Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2

Part 6

Chapter 63,768 wordsPublic domain

Aan de noordkust van Afrika lag de bloeiende stad Cyrene. Haar klimaat was heerlijk, de omgeving verrukkelijk schoon. In deze weelderige stad ontstond de cyrenaïsche school, gesticht door Aristippus van Cyrene; door diens dochter, Arêtê overgedragen op zijn kleinzoon, den jongeren Aristippus. Bij een Olympisch feest zou Aristippus kennis hebben gemaakt met een leerling van Socrates en zich daardoor opgewekt gevoeld hebben om ook Socrates te bezoeken.

Terwijl de cynici allen lust veroordeelden, en er naar streefden, zich van alle uiterlijke genietingen onafhankelijk te maken, verklaarden nu de Cyrenaïci den lust, de hêdonê, als princiep en was hun ethiek dus hedonisme.

Hedonisme.

Drieërlei toestand was mogelijk: lust, onlust en de daartusschen liggende neutrale zône. Wat nu de mensch alleen begeert, is lust. De lust op zichzelf is altijd een goed. Misschien gaat berouw en leed hem volgen. Dit beteekent, dat het leed als gevolg, verbonden aan den lust, een grooter kwaad wordt geacht dan de lust een goed, maar dit neemt niet weg dat de lust steeds iets begeerenswaardigs is. Stel, iemand heeft, zijn wraak botvierend, een vijand gedood. Het gevoel van bevredigde wraaklust is lust, een goed. Maar--aan de daad, die hem dien lust verschafte, zitten nadeelige gevolgen vast: b.v. gerechtelijke bestraffing. De door deze daden gewekte stemming van leed kan veel sterker zijn, dan de voorheen ontstane luststemming. Maar dit verhindert niet, dat die eerste lust lust bleef.

Bij de Cyrenaïci treffen we een uiterst merkwaardige ontwikkeling aan.

De eersten verklaarden den oogenblikkelijken lust als den voornaamsten. Natuurlijk moet een stérker genot boven een zwakker staan en daarom werd ook het zinnelijk genieten bovenaan gesteld.

In dit genieten evenwel werd reeds een element van overweging gebracht. De wijze moest phronêsis, verstandig inzicht, waardeschatting hebben. Met fijnen smaak moest hij afpassen en afmeten, wat hem lust gaf. Aristippus was een man van de wereld, fijn beschaafd, beminnelijk, van aangename vormen, thuis in alle kringen der maatschappij, overal "het goede" nemend waar hem dit geboden werd.

Maar deze phronêsis bracht hem reeds heen over wat wij met eene moderne uitdrukking de "souvereiniteit van het oogenblik" noemen. Aristippus wilde beheerschen, niet beheerscht worden.

Zoo spoedig nu al een denken aan de toekomst komt, moet men menig genot opgeven, omdat het licht grooter leed als gevolg zal meebrengen: zoo kwam Anitteus er toe om geestelijke genietingen als vriendschap, het hoogste aan te slaan.

Het bekend zijn met de vele rampen des levens moet er wel toe brengen, reeds gelukkig te prijzen, die de rampen vermijdt, den toestand van smarteloosheid bereikt heeft en wiens stemming dus gemiddeld in de neutrale zône ligt.

Het sterkst werd Hegesias aangegrepen door de misères van het leven. Ziekte, armoede, oorlog, het waren dingen, die elk oogenblik het genot van verreweg de meeste menschen bedreigden. Voor hen dus geen geluk, voor ze zeker zijn, niet meer door rampen gekweld te zullen worden; voor ze gestorven zullen zijn. Hegesias is de peisithanatos, hij die overreedt tot den dood, en men vertelt, dat hem 't verblijf in Alexandrië ontzegd werd, omdat hij te velen tot zelfmoord zou overgehaald hebben.

Zoo ging dus het hedonisme over tot pessimisme. De menschen, die lust tot eenig ethisch princiep verklaard hadden, moesten erkennen, dat dit op de aarde met haar tal van rampen niet te bereiken was, dat het leven dus eigenlijk niet waard was geleefd te worden. Ze kwamen tot de stemming, die de meest sceptische onder de bijbelschrijvers heeft geuit in zijn woord:

"Dies prees ik de dooden boven de levenden."

In de school der Cyrenaïci kwam nog een andere merkwaardige theoretische beschouwing op.

We hebben gezien, hoe de primitieve mensch uitgaat van het bestaan eener buitenwereld en hoe hij gelooft, dat de indrukken, daarvan verkregen, volkomen overeenstemmen met de buitenwereld.

Daarna komt twijfel aan de juistheid der zinnelijke indrukken, die zoover gaat, dat de Eleaten alleen het zijnde als waar, de Atomisten alleen de atomen en hunne beweging als waarheid erkennen, al 't andere als doxa.

Zij staan dus eigenlijk zoo tegenover de kwestie, dat ze een buitenwereld als zeker erkennen, terwijl de kennis er van ons onthouden is (we kunnen het zijnde schouwen noch kennen). De indrukken, die we krijgen en op een buitenwereld betrekken, zijn òf schijn- en leugenbeelden (Eleaten) òf alleen opvattingswijzen van het individu (Protagoras, Democritus) dus doxa.

Mogen we Gorgias ernstig nemen, dan gaat hij verder en loochent alle kennis en alle weten. Hij ontkent dus zoowel het zijnde als de mogelijkheid het te kennen.

Boven dit volstrekt nihilisme verheffen zich sommige Cyrenaïci tot een juister opvatting, waarvan later tal van denkers ook van den nieuweren tijd zijn uitgegaan en waarbij sommigen zijn blijven staan.

Gegeven zijn ons allereerst onze gewaarwordingen en voorstellingen. Heeft iemand een voorstelling van een centaur [27] b.v. en zegt: ik heb een voorstelling van een centaur, dan is dit waar. De onwaarheid begint, als hij die voorstelling betrekt op de buitenwereld en zegt: er is buiten mij een centaur.

Dat onze gewaarwordingen en voorstellingen het eerste ons onmiddellijk gegevene zijn, spraken de Cyrenaïci uit.

Welk standpunt ze verder ingenomen hebben, is niet precies bekend. Misschien hebben sommigen gemeend dat we niet uit onze bewustzijnsverschijnselen konden komen en vertoonen ze overeenkomst met onze moderne solipsisten. (Zie deel II).

Het moge hier de plaats zijn, een weerlegging van deze theorieën die het "gezond verstand" aan de hand doet, mede te deelen. In de nieuwere filosofie is deze leer verkondigd door Bisschop Berkeley (§ 49) en werd ook door het gezond verstand bestreden.

"Welnu," zei men tegen hem, "als ge dan niet iets gewaar kunt worden van de buitenwereld en als ge alleen uw bewustzijnsverschijnselen hebt, waarom loopt ge dan b.v. voor een wagen uit den weg, loopt ge niet in het water, enz. In uw practisch leven handelt ge dan niet naar uw leer."

Het tegenargument luidt: ik ontken niet, dat ik een voorstelling heb van water b.v.; dat op die voorstelling als ik in 't water loop, een van nat-zijn of verdrinken zal volgen, en, daar ik alleen met mijn voorstellingen moet werken, vermijd ik bepaalde voorstellingen; in dit geval 't nat-zijn en dus het in 't water loopen. Ik ontken dus alleen, dat er aan die opeenvolgende voorstellingen een rij gebeurtenissen buiten mij beantwoordt.

Dat eene dergelijke redeneering geen sophisterij is, kan de lezer misschien op deze wijze inzien:

Er zijn menschen met levendige fantasie, die zich graag allerlei schrikbeelden in 't hoofd halen. Ze zullen b.v. beginnen: "hè, de dokter gaat naar mevrouw B, ze is ook al oud, net zoo oud als moeder. Gunst, zou moeder ook ziek zijn, dan kon ze wel sterven--enz."

Ze spinnen de gedachte breeder uit, tot ze ten slotte zeer droevig zijn. Ze hebben dus een reeks voorstellingen, die uitloopen op een leedgevoel, zonder dat die reeks beantwoordt aan een rij feiten in de buitenwereld. Nu kan door de ervaring geleerd, zoo iemand later, zoo spoedig een dergelijke voorstelling opkomt, die onderdrukken, door andere vervangen, omdat hij de droevige stemming weren wil, waarin hij zal geraken.

Op dezelfde wijze kon nu Berkeley b.v. vermijden, de voorstelling van 't water te bekomen, omdat hij ook geen gewaarwording van nat wou hebben.

HOOFDSTUK III.

PLATO.

§ 12. Leven.

Wie in een paar pagina's iets van Plato zeggen wil, krijgt het gevoel, dat hèm bevangen moet, die een landstreek, vol van nijvere steden, breede schependragende rivieren, majestueuse bergen, donkere wouden en diepe dalen en vruchtbare vlakten in een schematisch schetskaartje weergeven moet, waarbij steden kringetjes, bergen bogen, rivieren lijntjes zijn geworden: een schetskaart is dan ontstaan, die de werkelijkheid van héél ver gelijkt. Zoo zal ook het volgende niet dan enkele vage lijnen geven van het beeld van den geweldigen denker, den goddelijken kunstenaar, den hoogen en krachtigen mensch, den verzienden profeet.

Van vaderszijde uit een geslacht, dat zijn stamboom opvoerde tot den laatsten Atheenschen koning, van moederszijde verwant aan den bekenden Atheenschen archon Solon, behoorde Plato tot een hoogadellijke, echter niet rijke Atheensche familie. In 427 v. C. werd hij op 't eiland Aegina geboren, kreeg zijn naam Plato later naar zijn krachtig lichaam en breed hoofd, beoefende in zijn jeugd gymnastiek en muziek, schijnt verzen te hebben geschreven, kwam in aanraking met Socrates, waardoor zijn liefde voor de filosofie gewekt werd. Zijn verzen moet hij toen verbrand hebben. Na Socrates' dood ging hij uit Athene: hetzij omdat het er niet volkomen veilig meer was, hetzij omdat zijn reislust sterk was en hij daaraan voldeed, nu na den dood van den geliefden meester hem niets meer aan Athene bond. Na zich eerst bij andere leerlingen van Socrates gevoegd te hebben in het gastvrije huis van Euclides te Megara, ging hij naar Egypte, waar hij kennis maakte met een overoude cultuur, en een staatswezen met vaste, schier onwrikbare instellingen, in sterke tegenstelling staande tot de zoo wufte Atheensche staatsinrichting. Van hier naar het rijke Cyrene, toen over zee naar Sicilië.

In de enkele historische opmerkingen over de Grieksche geschiedenis hebben we gezien, hoe ver buiten 't eigenlijke Griekenland Grieksche nederzettingen waren. Bij Empedocles van Agrigentum, bij Gorgias van Leontinoi maakten we reeds kennis met Sicilië. Toen Plato daar kwam, heerschte over een groot deel van 't eiland Dionysius, tyran van Syracuse [28]. Naast de inlandsche volkeren bevochten twee machten op Sicilië elkaar: de Grieken wier steden, meest met Republikeinschen regeeringsvorm meer in 't Oosten lagen, de Carthagers, die hun nederzettingen in 't Westen hadden. In 405 had zich een jong, energiek officier uit den middenstand tot tyran weten te verheffen, was door Carthago erkend, had eenige jaren rust gebruikt om zijn macht enorm te versterken, had op de Carthagers een groot deel van het eiland veroverd, zijn invloed uitgebreid over de Grieksche steden van Zuid-Italië, en Syracuse tot een aanzienlijke stad gemaakt. Het had grooter oppervlakte dan Rome tijdens de keizers, zijn stadswallen waren 27 K. M. lang. Dit Syracuse was een middelpunt ook voor Grieksche beschaving.

Plato kwam hier aan, maakte hier waarschijnlijk ook kennis met verschillende Pythagoreeërs en kwam, door bemiddeling van Dio, raadsman en zwager des konings, aan 't hof. Weinig weten we van het verkeer tusschen beide mannen. Maar Dionysius, die Plato's toenemenden invloed op Dio bemerkte, wilde zich wel van hem ontdoen. Dionysius was een practisch dadenmensch, die voor ideeën weinig voelde. Hij verzocht aan een Spartaansch gezantschap, waarmee Plato afreisde, te zorgen, dat deze hem nooit meer hinderen kon. Dit meende het best aan het verzoek te voldoen, door Plato te Aegina aan wal te zetten: immers had de volksvergadering besloten, dat elk Atheensch burger, die daar kwam, ter dood gebracht zou worden of als slaaf verkocht. Het laatste trof Plato. Gelukkig echter--zoo luidt het romantische verhaal--was juist in Aegina Anniteus aanwezig, met wien Plato te Cyrene kennis had gemaakt. Deze hoorde van zijn ongeluk, kocht hem, stelde hem buiten Aegina op vrije voeten, en weigerde de som, die Plato's vrienden in Athene hadden bijeengebracht, als schadevergoeding aan te nemen. Met deze som zou dan Plato's school gesticht zijn.

De Academie.

Zooals de Cynici zich in een gymnastiekschool hadden gevestigd, deed Plato het ook: hij ging onderricht geven in de academie; daarnaar heet zijn school eveneens "de Academie." Hier had ieder vrijen toegang. Rijkere leerlingen schijnen wel eens bijdragen gegeven te hebben en ook werden wel legaten aan de stichting vermaakt. Aanvankelijk werd het onderricht zoo, als Socrates het gegeven had, verstrekt: wandelende en pratende. Later, bij grooter getal leerlingen, werden er ook wel "colleges" gegeven, meer aaneengeschakelde voordrachten, waarnaar de leerlingen luisterden.

Tot aan zijn dood bleef Plato hoofd van de academie, strenge orde handhavend. Later kwam er natuurlijk wel eens meeningsverschil met zijn leerlingen, b.v. met Aristoteles. Hoogst onwaarschijnlijk is het echter, dat dit tot de vele chicanes aanleiding zou hebben gegeven, waarvan oude verhalen gewag maken.

Van de havelooze cynici onderscheidden "de academici" zich, misschien welbewust, door zekere elegantie in voorkomen, in kleeding en manieren. Waren de cynici meer proletariërs, zij waren meer de "chique."

De academie heeft eeuwen bestaan. Eerst in 529 n. C. werd ze bij besluit van Keizer Justinianus gesloten. Oorspronkelijk wees het schoolhoofd zijn eigen opvolger aan; later werd hij bij geheime stemming door de scholieren gekozen. Dat in al de eeuwen van haar bestaan de academie niet steeds dezelfde richting heeft voorgestaan, is duidelijk. Men kon er later allerlei leer in aantreffen.

Hier, in de academie, had Plato zijn eigenlijke levenstaak gevonden: opvoeden en onderrichten in intieme, hartelijke verhouding tot zijn leerlingen.

Plato echter bezat ook een levendige belangstelling voor politiek en maatschappij. Niet alleen het denken trok hem aan, maar ook de toepassing. Zoo zijn dan waarschijnlijk zijn tweede en derde Sicilische reis te verklaren. Dionysius I was opgevolgd door zijn zoon Dionysius II (367) en deze, een ijdel, krachteloos man, maar niet geheel zonder goeden wil, noodigde op raad van Dio Plato uit, zijn ideaalstaat te komen verwezenlijken. Het mislukte: zeer zeker was het ideaal onvervulbaar en Dionysius was er absoluut de man niet naar, om hoofd van den staat naar Plato's model te zijn.

Dio viel in ongenade; Plato vertrok. Later is hij er nog eens geweest, trachtte de breuk met Dio te heelen, wat mislukte, werd in een soort gevangenschap gehouden en eerst door krachtige tusschenkomst van Archytus van Tarente in vrijheid gesteld.

Deze ervaringen hebben er zeker toe bijgedragen, om Plato's meening over tyrannen, die hij later koesterde, te vormen.

Behalve de Siciliaansche reizen heeft niets zijn werkzaamheid aan de academie gestoord tot aan zijn dood in 347.

§ 13. Werken.

Wat we bij Democritus en Protagoras hebben te betreuren, is bij Plato niet het geval: het zoo goed als totale verlies hunner werken. Veilig mag men aannemen, dat zoo goed als alles, wat Plato schreef, tot ons is gekomen. We hebben hier echter een andere moeilijkheid: niet alles, wat op Plato's naam staat is van hem. En het is een der moeilijkste dingen der Grieksche philologie, uit te maken, wat precies van hem is. Daarvoor zou het vooral van belang zijn, zijn ideeën te kennen. In zijn lange werkzaamheid als schrijver zijn zijn denkbeelden niet steeds gelijk gebleven en we moeten dus uit zijn geschriften den ontwikkelingsgang leeren kennen. Zoo gaan we in een cirkelgang rond: de leer uit de geschriften, de geschriften uit de leer.

Zeer moeilijk is het daarbij precies uit te maken, wanneer de verschillende werken geschreven zijn: sommige schijnen ook niet ineens, maar langzamerhand tot stand te zijn gekomen.

De historische critiek, die zich bijzonder veel met Plato's werken bezig hield, heeft menig duister punt opgeklaard. Men kan de Platonische geschriften aldus verdeelen:

I. Socratische geschriften.

Hierin worden verschillende deugden behandeld, zooals dapperheid en eerzucht, en naar de wijze van Socrates wordt onderzocht, waarin ze bestaan.

Hierbij sluit zich aan de "Verdediging van Socrates," die meesterlijke apologie, die gelezen mòet worden [29].

"Het is het mannelijkste boek."

In Kriton wordt geschilderd, hoe Socrates weigert te vluchten, omdat de wetten moeten gehoorzaamd worden.

II. Geschriften tegen de sophisten.

Hierin bestrijdt hij de leer der sophisten. In sommige meer spottend en schertsend, in andere, zooals de Protagoras, met meer waardigheid.

III. Geschriften uit zijn bloeitijd.

Van deze geschriften moeten vooral genoemd worden het Symposion, Phaedo, de Staat. Het Symposion (gastmaal) waarin hij ons schildert hoe bij een gastmaal verschillende reden over Eros (God der liefde) worden gehouden en Phaedo, het gesprek over de ziel, waarin hij den stervenden Socrates zijn eigen onsterfelijkheidsleer in den mond legt zijn samen misschien het schoonste van Plato's werk.

IV. De Geschriften van zijn ouden dag.

Hierin doen zich al gevoelen de teleurstellingen over het leven en de verminderende geesteswerkzaamheid. Hiertoe rekent men de Wetten.

Behalve de Apologie, die zich er niet toe leende, zijn Plato's geschriften dialogen, waarbij doorgaans aan Socrates Plato's eigen meeningen in den mond worden gelegd. Soms wordt de omgeving, waarin zich de dialoog afspeelt, uitvoerig geschilderd. Meesterlijk weet Plato dit te doen. Ieder persoon laat hij spreken naar zijn eigen aard, terwijl alles toch blijft in den beleefden omgangstoon. Een ander maal staat de absolute redeneering meer op den voorgrond. Eigenaardig is het, dat Plato, waar hij geen kans zag, zijn ideeën door scherp omlijnde begrippen in daarbij passende taal te ontwikkelen, ons mythen vertelt en er bij voegt: zóó ongeveer zou het kunnen zijn.

In de literatuur wordt Plato zeer hoog gewaardeerd. Misschien zou men enkele prozaschrijvers naast hem kunnen plaatsen, boven hem pleegt niemand gesteld te worden. Gaat in de vertaling (Fransch van Cousin; Duitsch van Schleiermacher) veel van de schoonheid verloren, ook daar nog kan men de meesterlijke rangschikking der stof, de levendigheid, duidelijke teekening en uitbeelding bewonderen.

§ 14. De Ideeënleer.

Socrates, hebben we gezien, trachtte te komen tot begripsvorming. Niet wat in dìt, of dàt, of in een ander geval dapperheid was, wilde hij opsporen, maar wat in 't algemeen dapperheid was, trachtte hij vast te stellen.

Als zoodanig was de dapperheid nergens te vinden. Slechts in een bijzonder geval was ze verwezenlijkt. In de waarneming is dus geen begrip gegeven.

Nog sterker komt dit uit in de wiskunde. We hebben b.v. een zeer precies begrip van een cirkel. Maar nergens in de waarneming nemen we een cirkel waar. Zoo nauwkeurig is hij niet geteekend, zoo precies kan een ronding niet gemaakt zijn, of het eene punt is wel een millioenste millimeter verder van 't middelpunt dan 't andere.

Dit moest Plato, die veel aan wiskunde deed, sterk treffen.

De begrippen zijn dus iets, dat niet in de waarneming is gegeven.

Toch hebben wij ze. We hebben een begrip van cirkel, driehoek, enz.

Hoe komen we daaraan?

"Dan moeten ze op een andere manier in 't bewustzijn zijn gekomen," was het antwoord.

De Grieken konden zich 't bewustzijn moeilijk als actief, als de ervaringen verwerkend, voorstellen. Ze dachten het meer passief: het ontving, wat er aan gegeven werd, en kon dit vasthouden.

Met een modern beeld zou men kunnen zeggen: wij denken ons het bewustzijn meer als een machine, die de ingeworpen stof op allerlei manier verwerkt, zoodat er weer iets heel anders uit kan komen, dan er is ingedaan. De Griek dacht het zich als een gevoelige plaat, waarop zich afdrukt, wat er op inwerkt.

Plato moest de gedachte dus vèr liggen, dat het bewustzijn zelf met behulp der waarnemingen en krachtens zijn eigen wetten de begrippen vormde.

De begrippen moeten dus in onze ziel komen. Hoe? wordt nu de vraag.

Om deze vraag te beantwoorden, komt Plato tot een kloeke greep:

Hij neemt aan, dat de ziel voor haar komst in het lichaam die begrippen aanschouwd heeft.

Om dit mogelijk te maken, moest hij veronderstellen eene praeëxistentie der ziel vóór het lichaam. We zullen zien, hoe hij dit later in verband bracht met het voortbestaan der ziel ook nà het lichaam (postexistentie).

Verder moest hij die begrippen werkelijkheid, een reëel bestaan buiten ons bewustzijn toekennen. Hiermee schiep Plato naast de wereld die wij kennen, nog een andere wereld: een immateriëele, die der begrippen, die bestaat in den topos noêtos (letterl.: Slechts in de gedachte te kennen plaats).

Dat wij ons die begrippen bewust worden, verklaart hij aldus: De dingen der buitenwereld gelijken eenigszins op die begrippen. Nemen we ze waar, dan wordt de in ons bewustzijn sluimerende idee weer wakker geroepen. Plato grondt dit dus op 't zielkundig feit, dat we allen kennen: de associatie der gelijkheid. Stel, dat ik lang geleden een schoolkameraad gehad heb, dien ik daarna niet meer ontmoette. Ik ben hem vergeten. Nu kom ik later met een jongen, zijn zoon, in kennis. Deze gelijkt op den vader. Ik zie den jongen, en door dat gelijke komt de herinnering aan den vader op, met wien ik als jongen naar school ging. Dat sluimerende beeld komt weer boven.

Zoo komt, door de waarneming, het vroeger aanschouwde begrip weer in mijn bewustzijn: alle kennen is dus volgens Plato herinnering (anamnêsis), een zich bezinnen op vroeger waargenomen dingen.

Deze begrippen nu noemt Plato de ideeën en het hier geschetste zijn enkele hoofdtrekken uit zijn ideeënleer. Hij tracht deze leer in verbinding te brengen met vroegere systemen en door haar gelukt het hem, twee systemen, die als uitersten tegenover elkaar staan, dat der Eleaten en van Heraclitus, te verzoenen in een hoogere eenheid. Het eenige, onveranderlijke, Eleatische, is de wereld der ideeën. Van haar hebben we herinnering, kennis. Naast deze wereld van het zijn staat die van de genesis: van de wording. Dit is de wereld der verschijnselen, waarin "alles stroomt."

Deze ideeënleer is niet een vaststaand stelsel maar wordt in de onderscheidene dialogen op verschillende wijze behandeld, en ettelijke bezwaren tegen of gapingen in het stelsel worden met of niet met volkomen klaarheid door Plato behandeld.

Met het onderscheid tusschen de ideeën en de dingen ging een verschil in waardebepaling gepaard. De wereld der ideeën was ook in ethisch opzicht de betere, de hoogere. Toch lag het in den aard der leer, dat men ook ideeën van allerlei gewone, ja, weerzinwekkende dingen moest aannemen. Aanvankelijk heeft Plato dan ook ideeën als tafel, bed, toegelaten. Later heeft hij zich niet opzettelijk over de vraag uitgelaten, maar zich met het geven van verschillende voorbeelden tevreden gesteld. Een vasten regel is in de keuze der voorbeelden niet te ontdekken, maar die van wiskundige begrippen, eigenschappen, natuurwezens komen het meest voor.

Hoe verhouden zich de ideeën nu?

Begrippen kunnen gecoördineerd en gesubordineerd zijn en Plato deelt ze ook gaarne op die wijze in. Van het begrip hond kunnen we opstijgen tot roofdier, zoogdier, gewerveld dier, dier levend wezen. Van het begrip roos eveneens tot levend wezen.

Zoo kunnen meerdere rijen van begrippen samenkomen in één begrip [30]. We kunnen ons denken, dat een denker nu alle begrippen in zoodanige rijen tracht te ordenen, dat die ten slotte alle uitkomen in één begrip, dat dan alles omvat. Het is als 't ware de top eener pyramide, waarvan we langs verscheidene lijnen tot het grondvlak kunnen komen, waarin de vele bijzondere dingen liggen.

Ondanks Plato's liefde voor co- en subordinatie van begrippen heeft hij toch--al ontbreken vage aanduidingen niet--geen zoodanige begrippenpyramide opgebouwd. Hij heeft alleen één idee aangewezen, dat boven alles staat: de idee van het goede. Maar deze idee omvat niet alle andere op dezelfde wijze als 't begrip dier alle dieren: er is geen logische onderordening. De idee van het goede is het doel van alles wat bestaat. Ten opzichte van haar is al 't andere middel.

Deze idee van het goede heet ook wereldrede, noes, soms godheid. Om dat nu alles wat is, naar dit doel streeft, is deze idee als 't ware oorzaak, doeloorzaak van het gebeuren. De idee van het goede is dus werelddoel, wereldrede, wereldoorzaak. Zij ook moet den band vormen tusschen de vaste wereld der ideeën, de veranderlijke der dingen.