Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2
Part 23
Niet zoozeer de kennistheorie hield de Duitsche achttiende eeuw bezig, als wel de godsdienstwijsbegeerte en ook in Duitschland hing men de natuurlijke religie aan, die voor velen samenviel met de moraal en het geloof aan God en de onsterfelijkheid. Dat was het geval met den Jood Mendelssohn (1729-1786), die zich met ongelooflijke vlijt had omhoog gearbeid tot een gezien schrijver. Het was in die tijden zelfs verboden aan de Joden, om Duitsch te leeren. Met stalen vlijt en groote volharding leerde Mendelssohn Duitsch schrijven en kwam op voor een beter behandeling zijner geloofsgenooten. In hem eeren de Israëlieten een hunner groote voormannen en wegwijzers, die het nationaal besef onder hen heeft wakker geschud en meegewerkt aan de geestelijke verheffing der Joden.
Als een der schoonste dragers der Aufklärung verschijnt dan Gotfried Ephraim Lessing, die als letterkundig kritikus wel zijn grootsten roem heeft behaald, maar ook als godsdienstig denker zijn beteekenis heeft. Hij vertoont sterke overeenkomst met Spinoza, die in de achttiende eeuw in Duitschland zeer gewaardeerd wordt. Lessing heeft heel veel oog voor de geschiedenis. Hij leert, dat de geschiedenis der godsdiensten een opvoeding van het menschelijk geslacht is door goddelijke openbaring. De opvoeder kan niets vreemds in het kind brengen, maar alleen een ontwikkeling leiden, en sneller maken. Zoo heeft God de menschheid sneller vooruit gebracht door zijn openbaring aan Mozes. Zonder deze had ze misschien nog millioenen jaren in het polytheïsme geleefd. Zooals nu de opvoeder geleidelijk te werk gaat, en niet alles in eens geeft, zoo geeft ook God zijn volle openbaring niet in eens. Zeer scherpzinnig wijst Lessing aan, hoe er dan een zekere ontwikkeling, een zekere opeenvolging is, en hoe geopenbaarde waarheden ten slotte waarheden voor de rede worden.
Wij moeten dus trachten de waarheid te begrijpen en niet eenvoudig blijven staan bij het geopenbaarde. Voor Lessing's oog ontvouwen zich nog een groot aantal mogelijkheden, en hij heeft een diep besef, dat wij steeds zullen moeten blijven zoeken naar verdere waarheden. Sterk komt dit uit in zijn woorden:
"Niet de waarheid, in welker bezit eenige mensch is, maar de oprechte moeite, die hij besteed heeft, om achter de waarheid te komen, maakt de menschenwaarde uit. Want niet door bezit, maar door nasporing der waarheid vergrooten zijn krachten zich, waarin alleen zijn steeds groeiende volkomenheid bestaat. Het bezit maakt gemakzuchtig, lui, trotsch... Indien God in zijn rechterhand al de waarheid, in zijn linkerhand alleen de steeds werkzame begeerte naar waarheid had,... en tot mij sprak, kies, dan zou ik vol deemoed zijn linkerhand grijpen: Vader geef, de zuivere waarheid is immers slechts voor U alleen."
Lessing's streven naar verlichting gaat dus uit boven de gewone Aufklärung: eerst door zijn historischen zin; dan door het besef, dat er gezocht moet worden naar eigen onvolmaaktheden; dat men een hoog ideaal moet nastreven, zelfs al weet men, 't niet te zullen bereiken; eindelijk door het gemis aan genoeglijke zelfvoldaanheid, kenmerk maar al te vaak van vele dragers der Aufklärung.
Psychologie.
Voor de psychologie is de Duitsche Aufklärung van beteekenis geworden door de waarde, die zij toekende aan het gevoel. Tot dusver hebben we allerlei indeeling der bewustzijnsverschijnselen ontmoet (Plato, Aristoteles, Augustinus, Telesio, Hobbes, Locke, Hume) en daar wel de tegenstelling aangetroffen van waarneming en denken, waarnemen, herinneren, fantaseeren, intellect en wil, maar de indeeling in drieën, die ons zoo gewoon is: kennen, gevoelen, begeeren, niet. Het gevoel had men langen tijd beschouwd als meer een vaag bewustworden, van onduidelijke, niet scherp onderscheiden voorstellingen. Rousseau gaf het gevoel zijn eigen plaats en in de zielkunde voerde Tetens de ons bekende indeeling in drieën in [80].
Baumgarten, een leerling van Wolff, gebruikte dan het woord aesthetica voor het eerst (1750) als de leer van het schoone en vestigde daarmede in Duitschland de wetenschap die Hutcheson en Buttler in Engeland trachtten te bevorderen.
Opvoedkunde.
Rousseau's opvoedkundig ideaal werd in practijk gebracht door Basedow, aan wien we vooral de volgende groote beginselen danken, zij het dat zijn opvolgers (Campe, Salzmann, Guthsmuths) er meer aan deden dan hij: Lichamelijke opvoeding, mildere tucht, beter kinderlectuur, aangename leerwijze, practische leerstof.
Tot de mannen der Aufklärung wordt dan ook gerekend de Zwitser Johann Heinrich Pestalozzi, de vader der 19de-eeuwsche schoolopvoeding, die het eenzijdige uit Rousseau (de individueele opvoeding) weglatend, in de opvoeding het middel zag, de gezonken menschheid op te heffen, en die door zijn warme, onvermoeide toewijding, trots honderd kleinere en grootere practische fouten, in wijden kring en langen tijd bezielend werkte, wijl hij 't verstond, alles voor anderen en niets voor zich zelven te zijn.
SLOTOVERZICHT.
Zoo hebben we dan de Aufklärung vervolgd.
In ENGELAND schept ze een diepgaande, maar niet afsluitende kennistheorie, die aanknoopend aan Locke, in Berkeley en Hume voortzetters vindt. Een kennistheorie, die het substantieprobleem en het causaliteitsprobleem in al de scherpte stelt, maar niet oplost, die met groote nauwgezetheid het ontstaan onzer voorstellingen nagaat en beschrijft, maar niet alle schakels weet aan te wijzen.
Het deïsme geeft er een wereldverklaring, die tal van menschen weet te bevredigen, en de voor dit stelsel kennelijke doelmatigheid der wereld, gevolg van een schepping Gods, verbindt met een mechanische natuurbeschouwing, daar het, in tegenstelling van het theïsme, de inwerking Gods op de wereld ontkent. Ook hier bereidt Locke voor, en voltooit Hume afbrekend, door de geliefkoosde stelling der deïsten, dat de positieve religies ontaardingen zijn der eene, ware, eerste natuurreligie, te bestrijden.
De moraalfilosofie kampt om de vraag of het belang dan wel de sympathie de grondslag is der moraal en de cultuuropvatting slingert tusschen het aesthetisch optimisme van Shaftesbury en het naturalistisch pessimisme van Mandeville of het religieus pessimisme van sommige christenpredikanten.
Op het gebied der staatsleer verkondt Locke de theorie van het parlementarisme, en Smith wordt grondlegger der moderne staathuishoudkunde.
Daarmee is in Engeland de periode der Aufklärung geëindigd: de Schotsche school met Reid aan 't hoofd, met haar theorie voor 't gezond verstand, belemmert een dieper wijsgeerige studie.
De Engelsche ideeën bevruchten FRANSCHE denkers, die het deïsme tot atheïsme brengen, het empirisme tot sensualisme en verder tot materialisme; de moraal grondvesten op eigen lust. Voltaire en Montesquieu importeeren, Condillac zet de tweede schrede, La Mettrie, Diderot, Helvetius, Holbach voltooien. Rousseau voltooit en reageert, bij hem grenst de Aufklärung zichzelf af.
Door de heldere, populaire schrijfwijze der Fransche denkers worden deze denkbeelden verbreid en gemeen goed.
DUITSCHLAND gaat voort door Wolff op de banen van het rationalisme, maar hiermee vereenigt zich weldra het van de Engelschen en de Franschen geziene Empirisme. Het godsdienstig leven, vrijgemaakt en verdiept door het piëtisme, is nog levendig: de leerstukken van het Godsbestaan en de onsterfelijkheid zijn levensbeginselen. Lessing en Mendelssohn achten rede en religie verzoenbaar.
Het geestelijk verdiepen brengt tot erkenning van het gevoel als bewustzijnsverschijnsel sui generis, en de aesthetica wordt gegrondvest, zielkunde wordt veel beoefend.
Op maatschappelijk gebied begint door Mendelssohn de verheffing der Joden. Door Francke, Basedow en Pestalozzi gaat het onderwijs zeer vooruit.
Voor het overige werkt de Duitsche Aufklärung meer op het geheele cultuurleven dan speciaal op wijsgeerig gebied.
Lessing, de Aufklärung vervolgende, is hier haar grens, daar hij ver over haar heen ziet.
De overgang der Middeleeuwen in de nieuwe geschiedenis gaf ons aanleiding tot een nieuw gedeelte, met het intreden der nieuwste geschiedenis begint ook een nieuwe periode.
Op staatkundig en maatschappelijk gebied brengt de Fransche revolutie een ommekeer. In Koningsbergen leeft "de alles verpletterende" Kant en hij brengt op het gebied van het denken een omkeer, gelijk aan dien van Copernicus, en voor de ontwikkeling der wijsbegeerte niet minder gewichtig dan de Fransche revolutie dat was voor de omvorming van staat en maatschappij.
EINDE
NASCHRIFT.
Het boekje, waarvan hier het eerste deeltje den lezer aangeboden wordt, verschijnt zonder eenige pretentie. Het beoogt, een beetje thuis te brengen in de geschiedenis der wijsbegeerte; meer niet.
Op oorspronkelijkheid maakt het geen aanspraak. Vrucht van zelfstandig onderzoek kan het evenmin zijn. Ik heb getracht, het naar de beste bronnen te bewerken, en met het oog op den lezerskring zoo eenvoudig mogelijk te zijn. De deskundige lezer doet daarom beter het niet ter hand te nemen. De noten, de verklaringen, de vertalingen, vermoeien hem. De samenvattingen heeft hij niet noodig. De korte omraming der historie kan hij missen. Maar dat alles scheen noodig voor de lezers die Redactie en schrijver zich voorstelden.
Eveneens heb ik geprobeerd door herhalingen en terugwijzingen geleidelijk hoofdzaken bij te brengen en heb ik gemeend, in 't begin wat uitvoeriger te moeten zijn. De welwillende lezer zal zien, dat het gedeelte, handelend over de Grieksche wijsbegeerte, ook min of meer als inleiding is bedoeld.
Ernstig heb ik getracht een Hollandsch werkje te leveren, door Hollandsche parallellen te zoeken en de plaats van ons land in de geschiedenis aan te wijzen.
Tevens is het mijn streven geweest, de lezers zooveel mogelijk te doen komen in de gedachten der schrijvers, het vreemde of schijnbaar dwaze van vele systemen af te nemen.
Of ik dan alles bereikt heb, wat ik gewild heb? Dat is verre. Nu het boekje voor mij ligt, begrijp ik pas, hoe ver ik gebleven ben beneden mijn ideaal. Dat ik er niet nog verder van afgebleven ben, dank ik mee aan de vele ondersteuning, mij geworden. Een woord van dank aan de redactie, die mij toestond, deze ruimte te gebruiken en mij verplichtte met het nalezen der copie en het kiezen van een titel. Aan de vele vrienden, die mij lectuur of inlichtingen gaven uit het vak hunner studie. Aan de trouwe handen, die de copie persklaar maakten. Aan de oogen, die de drukproeven critisch doorliepen en mij menigen zin duidelijker deden zeggen, ja sommige pagina's geheel omwerken.
Niet zonder schroom geef ik dus dit boekje in 't licht. Zoo het lezen den lezer iets geeft van de vreugde die mij het schrijven schonk, dan zal hij toch zijn geld en tijd niet geheel beklagen.
Haag, Maart 1908.
R. C.
INHOUD VAN DEEL I.
EERSTE AFDEELING.
De Grieksche Wijsbegeerte.
Hoofdstuk I.
Bladz. De Voor-Socratische Wijsbegeerte 7
§ 1. Inleidende Opmerkingen 7 § 2. De Ionische Natuurfilosofen 11
Thales. Anaximander. Anaximenes.
§ 3. Heraclitus van Ephese 16 § 4. Pythagoreeërs 20
Pythagoras. De getallentheorie. Astronomie.
§ 5a. De Eleaten 28
Xenophanes. Parmenides. Zeno.
§ 5b. Anaxagoras 33 § 6. Empedocles 35 § 7. De Atomisten 40
Leucippus. Democritus. 't Atomisme.
Hoofdstuk II.
De Socratische Tijd 48
§ 8. Inleidende opmerkingen 48 § 9. Geesteswetenschappen. Sophistiek 52
Protagoras. Gorgias.
§ 10. Socrates 68 § 11. Socratici 78
Cynici. Cyrenaïci.
Hoofdstuk III.
Plato 89
§ 12. Leven 89 § 13. Werken 93 § 14. De Ideeënleer 95 § 15. Theologische en Ethische begrippen 101 § 16. Plato's staat 103 § 17. Plato's invloed 105
Hoofdstuk IV.
Aristoteles 108
§ 18. Leven en Werken 108 § 19. Leer. Stof en Vorm 111 § 20. Zielkunde. Ethiek. Staatsleer 118 § 21. De Logica 125 § 22. Enkele opmerkingen over Aristoteles' beteekenis 127
Hoofdstuk V.
De Helleensch-Romeinsche Wijsbegeerte 130
§ 23. Inleidende opmerkingen 130 § 24a. De Stoa 135 § 24b. De Epicuristen 145 § 25. De scepsis. Eclecticisme 148 § 26. Het Neo-Platonisme 152
TWEEDE AFDEELING.
De Middeleeuwen.
Hoofdstuk VI.
Het Christendom 163
§ 27. Het Christendom 163
Hoofdstuk VII.
Augustinus en zijn voorloopers 169
§ 28. De Patristiek 169
Apologeten. Gnostici. Katechetenschool.
§ 29. Augustinus 174
Hoofdstuk VIII.
De Scholastiek 180
§ 30. Het begrip, de phasen, de denkers. 180
Erigena. Anselmus. Roscellinus. Abaelard. Lombardus. Arabische en Joodsche denkers. Albertus Magnus. Thomas van Aquino. Dante. Duns Scotus. Roger Bacon.
§ 31. De problemen der Scholastiek 187
Nominalisme en Realisme.
§ 32. De Middeleeuwsche Mystiek 195
Eckhart. Thomas à Kempis.
DERDE AFDEELING.
De Overgangstijd.
Hoofdstuk IX.
De Renaissance 203
§ 33. Inleidende opmerkingen 203
Cusanus.
§ 34. Natuurfilosofen 207
Paracelsus. Telesio. Bruno. Campanella.
§ 35. Staats- en Rechtsfilosofen 215
Macchiavelli. Moore. Campanella. Althusius. De Groot.
§ 36. Fransche scepsis 221
Montaigne. Sanchez. Charron.
§ 37. Duitsche Mystiek 224
Schwenchfeld. Frank. Böhme.
VIERDE AFDEELING.
De Nieuwere Wijsbegeerte.
Hoofdstuk X.
§ 39. Bacon van Verulam 233
Hoofdstuk XI.
§ 40. Descartes 243 § 41. De Cartesianen. 251
Geulinx. Bekker. Malebranche.
Hoofdstuk XII.
§ 42. Spinoza 257
Hoofdstuk XIII.
§ 43. Hobbes 270
Hoofdstuk XIV.
§ 44. Leibniz 279
Samenvatting 287
Hoofdstuk XV.
De Aufklärung 289
§ 45. Inleidende opmerkingen 289
Hoofdstuk XVI.
De Engelsche Aufklärung 293
§ 46. John Locke § 47. Deïsten 305 § 48. Moraalfilosofie in de 18de eeuw 308 § 49. Berkeley 312 § 50. David Hume 316 § 51. Adam Smith 324
Hoofdstuk XVII.
De Fransche Aufklärung.
§ 52. Voltaire en Montesquieu 329 § 53. Sensualisme en Materialisme 334
Condillac. Helvetius. La Mettrie. Holbach. Diderot.
§ 54. Rousseau 343
Hoofdstuk XVIII.
§ 55. De Duitsche Aufklärung 351
Wolff. Piëtisme. Lessing. Mendelssohn. Tetens.
Samenvatting.
In de tekst is de letter a weggevallen bij § 5a en 24a.
Verder zijn enkele cijfers ongecorrigeerd blijven bestaan: 12 voor 18, 25 voor 26, 37 voor 39. Ze storen niet in het lezen. De personen- en zaakregisters komen achter het 2e deel van dit werk.
AANTEEKENINGEN
[1] Cliënt, 't best te vertalen door ons hoorige.
[2] Rondtrekkende zangers.
[3] De Ilias en de Odussee van Homerus, in onze taal overgebracht door Vosmaer.
[4] Reveil. Opwekking. In Nederland verstaat men onder "Het Reveil" de herleefde belangstelling in den godsdienst, tusschen 1840 en 1850, "een algemeene opwekking tot het zoeken van de zaligheid."
[5] De lichamen kunnen zich in deze toestanden vertoonen: vast, vloeibaar, gasaardig, bijv. ijs, water en waterdamp. Deze heeten de aggregaatstoestanden.
[6] Georg Wilh. Friedr. Hegel 1770-1831. Zie deel II.
[7] Ferd. Lassalle, 1825-'64, bekend sociaal-democraat, gaf den stoot aan het stichten der Duitsche arbeidersvereenigingen.
[8] Eerst sedert 1822 stonden boeken, die de aswenteling der aarde leerden, niet meer op den index. (Lijst v. verboden boeken).
[9] Men moet steeds bedenken, dat de Grieken nog altijd niet gekomen zijn tot een scherpe scheiding van psychisch en physisch, maar de ziel nog als een heel fijne stof denken, niet wezensverscheiden van een andere stof.
[10] Deze toevoeging is gewenscht, omdat we ook Zeno den Stoïcijn zullen leeren kennen.
[11] Compileeren is bijeenbrengen uit verschillende werken.
[12] Door Aristoteles komen deze 4 elementen in onzen gedachtenkring en blijven, ook nadat de gedachte al verworpen is, voortleven in het spraakgebruik. Vgl. ons "de woedende elementen."
[13] Men vindt deze woorden ook vertaald: liefde en haat.
[14] Langen tijd heb ik geaarzeld, waar ik dit hoofdstuk zou plaatsen. Naar den inhoud sluit het zich gevoeglijk aan bij de voorafgaande: echter is Democritus' leer gesteund door die van Protagoras, die later bij de sophisten behandeld zal worden. Ook is er reden Democritus gedeeltelijk naast, gedeeltelijk tegenover Plato te stellen. Toch heb ik hem hier behandeld omdat het onwenschelijk scheen Leucippus en Democritus te scheiden en de atomistiek de sophistiek vooraf gaat.
[15] In het tweede deel komen we hierop herhaaldelijk terug.
[16] De dagelijksche ervaring leert ons, dat alle lichamen niet even snel vallen. Vandaar, dat vele Grieksche denkers hun systeem mede bouwden op het ongelijk snel vallen van de lichamen. Er kwam later de overtuiging dat dit ongelijk snelle vallen berustte op den weerstand der middenstof, b.v. de lucht, waardoor het vallende lichaam zich bewoog en het bleek, dat in de ledige ruimten alle lichamen even snel vallen.
[17] Als letterkundige voortbrengselen staan de Atheensche blijspelen veel hooger.
[18] Hen, die zich voor vraagstukken van taalkundigen aard interesseeren, verwijs ik naar Wundt's Völkerpsychologie en naar Paul: Prinzipien zur Sprachgeschichte. Een ouder werk is het door Prof. Beckering Vinckers in onze taal overgezet werk van Withney. Jodl wijdt in zijn leerboek der zielkunde bijzondere aandacht aan de taalkwesties, waar men ook zeer zorgvuldig bijeengebrachte literatuuropgaven vindt.
[19] Lange: Geschichte des Materialismus.
[20] Gomperz: Griechische Denker.
[21] Het is bekend, dat tal van eminente geleerden, ook al hebben ze groote gaven om college te geven, dat dikwijls gevoelen als iets heel onaangenaams verbonden aan 't professoraat en dat uitstekende onderwijskrachten wetenschappelijk minder beteekenen.
[22] Normatieve wetenschappen stellen een norm: zij zeggen niet, hoe iets is, maar hoe iets behoort te zijn. Normatief kunnen zijn zedeleer, rechtsleer, opvoedkunde. Zij geven voorschriften, die opgevolgd moeten worden.
[23] Talrijke anecdoten over "professorale verstrooidheid" stelden dit in een belachelijk licht. Maar het abstractie-vermogen, de gave om al zijn aandacht te concentreeren op een bepaald punt is juist een der kenmerken van het genie.
[24] Men leze bijv.: De Apologie (verdedigingsrede) en de Phaedon. Verschenen in Van Looy's klassieke schrijvers. In de Wereldbibliotheek komen ook vertalingen van Plato.
[25] Gymnasium is oorspronkelijk een plaats, waar gymnastiek wordt beoefend. Hier traden later de wijsheidsleeraars op.
[26] De vraag naar het ontstaan van den godsdienst behoort tot het gebied der wijsbegeerte van den godsdienst. In zijn Gifford-lectures behandelde onze landgenoot Thiele deze vraag, evenals Rauwenhoff in zijn "Wijsbegeerte van den godsdienst." In 't buitenland o. a. Pfleiderer en Höffding.
[27] Centauren: fabelachtige wezens: half mensch, half paard.
[28] In de oudheid beteekende tyran een alleenheerscher, die zich het oppergezag had aangematigd. Een tiran in onzen zin behoefde hij nog niet te zijn.
[29] Duitsche "Reclam" vertaling. Hollandsche in de klassieke schrijvers bij Van Looy.
[30] Nemen we het begrip vierhoek. Naast dit begrip staat vijfhoek, zeshoek, achthoek enz. Dit zijn gecoördineerde begrippen. Samen vallen ze onder één begrip: veelhoek, aan dit begrip zijn ze ondergeschikt, gesubordineerd. Het begrip veelhoek heeft grooten omvang, er vallen meer figuren onder dan onder dat van vierhoek. Maar het heeft minder kenmerken, de inhoud is geringer.
[31] Misschien is dit zoo te verklaren:
De idee der leege ruimte kon Plato bij de atomisten vinden, die haar aangenomen hadden, tegenover de Eleaten, die, alleen het zijnde erkennende, de ledige ruimte geloochend hadden en haar als het niet zijnde hadden gekwalificeerd. Daar de ideeën het werkelijk zijnde waren voor Plato, kon hij als oorzaak, die tegen het zijnde werkte, de ledige ruimte nemen.
[32] Een voorbeeld uit onzen tijd dat die vergeestelijking der aardsche liefde toelicht is te vinden bij Perk:
Mathilde, ik ween van weelde bij 't beseffen, Ik drukte in u het ideaal aan 't hart.
[33] Vergelijk ook de werken van Wells in de Wereldbibliotheek.
[34] Wij zijn gewoon geestelijk en niet-stoffelijk gelijk te stellen, zoodat deze opmerking overbodig mag schijnen. Maar de erkenning, dat b.v. de ideeën immaterieel waren, behoefde voor Plato niet te beduiden, dat ze gelijk waren aan de geestelijke werkzaamheid. Ze konden nog anders geaard zijn.
[35] Met een drastisch beeld zou men kunnen zeggen: zooals vele kranen één vat vullen.
[36] Dus niet naar wat ieder mensch als zijn individueelen aard beschouwt, maar naar wat den mensch als soort, als mensch typeert.
[37] Op het philologencongres te Groningen verdedigde Heymans de logica en de methodenleer als geschiktste voorbereiding voor wijsgeerige studie ook als onderrichtsvak op gymnasia.
[38] Zijn beschrijving van de zielkundige eigenaardigheden van den jongelingsleeftijd b.v. is nog altijd onovertroffen.
[39] Het is beter, dit begrip niet te vertalen, daar het zooveel elementen bevat.
[40] Met een modern beeld zouden we dit zoo iets kunnen verduidelijken: de loop van een trein is vastgesteld, al vooruit geregeld. Maar daarom heerscht er in zijn gang wel strenge causaliteit: de trein beweegt door den stoom, die zich ontwikkelt uit het verhitte water; volgens de wetten der mechanica gaat bij langs de rails. Zijn gang is bepaald door den wisselstand.