Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2
Part 3
3o. Die verbindingen kunnen zoodanige zijn, dat er van de eene stof meer is dan van de andere.
De uitwerking dezer beginselen is natuurlijk kinderlijk en gebrekkig. Als vier elementen kent hij lucht, water, vuur en aarde [12]. Bij de drie, ons reeds bekend, voegt hij dus een vierde. We zien, dat de aarde overeenkomt met den vasten, het water met den vloeibaren, de lucht met den gasaardigen toestand. Het vuur, dat niet meer met een aggregaatstoestand overeenkomt, maar een proces is, dat der verbranding, staat hier wat vreemd naast.
Deze elementen verbinden zich. Geen lichaam, of het bestaat uit een vereeniging dezer vier.
Nam men nu aan, dat de stoffen in gelijke hoeveelheid bij een menging voorkwamen, dan waren er slechts de volgende mogelijkheden:
4 lichamen uit één grondstof samengesteld. 6 ,, ,, twee grondstoffen ,, 4 ,, ,, drie ,, ,, 1 lichaam ,, vier ,, ,,
Het zoo verkregen getal (15) beantwoordt lang niet aan de groote hoeveelheid stoffen, die ons de ervaring leert kennen. Daarom moet er aangenomen worden, dat de verhouding ongelijk is, waarin die stoffen zich kunnen verbinden. Ook hier is de voorstelling van Empedocles naïef, vergeleken bij de tegenwoordige scheikunde.
Zoo meent hij te kunnen volstaan met eenvoudige verhoudingen, die hij natuurlijk niet door onderzoekingen vinden kon: beenderen bestaan b.v. voor 1/2 uit vuur, 1/4 uit aarde, 1/4 uit water.
Wereldvorming.
Oorspronkelijk waren alle 4 elementen vereenigd. Dit was het eerste stadium. De kracht, die ze bijeenhield, noemt Empedocles de vriendschap. Toen kwam de twist [13] als storend beginsel, tot alles in deelen uiteenlag.
Daarna wordt alles weer vereenigd.
Tusschen deze beide stadiën nu van volkomen eenheid en volkomen uit elkaar liggen, zijn twee stadiën van strijd tusschen vriendschap en twist. In 't eerste gaat de twist de overhand krijgen, in 't andere de vriendschap.
We kunnen 't ook aldus voorstellen:
I. Overheersching van de | vriendschap. | II. V Optreden van den twist en diens scheidende werking. III. Overheersching van den twist.| | IV. V Optreden van de vriendschap en haar verbinding.
In het tweede en vierde stadium alleen is organisch leven mogelijk.
Waarneming.
Het eerste denken neemt aan, dat het de dingen ziet, juist zooals ze zijn. Ook Anaxagoras, al heeft hij zich over de beperktheid van ons waarnemingsvermogen beklaagd, nam aan, dat de zinnen ons juiste kennis geven van de buitenwereld.
De Eleaten verklaarden eenvoudig de ons door zinnelijke waarneming gegeven kennis voor doxa, meening; niet voor waarheid.
Empedocles nu tracht na te gaan, hoe onze waarneming tot stand komt. Hij begrijpt--en dit is weer een vooruitloopen op een moderne gedachte--dat er een weg is tusschen de inwerking van het voorwerp op onze zintuigen en de waarneming. Dat we er dus niet komen, met eenvoudig de waarneming als zoodanig te verwerpen of aan te nemen, maar moeten nagaan, hòe ze ontstaat. Ook hier zijn zijne oplossingen kinderlijk-fantastisch.
Voorloper van Darwin.
Het oog b.v. bestaat voornamelijk uit water en vuur. Een voorwerp zendt kleine deeltjes uit. Van ons oog gaan nu ook kleine deeltjes door de poriën der omhullende wanden. Vlak bij 't oog raken nu de deeltjes van 't oog en van 't voorwerp elkaar, en dit proces geeft de gewaarwording. Het vuur (tevens het lichte) neemt het vuur, het water 't water waar. In zekeren zin mag men Empedocles ook een voorlooper van Darwin noemen, in zooverre hij het doelmatige bij de dieren en in de natuur hieruit verklaarde, dat de meest geschikte vormen waren blijven bestaan en de ongeschikste te gronde gegaan. Hoogst naïef is echter zijn voorstelling: Er zijn eerst pooten, koppen enz. gekomen; door de aantrekkende werking der vriendschap vereenigden zich deelen: men kreeg paarden met menschenkoppen, dieren met te veel of te weinig pooten, enz. Dergelijke vormen gingen te gronde. Maar zoo er een levensvatbare, goede, verbinding ontstond, dan bleef die en plantte zich voort.
Empedocles is een rijke geest geweest en zijn groote algemeene belangstelling blijkt wel hieruit dat hij ook trachtte de oplossing te vinden van een aantal vragen, waarop ook de tegenwoordige wetenschap nog geen afdoend antwoord vermag te geven. Zoo b.v. de vraag naar de factoren, die bepalen, of een kind van 't mannelijk of van 't vrouwelijk geslacht zal zijn.
§ 7. De Atomisten [14].
LEUCIPPUS en DEMOCRITUS.
Het groote stelsel, dat ons nu gaat bezighouden, is in zijn eerste gedachten ontwikkeld door een tijdgenoot van Empedocles en Anaxagoras: Leucippus, die misschien wel in Abdera gewoond heeft. Of hij geschreven heeft is onzeker, bewaard gebleven is niets. Door Democritus van Abdera (± 420) is het verder ontwikkeld. Het is een moeilijk probleem, precies uit te maken, wat van Leucippus, wat van Democritus zelf is. We behandelen de leer dus als geheel. Alleen zij opgemerkt, dat Democritus één belangrijk inzicht ontleende aan een denker, dien we straks zullen leeren kennen: Protagoras, en dat men dus zeker zeggen kan, dat dit niet van Leucippus was.
Democritus, een man van zeldzame begaafdheid, had veel gereisd, veel onderzocht, vestigde zich later blijvend te Abdera en schijnt alleen een provinciale beroemdheid te hebben genoten.
Hij heeft veel geschreven over allerlei onderwerpen. De klaarheid en kracht van zijn stijl worden door Cicero hoog geprezen. Zeer te bejammeren is het dus, dat zijn werken zoo goed als geheel verloren zijn gegaan, een verlies, dat slechts matig vergoed wordt door de berichten, die we bij latere schrijvers over hem aantreffen.
Aanknoopingspunten.
De Atomistiek is niet uit de lucht komen vallen en haar opbouw door de geniale grondleggers is niet een werk geweest, dat geen steun of voorbereiding vond in vroeger uitgesproken meeningen. Met name mag hier herinnerd worden aan de strenge opvatting van causaliteit, aan het aannemen van een "zijnde" achter de verschijnselen, hoe dan ook gedacht, aan de pogingen om onze waarnemingen te verklaren. De voortgang der speciale wetenschappen had het vertrouwen op het denken vergroot en speciaal was de werkzaamheid der Grieksche artsen niet zonder vrucht gebleven. Waarneming en nauwkeurige bestudeering van ziektesymptomen kwam voor. Vooral Hippocrates van Kos was een beroemd geneesheer en is als schrijver zeer vruchtbaar geweest.
De overlevering verhaalt ook van persoonlijke aanraking tusschen Democritus en Hippocrates en van een daarop gevolgde correspondentie.
Leer.
Gaan we nu over tot de hoofdbeginselen der atomistiek. Bijna geen enkele leer der oudheid komt zoo overeen met huidige begrippen. Bijzonder leent deze leer zich ook tot toelichting van enkele voorname hoofdbegrippen uit de tegenwoordige wetenschap.
Uit niets kan niets ontstaan; niets, dat bestaat, kan vernietigd worden.
We ontmoeten hier een gedachte van uiterst groot belang [15]. Zoo spoedig we n.l. overtuigd zijn, dat niets vernietigd kan worden, is een spoorslag gegeven, om te onderzoeken waar iets, dat schijnt te vergaan dan blijft. Wat geschiedt er met dat, wat we verbranden? Wat met een stof, die opgelost wordt in een andere? Wat met een organisch lichaam, dat wegrot? Immers schijnbaar verdwijnt hier iets. Maar we hebben de overtuiging, dat er niets verdwijnt: de stof, die de genoemde lichamen samenstelt, mòeten we weer terug vinden. Zoo vinden we dat oplossen niets anders is dan eene zeer fijne verdeeling en verspreiding der deeltjes door die van een andere stof. Zoo verbranding: verbinding met zuurstof, enz.
De beteekenis van deze stelling is echter grooter dan die van een vruchtbaar beginsel alleen. Ze geeft ons eene belangrijke waarheid uit het gebied van de theorie der kennis.
We hebben hier met een axioma te doen, dat, naar vele denkers aannemen, niet uit de ervaring kan stammen. Immers, deze leert ons niet, dat er niets verdwijnt. Tal van malen toch zien we iets verdwijnen, zonder dat we kunnen nagaan, waar het gebleven is. We moeten dus aannemen, dat dit inzicht ons vóór de ervaring gegeven, dat het aprioristisch is. Het is er ver vandaan, dat de atomisten, die dezen regel opstelden, ook een helder inzicht hadden in haar aprioristisch karakter. Dit element in onze kennis is eerst door Kant met volledige klaarheid behandeld. Zoo zien we, dat het menschelijk denken langen tijd met beginselen en regelen kan werken, zonder zich van hun aard rekenschap te geven.
Het is duidelijk, dat dit beginsel min of meer voorbereid was door het aannemen der eene oerstof of het eene zijnde der Eleaten. We zagen, dat de Eleaten het veranderen loochenden, dat Empedocles en Anaxagoras de verandering terugbrachten tot een verbinding en scheiding van elementen.
Duidelijk blijkt dat deze stelling ook behoort tot het stelsel der atomistiek, zoodat we kunnen schrijven:
Alle verandering is verbinding en scheiding van deelen.
De vraag rijst nu: hoe moeten die deelen gedacht worden. De Ioniërs hadden één stof, Anaxagoras kende een oneindig aantal stoffen, Empedocles vier. De atomisten kwamen nu tot het aannemen van een oneindig aantal stofdeeltjes, die ze atomen heetten. Deze atomen zijn alleen verschillend in vorm, niet in aard.
Er zijn niets anders dan atomen, in oneindig aantal, en verschillend van vorm.
Naar het aannemen van atomen heet deze leer atomistiek.
Stellen we ons een willekeurig lichaam voor, b.v. een stuk krijt. We kunnen het in deeltjes verdeelen, deze weer verdeelen, enz. tot de onvolmaaktheid onzer waarneming of van onze werktuigen fijnere verdeeling onmogelijk maakt. De wetenschap heeft het zeer zeker tot uiterst fijne verdeelingen gebracht. Met een mikrotoom snijdt men in een botanisch laboratorium bladdoorsneden van 1 mikron (1/1000 mM.) dikte. Hoe klein dit ook moge zijn, we kunnen ons toch voorstellen, dat ook dit nog wel verder verdeeld zou kunnen worden, enz. Het aannemen nu van vaste, niet verder deelbare atomen is de grootste daad der atomisten. Met behulp van het begrip "atomen" kunnen we ons den opbouw der lichamen denken. Zij zijn het blijvende; de eeuwigheid en onveranderlijkheid van het Eleatisch stelsel vinden we daarin: alle wisseling is niet anders dan eene verbinding en scheiding van atomen.
In de moderne natuurkundige wetenschap heeft zich deze theorie buitengewoon vruchtbaar bewezen. In den laatsten tijd is men nog weer verder gegaan in de richting der atomenleer en heeft men het atoom-begrip ook ingevoerd in de leer der electriciteit: ook deze denkt men zich te bestaan uit vaste kernen, de electronen.
Zeer naïef is de voorstelling van de wijze, waarop de atomen nu samen één lichaam vormen. Ze hebben heel verschillende vormen. Sommige hebben haakjes, andere uitsteeksels, derden weer indeukingen, enz.: daardoor kunnen ze aan elkaar vastblijven.
De wereld ontstaat door atoombeweging.
Democritus ging van het nu als onjuist gekende standpunt uit, dat de lichamen niet even snel vallen. Bij dezelfde dichtheid zou een grooter massa sneller vallen dan een geringer. De grootere atomen haalden in hun val de kleinere in. [16]
De atomen hebben verschillende vormen. Een ingehaald atoom kreeg een stoot, die wel gewoonlijk niet juist op 't middelpunt gericht was. Daardoor kregen de atomen, die ingehaald werden, zijwaartsche bewegingen en draaiïngen om hun as. Waren er in een bepaalde laag eenmaal zijbewegingen ontstaan, dan werden die hoe langer hoe ingewikkelder. Ook de steeds doorgaande val der zwaardere atomen vergrootte de sterkte der beweging. Zoo kunnen er in een bepaalde laag atomen heftige bewegingen tot stand komen, waaronder ook teruggaande. Zoo verzamelden de zwaardere atomen zich beneden, de lichtere bleven boven.
Zoo ongeveer kan men zich Democritus' meening denken, hoewel het ontbreken zijner geschriften ons altijd eenigszins in 't onzekere laten moet omtrent zijn juiste bedoeling.
Dat nu de lichamen zoo verschillend zijn ligt aan de verscheidenheid der atomen: deze zijn ongelijk van vorm, grootte, getal en ordening. Dit verschil kunnen we ons duidelijk maken met een eenvoudig voorbeeld uit de oudheid.
A en N verschillen door vorming; AN en NA door ordening; N en een gekantelde N door ligging.
We hebben gezien, dat de Eleaten de wereld der verschijnselen voor doxa hielden. Ook Democritus gebruikt dit woord. Hij steunt daarbij op een door Protagoras gewonnen opvatting der qualiteiten.
Nemen we de kleur van een ding. We weten tegenwoordig, dat kleur iets is, dat onze geest aan de dingen toekent, een bijzondere wijze, waarop we reageeren op bepaalde prikkels. In de werkelijkheid zijn er geen kleuren. Er zijn alleen ethertrillingen, met verschillende golflengtes en onderscheidene snelheid. Treft eene ethertrilling met een golflengte van 0,56 mikron ons oog, dan ontstaat er een andere kleurgewaarwording, dan wanneer die lengte b.v. de helft is.
De kleur is dus een eigenschap, die de dingen niet zelf hebben, maar die wij ze toekennen. Waren onze organen anders ingericht, dan zouden we misschien geheel andere gewaarwordingen krijgen, als ethertrillingen ons oog troffen. Desgelijks is het met het geluid. We hebben gewaarwordingen van hooge en lage tonen, maar in werkelijkheid zijn er luchttrillingen van meerdere of mindere snelheid.
Onze tegenwoordige wetenschap, erkent dus, dat sommige eigenschappen der dingen de wijzen zijn, waarop wij ze opvatten. Deze subjectiviteit der eigenschappen is in den nieuweren tijd vooral door John Locke in 't licht gesteld. Kleur noemde hij een secundaire eigenschap. Maar geen ding kon hij zich denken zonder vorm en grootte. Dit waren dus primaire eigenschappen (§ 46).
Zonder te steunen op onze moderne wetenschap en zonder Locke's scherpe onderscheiding te geven had Protagoras toch ook een inzicht in de subjectiviteit van sommige eigenschappen. Democritus zegt dan ook met hem, dat het bittere, het zoete, het warme als zoodanig niet bestaat! Het is er slechts door onze opvatting, het bestaat in de meening, in de doxa. Wat alleen bestaat, dat zijn de atomen.
Toch zou men hier eene bedenkelijke gaping kunnen constateeren. Immers: wat ons het allereerst gegeven is, zijn juist onze gewaarwordingen. Deze tot schijn te verklaren, is eigenlijk het meest reëele ontkennen.
Descartes is het in 't bijzonder geweest, die vaststelde, dat de eerste, ons gegeven werkelijkheid onze bewustzijnsverschijnselen waren (§ 40). Maar ook reeds eerder zullen we deze meening aantreffen (bl. 86).
De erkenning der subjectieve zijde van de eigenschappen behoeft niet mee te brengen een ontkenning hunner werkelijkheid.
Zielenleer.
Voor de natuurverschijnselen heeft Democritus dus een streng mechanische verklaring gegeven: atomen, door druk en stoot op elkaar werkend, zijn er; anders niets. Deze verklaringswijze past hij ook toe op 't geestelijk bestaan. Ook dáár erkent hij niets anders dan werking van atomen. Dat psychische verschijnselen iets anders zijn dan physische, is hem niet bewust geworden. De ziel bestaat uit ronde, gladde, fijne atomen.
In de zedeleer is Democritus eudaemonistisch. Het hoogste doel is gelukzaligheid. Deze echter stelt hij zich heel hoog voor: we moeten streven naar zielerust, en de hoogste zielerust vergelijkt hij bij de stilte der zee. Alleen door heerschappij te voeren over onze heftige begeerten kunnen we die rust verkrijgen.
Niet uit vrees voor straf of uit hoop op belooning, maar om het loon dat de deugd in zichzelf draagt, zullen we hiernaar trachten.
HOOFDSTUK II.
DE SOCRATISCHE TIJD.
§ 8. Inleidende opmerkingen.
De Grieksche Renaissance stelden we plus minus 700-500.
Voor het Grieksche cultuurleven is de daaropvolgende eeuw van overwegende beteekenis.
De Perzen, onder Cyrus (559-530) tot wereldheerschappij gekomen, onder Darius (522-485) in die heerschappij bevestigd door uitnemende organisatie van hun staat, waren in botsing gekomen met de Grieksche steden op de kust van Klein-Azië.
De onderwerping van zijn vaderstad had Heraclitus met bitterheid vervuld en hem krijgshaftige eigenschappen hoog doen schatten. De Grieken uit het stamland hadden de Klein-Aziatische Grieken eenige hulp verleend. Dit werd de aanleiding tot de botsing tusschen de twee machten: Perzië en Griekenland. We behoeven niet te herinneren aan den nobelen tegenweer door de Grieken den Perzen geboden, aan de slagen bij Marathon, Salamis en Plateae (490-480-479). En al bleven oude twisten en veeten bestaan: er was een sterk gevoel van samenhoorigheid gekomen onder de Grieksche staatjes: als een tweespan hadden het conservatieve Sparta, de soldatenmacht, en Athene, het omhoogstrevende en democratische handelsstaatje, voor den wagen der Grieksche vrijheid geloopen. Levendig waren de betrekkingen, door het Grieksche stamland onderhouden met de koloniën op Sicilië.
Het tijdperk van 500-400 kenmerkt zich dus door zekere verruiming van blik, door een zich verheffen boven enge afgeslotenheid. We zagen reeds hoe Democritus verre reizen deed, hoe Xenophanes het Grieksche land doortrok, Empedocles in verschillende plaatsen werkzaam was. In Anaxagoras ontmoetten we den eersten denker, die langen tijd in Athene vertoefde.
Dit al-Grieksche zouden we kunnen zeggen, is omstreeks 400 meer het deel van breeder kringen geworden. Blijven ook nationale veeten bestaan, de blik is toch op wijder gebied gevestigd.
Athene.
Een tweede belangrijk feit is: de rangverhooging van Athene. Het was natuurlijk niet de eenige voorname staat naast Sparta. Ook Corinthe, Megara, Aegina hadden belangrijken handel en levendige industrie. Maar Athene wordt een "groote Mogendheid" in Griekenland. Bij het begin der Perzische oorlogen had het Sparta de leiding gelaten. Maar het genie van Themistocles had ontdekt, waar Athene's grootheid te zoeken was: zijn toekomst lag op 't water. Hij had den aanbouw van een vloot doorgezet, was werkzaam geweest voor de havenwerken, had de vierde klasse, die als roeiers dienst zouden moeten doen, stemrecht weten te geven. Met tal van steden en eilanden had hij het Delisch-Attisch verbond gesloten, waarin weldra Athene de leidster werd, de bondgenooten vazallen, hun contributie aan den bond een schatting aan het overheerschende gewest.
Democratie.
Met deze uitbreiding van rijkdom, macht, handel en nijverheid had de ontwikkeling der democratie gelijken tred gehouden.
Werk en brood was er in de levendige haven van Athene voor ieder, die werken wou, te vinden. Dus hoopte zich in de stad een groote bevolking op. Het platteland werd verlaten. De landedelman zag zijn invloed verminderen. Maar de handelsman werd rijk. Hem was de nieuwe toestand naar den zin: hij bracht geld aan.
Naast het stemrecht der vierde klasse toegekend kwamen andere democratische maatregelen. Er werd presentiegeld gegeven aan hen, die de volksvergadering bezochten of recht spraken. Gratis schouwburgbezoek werd toegestaan. Het tooneel was in dien tijd een belangrijke macht. De treurspelen van Sophocles en Euripides roeren ook nog het moderne gemoed.
Daarnaast staan tooneelstukken, waarvoor de naam blijspel misschien te serieus is. Het waren luchtige losse stukken, die allerlei vraagstukken van den dag behandelden. Misschien kan men ze het best vergelijken met een tegenwoordige "revue." Men heeft in die stukken ongetwijfeld eene zekere uiting van den Attischen geest. Maar dwaas is het daaruit tot de werkelijke toestanden te besluiten of ze als bronnen te gebruiken om de leidende ideeën van dien tijd te leeren kennen. Ons nageslacht zou dan evengoed Speenhoff's liedjes [17] kunnen gebruiken om zich een meening te vormen over vegetarisme of de "Vrouwenbeweging." Houden we deze parallel nog even vast. Zooals menig "beschaafd" mensch met genoegen den onzin over 't vegetarisme of vrije vrouwen hoort zingen en al of niet over 't waarheidsgehalte der liedjes nadenkt, zoo zagen ook de Atheners met genoegen hun blijspelen, vertelden elkaar de grappen. Zoo zijn een aantal van die dwaze anecdoten ontstaan omtrent Socrates bijv., die ons vroeger in geschiedenisboekjes werden opgedischt en die voor velen het wezen der Grieksche wijsbegeerte uitmaakten.
Het volk te Athene nam dus deel aan het publieke leven. Het is niet te verwonderen, dat het gesproken woord een macht werd. En zoo zag men dan de menschen zich toeleggen op vaardig en sierlijk spreken. Weldra werd deze kunst met ernst en ijver beoefend. Jongelui uit voorname geslachten, die graag invloed kregen op staatszaken, begrepen, dat ze het moesten winnen door in de volksvergadering goed te spreken en we zien er hen zich met ijver aan wijden.
De politieke en economische bloei van Athene bleef niet bestaan. Verschillende factoren werkten daartoe mee.
Zijne grootheid wekt naijver.
Hoonend behandelt het de bondgenooten.
De democratie, die zich eerst willig geschikt had naar haar groote leiders, Themistocles en Pericles, werd bandeloozer. Zoolang het volk luisterde naar één man, deugde de Atheensche regeeringsvorm, die alle macht in handen liet van een veelhoofdige volksvergadering. Maar toen die leider ontbrak, er geen andere opstond met genoeg genialiteit en autoriteit, toen deed het zich als een gebrek voelen, dat er geen blijvend regeeringslichaam was, dat steunend op oude overlevering kon voortgaan in de banen, aangewezen door zijn groote voorgangers.
Maar eindelijk: het Atheensche volk was te klein om een groot gebied te beheerschen. Het radicalisme der Atheensche democratie ging slechts zoover, als eigenbelang dit meebracht. Verder niet. En ook Pericles zag, hoewel hij 't nooit gedaan kon krijgen in opneming der bondgenooten als burgers van Athene, een noodzakelijken eisch. Met zoovelen wenschte men echter de voordeelen van het burgerschap niet te deelen. Zoo bleef er een te klein aantal menschen, die belang hadden bij het voortbestaan van groot-Athene.
Met Pericles' dood (429) valt Athene's grootheid. In 404 slopen de Spartanen haar vestingwerken. Wel schijnt na dien tijd nog wel eens even de gelukszon. Maar nooit wordt Athene weer een groote mogendheid.
Dit nu had voor de ontwikkeling van het denken, zijn voordeel. In het groote bedrijvige Athene was de Grieksche geest wel tot een nieuw leven gekomen. Maar de solide opbouw van systemen, de stevige doorwerking van gedachten had een plaats noodig, die wat minder op den voorgrond trad in de politiek.
Athene is van 450 af het middelpunt van het Grieksche denken. Het blijft ook nog 100 jaren na zijn val een uiterst belangrijke stad voor het geestelijk leven. Het is de woonplaats van het groote drietal: Socrates, Plato en Aristoteles.
§ 9. Geesteswetenschappen.
Sophistiek.
Wat in dien tijd opvalt, is de vlucht, die de beoefening der geesteswetenschappen neemt. Niet langer de natuur, de mensch staat in 't middelpunt van het Grieksche denken. Allereerst was de blik naar buiten gericht--de kinderleeftijd.--Hierop volgt nu de tijd van rijpwording, waarin een zich bezinnen over den mensch op den voorgrond treedt, de blik op de binnenwereld is gericht. Daarop zal de mannelijke leeftijd volgen, waarop natuur en mensch gelijklijk voorwerpen van onderzoek zijn.
In een zoo bewogen maatschappij, waarin telkens nieuwe maatregelen moesten worden getroffen, doet zich vanzelf herhaaldelijk de vraag voor: wat is in dit geval goed; en dit leidt tot de algemeene vraag: wat is in het algemeen goed? Tot dusver had men wet en regel gehoorzaamd zonder naar hun recht te vragen. Nu vroeg men: vanwaar de autoriteit, welke we de wetten toekennen?--Dit bracht ook aan het nadenken over den aard en de roeping, vooral over den oorsprong van den staat.
Bij de belangstelling in zedeleer en staatsrecht voegde zich die in taal en geschiedenis.