldoendheid onzer waarneming, had ze echter voor alleszins betrouwbaar gehouden. De Eleaten hadden onze waarnemingen voor niets dan bedrieglijken schijn uitgemaakt; het werkelijk zijnde, waartoe we moesten komen door denken, konden we aanschouwen noch kennen. Democritus, steunende op Protagoras' leer van de subjectiviteit onzer zinnelijke indrukken, had deze laatste voor doxa verklaard, het kennen der atomen en hunne beweging voor alleen mogelijke waarachtige kennis. Hij was dus wel iets verder dan Anaxagoras in zooverre hij verklaarde dat we 't zijnde kunnen kennen en ook een inzicht had in de subjectiviteit van onze zinnelijke waarnemingen. Echte waarheid had hij dezen ontzegd.--Bij Plato was het eveneens. Ook voor hem bestond een werkelijk kennen van het zijnde, van de idee, maar de kennis der buitenwereld gaf geen reëele kennis.

Tot dusver hebben de Grieksche denkers wel de tegenstelling van waarneming en denken gevoeld, hebben een van beide voor vertrouwbaar verklaard, en het andere onbetrouwbaar of slechts relatieve waarheid gevend geacht, maar geen heeft de innige samenwerking van waarneming en denken kunnen aanwijzen en dus aantoonen, hoe de mensch langs den weg der waarneming tot kennis komt.

Het is Aristoteles, die dit beproefd heeft, krachtens zijn onderscheiding van potentieel en actueel en onder aanwending van zijn begrip der ontwikkeling. Ook hier volgt het hoogere wel op het lagere en eischt dit als noodzakelijke voorwaarde, maar het volgt er niet uit.

We beginnen met de waarneming. Potentieel is nu als 't ware in onze zintuigen de waarneming al aanwezig; door den prikkel van de buitenwereld gaat dit over in actualiteit. We krijgen zoo den vorm alleen, niet de stof van het waargenomene. Aan één ding nemen we verschillende eigenschappen waar met verschillende zintuigen, b.v. bij een perzik tegelijk zijn mooie kleur en zijn zachtheid. Buiten de gewone zinnen stelt Aristoteles nu een zin, waarin alle gewaarwordingen als uitloopen en waarin de verschillende waarnemingen tot één worden [35]: den gemeenschappelijken zin.

Die zin is dan tegelijk de zin, die ons de gewaarwording geeft van onzen bewustzijnstoestand; door hem weten we, dat we waarnemen.

In den gemeenschappelijken zin blijven nu de waarnemingen als voorstellingen bewaard. Hij is ook de plaats der herinnering.

Boven het waarnemen en voorstellen staat het denken, dat den mensch specifiek eigen is. Aristoteles echter weet, dat de rede eerst werken kan, als er stof is. In zooverre hij nu ziet op de rede als algemeen menschelijke organisatie noemt hij die actief (noes poiêtikos) in zoover hij het oog heeft op de stof, waarmee de rede werkt, gebruikt hij den naam passief (noes pathêtikos).

Deze werkzame ziel is allen menschen gemeen: het is de verpersoonlijking van de organisatie van onzen geest. We nemen deze kennis volgens bepaalde wetten op; verwerken haar volgens bepaalde wetten. Die zijn bij alle menschen gelijk. Een mensch b.v. moet onmiddellijk toestemmen, dat A niet tegelijkertijd B en niet-B kan zijn; dat iemand niet tegelijk wèl en nièt in een plaats kan zijn.

Dit gemeenschappelijke staat tegenover het individueele, dat, wat een mensch eigen is krachtens zijn aanleg, zijn ervaring, zijn omgeving. De regel, dat A niet tegelijk wèl en nièt-B kan zijn, vindt b.v. zijn toepassing in het geval: dat een stof niet tegelijk lichter en zwaarder kan zijn dan een andere stof. Dit is de passieve rede tegenover de actieve.

Met deze kenleer hangt samen de zielleer van Aristoteles.

Voor Aristoteles bestaat de eenheid van het bewustzijn, niet echter de eenheid der ziel. Hij neemt allereerst aan een vegetatieve ziel, die zich alleen richt op de vegetatieve werkingen (bestaan en voortplanten). De planten hebben deze ziel alleen. Dan komt de animale ziel, die de dieren er nog bij bezitten, die ze doet waarnemen en oorzaak is van zelfbeweging. Behalve deze beide heeft de mensch dan nog de noes, de rede, die hij, zooals we op de vorige pagina zagen, in passieve en actieve onderscheidt.

Het is nu de vraag aan welk deel Aristoteles de onsterfelijkheid toegeschreven heeft. In den Renaissancetijd, toen men ook door de Arabische vertaling van Aristoteles, (zie o. a. § 30,) zijne werken weer meer begon te bestudeeren, heeft men daar zeer verschillende theorieën over opgesteld. Het schijnt wel, dat Aristoteles alleen aan de actieve rede de onsterfelijkheid heeft toegeschreven, maar daar dit een in alle menschen inwonend beginsel is, is dit eigenlijk geen individueele onsterfelijkheid. Want van alle menschen blijft het gelijke over.

Zij, die dit zoo opvatten, moesten dan ook van hunne tegenstanders hooren, dat het een feitelijk pantheïsme was.

Ook in zijn zedeleer heeft Aristoteles de tegenstelling minder scherp gesteld dan Plato. Is bij deze alleen de kennis, de idee het ware, alle andere goederen niets beteekenend, Aristoteles heeft oog voor het meer werkelijk leven. Niet wereldvliedend, maar wereldzoekend is zijn zedeleer. Allereerst erkent hij een zeker aantal "goederen," als middel wenschelijk, ten einde tot deugd te komen; daaronder behooren gezondheid, vermogen en vrije tijd. Ontbreken ze, dan is er te veel getob, worden onze denkverrichtingen gehinderd. Te veel geld kan ook weer te veel zorgen geven.

Het hoogste geluk en de hoogste deugd is de kennis: het inzicht, het zich wijden aan studie. In zekeren zin is dus Aristoteles' zedeleer eudemonistisch, daar hij een lust begeert. Deze echter is de uitoefening van dat wat den mensch tot mensch stempelt: zijn denken. Want voor Aristoteles is het geluk van elke soort weggelegd in het verrichten van wat bij zijn aard [36] past.

Het inzicht echter--en hier scheidt zijn weg zich van Socrates--is niet voldoende. Men moet ook de hartstochten kunnen beheerschen en verkrijgt dit eerst door opvoeding en gewenning. Deze beide zijn dus noodzaak en plicht voor den staat. In het begin zal dit beheerschen moeite kosten, geleidelijk zal het gemakkelijker worden.

Deze deugden zijn de ethische. Hun bezit stelt den mensch in staat, dat te doen, wat zijn inzicht hem voorschrijft. Ze staan dan in zekeren zin onder die deugden welke uit inzicht voortkomen en met haar samenhangen: de dianoëtische.

Aristoteles heeft geen stelsel van deugden gegeven en niet aangewezen hoe ze zich verbinden. Wel heeft hij sommige deugden uitvoerig behandeld, b.v. de vriendschap, die bij hem zoo ongeveer de plaats der liefde inneemt, en die hij uitstekend beschrijft in de eerste boeken van zijn Ethica.

Het kenmerk van een deugd is een middenhouden tusschen twee uitersten. Dapper is 't rechte midden tusschen onbezonnenheid, doldriestheid en lafheid; fierheid het juiste midden tusschen opgeblazenheid en kleinmoedigheid.

Aristoteles' zedeleer gaat uit van de vrijheid van den wil. De mensch heeft het in zijn macht, te doen en te laten wat hij wil. De vrijheid maakt het mogelijk de begeerten, die tegen het inzicht ingaan, te onderwerpen.

We zien dus in Aristoteles' ethiek een aantal elementen opgenomen van vroegere denkers.

Ons streven gaat naar lust, maar de lust is kennis. Zoo sluit hij zich aan bij Socrates en Plato, en weet het goede op te nemen van hen, die lust als ethisch beginsel verwerpen. Aardsche goederen weet hij te waardeeren, als de Cyrenaïci; ze zijn echter niet als bij dezen het doel, maar middel: een te veel schaadt, geeft bezorgdheid om het bezit. Dit element herinnert aan de Cynici, aan hun leer, dat men zich los moet maken van de behoefte. In de kennis ziet hij den hoogsten lust, als Plato in de kennis der idee: deze kennis is echter meer een werkzaam beschouwen van de idee dan een zich in haar vergeten.

De wijze voorschriften der ouden, de toepassing daarvan in het dagelijksch leven, de gewone deugd weet hij te waardeeren: als hij in 't juiste midden het kenmerk der deugd ziet, dan herinnert dit aan het "mêden agan"--het "niets te veel" van een der oude wijzen.

In zijn moraal blijft hij als in zijne zielkunde intellectualistisch. Zooals het verstand het hoogste in de ziel is en het primaire, zoo is ook de ethiek intellectualistisch: de wijsheid is de hoogste deugd, het ware geluk bestaat in theoretische beschouwing. Hiermee stemt het intellectualistisch karakter zijner theologie overeen: kenmerk van de Godheid is het ware denken.

Staat.

Het is zeker niet te gewaagd, hier verband te zien tusschen deze opvatting en zijn eigen aard en aanleg. Deze op de werkelijkheid en de waarneming gerichte strekking van zijn denken, spreekt zich ook uit in zijn opvatting van den staat. Hij ontwerpt niet, als Plato, een ideaalstaat, maar sluit zich aan bij wat gegeven is en ziet in, dat er niet een staat te bedenken is, voor alle toestanden geldend, maar dat dit ook afhangt van de bewoners.

Drie geschikte staatsvormen zijn: het koningschap, de aristocratie, de republiek. Onder aristocratie verstaat Aristoteles dan de "geestesaristocratie," niet die van geld of geboorte. Ontaardingen dezer drie zijn de tyrannie, oligarchie (familieregeering) en ochlocratie (regeering van den grooten hoop). De staat is goed, als hij zijn doel, de zedelijke vorming der burgers, goed vervult en niet dienstig gemaakt wordt aan persoons- of partijbelangen. Een staat, steunende op den middenstand, de boeren speciaal, schijnt Aristoteles het best geleken te hebben. Evenmin als Plato heeft hij zich boven den stad-staat der Grieken weten te verheffen.

Dat een staat langzamerhand veranderen kan van doel en dan niet de taak meer behoeft te vervullen, voor welke hij oorspronkelijk aangewezen was, zag Aristoteles helder in, daarmee vele menschen van den tegenwoordigen tijd vooruit zijnde, die, van een bepaald staatsbegrip uitgaande, bepaalde werkzaamheden of verrichtingen buiten de staatsbemoeiing willen stellen, "omdat dit niet de taak van den staat is."

Ook voor de zedelijke ontwikkeling van den mensch acht Aristoteles den staat van ongemeen belang. De mensch is een zoön politikon, een gemeenschapswezen. Als zoodanig kan hij eerst in de samenleving de volle ontplooiing zijner persoonlijkheid toonen. Met een modern beeld zouden we kunnen zeggen, dat eerst als Vrijdag bij Robinson op zijn eiland komt, zekere deugden kunnen ontstaan of zich toonen. (Vgl. § 43, 48).

De staat heeft door opvoeding mede te werken aan de vorming der burgers tot deugdzame menschen. Het fragment waarin Aristoteles over de opvoeding spreekt, is helaas verloren.

Ook over kunst heeft Aristoteles geschreven. Hij ziet in de kunst een afbeelding der werkelijkheid, echter niet zooals die is, met haar toevallig bijkomende omstandigheden, maar zooals ze moèt of kan zijn. In zekeren zin is dan de kunst weergave eener geïdealiseerde werkelijkheid. In het bijzonder schrijft hij nog over 't drama, dat zich kenmerken zal door eenheid, zoo, dat elk deel noodig is tot recht verstaan van 't geheel, dat zonder dat deel 't geheel niet àf zou zijn. Betwijfeld mag worden, of Aristoteles de dikwijls aan hem toegeschreven eischen van eenheid van plaats en tijd wel zoo gesteld heeft, als gemeenlijk wordt opgevat. (Zelfde plaats, tijd één dag).

Het doel van het treurspel, dat medelijden en vrees opwekt, en tegelijk ook aesthetisch genot, is de loutering der hartstochten, de katharsis. Over dit begrip der reiniging is veel geschreven. Een behandeling zou ons te ver voeren.

§ 21. De Logica.

De meest schitterende schepping van Aristoteles is zijn formeele logica. Het is in de geschiedenis een zeer zeldzaam feit, dat in den loop van twintig jaren de grondslagen eener wetenschap nog niet gewijzigd zijn. Zoo bouwen we nog voort op de meetkunde der Grieken, op de logica van Aristoteles. Feitelijk heeft hij hier voor alles reeds den grondslag gelegd. Hoe kwam Aristoteles er toe zijn Logica te schrijven?

We hebben gezien, dat het Socrates' verdienste is geweest, weer het geloof in de vindbaarheid der waarheid opgewekt te hebben en dat hij in de nauwkeurige begripsvorming daarvan het begin zocht. Bij Aristoteles meer dan bij Plato moest nu de neiging ontstaan, om nauwkeurig te zoeken naar vaste regels voor 't bewijzen en verklaren. Dit streven is het uitgangspunt van zijn Logica.

Ze was dus als 't ware een wetenschap, die alle andere vooraan moest gaan, ze gaf de regels, die bij alle andere wetenschappen aangewend werden. Aristoteles achtte het onderricht in de logica een soort inleiding tot de wijsbegeerte, een propaedeusis [37]. Ze was het werktuig, waarmee men werken moest: het organon. (Vergelijk Bacon).

Hij behandelde nu: hoe men uit premissen tot een conclusie komt, en ging de gevallen na, waarin men tot een conclusie kwam. Hij experimenteerde met zijn eigen denken. Maar eenmaal aangenomen de premissen, kon men weer vragen, waaraan deze haar zekerheid ontleenen. Zoo kwam men tot oordeelen van steeds algemeener aard en Aristoteles begreep, dat men ten slotte komen moest tot oordeelen, die niet nader af te leiden waren, maar onmiddellijk evident. Als zoodanig noemt hij het principium contradictionis: A kan niet tegelijk B en niet-B zijn. Verder, zegt hij, zijn er voor elke wetenschap aparte beginselen. Hij gaat er echter niet toe over, die beginselen nader te behandelen.

Als er dus algemeene oordeelen zijn, die evident zijn, moeten ze opgesteld worden. Dit moet door de ervaring geschieden. Om tot deze oordeelen te komen, moet men uitgaan van het bijzondere en tot het algemeene komen. Hierbij gaat men dan den omgekeerden weg van dien men bij het syllogisme inslaat: bij dit de deductie, bij het eerste inductie.

De werkzaamheid van het denken, die deze eerste oordeelen opzoekt, heet dialectiek. Hij behandelt haar in zijn Logica.

Niet alleen met oordeelen, ook met begrippen heeft de logica te doen. Men kan uit een naast hooger begrip b.v. gewerveld dier, een lager begrip b.v. zoogdier afleiden, door toevoeging van een kenmerk. Een gewerveld dier, dat levende jongen ter wereld brengt, een standvastige bloedtemperatuur bezit en 7 halswervels heeft, is een zoogdier. Dit is een definitie, een bepaling, een begrenzing (horismos vgl. horizon), zooals Aristoteles dat noemt. Bij de definitie van zoogdier heeft men gebruik gemaakt van gewerveld dier. Definieert men dat weer, zoo komt men weer tot een algemeener begrip terug. Zoo komt men ook bij de begrippen ten slotte tot niet nader te bepalen begrippen. Ook zij moeten inductief gezocht worden.

§ 22. Enkele opmerkingen over Aristoteles' beteekenis.

Beurtelings te hoog vereerd en als de filosoof bij uitnemendheid (kat 'exochên) geprezen, daarna uit reactie verguisd, blijft Aristoteles een der geweldigste denkers die de wereld heeft bezeten en is zijn werk van beteekenis geweest voor heel ons denken.

In zijn werk is de samenvatting van al het Grieksche weten. Na hem heeft de Grieksche wetenschap (de wijsbegeerte) niet veel nieuws geschapen. De rivieren der vele stelsels zijn in de zee van Aristoteles uitgestroomd. Uit de zee hebben zich haffen en golven en binnenzeeën gevormd, ieder wel met eigen aard, maar gevuld met water, dat in de groote zee was. Door zijn groote eerlijkheid en wetenschappelijke betrouwbaarheid zijn zijn werken bronnen geweest, waaruit wij onze kennis van vroegere filosofie hebben kunnen putten, en dat reeds maakt hem zeer gewichtig voor 't westersch denken.

Als schoolhoofd heeft hij bezielend gewerkt en de peripatetische school mag in de wijsbegeerte niet veel meer tot stand gebracht hebben, in de aparte wetenschappen heeft ze merkbaar bijgedragen tot verrijking en vermeerdering.

Wat zijne wetenschappelijke resultaten aangaat:

Hij heeft hoogstwaarschijnlijk voor goed den grondslag gelegd voor een belangrijke filosofische wetenschap, de logica. Eveneens heeft hij de æsthetica als zelfstandige wetenschap gegrondvest.

Hij heeft het begrip der ontwikkeling in de wetenschap systematisch aangewend.

Hij heeft het voorbeeld gegeven van een systematische behandeling op ervaring en feiten gegrond.

Hij voerde de wetenschappelijke behandeling in van wetenschappelijke vraagstukken; hij is niet alleen de vader der logica, maar ook die van den wetenschappelijken vorm.

Naast deze algemeene beginselen zouden zich natuurlijk een aantal kostbare bijzonderheden laten aanwijzen: zoo zijn opstellen der associatiewetten, zijne fijn psychologische beschrijvingen [38], enz.

Daartegenover staat, dat Aristoteles door zijne teleologische beschouwingen op het onderzoek remmend gewerkt heeft. Of dit echter niet evenveel ligt aan zijn aanhangers als aan hem? Maar ongetwijfeld moesten zijne dwalingen wel nadeeliger werken dan die van een minderen god.

Wanneer er allerlei stoute beweringen uitgesproken worden, b.v. dat er wezens moeten zijn die uit vuur bestaan, evengoed als die uit aarde en water, dat ze op aarde niet moeten wonen, maar op de maan;--dat de hersenen een afkoelingsapparaat zijn van de uit 't hart opstijgende warmte; wanneer hij, zoo hij 't doel niet ziet van een orgaan hij er een bij fantaseert, soms ongeveer met een, tegenovergesteld aan de ons bekende werking; dan is het duidelijk, dat hier een prikkel ligt om op deze wijze voort te bouwen en dat licht een nog meer de ervaring ontwende speculatie tot allerlei dwaasheden kon komen. Het is intusschen onbillijk bij deze opvatting te blijven staan.

Ook op ethisch gebied is zijn werk een der hoogtepunten der Grieksche wetenschap. Wel is 't ons menigmaal gebleken, hoe ver wij van de Grieksche ethiek afstaan. Deze had toch eigenlijk alleen 't oog op aardsche bevoorrechting, en wat ons als eerste deugden toeschijnen, was hun vaak vreemd.

Het Christendom heeft op ethisch gebied elementen in onze beschaving gebracht, die er niet meer uit weggenomen kunnen worden. Maar toch ligt ook voor ons in Aristoteles' ethiek veel van blijvende waarde: de liefde voor de wetenschap, beheersching der neigingen, de waardeschatting der aardsche goederen niet als doel, maar als middel om een zedelijk ideaal te verwezenlijken.

HOOFDSTUK V.

DE HELLEENSCH-ROMEINSCHE WIJSBEGEERTE.

§ 23. Inleidende opmerkingen.

We schetsten in enkele omtrekken de Grieksche geschiedenis, en zagen, hoe na 404 Athene's grootheid vervallen was en nooit weer opkwam. Dit was eveneens zoo met geheel Griekenland. De slag bij Chaeronea, waar Filippus van Macedonië in 338 de Grieken overwon, had de republikeinsche vrijheid ten onder gebracht. In naam bondgenooten, waren de Grieksche steden in werkelijkheid onderdanig aan Macedonië geworden. Onderdanig waren ze ook geweest aan den Macedoonschen koning Alexander, die in zijn regeeringsjaren (336-323) snel een wereldrijk stichtte door 't geheele Perzische rijk, Egypte, Syrië, Klein-Azië, Babylonië te veroveren en tot den Indus door te dringen. Maar dit staatkundig onderworpen zijn aan Alexander maakte hun beschaving tot heerscheres der wereld. Alexander had een hoog ideaal: zijn uitgestrekt rijk wilde hij tot een eenheid maken, door beide, Oostersche en Grieksche cultuur gelijkelijk tot hun recht te laten komen, en daaruit een nieuwe beschaving te doen ontstaan. Doch de Grieksche cultuur, als de sterkere en hoogere, overwon: Alexander's poging kwam neer op verbreiding der Grieksche beschaving. Stichting van steden met Grieksche bevolking, gelijkheid in munt, bevordering van handel en verkeer, omgang tusschen de verschillende volkeren, 't waren allemaal factoren, die meewerkten tot verbreiding van Grieksche kunst en kennis.