Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2
Part 21
In Schotland zelf kwam echter na de groote inspanning van Hume een verslapping. Men beriep zich op het gezond verstand (common sense), dat ons toch duidelijk leerde, dat ons ik bestond, dat er een buitenwereld was, enz. Hoofdvertegenwoordiger van deze groep is Reid (1710-1796). Hij stelde een aantal axioma's op, waaraan niet te twijfelen was. Maar in die axioma's zaten juist de moeilijkste problemen verscholen (bijv. de dingen zijn zoo als wij ze waarnemen).
Geheel zonder beteekenis is de periode na Hume niet. In haar vallen de eerste pogingen om een schoonheidsleer op zielkundigen grondslag te vestigen. Burke (1728-1797) heeft zich hiervoor vooral verdienstelijk gemaakt. Energieke pogingen in die richting zullen wij later bij Gustaaf Theodoor Fechner ontmoeten (Tweede deel). Afzonderlijk vermelden wij Adam Smith, den grondlegger der staathuishoudkundige wetenschap.
§ 51. Adam Smith.
Adam Smith, de groote vriend van Hume, werd 1723 te Kirkoldy in Schotland geboren, studeerde te Glasgow, Oxford, (hier verbood men hem in Hume's "Verhandeling" te lezen!) was hoogleeraar te Glasgow, reisde in de zestiger jaren in Frankrijk, waar hij Turgot en Necker, de groote Fransche financiers leerde kennen, was op 't laatst van zijn leven in betrekking bij de belastingen te Edinburgh en stierf in 1790.
Smith heeft 'n zeer belangrijk werk geschreven over de zedeleer, wier grondslag voor hem de sympathie is. Zijn grooten naam dankt hij echter aan zijn in 1776 verschenen werk, een onderzoek over den aard en de oorzaken van den rijkdom der volkeren (Inquiry into Nature and Causes of the Wealth of Nations).
Door dit werk wordt Smith de vader van de moderne staathuishoudkunde, de stichter van een geheel nieuwen tak van wetenschap.
Tot dusver had men het leven beschouwd uit zedelijk of godsdienstig oogpunt, of ook wel uit staatkundig. Smith is de eerste, die op het geheele leven blikt van het standpunt af van goederenvoortbrenging en verdeeling. Hij is een echt kind van de aufklärung: de bevrijding en volle ontwikkeling van het individu; het losmaken van oude knellende banden eischt hij ook op het gebied der staathuishoudkunde.
De mensch begint met den arbeid te verdeelen. Dit komt niet zoozeer voort uit het juiste inzicht der menschen als wel uit hun zucht naar ruilen. Is de arbeidsverdeeling eenmaal begonnen, dan gaat zij steeds door en wordt hoe langer hoe fijner doorgezet. Dientengevolge leert iedereen zijn werk goed verrichten, doet het vlugger en produceert meer. Zoo wordt de totale productie grooter en het is de arbeidsverdeeling in de eerste plaats, die van den natuurtoestand tot dien der beschaving voert.
Deze verdeeling nu bindt de menschen nauwer aan elkaar; om te bestaan heeft de een den ander noodig, en ieder enkeling kan omgekeerd slechts blijven bestaan, als hij iets weet te verrichten dat waarde heeft voor anderen. Dit is voor hem een prikkel, al zijn krachten in te spannen, op de meest doelmatige wijze. Wat is voor een bepaald persoon doelmatig? Dat kan hij, wiens belangen op het spel staan, wiens bestaan er dikwijls mee gemoeid is, het best zelf beoordeelen, beter dan een ander.
Ieder individu moet dus vrijheid hebben, maar ook het verkeer der individuen onderling moet niet gehinderd of belemmerd worden. Vraag en aanbod regelen de markt wel. De staat behoeft den handel niet na te gaan. De klanten zijn de beste controleurs van den koopman. Van alle bemoeiing moet de Staat zich in normale omstandigheden onthouden: staatsbemoeiing leidt de krachten van hare natuurlijke banen af, verlangzaamt en belemmert het natuurlijke productieproces. Geen monopolies dus; voor bepaalde personen of families geen privilegies [77].
Vrijheid dus. Ieder mag zijn eigen belang op zijn eigen wijze zoeken (pursue his own interest his own way).
Terwijl nu het individu voor zichzelf waakt en voor zijn eigen belangen werkzaam is, dient hij dikwijls (door dit woord weg te laten, heeft men Smith soms onrecht aangedaan) het algemeen welzijn beter, dan wanneer hij dit opzettelijk had nagejaagd. Smith is er ten innigste van overtuigd, dat het voordeel, dat de een behaalt, ten slotte ook wel weer een ander ten goede komt. De vooruitgang der industrie in Engeland heeft ook het lot der arbeidende klasse aanmerkelijk verbeterd.
Maar er moet niet alleen vrijheid in één staat bestaan: ook tusschen de staten onderling moet deze gevonden worden. Bij volledige handelsvrijheid is het voordeel aan beide zijden: kooper en verkooper trekken beide hun profijt, bijv. bij de verruiling van grondstoffen en fabrikaten: ieder zet af, wat hij kwijt wil zijn, verkrijgt, waaraan hij behoefte heeft. Daardoor wordt ook de welvaart van den buurman ons voordeel, niet ons nadeel. Tusschen de staten onderling komt een zelfde gunstige verstandhouding als tusschen de groepen in een staat.
Dit beginsel draagt Smith ook over op het gebied der geestelijke productie. Ook op dit terrein is de concurrentie noodig. Godsdienst, wetenschap en onderwijs behoeven dien prikkel. In hun aanvangsstadia zijn de godsdiensten gewoonlijk het best. Particuliere scholen spannen zich beter in dan openbare. Ook in het geestelijk leven zijn de levensbelangen der individuen de drijfkrachten van den vooruitgang.
Smith's geheel systeem valt en staat met zijn grondslag dat ieder individu weet, wat zijn eigen belang is, en daardoor handelt of ook de macht heeft, om dat te doen.
De leer van de staatsonthouding is in het laatst der 19de eeuw theoretisch bestreden en practisch in de meeste beschaafde landen verlaten.
Dit neemt niet weg, dat er in Smith's werk groote gedachten zijn en bij de beoordeeling moet men zijn tijd niet vergeten: de burgerij verkeerde onder grooten druk.
Smith is de woordvoerder der spaarzame, nijvere burgerij tegen verkwistende, hebzuchtige en kortzichtige regeeringen.
Al waren in zijn tijd de eerste stappen gezet op het gebied der moderne fabrikatie, (1769 de stoommachine door Watt uitgevonden) Smith voorzag nog niet de moderne groot-industrie. Zoo zag hij geenerlei gevaar in den invoer van buitenlandsch koren en het zou wegens de hooge transportkosten een uitzondering blijven!
HOOFDSTUK XVII.
DE FRANSCHE AUFKLÄRUNG.
§ 52. Voltaire en Montesquieu.
Het algemeen karakter der Fransche "aufklärung" schetsten wij reeds in § 45, (bladz. 291). Het zijn Voltaire en Montesquieu geweest, die hun landslieden met de Engelsche filosofie bekend hebben gemaakt en zoo den stoot hebben gegeven aan de merkwaardige ontwikkeling, die de Engelsche gedachten in Frankrijk hebben doorgemaakt.
VOLTAIRE 1694-1778.
Voltaire, een notariszoon uit Parijs, had zijn naam Arouet l(e) j(eune) (Arouet junior) omgezet tot Voltaire. Zijn opvoeding ontving hij in het Jezuïtencollege te Clermont, waarover hij later zeer slecht te spreken was. Gedeeltelijk moge dit aan Voltaire's haat tegen de kerk gelegen hebben, gedeeltelijk ook aan de verslechtering die het onderwijs der Jezuïeten sedert Descartes' dagen ondergaan had.
Reeds spoedig bekend als een scherpzinnig, hekelend schrijver, geraakte hij in 1717 voor een jaar in de gevangenis, de Bastille.
Na zijn ontslag schreef hij eenige letterkundige werken, maar weldra kwam hij er weer in. Hij werd nu niet losgelaten dan onder de verplichting naar 't buitenland te gaan. Zoo bezocht hij Engeland, leerde daar de staatsinstellingen zoowel als de godsdienstige en wijsgeerige denkbeelden kennen, en na zijn terugkomst in 1729 maakte hij Frankrijk in zijn Engelsche brieven bekend met den constitutioneelen, parlementairen regeeringsvorm, met de natuurkunde van Newton, de wijsbegeerte van Locke. Hij moest weldra ondervinden, dat de heerschende machten het werk als gevaarlijk beschouwden: het werd verbrand. Tot 1749 leefde hij dan in Cirey, beschermd door de markiezin De Châtelet. Gedurende dezen tijd schreef hij een groot aantal werken van den meest verschillenden aard.
In 1750 ging hij naar Berlijn, naar 't hof van Frederik den Groote, die gaarne Fransche geleerden en kunstenaars ontving. Hij bleef hier drie jaar, maar vond zich in den man, dien hij eens den Salomon van 't Noorden genoemd had, bitter teleurgesteld. Hij schreef aan zijn nicht, dat in het woordenboek der koningen mijn vriend mijn slaaf beteekent.
Hij vertrok en vestigde zich in een kasteel bij de Jura te Ferney, waar hij, daartoe in staat gesteld door een zeer groot vermogen, gedeeltelijk door gelukkige speculaties verworven, als een groot heer leefde. "De patriarch van Ferney" oefende een grooten invloed uit, schreef veel, stond in correspondentie met tal van aanzienlijke personen. In de practijk toonde hij zich soms van een ernstigen, zedelijken wil en hij heeft veel moeite gedaan om sommige onschuldig veroordeelden in hun eer hersteld te krijgen, voor welk optreden hij een roem inoogstte, gelijk aan dien voor Zola's optreden in de Dreyfuszaak.
In 1778 ging hij nog eens naar Parijs, waar hij met warmte en geestdrift gehuldigd werd. Zijn hooge leeftijd was niet meer bestand tegen de vermoeienissen en de aandoeningen van dit verblijf. Hij stierf in 1778.
Voltaire is een zeer alzijdig mensch geweest, die, noch als oorspronkelijk denker, noch als diepvoelend dichter, noch als groote persoonlijkheid een der grootsten zijnd, door de veelzijdigheid van zijn gaven, de helderheid van zijn stijl, de scherpte van zijn betoog een overweldigenden invloed heeft gehad. Hij heeft meegewerkt aan de verlichting, aan de verbreiding van tal van denkbeelden, die nu gemeengoed voor ons zijn. Maar hij heeft ook al de fouten van zijn tijd en zijn richting. In zijn zucht om alleen het begrijpelijke, het redelijke te zien, ziet hij dikwijls alleen het voor de hand liggende en heeft geen oog voor den dieperen samenhang van vele schijnbaar gescheiden verschijnselen.
In godsdienstig opzicht bestrijdt Voltaire de dogma's der kerk. Den strijd tegen deze gold hem als het hoogste doel, en hij zag den tijd reeds naderen, dat alleen rede en verlichting zouden regeeren. Om de leerstellige godsdienstige waarheden te gelooven, moest men 'n schurk of een domkop zijn. Op de symbolische beteekenis van deze, voor het feit, dat zij soms de kristallisatie zijn van diepe levenservaringen, geeft hij geen acht. Dat de schijnbaar willekeurig verspreide eilanden der godsdienstige overtuiging hunnen onderzeeschen samenhang kunnen hebben en gevolg kunnen zijn eener vulkanische werking, komt in Voltaire niet op. De kerk is voor hem de eerlooze, de schandelijke (l'infâme), die verpletterd moet worden.
Voltaire gelooft aan God. Dit gelooft acht hij een eisch van 't zedelijk bewustzijn en eveneens bewijsbaar uit de doelmatigheid der natuur. "Als God niet bestond, zou men hem moeten uitvinden."
De onsterfelijkheid der ziel neemt hij eveneens aan: men moet met 't oog op de deugd aan haar gelooven.
Eerst een optimistische wereldbeschouwing toegedaan, verandert hij na de geweldige aardbeving van 1755, die geheel Lissabon verwoestte, van meening. Treffend spreekt hij dit uit in een vers van 1757:
"Van heel de schepping zuchten al de leden, Geboren voor de ellend, sneeft d'eene na den ander."
Met bijtenden spot wijst hij de vele onvolkomenheden aan in de schepping en geeselt hij hen, die roepen dat het geheel goed is.
Op staatkundig en maatschappelijk gebied kan Voltaire den afstand niet vergeten tusschen de fatsoenlijke lui (honnêtes gens) en het "gepeupel" (canaille). De verlichting is voor de eerste. Het komt er niet op aan, schrijft hij in een brief aan d'Alembert, om onze lakeien in het bezoeken van mis of predikatie te verhinderen.
Op kennistheoretisch en zielkundig gebied verklaart hij zich eens met het sensualisme van Condillac, door hem den grooten filosoof genoemd.
MONTESQUIEU. 1689-1755.
Op beperkter terrein dan Voltaire bewoog zich Montesquieu. Hij was president geweest van het parlement te Bordeaux, maar legde zijn betrekking neder, om vreemde landen te kunnen bezoeken. Hij bezocht Engeland ook en keerde van daar terug in hetzelfde jaar als Voltaire. Onder zijn werken zijn te noemen de Perzische Brieven (1721) waarin de Fransche Maatschappij van dien tijd door een man der aufklärung bezien wordt, die zijn beschouwingen een paar in Frankrijk reizende Perzen in den mond geeft. Zijn hoofdwerk is het in 1748 verschenen boek: "Over den geest der wetten." Montesquieu toont hierin aan, hoe er, tusschen de wetten van een volk en zijn zeden, klimaat en ligging verband bestaat. Het zou dan ook een toeval zijn, wanneer de wetten voor twee geheel verschillende volkeren gelijk konden zijn.
In 't bijzonder heeft dat gedeelte van zijn werk, waarin hij zijn landgenooten bekend maakt met de Engelsche staatsinstellingen, veel invloed gehad. Hij ontleent echter zijn beschrijvingen meer aan Locke dan aan den werkelijken toestand. Sterk legt hij den nadruk op de onafhankelijkheid der rechterlijke macht, zeker wel noodig in het Frankrijk der 18de eeuw, waar men op een bevelschrift der regeering (lettre de cachet) in de gevangenis kon worden geworpen.
Terwijl Montesquieu vroeger meer gevoeld had voor een republiek, als Zwitserland en ons land waren, is hij na zijn terugkeer uit Engeland voorstander van de monarchie, waarin de koning zijn macht deelt met een volksvertegenwoordiging. Hij meent dat dit een echt-Germaansch systeem is, overblijfsel en nawerking van de vroegere volksvergadering der Germanen. Dit schoone stelsel werd in de wouden uitgevonden.
Hoewel Montesquieu meer zin voor geschiedenis toont dan de andere dragers der Fransche aufklärung, vervolgt hij toch de regeeringsvormen niet voldoende in hun historische ontwikkeling, maar beschrijft hen als vaststaand. "Alles ligt in hetzelfde vlak: de eenheid van tijd, plaats en handeling is van den schouwburg overgegaan op de wetgeving." (Sorel).
§ 53. Sensualisme. Materialisme.
Condillac, 1715-1780.
Locke's leer, dat al onze kennis uit de ervaring stamt, werd door Condillac voortgezet en tot een volslagen sensualisme gebracht. Condillac, die geestelijke was en later van de inkomsten van een hem toegewezen abdij leefde, was een vreedzaam denker, uit wiens werken meer strijdmateriaal werd gehaald, dan hij zelf bedoeld had.
Door den eenvoud zijner voorstellingswijze, de helderheid van zijn stijl, maakte zijn filosofie grooten indruk, verdrong die van Descartes en werd, tot aan het keizerrijk de heerschende aan de Fransche Scholen.
Condillac gaat uit van het beginsel, dat ons niets gegeven zijn dan onze zinnelijke gewaarwordingen, die wij passief opvangen. Alle andere geestelijke verrichtingen zijn wijzigingen der gewaarwordingen. Wanneer een gewaarwording alléén ons bewustzijn in beslag neemt, is er opmerkzaamheid en door deze kunnen wij een geheele reeks van gegevens ontleden, en op één punt onze aandacht richtend, de elementen onzer kennis duidelijk opvatten. Zijn er twee gewaarwordingen in 't bewustzijn, dan vergelijken wij. Zijn er nawerkingen van gewaarwordingen, dan spreken wij van herinnering. Een bijzondere gewaarwording is die van lust en onlust en door deze krijgen wij weer driften en neigingen. Het eerste is dus de zinnelijke gewaarwording. Condillac echter erkent, dat gewaarwording iets anders is dan beweging, en al ziet hij met Locke geen kans, om den aard der ziel te beschrijven, hij neemt haar bestaan als geestelijke zelfstandigheid aan. Dit element werd echter door hen, die uit zijn werken strijdmiddelen haalden, gewoonlijk over 't hoofd gezien.
Helvetius, 1715-1771.
Wat Condillac deed op 't gebied der zielkunde, verrichtte Helvetius op dat der zedeleer: hij verklaarde alle deugd afkomstig van één beginsel, de eigenliefde.
Helvetius was als algemeen pachter der belastingen zeer rijk geworden en, edele, milde, menschlievende persoonlijkheid, besteedde hij zijn geld aan bevordering van kunsten en wetenschappen en aan weldadige doeleinden. Na zijn dood schreef Frederik de Groote: "Zijn karakter kwam mij bewonderenswaard voor. Misschien zou men kunnen wenschen, dat hij liever zijn hart dan zijn verstand geraadpleegd had."
Voor Helvetius zijn van nature alle menschen gelijk. Zij hebben van den schepper (Helvetius is deïst) één gave meegekregen: het kunnen waarnemen van lust en onlust. Dat de menschen zoo ongelijk zijn, ligt aan hun opvoeding, waaronder het geheel der invloeden te verstaan is, die op den mensch inwerken. Maar allen worden bewogen door het streven naar lust, welk beginsel Helvetius nieuw meent ontdekt te hebben. De hoogste lust nu moet zijn de zorg voor 't algemeen welzijn. Geeft men het volk geen aandeel aan de regeering, dan heeft het geen hooge motieven, waarop het zich kan richten. Diep bezorgd is Helvetius dan ook over den treurigen toestand van het vaderland. Hij betreurt het, dat de moralisten en de theologen wel uitvaren tegen de individueele ondeugden, maar niet de algemeene aantasten, de laatsten immers oefenen zoo een slechten invloed uit. Dit is, naast de oorspronkelijke gelijkheid en de almacht der opvoeding, een der hoofdgedachten uit Helvetius' werken: de regeeringsvorm en de politiek en maatschappelijke toestanden zijn van overwegenden invloed op de zedelijkheid.
MATERIALISME.
La Mettrie.
Jullien Offray de la Mettrie werd in 1709 te St. Malo geboren, studeerde voor arts, praktiseerde een poos en ging in 1733 naar Leiden, om Boerhave te hooren. Zooals Locke's vriend Sydenhamm in Engeland de geneeskunde op redelijker grondslag gevestigd had, deed Boerhave dat in ons land. De beteekenis van Nederland voor de geestesontwikkeling schatte men niet gering. Asyl voor tal van vervolgden of rust-zoekenden, hadden Descartes en Locke er geleefd. Te Amsterdam verschenen tal van werken die in geen ander land geduld werden; de Fransche achttiende eeuw kon in 't licht der Hollandsche vrijheid hare ideeën aan de wereld toonen. Velen der schatrijke kooplieden waren beschermers der wetenschap, legden groote bibliotheken en verzamelingen aan. Zweden's groote plantkundige Linnaeus (1707-1778) vond o.a. in Haarlem gastvrijheid en schreef daar belangrijke werken.
In Leiden werkte Boerhave en zijn roep lokte la Mettrie. "Om Boerhave was toen, ofschoon hij geen college meer gaf, een schaar van jonge, ijverige artsen verzameld. De Leidsche universiteit vormde een middelpunt van geneeskundige studiën, zooals misschien nooit meer bestaan heeft. Door zijn grooten naam had Boerhave, om wie zich zijn jongeren met onbegrensde vereering schaarden, aanzienlijke rijkdommen verworven, te midden waarvan hij zoo eenvoudig leefde, dat alleen zijn weldadigheid er van deed blijken. Men roemde zijn onderwijstalent, in 't bijzonder zijn karakter." (Lange).
La Mettrie vertaalde een aantal werken van Boerhave in 't Fransch. In 1742 werd hij militair arts, welke betrekking hij opgeven moest, toen hij de "Natuurlijke historie der ziel" had laten verschijnen.
Naar Holland gevlucht, moest hij ook vandaar wijken na zijn bekendst werk: "De mensch een machine" (1748). Frederik de Groote riep hem tot zich en hij werd diens voorlezer. Voltaire, tegelijk met hem aan 't Pruisisch hof, noemt den opgewekten, van 't leven genietenden, ietwat lichtzinnigen man een aangenaam gezelschap voor een kwartier, maar vervelend op den duur. In 1751 stierf hij; hij had, luidde 't gerucht, zich aan een pastei vereten, en overleed na heftige koortsen.
Een tijdlang is Mettrie geschilderd als een uiterst lichtzinnig wellusteling, wiens heele theorie slechts diende, om zijn eigen uitspattingen goed te praten.
Hoewel zeer zeker niet een der beste menschen, is La Mettrie niet de slechtaard, dien men van hem gemaakt heeft. Hij toonde een warme belangstelling voor de wetenschap en heeft een groote hoeveelheid feitenmateriaal bijeenverzameld, om zijn theorie te stutten: het materialisme.
We hebben deze leer herhaaldelijk al ontmoet, (Democritus, Hobbes).
Maar bij La Mettrie treffen wij haar zeer scherp geformuleerd aan, en gesteund door vele feiten. Het scherpst heeft hij zijn denkbeelden geuit in: "De mensch een machine." De hoofdgedachten zijn de volgende:
Het onderscheid, dat men aangenomen heeft tusschen mensch en dier, is een graadverschil, geen wezensverschil. Is het dier een machine, dan de mensch ook. Wanneer we de anatomie van menschen en dieren nagaan, zien we groote mate van overeenkomst.
We hebben het recht niet, om den dieren alle bewustzijnsverschijnselen, die wij hebben, te ontzeggen. Onmiddellijk kennen we alleen onze eigen, en tot de aanwezigheid van deze bij anderen moeten wij besluiten op grond van uiterlijke teekenen. Maar bij dieren ontbreken die niet. Een hond vertoont evengoed neerslachtigheid en teekenen van berouw, zoo hij zijn meester heeft gebeten, als een mensch. Recht, om het zedelijk gevoel den mensch alleen ingeboren te verklaren, heeft men dus niet.
Ja, de scheidslijn tusschen dier en plant kan ook wegvallen: al het levende kan gewaarworden. Uit het lagere komt het hoogere op. Hoe meer behoeften, hoe meer verstand.
Verwerpt La Mettrie dan eenerzijds de scherpe scheiding tusschen mensch en dier [78], omdat deze beide geestelijke verrichtingen kennen, anderzijds wil hij aantoonen, dat de geestelijke verrichtingen niet aan een apart beginsel, de ziel, behoeven toegeschreven te worden. Hij komt met een zeer groot feitenmateriaal, waarmee hij de inwerking van het lichaam op onze bewustzijnsverschijnselen illustreert.
Hij had dit het eerst opgemerkt toen hij, koorts hebbende, den invloed daarvan op zijn gedachten bemerkte.
Ziekten kunnen invloed hebben op ons denken en onze stemming. Menschen, die den dood heldhaftig tegentraden, waren misschien kleinmoedig geweest, als hun maar een kleinigheid aan milt of lever gemankeerd had. Opium, wijn, koffie oefenen invloed uit op "de ziel." Een leger, dat sterken drank gehad heeft, stort zich moedig op den vijand; had 't water gedronken, dan zou 't misschien lafhartig op de vlucht zijn geslagen. Bij geestesziekten vindt men dikwijls hersenziekten, en, treft men deze niet aan, dan kunnen er wel heel kleine veranderingen zijn, die ons ontsnappen.
De dieren hebben dus geestelijke verrichtingen, de stoffelijke toestand van het lichaam bepaalt dien van onzen geest. Ook om het leven als zoodanig te verklaren, behoeft men zijn toevlucht niet te nemen tot de ziel, want de beweging zit in de aparte deelen van het lichaam. Hij geeft hiervoor vele voorbeelden. Na den dood bewegen zich spieren en ingewanden nog; een haan, wien de kop was afgeslagen, liep nog een poosje door, enz.
La Mettrie ontkent niet de mogelijkheid, dat God de materie heeft geschapen, noch loochent hij de onsterfelijkheid, maar men kan hier niet achter komen, en heeft er voor wetenschap en practijk niets aan, die vragen te behandelen. Een staat van atheïsten is daarom niet alleen mogelijk, zooals Bayle verondersteld had, neen, hij zou de gelukkigste zijn, omdat de onzalige godsdiensttwisten er niet zouden voorkomen.
La Mettrie's moraal-filosofie, die menigeen ook door zijn smakelooze behandeling van de kunst om te genieten, afschrikt en tegen de borst stuit, wegens zijn te groote en noodelooze uitvoerigheid over 't sexueele leven, bevat een zeer rijke toekomstgedachte.
Hij wil tal van misdadigers niet straffen, maar als zieken behandelen: niet den scherprechter, maar den arts moet men de menschen overgeven, die door ziekelijke hersenen en neigingen misdaden begaan. Het laatst der 19de eeuw zou deze kwestie weer opnemen en er levendig over discussieeren. (Vergel. deel II, Het positivisme, de crimineele anthropologie).
Diderot, 1713-1784.