Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2

Part 5

Chapter 53,708 wordsPublic domain

Uit Athene kwam hij nooit, een eigenaardigheid, die men bij meer groote denkers aantreft. (Kant b.v. verliet Koningsbergen bijna nooit). "De boomen en velden konden hem niets leeren."

Hij wandelde op de markt, ging met handwerkslui zoowel als met aanzienlijken een "praatje" maken en begon als een onwetende over de eenvoudigste dingen te vragen. Steeds doorvragende, overtuigde hij de ondervraagden meestal van hun onwetendheid en dan liet een praatje met Socrates niet zelden bittere herinneringen achter.

Zijn kleeding, 's winters en 's zomers gelijk, was hoogst eenvoudig.

Van uiterlijk was hij foeileelijk. Den zoo op schoonheid gestelden Griek was het bijna een wonder, dat een zoo edele gezindheid met zoo'n leelijk uiterlijk gepaard kon gaan.

Geldzucht was hem vreemd. Belooning voor zijn lessen weigerde hij nadrukkelijk. Van alle aanstellerij, pronkerij en ijdelheid was hij verre. Hierin komt de groote tegenstelling uit met de Sophisten.

Hij was een verstandelijke nuchtere natuur, een intellectualist. Aan dit koele hoofd verbond hij echter een warm hart, een innige religieuze stemming, een hartelijke genegenheid voor zijn leerlingen, maar zijn geestdrift gold de waarheid. "Een warm hart onder een koel hoofd, dat is een zeldzame verschijning en het zeldzaamste aller verschijnselen is een ongewoon machtig arbeidend hart, dat zijn gansche kracht gebruikt om het hoofd koel te houden: een stoomketel gelijk, die een ijsmachine aan het werk zet. Slechts enkele malen in tal van jaren keert zulk een verbinding op groote schaal terug en ze oefent, als om ons schadeloos te stellen voor haar zeldzaamheid, eeuwenlang haar werking uit, zonder ooit aan invloed te verliezen." (Gomperz).

Om Socrates verzamelden zich vele leerlingen, waaronder uit verre streken, (uit Kyrene aan Afrika's noordkust) en uit de rijkste en aanzienlijkste geslachten, als Alcibiades, de neef van Pericles, en Plato.

Hij verkeerde in den kring van Pericles, maar maakte geen onderscheid tusschen arm en rijk.

Zijn kracht was geweldig.

Tegen koude, honger, dorst, vermoeienis, was hij uitstekend bestand. Van zinnelijken aanleg, wist hij zijn neigingen absoluut te beheerschen, was matig, maar kon 't wijngebruik verdragen.

Aan deze lichaamskracht voegde zich groote geestkracht. Bewonderenswaard was zijn vermogen, om zich bij een onderwerp te bepalen. Eens in 't veldleger bij Potidaea zou hij 24 uren aaneen nagedacht hebben over zijn onderwerp, zonder zich om iets te bekommeren van wat rondom hem voorviel [23].

Tegen het eind van zijn leven werd tegen hem een aanklacht ingediend door eenige menschen, waaronder de fabriekseigenaar Anytos. Ze luidde, dat hij de goden, die de staat achtte, niet achtte, andere godheden leerde en de jeugd verdierf.

Socrates verkoos niet te vluchten, waartoe hij de gelegenheid had. Hij kwam ter vergadering, waar 500 Atheensche burgers naar de zeden dier dagen recht zouden spreken.

Nadat de aanklagers hadden uitgesproken, verdedigde Socrates zich op een waarschijnlijk eenvoudige, scherpzinnige, waardige wijze. Volstrekt versmaadde hij het, de gewoonte dier dagen te volgen en door smeekbeden en geklaag het hart der rechters te treffen.

Met dertig stemmen meerderheid werd het schuldig uitgesproken.

De aanklagers hadden de doodstraf geëischt. Nu mocht Socrates, naar Atheensch recht, een tegeneisch stellen. Op aandrang zijner vrienden deed hij dit en stelde den lagen eisch van 3000 drachmen boete, na eerst gezegd te hebben dat hij zichzelf onschuldig oordeelde en eerder onderscheiding dan straf verdiende.

Deze fiere houding schijnt de rechters geprikkeld te hebben; het aantal stemmen voor zijn dood was grooter dan dat, waarmee hij schuldig verklaard werd. Het bedroeg 360.

Na deze uitspraak schijnt hij nog een korte rede gehouden te hebben, waarin hij tenslotte verklaarde: nu zullen we ieder een weg uitgaan, gij naar het leven, ik naar den dood: wie van ons het beste deel zal hebben, weet God alleen.

Het voltrekken van het vonnis liet op zich wachten, daar het staatsschip, dat het jaarlijksche offer naar Delos bracht, nog niet binnengevallen was. Voor dien tijd mocht geen doodvonnis ten uitvoer worden gebracht. De hem restende tijd gebruikte Socrates om zich met zijn jongeren te onderhouden en zoo zijn levenstaak voort te zetten. Met de meeste beslistheid weigerde hij te vluchten hoewel zijn vrienden daartoe alles in gereedheid hadden gebracht. "De wetten mochten niet geschonden worden." Toen de dag des doods was aangebroken, deed hij zijn schreiende vrouw Xantippe wegvoeren, wisselde vriendelijke woorden met den man, die hem den giftbeker reikte, vroeg hem, hoe hij zich gedragen moest, troostte zijn bedroefde leerlingen en stierf met die hooge kalmte en waardigheid, die hem zijn heele leven eigen waren geweest.

Zijn dood bezegelde zijn leven en niet het minst daaraan dankt hij dien overweldigenden invloed, welke zijn hooge persoonlijkheid op ons maakt; steeds weer zullen nieuwe geslachten bewonderend opzien tot den man, die zóó wist te leven en te sterven.

"De doode Socrates is opgestaan niet alleen in de scholen, maar ook in de geschriften zijner jongeren, die den vereerden Meester in persoon lieten optreden, hem op de markt en in de gymnastiekscholen met jong en oud verkeeren, zooals hij dat in zijn leven gewoon was geweest. Zoo ging hij voort met onderrichten, ook nadat hij opgehouden had te leven." (Gomperz).

Bronnen.

Voor onze kennis van Socrates moeten we ons wenden tot wat anderen van hem mededeelen; zelf heeft hij geen boeken nagelaten. In aanmerking komen vooral de werken van Xenophon en Plato [24]. Beiden geven een verschillend beeld van den meester, beiden hebben waarheid en verdichting gemengd.

Naast deze getuigenissen staan de karige uitspraken van Aristoteles, die ver genoeg afstond om meer objectief te zien, dicht genoeg bij om nog veel van betrouwbare ooggetuigen gehoord te hebben.

Xenophon, een ferm officier, een goed heereboer, een practisch man, maar een wijsgeerige middelmatigheid, heeft in Socrates het nuttige, het meer voor de hand liggende practische gezien.

Plato, een zooveel fijner, idealer geest, een kunstenaar van schier onovertroffen beeldend vermogen, heeft een geïdealiseerd beeld ontworpen van den wijze, die zijn meester was, maar komt het wezen misschien meer nabij.

Daarbij komt echter, dat Plato in zijn dialogen Socrates zijn eigen meeningen in den mond legt, dezen zelfs leerstellingen laat bestrijden, die eerst na zijn dood ontstaan zijn, waarvan hij dan in den droom kennis heeft gekregen.

Uit deze vermenging van waarheid en verdichting, uit geschriften van mannen, die Socrates met zoo geheel verschillende oogen bezagen, juist datgene samen te lezen wat waar is, is een taak, waaraan uitnemende vorschers zich gewijd hebben, maar die niet gemakkelijk te volbrengen is. Op vele hoofdpunten is men tot overeenstemming gekomen, op andere heerscht nog verschil.

Socrates' methode.

Niet in de uitkomsten van zijn onderzoek, maar in de methode ligt de groote beteekenis van Socrates' optreden. We zagen, dat in het Athene zijner dagen het vertrouwen op een vaste waarheid in de kringen der denkers geschokt was en dat het Socrates' innige overtuiging was, dat er waarheid te vinden was. "Hij had de waarheid noodig en daarom geloofde hij aan haar."

Allereerst nu wil Socrates de waarheid vinden op zedelijk gebied. Hij tracht daartoe te komen door juiste definitie van zedelijke qualiteiten. Door alle gevallen te beschouwen, in welke men een bepaalde kwaliteit toekent, zocht hij dit te bereiken. Dit heeft men in de oudheid zijn inductie genoemd en deze wijze van behandelen en zijn streven naar juiste definities acht Aristoteles door hem in de wetenschap ingevoerd.

De wijze, waarop hij te werk ging was hoogst eenvoudig. Hij zou b.v. vragen: Wat is dapperheid? Den vijand aanvallen. Maar vluchten om hem in een hinderlaag te lokken, ook? Maar vluchten en onderwijl pijlen afschieten, is dat ook dapper?

De vraag naar de gerechtigheid komt ter sprake. Is het nu geen gerechtigheid een zieke te misleiden, die men zijn spijs met de noodige medicijnen vermengt, welke hij anders weigert. Mag een aanvoerder zijn troepen tot moed opwekken, door te zeggen, dat er versterkingen onderweg zijn?

Op deze wijze uitgaande van bepaalde gevallen tracht hij een overzicht te krijgen over alle gevallen, waarin men een bepaalde eigenschap toekende, om aldus te komen tot een definitie.

Deze Socratische wijze van vragen heeft veel navolging gevonden en in het onderwijs heeft men er later op dwaze wijze misbruik van gemaakt (tot in de 19e eeuw toe) door den kinderen vragen te stellen ook over dingen, die ze niet konden weten. Thans echter komt deze Socratische methode, in theorie althans, niet meer voor.

Zijn ironie.

Bij dit vragen deed hij het dikwijls voorkomen, alsof hij het zelf niet wist: gedeeltelijk was dit waarheid, gedeeltelijk een masker, waarachter hij zijn eigenlijke bedoeling weer verbergen kon. Deze redeneerkunst noemden de ouden de Socratische ironie.

Maieutiek.

Zelf vergeleek hij zijn werk wel eens bij de zware taak zijner moeder: ook hij trachtte de waarheid tot leven te roepen. Dit is zijn maieutiek (Grieksch maieuomai = verlossen).

Leer.

In het midden van Socrates' denken staat de mensch. Zijn natuurbeschouwing is door en door teleologisch, overal vraagt hij naar doel en nut. Terwijl het hem verheugde, dat Anaxagoras de noes aan 't begin der wereldformatie plaatste, stelde het hem te leur, dat hij niet in 't bijzonder de doelmatigheid van vele dingen aanwees.

Theologisch is zijne beschouwing zeker niet. Toch heeft hij niet gebroken met alle overlevering, gebeden heeft hij wel opgezonden, offers gebracht en ook 't orakel van Delphi stond bij hem in hooge eer. Bewust monotheïst is hij ook niet geweest. Apollo vereerde hij. Toch spreekt hij ook van den God, het Goddelijke. Dit schijnt voor hem het inbegrip van alle goeds.

Tusschen de atheïsten dier dagen en de aanhangers der oude volksreligie neemt hij dus een bemiddelend standpunt in. Trouwens in alle kringen der "Aufklärung" kent men zulk een positie.

Maar voor de gronden zijner ethiek en levensleer gaat hij niet terug op den wil der goden, maar op het inzicht der menschen.

Socrates huldigt een intellectualistische zedeleer: deugd is inzicht. Niemand handelt opzettelijk verkeerd. Ondeugd is dwaling.

Deze leer tracht hij nu te bevestigen, bij Xenophon vooral, door allerlei eigenaardige argumenten: men moet trouw tegen zijn vrienden zijn, omdat het zoo profijtelijk is vrienden te bezitten, enz. Dergelijke redeneeringen hinderen ons. Laten we echter voorzichtig zijn in ons oordeel.

Allereerst is het zeker niet te ontkennen, dat goed inzicht van belang is voor een deugdzaam leven. De 19e eeuw heeft nog gehoord: wat ge aan scholen uitgeeft, bespaart ge aan gevangenissen. In vele paedagogische systemen ook van den tegenwoordigen tijd wordt een groote plaats ingeruimd aan den invloed, dien verstandelijke ontwikkeling heeft op de zedelijke. Is dus de stelling als zoodanig eenzijdig, er is een gehalte van waarheid in.

Letten we verder op 't specifiek Grieksche: het niet nauwkeurig onderscheiden tusschen individueele en sociale deugden. Nu berusten ongetwijfeld vele individueele deugden op het rechte inzicht in de draagwijdte van onze handelingen. Afgezien van alle zedelijke overwegingen kan men den mensch aantoonen, dat het zijn eigen persoonlijk belang is, niet onmatig te leven, zijn betrekking stipt te vervullen, niet verkwistend te zijn, enz. Het volkomen redelijke dezer deugden, wier opvolging het persoonlijk welzijn van het individu verzekert, is niet moeilijk aan te wijzen.

Bij onnauwkeurige onderscheiding van sociale en individueele deugden is het niet te verwonderen, dat Socrates nu ook meende, deze redeneering over het gansche gebied der deugd te kunnen uitstrekken. Misschien mag ook het Grieksche woord "aretè," dat zoowel fermiteit, flinkheid, kloekheid in 't leven, als deugd beteekent, hiertoe meegewerkt hebben. En eindelijk: het opstellen van dien regel had bij Socrates diepere beteekenis. Zijn eigen deugd is zeker meer uit den grooten zedelijke ernst van zijn karakter voortgekomen, dan uit zijn inzicht: Socrates was een even groot zedelijk als intellectueel genie. Hem moest het bedroeven, dat de deugd werd geminacht, haar waarde in twijfel getrokken; of juister, om een moderne uitdrukking te gebruiken, deugd en ondeugd te zien stuivertje wisselen.

Waar echter eenmaal de autoriteit der deugd in twijfel getrokken was, daar moest haar een zekeren grondslag worden verschaft. Socrates nu trachtte haar redelijkheid te betoonen. Terwijl hij dus aan den gemeenen man, den "braven burger" moest verschijnen als iemand, die aan al 't hooge en heilige, zoowel als aan 't lage en gewone, aan oud en nieuw morrelde en overal naar vroeg om alles op losse schroeven te zetten, was het veeleer zijn streven, de oude deugden, als bezonnenheid, gerechtigheid, een vaste basis te verschaffen.

Innig was zijn geloof aan de gelukzaligheid, die de deugd meebracht. Of hier de taal ook meegewerkt heeft? Het Grieksche "eu prattein" kan zoowel beteekenen goed doen, als: zich wel bevinden.

Eerder zal Socrates bij zich zelf echter opgemerkt hebben, dat deugd bevrediging schenkt; terwijl hij rondom zich menschen zag, die zonder consequentie handelend, heen en weer gezwiept werden door de stormen van dien tijd. Hun ontbrak vastheid van levenslijn. En gaarne wilde hij hun duidelijk maken, hoe alleen waarachtig geluk te vinden is in het consequent doorvoeren onzer zedelijke beginselen. Socrates mag (zooals ook onze tijd geeft te aanschouwen bij hen, die zaken--zaken achten en hun zedelijke of religieuse levensovertuiging niet meenemen in het practische leven--) allerlei "moralen" opgemerkt hebben voor alle mogelijke toestanden, in de plaats tredend van één groot beginsel, dat overal heerscht. Hoeveel minder gelukkig dan hijzelf moesten hem deze menschen schijnen!

Het lag niet in zijn bedoeling de redelijkheid van de deugd in elk bijzonder geval aan te toonen. Stond b.v. eenmaal vast, dat men de wetten van den staat moest gehoorzamen, dan diende men dit, zooals zijn eigen verheven voorbeeld leert, ook te doen, wanneer de wetten in een bijzonder geval onrechtvaardig schenen.

Het daimonion.

Hoogst opmerkelijk is, dat Socrates zich bij zijn daden liet leiden door een "innerlijke stem," die hem aanried, iets te doen of na te laten. Hij noemde dit het daimonion. Het is moeilijk te zeggen wat Socrates hiermee bedoeld heeft. Is het "de stem van zijn geweten" geweest? Was het een intuïtief voelen van het goede en het kwade, van het bij zijn persoonlijkheid al of niet passende, dat zich op deze wijze kenbaar maakte aan den man, die alles op inzicht en verstandelijke overweging wilde gronden en toch zelf zoo'n rijk gevoelsleven had?

§ 11. De Socratici.

Door leerlingen van Socrates zijn scholen gesticht, die tot ver na Christus' geboorte aanhangers gevonden hebben. Van zeer groote beteekenis zijn ze niet geworden. Nieuwe beginselen hebben ze zoo goed als niet ontwikkeld; eenzijdige doorwerking van eenmaal gegeven gedachten was hun werk. Ze gevoelden weinig voor de theorie: hun geheele wijsbegeerte werd de kunst om wèl te leven en ging op in ethische vraagstukken. Terwijl deze richtingen als Socratische bekend staan, mocht men hen liever sophistische noemen. Zoo is b.v. één school eigenlijk alleen merkwaardig, omdat ze de sophisterij tot in 't uiterste dreef en die bekende, onbeduidende kwesties behandelde, waaraan de oudheid zooveel behagen had: bij 't verlies van welke haar iemand b.v. een kaalkop wordt en dergelijke.

Twee scholen zijn merkwaardiger: de Cynische en de Cyrenaïsche, omdat hier al de tegenstelling op ethisch gebied ontwikkeld wordt, die we later bij de Epicureeërs en de Stoïcijnen zullen aantreffen.

Leerzaam is het, de ontwikkeling der gedachten in deze scholen eenigszins uitvoerig na te gaan: parallellen in onzen tijd ontbreken niet en door hen beroerde kwesties bestaan ook nog onverzwakt voor ons.

Socrates had geleerd: deugd is leerbaar en is inzicht; zij maakt gelukzalig. Hij had echter niet den inhoud van 't begrip deugd vastgesteld: waarin bestaat de deugd. De Cynici zoowel als Cyrenaïci zeiden: in den lust, in het aangenaam gevoel, in het persoonlijk zich wel bevinden. Doch in de vaststelling van de wijze, waarop dit te bereiken was, gingen ze uiteen.

CYNICI.

Antisthenes, ± 440 geboren, is de stichter der Cynische school. Practische toepassing vond ze in Diogenes, den "wijze van 't vat," en tot in den Romeinschen keizertijd vond ze aanhangers, die dan echter moeilijk te onderscheiden zijn van de Stoïcijnen, daar de Cynische school in de Stoa verliep. Haar naam dankt ze aan 't "gymnasium" [25] Kynosarges. Later werd aan de Cynici wel den scheldnaam Kunoi, honden gegeven, die ze tot een eerenaam maakten, zooals onze geuzen den scheldnaam bedelaars als eeretitel zouden hebben aangenomen.

Antisthenes dan leerde, dat de gelukzaligheid alleen bestond in de deugd zelf; ze was genoeg voor den wijze, in haar had hij lust. Socrates had geleerd: deugd brengt gelukzaligheid. Antisthenes leerde deugd is gelukzaligheid en sterker: gelukzaligheid bestaat in de deugd. Schijnbaar heeft hij hiermee het hooger standpunt bereikt, dat later, in de filosofie van Kant, opkomt: beoefent de deugd om haars zelfs wil, het loon vindt ze in zichzelf. Deugd blijft een goed, onder alle omstandigheden des levens.

Intusschen is dit niet zoo. Want Antisthenes had toch steeds 't persoonlijk geluk in 't oog. Hij meende nu, dat dit te vinden was, door ons los te maken van de behoeften. De buiten-wereld hebben we niet in onze macht. Niet van ons hangt het af, of we rijkdom, gezondheid en menscheneer zullen kunnen krijgen, die sommigen noodig hebben om gelukkig te leven. Maar wel hangt van ons af onze eigene gezindheid, onze gemoedstoestand. Ontwennen we ons aan aardsche genietingen, keeren we ons af van de wereldsche behoeften, dan zal hun gemis ons niet smarten, geen streven naar hun bezit zal ons ontrusten: we zullen ons vrij voelen en gelukkig.

Van deze leer trok Diogenes de consequenties. Of hij wegens valsch munten is vervolgd, staat niet vast. Ouder geworden schijnt hij zijn leven als "paedagoog" doorgebracht te hebben in Corinthe, waar hij misschien door zelfmoord gestorven is. Diogenes leeft voort in de herinnering door zijn eenvoudig leven. Men heeft hem in Athene wel den razenden Socrates genoemd. Toch is hij van zekere cultuurhistorische beteekenis.

Tegenover de zucht naar macht, eer, rijkdom, weelde, zinnelijke genietingen, die, als ze naar bevrediging zoekt en eenig richtsnoer van het handelen wordt, niets anders dan 't bankroet der staten en dat van 't geestelijk leven met zich brengen kan, is 't noodig dat steeds weer nadruk gelegd wordt op de waarde der eenvoudigheid, dat er gewezen wordt op het schoone van een leven zonder behoeften. "Hoe minder behoeften, hoe nader de goden."

Dit theoretisch en practisch gedaan te hebben, is de groote verdienste der cynici. Ze hebben daardoor mee den akker geploegd, waarin straks het zooveel betere koren der Stoïcijnsche leer zal opschieten.

Maar bij het streven der cynici worden we levendig herinnerd aan Goethe's drastisch beeld, waarin hij de menschelijke eenzijdigheid teekent: een mensch is gelijk aan een beschonken boer, die, als men hem aan den eenen kant op 't paard helpt, er toch aan de andere zij weer afvalt. Dit overvallen naar den anderen kant vertoonen de Cynici maar al te sterk.

Hun afkeer van weelde leidde tot verachting van alle civilisatie en beschaving, hun terugroepen van de natuur tot een miskenning van alle historische ontwikkeling. De sophistentegenstelling thesei en phusei dreven zij tot 't uiterste door; en voor alles wat thesei was, toonden ze de grootste verachting.

Niet alleen dat ze zich volstrekt niet aan maatschappelijke vormen, behoorlijke kleeding, enz. stoorden, maar ze ontkenden ook de natuurlijkheid èn van het zedelijk èn van het lichamelijk schaamtegevoel.

Vaderlandsliefde kenden ze niet: toch was hun cosmopolitisme geen gevolg van algemeene menschenmin, maar van onverschilligheid voor den staat, die ze als een menschelijke instelling verachtten.

Godsdienst.

Ten opzichte van den godsdienst waren zij atheïsten. Latere cynici gingen zoover, dat ze spotten met alle mythe en overlevering, terwijl de eersten getracht hadden ze een andere beteekenis te geven en er zedelijken zin in te zoeken. Met een Hollandsche parallel der 19de eeuw zou men de latere cynici bij Jan Rap kunnen vergelijken, die zijne zusjes, omdat ze nog aan wonderen geloofden, aangrijnsde, terwijl men in de eerste cynici dan meer die modernen uit de Genestet's tijd zou kunnen zien, die aan de bijbelsche wonderverhalen een natuur- of zedekundige beteekenis trachtten te geven.

Het is opmerkelijk, dat bij hen twee verklaringsvormen voor 't ontstaan van den godsdienst [26] opkomen, die ook in de 18de eeuw een plaats vinden:

Euemeros, en naar hem heet deze leer Euemerisme, meende de godsvereering te moeten terug voeren op een vereering van helden en voorvaderen, latere cynici zagen in godsdienst voornamelijk priesterdwang en werden niet moede aan te toonen hoeveel onwaars en huichelachtigs er b.v. in het orakel van Delphi school (Vergelijk De Deïsten § 47 bl. 303 v.v.).

Het cynisme een proletariërs filosofie.

De kreet "terug naar de natuur" wordt vooral aangeheven in tijden van overbeschaving. Het is duidelijk, dat beschaving licht overbeschaving schijnt aan menschen uit standen of landen, waar minder beschaving heerscht. Zoo is er in de 19de eeuw misschien geen land, waar de roep zoo sterk gehoord is als in Rusland, waar Tolstoi's naam er aan verbonden is. Misschien dat de binnendringende Westersche beschaving den Russen reeds overbeschaving lijkt. Zoo was het in de 18de eeuw Rousseau, die als graveursleerling en lakei werkzaam was geweest, die de leuze deed hooren.

In Griekenland waren het vooral de half-Grieken, die het cynisme aanhingen, mannen, uit oorden afkomstig, afgelegen van Athene en het centrum der beschaving, ook mannen, niet van zuiver Grieksche afkomst. Hun mag het Atheensche leven eerder overdadig toegeschenen hebben dan den Atheners zelf.

Het is niet onbegrijpelijk, dat armen, die toch niets bezaten, in het cynisme een leer vonden, passend voor hunne behoeften. Die leer was geschikter voor hen, dan een, die het genot predikte, dat zij toch niet konden verkrijgen. In zooverre heeft men 't cynisme terecht een proletariërsmoraal genoemd.

Toch weet de historie ook te vertellen van rijke menschen, die zich van hun vermogen ontdeden, om als eenvoudige lieden verder te leven. Dit is niet het eenige punt, dat aan het Christendom doet denken. Ook hun prediken, hun gaan tot de menschen, hun vermanen herinnert er aan. En, zooals Jezus zei: (Matth 9 : 12): die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn,--zoo antwoordden zij, wanneer men hun verweet dat zij zich bemoeiden met de armsten en ellendigsten der maatschappij: dat de zieken den dokter noodig hadden, terwijl--zooals ze er veelzeggend bij voegden--de dokter zelf geen koorts behoefde te krijgen.

Zoo is er in het cynisme met al zijn afdwalingen en zonderlinge grilligheden wel iets goeds te waardeeren, dat als een gistkiem kon werken. Misschien hebben we, om het goede te halen uit al het dwaze, waarin zij zelf en nog meer de overlevering dat gehuld hebben, langer dan noodig bij hen gewijld en is het tijd, om te zien naar die Socratici, welke met hen in lijnrechte tegenstelling staan: de Cyrenaïci.

CYRENAÏCI.