Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2
Part 7
De dingen gelijken eenigszins op de ideeën: zij worden bewogen, omdat zij streven naar hun doel: de idee. Maar, als de dingen dan nabootsing zijn der idee, waarom zijn ze dan geen zuivere maar een gebrekkige nabootsing? Er moet dus een medeoorzaak zijn, die de volkomen verwezenlijking van het doel tegenwerkt. Dit is de ruimte, die omgevormd wordt tot de dingen, waardoor zekere tegenwerking de oorzaak wordt van het onvolkomene der dingen [31]. De wereld der dingen is een menging van zijn en niet zijn. Deze metafysische gedachte heeft ook een theologische uitdrukking: met het oog op de ideeën heeft een wereldvormende God, de demioergos de dingen geschapen.
Op ouder leeftijd heeft Plato dan zijn ideeënleer in overeenstemming trachten te brengen met de Pythagoreïsche getallenleer. Deze ging uit van de eenheid, zoo ook hij. De eenheid viel samen met de opperste idee. De neo-Platonici hieraan aanknoopend, hebben uit het Eene alles laten voortkomen als uitstraling, als emanatie (bladz. 153). Hoe verder van de eenheid af, hoe minder bestaan en hoe minder volkomenheid. De scherpe scheiding tusschen de volkomen, reëele wereld der ideeën en de onvolkomen, niet waarachtig zijnde, maar wordende wereld der dingen wordt opgeheven; er is meer of minder realiteit en daarmee meer of minder volkomenheid. In de middeleeuwen had deze gedachte veel invloed. (Vergelijk 't godsbewijs van Anselmus v. Canterbury pag. 190).
In het Symposion wordt de schoone voorstelling gegeven van het heimwee der ziel naar de idee. De liefde, die begint met liefde voor één schoon lichaam, wordt liefde voor hét schoone, voor het geestelijk schoone, voor het goede. Eros is de kracht, die den mensch leidt en stuurt [32].
§ 15. Theologische en Ethische begrippen.
Plato kent drie werkzaamheden der ziel: het begeeren, het willen, het zuivere kennen.
Later ging hij verder en sprak van de drie deelen der ziel, die hun plaats hadden in onderlijf, hart en hoofd. De onsterfelijkheid kwam dan alleen aan het vernuft, de kennende ziel, de rede toe. (Zie bl. 97).
In zijn Phaedo spreekt Plato over zijn vast geloof aan de onsterfelijkheid. Gedeeltelijk schijnt hij zijn voorstellingen op dit gebied te hebben ontleend aan de orphische mystiek, waarover reeds gesproken werd (bladz. 11).
Met de drie deelen der ziel komen drie deugden overeen: onze begeerten moeten worden beheerscht door de deugd der bezonnenheid (sophròsunê); de wilsenergie, de dapperheid gaat naast de "moedige ziel," de wijsheid naast de rede.
Zal onze deugd echter volkomen zijn, dan moet iedere deugd haar plaats hebben, er moet een zekere harmonie bestaan. Dit is de dikaiosunê (rechtschapenheid, gerechtigheid).
Is deze vorm zijner ethiek meer theologisch, daar ze aansluit bij zijn zieleleer, meer filosofisch, zich meer aansluitend bij de ideeënleer, is zijn ethiek daar, waar hij als hoogste doel van den mensch stelt het kennen der idee. Eros drijft den mensch tot streven naar het volkomene, doet heimwee naar de idee ontwaken. Uit dit verlangen ontspringt de begeerte naar filosofie en het hoogst staan voor Plato de filosofen.
Niet in eens komt de mensch hiertoe. Eerst heeft hij vreugde aan 't schoone van lijn, kleur en toon. Dit is een goed begin. Daarna moet hij practische kennis en vaardigheid verwerven. Hij moet zich niet vreemd gevoelen in de wereld der verschijnselen. Zijn inzicht moet hem dan gronden doen kennen, waarop hij 't eene of 't andere besluit.
Verder nog stijgend, streeft hij naar een harmonisch leven, maat en verhouding brengt hij in zijn leven.
Eerst dan stijgt hij tot het hoogste: het kennen der idee.
Het zedelijk ideaal laat zich aldus uitdrukken: schoonheid, kennis, theorie, waarheid.
Deze ontwikkeling van het ethische komt overeen met die der liefde geschilderd in 't Symposion.
Het is duidelijk, dat deze beide ethica's elkaar niet volkomen dekken. Al de werken van Plato geven dan ook, zooals we reeds opmerkten, geen samenhangend, leidend systeem.
Als de ziel niet gelouterd is, zal zij na haar aardsch bestaan weer in een lichaam terugkeeren.
Plato is een aanhanger van de leer der zielsverhuizing, welke hij aan de Pythagoreeërs (zijn bekendheid met de Pythagoreeërs hebben we reeds gezien), of aan de mysteriën ontleend mag hebben. Bij hem dan ook de leer van de schuld en de boete der ziel.
Merkwaardig is, hoe hij het heete verlangen naar vrijmaking en vrijwording van zonde in overeenstemming weet te brengen met zijn ideeënleer: het is het verlangen der ziel naar de idee.
§ 16. Plato's Staat.
Uitvoerig heeft Plato zijn gedachten ontwikkeld over den besten Staat, en dat niet als een droombeeld, maar als een te verwerkelijken ideaal. Met de verwerkelijking staan zijn Siciliaansche reizen in verband.
Plato had, als geboren aristocraat en als Socraticus, een afkeer van de democratie. Dat de menschen zich met allerlei zaken behalve met hun eigene bemoeien, dat de eerste de beste zich bezig houdt met de hoogste belangen van den staat, waartoe zooveel kennis en inzicht wordt vereischt, moest hem wel gruwelijk schijnen. Daarbij kwam de vleierij der massa door de redenaars.
Zijn staat zou daarom een zijn, waar de besten regeerden. Maar met die besten bedoelde hij hen, die 't hoogst staan in zedelijk opzicht.
Er zouden drie standen zijn. De laagste was die der boeren en handwerkslui. Zij mochten privaat-bezit en familieleven hebben. Hun deugd was de sophrosunê, de zelfbeheersching, het gehoorzamen aan en onderdanig zich voegen naar de hoogere standen, zooals de begeerende ziel ook ondergeschikt moest zijn aan de bezonnenheid.
Boven deze en overeenkomende met de "moedige ziel," staat de stand der wachters. Van jongs af waren ze opgevoed tot 't krijgsleven, vormden een aparten krijgsstand, verdedigden het vaderland en oefenden zich van der jeugd af in matigheid en harding.
Tusschen mannen en vrouwen bestaat hier geen verschil.
Huwelijken vinden onder hen niet plaats. Op gelegene tijden worden geschikte paren bij elkaar gebracht, waarbij men er op letten zal, zooveel mogelijk bij elkaar passende menschen samen te brengen, opdat er een kloek geslacht ontstaat.
Dadelijk na hun geboorte worden de kinderen aan de moeder ontnomen, ze krijgt een ander te zoogen. De regeling is zoo, dat elk kind in ieder ouder zijn vader en moeder, elk ouder in ieder kind zijn kind moet zien.
Aan de spits van den staat is de eerste stand: die der filosofen. Zij kennen de idee en regeeren den staat naar wijsheid.
Zooals in den enkelen mensch de drie deugden zich goed onderling moeten verhouden, zoo moeten in den staat de drie standen harmonisch samenwerken. Dit is dan de dikaiosunê (rechtschapenheid).
Het bevreemdt ons niet, dat een dergelijke staat niet in de practijk uitvoerbaar was. Aan droomen over den besten staat heeft het echter nooit ontbroken. Zoo schreef Thomas Moore zijn "Utopia," Campanella zijn "Zonnestaat" en we herinneren aan een der jongste pogingen: "In het jaar 2000 van Edw. Bellamy," [33] dat in menig opzicht het tegenovergestelde is van Plato's boek. Eigenaardig, dat echter in beide een veel grootere macht aan den staat wordt toegekend dan de staat, zooals wij die kennen, bezit (bl. 218, 219).
Toen later Plato's pogingen tot uitvoering waren mislukt, schreef hij "de Wetten," iets meer aan 't practische leven aangepast.
In Plato's Staat komen ook merkwaardige ideeën over opvoeding voor, die geheel ingericht moest zijn met het oog op de aanstaande taak der jongelingen. Plato, wars van alle overdreven gevoeligheid, eischte een ernstige, mannelijke gezindheid, een zich bezighouden met gymnastiek, muziek en wetenschap (sterrenkunde, meetkunde).
§ 17. Plato's invloed.
Het is ondoenlijk, deze in weinige regels ook maar benaderend weer te geven. Op het geheele Westersche denken drukte hij den stempel zijner persoonlijkheid. Maar enkele punten mogen naar voren gebracht worden.
Allereerst heeft Plato invloed geoefend op zijn leerlingen; men heeft gezegd: zonder Plato geen Aristoteles, geen Plotinus, geen Augustinus. Wat dit beteekent, moge het vervolg van dit boekje leeren.
Wijzen we enkele belangrijke ideeën aan, die bij hem voorkomen:
Het bestaan van het immateriëele is ons zoo gewoon, dat we 't ons nauwelijks kunnen voorstellen, dat deze idee wòrden moest. Is het niet evenzoo met zijn meerderheid van de ziel boven het lichaam? Vindt de heimwee der ziel naar de idee zich niet terug in het verlangen der christenen naar eenheid met God, naar kennisse Gods als inbegrip van alle wijsheid. Een verlangen, door ten Kate zoo innig en eenvoudig uitgedrukt:
We zoeken U in alles, Vader. En vinden U in niets genoeg.
Overwegend is Plato's religieus gedachtenleven geweest voor ons godsdienstig voelen en denken.
Op het gebied der metafysica heeft hij voortgezet, wat reeds Socrates had aangevangen: het opsporen van de begrippen. Uit zijn school kwam Aristoteles, die de vader werd der formeele logica. In de natuurkunde voerde hij het begrip doel-oorzaak in. De huidige natuurwetenschap neigt wel meer tot Plato's tegenvoeter Democritus, maar de doeloorzaken heerschten tot ± 1500 en eerst in de 19de eeuw bracht 't Darwinisme een geheele verandering, nadat de denkers der 16de, 17de en 18de eeuw een teleologische natuurverklaring bestreden hadden. (Zie Afdeeling IV).
In zijn systeem wist hij de tegenstrijdigheden van 't Grieksche wetenschappelijk denken in hooger eenheid te vereenigen. Democritus en Plato waren de eersten, die een meer afgerond, wijsgeerig systeem gegeven hebben.
En ten slotte is er in zijn Staat--hoe vreemd die ons moge schijnen--toch veel geweest, dat de toekomst heeft vervuld, en zijn vele ideeën uitgesproken, die de toekomst misschien nog vervullen zal.
Plaatst Plato aan het hoofd van zijn Staat geschoolde, speciaal opgeleide menschen, wij kunnen ons geen staat meer denken zonder ambtenaren met een wetenschappelijke opleiding. Mogen ook afkomst, protectie en allerlei bijkomstigheden invloed hebben op de benoeming, onze staat wordt niet meer, als in de oudheid, geregeerd door Jan, Piet en Klaas, maar door wetenschappelijke personen.
Moge men terugdeinzen voor de geweldige consequentie, dat man en vrouw gelijk op te voeden zijn, onze maatschappij beweegt zich veel meer in die richting dan de Grieksche, waar de vrouw een eenzaam, afgesloten leven leidde, zich weinig ontwikkelde en door haar ouders uitgehuwelijkt werd. Onze coëducatie en openstelling van allerlei beroepen voor de vrouw wijzen in de richting van meer gelijkstelling.
Weigeren wij ook veelal te grooten invloed van den Staat op het gezinsleven, toch gaan vele stemmen op, die bij het vestigen van een gezin den staat een zeker toezicht willen geven, om zoo mogelijk het ontstaan van een ongezond nageslacht te vermijden. Huwelijksverbod in bepaalde gevallen wordt door menigeen "wenschelijk" geacht.
De zorg voor physieke opvoeding en harding is ons niet vreemd. Ook tegen moreele verwenning wordt thans met ernst gewaarschuwd. Heeft een Nederlandsch paedagoog onlangs niet de stelling verdedigd, dat onze kinderen met meer hardheid moeten worden opgevoed!
En eindelijk heeft in de Katholieke Kerk met hare heerschers een zekere verwezenlijking plaats gevonden van Plato's Staat; een verwezenlijking, die in de Middeleeuwen, toen het wereldlijk gezag zich onder het geestelijke stelde, nog verder ging.
HOOFDSTUK IV.
ARISTOTELES.
§ 18. Leven en Werken.
Leven.
In 384 v. C. uit een oude artsenfamilie geboren te Stagira, kwam hij op 18jarigen leeftijd naar Athene, bleef 20 jaren in de Academie, waar hij langzamerhand tot zelfstandige opvattingen kwam, die afweken van Plato's leer. Dit bracht evenwel geen verandering in de hooge achting, die de leerling den vereerden meester toedroeg. Na Plato's dood reisde hij wat, kwam in 343 aan 't hof van Philippus van Macedonië als opvoeder van diens zoon, den lateren Alexander den Groote, keerde later naar Athene terug, en grondvestte daar in het Lyceum een nieuwe school, die de peripatetische heet, omdat Aristoteles zijn onderwijs dikwijls gaf rondwandelend door de lanen, die 't gebouw omringden. Twaalf jaren werkte hij hier, en presteerde, geholpen door begaafde en wetenschappelijk goed onderlegde leerlingen een onbegrijpelijke hoeveelheid wetenschappelijken arbeid. Na Alexanders dood, toen Athene zich los wilde maken van de Macedonische heerschappij, werd tegen Aristoteles, den vriend van 't Macedonische koningshuis, een aanklacht ingediend. Asebeia, goddeloosheid was weer het geschikte voorwendsel. De wijsgeer ontweek naar Chalcis en stierf in 323, waarschijnlijk "overwerkt."
Persoonlijkheid.
Misschien mag men Aristoteles den eersten professor noemen in den vollen zin van dezen tijd: streng wetenschappelijk onderzoeker, docent, schrijver van een groot aantal leerboeken, die de wetenschap van zijn tijd samenvatten. In wetenschappelijk werk vond hij zijn grootste geluk en daarin ging hij op. Voor vriendschap was hij niet ongevoelig. Veel meer dan Plato's geest is de zijne gericht op het praktische, nuchtere, op de werkelijkheid. Zijn denken is systematisch, ordelijk. Dit geeft aan sommige zijner geschriften zelfs een eenigszins schoolmeesterachtigen tint. Tegenover Plato's behandeling steekt de zijne af: streng scheidt hij poëtische en wetenschappelijke behandeling en zijn geschriften hebben veel meer van een modern wetenschappelijk werk dan die van Plato.
Modern in zekeren zin is ook bij Aristoteles zijn zoo groote liefde voor 't denken, dat de "physical culture," zooals wij dat met een hypermoderne uitdrukking noemen, en die bij de oude Grieken in zoo groote eere was, bij hem geheel week. Hij was zwak van lichaam, overwerkt. Zijn rijkdom kon hem gelukkig de middelen verschaffen zich geheel aan zijn werk te wijden.
Werken.
Het aantal geschriften van Aristoteles is geweldig geweest: een overlevering, niet geheel onbetrouwbaar, spreekt van ± 1000. Heel wat is verloren gegaan, en daaronder ongetwijfeld zeer belangrijk werk; het fragment over den staat b.v., dat ons bewaard is gebleven, breekt af bij de opvoeding. Het is niet ondenkbaar, dat Aristoteles is bijgestaan door zijn leerlingen. Dit legt dan een schitterend getuigenis af van de werkzaamheid der peripatetische school. Misschien mag men zich ongeveer de verhouding denken als in een modern laboratorium, waar ook onder leiding van een professor heel wat wetenschappelijke arbeid tot stand kan komen.
In zijn geschriften geeft Aristoteles ons iets, wat vóór noch nà hem ooit weer volledig gedaan is: een overzicht der gansche wetenschap in systematische samenvatting en onderling verband.
Tegenwoordig zou dit onmogelijk zijn. (Het is bijna reeds ondoenlijk voor één geleerde, één vak van wetenschap in zijn geheel en goed te bewerken. Uitgebreide werken verschijnen in den tegenwoordigen tijd dan ook dikwijls door samenwerking van verschillende geleerden. De grootste poging van den laatsten tijd op dit gebied is het verzamelwerk: "Die Kultur der Gegenwart," onder leiding van Paul Hinneberg. Het beoogt een overzicht te geven van ons weten en kunnen. Aan het werk werken een 100-tal geleerden mee.)
Maar toch was het ook reeds voor dien tijd een arbeid van beteekenis, alle Grieksche weten samen te vatten in een stelsel, zóó, dat de deelen bij elkaar aansloten.
Daarbij boezemt ons eerbied in de alzijdige belangstelling van Aristoteles, die zich richt op de meest verschillende terreinen der wetenschap; de alzijdigheid, die aan ons moderne leven vreemd is. Er zijn natuurlijk nog wel menschen met groote, encyclopedische kennis en een eerbiedwekkende algemeene ontwikkeling, en dezen kunnen ook wel nuttig werk verrichten, vooral als opvoeders en onderwijzers, ook als populariseerders en verspreiders van wetenschap, maar ze brengen zelf de wetenschap gewoonlijk niet vooruit. Bij Aristoteles nu vindt men die alzijdige belangstelling wel vereenigd met echt wetenschappelijken zin.
Zijn werken zijn van verschillenden aard:
I. Die hij zelf heeft uitgegeven en bestemd voor een grooten kring van lezers: de zgn. "uitgegevene." Van deze is zoo goed als niets bewaard. De meesten ontstonden gedurende zijn verblijf aan de Academie, sluiten zich aan bij de Platonische filosofie, zijn in dialoogvorm en doorgaans vloeiend geschreven.
II. Verzamelwerken: hetzij uittreksels uit andere wetenschappelijke werken, b.v. uit Plato's geschriften; hetzij verzamelingen van feitenmateriaal, dat hij noodig had voor zijn onderwijs. Hierbij vooral zullen hem zijn leerlingen geholpen hebben. Ook deze bezitten we niet meer.
III. Leerboeken: deze zijn voor een gedeelte behouden. Het zijn de werken, die wij van Aristoteles kennen. Waarschijnlijk heeft hij niet zelf besloten, de geschriften alle op deze wijze uit te geven: 't zijn gedeeltelijk boeken die "af" zijn, gedeeltelijk slechts ontwerpen, aanteekeningen voor zijne college's zouden we kunnen zeggen. De dood heeft hem verhinderd zijn werken volledig af te maken. Hiervan zijn te noemen: geschriften over rhetorica, poëtiek, ethiek, politiek, physica, metaphysica, dierkunde, zielkunde en logica.
§ 19. Leer. Stof en vorm.
Voor Plato bestond de hoogste werkelijkheid in de ideeënwereld, de immateriëele, die tegenover de wereld der verschijnselen, zooals wij die waarnemen, stond. Die verschijnselenwereld was een flauwe afschaduwing van de wereld der ideeën. Slechts zeer onvoldoende was het Plato gelukt, om de beide werelden met elkaar in zoodanig verband te brengen, dat de eene zich uit de andere begrijpen liet.
Op het gebied der kennis had hij geleerd, dat alle werkelijk weten een herinnering is, komende in 't bewustzijn door een zich bezinnen op de, door de ziel vroeger aanschouwde werkelijkheid. De zinnelijke waarneming gaf geen kennis, slechts meening; ze was slechts aanleiding tot anamnêsis, herinnering.
Op het gebied der ethiek was dus het hoogste het kennen der idee, waartoe een mensch geleid werd door een vurig verlangen naar haar schoonheid. Die begeerte was Eros, de liefde, die zich uit 't laagste ontwikkelde.
Over heel de wereld spande zich de opperste idee, die der goedheid, die een was met het werelddoel, dat tegelijk wereldoorzaak en wereldrede was.
In den staat moet ook de idee heerschen, dus zij, die haar kennen: de filosofen. Onder hen stonden de wachters, daaronder de arbeiders; alle in rechtvaardige verhouding, zooals in onze ziel de begeerende onder de "moedige ziel" zal staan, deze onder de kennende.
Aan deze leer knoopt nu Aristoteles aan. Maar de scherpe tegenstellingen die, zonder overgangen toch altijd in Plato's leer blijven bestaan, weet hij weg te nemen. Dit doet hij, niet door het zijn te ontkennen, noch door het worden te negeeren, maar door het worden als het zijn te erkennen, door de idee der ontwikkeling.
Ook hij erkent als het ware voorwerp van wetenschappelijke studie het soortbegrip, niet het bijzondere ding. Niet die en die en die hond moet gekend worden in de dierkunde, maar de hond. Niet de deugd van Socrates of Aristides of Miltiades, maar de deugd.
Maar dit begrip voert niet een apart bestaan: het is niet BOVEN het ding, zooals Plato's idee; het is IN het ding, het verwezenlijkt zich daarin.
Zoo komt Aristoteles tot twee begrippen: de stof (hulê) en de vorm (morphê). De morphê is de Platonische idee, heet ook wel ideion.
In de stof nu werkt de vorm en onder invloed daarvan vervormt de stof zich tot een ding, waarin de vorm, het begrip is verwezenlijkt. Nemen we een eikel. Daarin is als 't ware de eikeboom besloten. In zijn werkelijken toestand is 't een eikel, naar mogelijkheid een boom. Wanneer nu maar een uiterlijke oorzaak er bij komt (de eikel moet in den grond vallen en voedingsstoffen opnemen), zal die eikel een boom worden. Aristoteles gebruikt hiervoor de woorden, die men later in 't Latijn vertaalde door "actu" en "potentia" en zoo spreekt men ook nu nog van potentieel (naar mogelijkheid) en actueel (naar werkelijkheid). Actueel is de eikel een eikel, potentieel een eikeboom.
Stof, ding en begrip komen dus zóó samen, dat in de stof potentieel de vorm al aanwezig is, dat door een uitwendige oorzaak de vorm de stof omwerkt tot het ding, waarin het begrip is verwezenlijkt.
Deze leer gebruikt Aristoteles nu ook voor andere dan organische gebeurtenissen, b.v. voor de werkzaamheid der menschen. Bij het bouwen van een huis zijn de steenen enz. de stof, in het hoofd van den architect is de vorm, de idee van het huis; de bouwers zijn de uiterlijke oorzaak; het resultaat, het ding is het huis, dat niet de idee zelf van den architect is, maar waarin zijn idee is verwezenlijkt.
Aristoteles' beschouwing is teleologisch, het gebeuren wordt bepaald door het doel. Een zekere ruimte geeft hij echter aan de mechanische natuurverklaring van Democritus, door als uiterlijke oorzaak de van buiten komende invloeden te erkennen.
Die van buiten komende oorzaak, die hij aitia noemt, bewerkt verandering van plaats, van hoedanigheid en hoeveelheid, die eigenlijk toch allen weer plaatsveranderingen zijn.
Het is nu opmerkelijk, hoe de denker kans ziet, om een geheel stelsel van opstijgende vormen te geven.
Wat naar boven stof is, is naar onderen ding. Een eikel is b.v. in vergelijk met den boom stof, slechts potentieel een eikeboom. De eikel zelf is ook weer uit een andere stof ontstaan. Zoo is in de anorganische wereld het marmer actueel marmer, potentieel een standbeeld.
De geheele wereld ziet Aristoteles zoo als een opstijgende reeks soorten. Het soortbegrip staat voor hem vast, en het aantal soorten is bepaald. Hij neemt dus niet, zooals later het Darwinisme aan, dat de eene dier- of plantensoort in de andere kan overgaan. Maar al de soorten staan niet los van elkaar, maar veeleer zoo, dat het bestaan der eene lagere soort noodig was voor het ontstaan der andere, hoogere.
De stof biedt tegenwerking aan den vorm die zich verwerkelijken wil. Aan die tegenwerking ligt het, dat de gestalte soms niet verwezenlijkt is. In de stof liggen allerlei potentie's. En bij een mensch met een hazenmond is dus naast den vorm van den mensch ook de morphê van den haas eenigszins tot ontwikkeling gekomen. Hoe hooger nu de soort, hoe minder weerstand de stof geboden heeft. De stof is dus oorzaak van het ondoelmatige in de natuur, daar ze de doorwerking van den vorm verhindert. Immers, bij een teleologische wereldbeschouwing moet men wel stooten op het vele ondoelmatige of minder doelmatige, al is dit het moderne denken veel dichter bij dan het Grieksche. De ouden waren echter te onbevangen van oordeel, te nuchter van opmerken, om het te loochenen.
Voor Aristoteles staat dus eenerzijds de stof, die gevormd wordt, anderzijds de vorm, de morphê, die vormt. In een zeer lange, maar niet oneindige rij voltrekken zich nu een aantal processen. Onder aan de rij staat stof, die niets dan stof is: de eerste stof, de protê hulê; bovenaan de vorm, die niets dan vorm is.
Deze hoogste vorm, die overeenkomt met Plato's hoogste idee, is dan de wil, beweging veroorzakend, maar zelf niet bewegende of bewogen wordende: ze is de noes, de godheid. Deze beschouwt zichzelf, ze denkt haar eigen wezen. Wanneer we denken, dan houden we ons bezig met iets, dat buiten ons staat, tegenover ons: het denkende subject is onderscheiden van het object van het denken: denker van gedachte. Maar de vormen, die de godheid denkt zijn haar eigen vormen, daarnaar voltooien ze zich in de werkelijkheid.
Die noes denkt Aristoteles zich dus zuiver onstoffelijk, niet stoffelijk, zooals Anaxagoras, die het noes-begrip invoerde. Zijn eigenlijk wezen is denken.
Aristoteles is dus hier gekomen tot een zuiver monotheïstisch, onstoffelijk godsbegrip: het immateriëele valt samen met het geestelijke [34].
De godheid van Aristoteles is dus denkend; begeeren en gevoelen wordt haar niet toegeschreven. Ook wordt God nergens als schepper der wereld genoemd, alleen uitdrukkelijk als haar beweger.