Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2

Part 20

Chapter 203,671 wordsPublic domain

Shaftesbury was de kleinzoon van Locke's beschermer. Hij leefde van 1671-1713. Hij was naar Locke's beginselen opgevoed en sprak, al verzette hij zich op sommige punten tegen diens leer, steeds met eerbied van zijn grooten meester. Naar de beginselen van Locke had hij zijn vreemde talen sprekende geleerd en zoo was hij uitnemend thuis in de klassieken.

Er is in zijn moraalsysteem dan ook menige klassieke trek en de grondgedachte, dat het goede gelijk is aan het schoone is zuiver Grieksch (vergelijk bijv. bladz. 69).

Het schoone is de harmonie, de eenheid in de verscheidenheid. En zoo bestaat het goede ook in een harmonie van neigingen: de op eigen behoud gerichte en de sociale.

We kunnen een mensch goed noemen, als zijn sociale neigingen krachtig, de egoïstische niet te sterk zijn. Wij hebben het vermogen, om over onze neigingen na te denken. Het gevoel van goed en kwaad, voor schoon en leelijk is ons aangeboren, door nadenken en oefening ontwikkelt zich de smaak op ethisch gebied. Zoo beheerscht ten slotte de rede de hartstochten, de mensch wordt een "deugdkunstenaar". Zooals het schoone vreugde bereidt, omdat het schoon is, zoo schenkt het goede voldoening in zichzelf, niet 't loon mag aanlokken, niet de straf afschrikken.

De gewenschte harmonie nu van neigingen, is niet voor ieder dezelfde. Bij sommige menschen is de zelfliefde te zwak; dit is verkeerd, want wanneer men niet voor zichzelf zorgt, is dit slecht voor de gemeenschap. De mate van geboden zelfliefde hangt ook af van onze kracht. Bij de meeste menschen echter zijn de sociale neigingen te zwak. Hoe hooger de menschen stijgen, hoe meer er harmonie komt tusschen de naasten- en de zelfliefde. Terwijl zij op lager trap van ontwikkeling zoo hopeloos met elkaar in strijd kunnen zijn, stemmen zij overeen bij den deugdkunstenaar. Zooals het heelal een schoon, welgeordend geheel is, waarin het verkeerde wegens zijn kleinheid verdwijnt, zoo wordt ook de hooge mensch een schoone, welgeordende, goede ziel. En daarmee en daarin is hij gelukkig. Niet alleen, dat de deugd ons liefde, achting en hulp van anderen verschaft, zij geeft ons het gevoel van gerustheid: ons eigen geweten keurt onze gedragingen goed.

In de leer van Shaftesbury spreekt zich een fijne geest uit. Maar zij is zeer optimistisch gekleurd. Terwijl deze groote richtingen op het gebied der zedeleer bestrijdend bij Hobbes aansluiten, vinden de leerstellingen van Shaftesbury en anderen weer hunne bestrijding en komt er een zeker pessimisme op tegenover hun optimisme. Gedeeltelijk verwijst dit pessimisme den mensch naar de religie, gedeeltelijk komt het min of meer terug tot Hobbes' opvattingen van den oorlog van allen tegen allen.

MANDEVILLE.

Het duidelijkst kwam dit uit in de werken van Mandeville († 1733), wiens "Zoemende bijenkorf of rechtvaardiging der ondeugd" oorspronkelijk in de Londensche koffiehuizen te koop werd aangeboden als een straatliedje, maar die later in zijn "De bijenfabel" een meer ernstige behandeling der leer gaf. Mandeville's hoofdgedachte is deze, dat door de menschelijke neigingen als hebzucht, gierigheid, een staat kan bestaan, omdat zij de grondslagen zijn van de zucht naar bezit.

Een bijenmaatschappij verkeert in een toestand van hoogste bloei en macht. Alle dieren arbeiden voor de bevrediging der gemeenschappelijke behoeften. Ongedurigheid, ijdelheid, wellust, bedrog heerschen--maar bevorderen het algemeene welzijn. Het geheel is een paradijs, juist door de boosheid der enkelingen. De armen zelfs leven zeer vergenoegd.

Toen kwamen er eenigen, die riepen: "Weg met de ondeugd!" De grootste bedriegers stemden 't hardst met deze beweging in. De goden vervulden dezen wensch. De huichelarij verdween. De weelde eindigde. Veroveringsoorlogen kwamen niet meer voor. De gemeenschap zorgde voor de armen. Men stelde zich tevreden met inlandsche voortbrengselen en had geen behoefte meer aan kostbare ingevoerde waren. Daardoor eindigde de handel. De bevolking nam af. Ten laatste trok de geheele zwerm zich in een hollen boom terug. Tevredenheid was er, maar macht, aanzien en heerlijkheid waren verdwenen.

Later heeft Mandeville zich zonder beeldspraak geuit en het onderscheid tusschen zijn en Shaftesbury's moraal aangewezen. Tegenover deze loochent hij een den mensch ingeboren gemeenschapszin en de mogelijkheid eener schoon-goede harmonie. De staat ontstaat doordat de mensch behoefte heeft aan eten en drinken; doordat hij eerzuchtig en jaloersch is, doordat hij tot arbeid gedreven wordt, door de behoefte ontstaat de beschaving. Men moet dus, wil men een bloeiende gemeenschap hebben, de individueele ondeugden voor lief nemen, zooals men het slijk in de straten van Londen niet zou willen zien verdwijnen met den handel der wereldstad. Armoede is ook noodig in een staat. Philantropie is gevaarlijk. Met de oprichting van scholen voor armen moet men voorzichtig zijn: wie zullen het slechtste en minst aantrekkelijke werk doen, als de armen meer verlicht zijn, dan hun positie eischt? [75]

§ 49. Berkeley.

LEVEN.

George Berkeley, den 12den Maart 1685 te Dysert in Ierland geboren, was vroeg ontwikkeld, een alzijdige natuur zijn stijl is veel schooner dan die van Locke en Hume, zijn dialogen zijn levendig, zijn belangstelling betrof een groot aantal zaken (medicijnen, aardkunde, zending, wijsbegeerte); een man met een nobel gemoed en een strenge plichtsopvatting. Hij wilde op de Bermuda-eilanden (bij Amerika) een zendelingenschool stichten. Hij probeerde 't ook, maar vond onvoldoende ondersteuning en keerde na drie jaren naar Engeland terug (1731). In 1739 werd hij bisschop van Cloyne in Ierland, waar hij op uitnemende wijze werkte, gelijkelijk voor Protestanten en Katholieken, voor 't geestelijk en 't lichamelijk heil zijner diocese zorgend. Dit treft te meer omdat toen nog de Ieren zeer door de Engelschen veracht werden. Hij stierf in 1753 te Oxford, waar hij zijn laatste levensjaren doorbracht.

Berkeley's werken zijn gedeeltelijk van literairen aard en hij oogstte tijdens zijn leven ook veel letterkundigen roem.

Van zijn wijsgeerige werken zijn te noemen: Een nieuwe theorie over het zien (1709), Beginselen van kennis, zijn hoofdwerk (1710), de Dialogen tusschen Hylas en Philonous (1713) een populaire uiteenzetting zijner leer.

LEER.

Berkeley jaagt theologische doeleinden na. Hij wil trachten een eind te maken aan de twisten over den godsdienst, om het vele misverstand en de christelijke religie te verdedigen tegenover de in de voorgaande paragraaf genoemde stroomingen.

Berkeley sluit bij Locke aan. De hoofdbeteekenis van zijn leer ligt in de wijziging van diens opvattingen op de volgende punten;

Het ontkennen van het bestaan van abstracte voorstellingen. Het verwerpen van het onderscheid tusschen primaire en secundaire eigenschappen. Het ontkennen van een substraat, dat als drager der eigenschappen van de dingen fungeert. En ten slotte het ontkennen van het bestaan eener stoffelijke buitenwereld.

Locke had van algemeene voorstellingen en begrippen gesproken, gevormd door het abstraheerend verstand en onder één naam ondergebracht.

Berkeley gaat tot het uiterste nominalisme over: er zijn geen begrippen. Werkelijk zijn alleen de particuliere dingen. Kunnen wij dan in ons bewustzijn een driehoek hebben, die niet tegelijkertijd scherp-, recht- of stomphoekig is, terwijl dat niet tot het begrip driehoek behoort? Er bestaat alleen de naam driehoek. Zoo een bewijs, gegeven voor één driehoek, kracht bezit voor alle, (bijv. dat de som der hoeken 180° is) dan komt het, omdat wij geen gebruik maken van de specifieke eigenschappen der driehoeken (recht- of stomp- of scherphoekig). Dusdanig bewijs geldt voor de driehoeken. Elke begripsnaam geldt voor alle afzonderlijke dingen, maar een begrip is er niet.

De scheiding van primaire en secundaire kwaliteiten dient verworpen. Grootte van een lichaam nemen wij bijv. verschillend waar, al naarmate van den afstand. De soliditeit waarin Locke het wezen der lichamen ziet, is een gewaarwording van den tastzin, het gevoel van tegenstand. Even goed dus een opvattingswijze als een kleur of toon.

Van een ding zijn ons niets gegeven dan een bundel gewaarwordingen. Om deze op een iets, wat weten we niet, buiten ons te betrekken, heeft geen zin. De door Locke veronderstelde drager der kwaliteiten bestaat niet.

Wat zullen wij trouwens een buitenwereld aannemen. Ons zijn niets gegeven dan onze gewaarwordingen. Deze bestaan. Zijn is waargenomen worden. (Esse est percipi).

Berkeley komt dus tot de ontkenning van het bestaan eener stoffelijke wereld, het empirisch systeem van Locke wordt veranderd tot een absoluut idealisme en de empiricus Berkeley en de rationalist Leibniz komen tot eenzelfde resultaat ongeveer. Voor Berkeley bestonden alleen de zielen met hun voorstellingen, de geestelijke substanties; voor Leibniz de monaden, geestelijke krachten, met in kiem in zich de kennis der geheele buitenwereld.

Berkeley moet intusschen erkennen, dat sommige onzer voorstellingen, die, welke wij gewoon zijn toe te schrijven aan een buitenwereld, ons als 't ware opgedrongen worden en een eenigszins ander karakter vertoonen dan onze herinneringsvoorstellingen. Vanwaar komen zij? De Godheid roept elke idee in ons te voorschijn. Berkeley vertoont hier veel overeenkomst met het occasionalisme (bl. 255) en speciaal met Malebranche--die leerde dat wij de dingen in God zagen. Het onderscheid is dat occasionalisten wel een stoffelijke wereld aannemen en dus dualisten waren. Berkeley stelt één existentie "geesten."

Zeer opmerkelijk is het, dat Berkeley meende dat zijn leer, die zoozeer tegen alle gewone inzichten indruischte, volmaakt in overeenstemming was te brengen met het gezonde menschenverstand. Dat zijn leer werkelijk niet behoeft te leiden tot dwaasheden, werd reeds aangetoond bij de behandeling der Grieksche wijsbegeerte (bladz. 37, 38).

Vele historici houden Berkeley voor een fijn en groot denker. Onze landgenoot Bellaar Spruyt betwijfelt dat. "Hij wordt, dikwijls niet alleen als een uitstekend mensch, maar ook als een groot wijsgeer geprezen. Ten onrechte m. i. want die leer stond aan Berkeley zoo nevelachtig voor den geest, dat men haar nooit in zijn werken gevonden heeft, voordat Fichte, Hegel en Schelling haar duidelijker hadden uitgesproken."

§ 50. David Hume.

LEVEN EN WERKEN.

De laatste en de grootste denker uit de rij Bacon--Hume werd den 26sten April 1711 bij Edinburgh geboren. In zijn jeugd toonde hij geen bijzonderen aanleg. Handel en rechtsstudie liet hij varen. In 1734 ging hij zich in Frankrijk aan zijn geliefkoosde studie wijden. Resultaat was zijn in 1739-40 verschenen hoofdwerk: "Verhandeling over de menschelijke natuur" (Treatise on human nature). Het handelde in drie deelen over de kennis, de aandoeningen en de moraal. Opgang maakte het absoluut niet. Dit schrikte Hume niet af. Hij schreef een geschiedenis van Engeland (1754-'68), waarin hij ook acht sloeg op kunst, wetenschap en sociale verhoudingen. Verder zond hij een groot aantal "Essays" in 't licht. In sommige grootere behandelde hij de onderwerpen van zijn hoofdwerk op een wijze, die ze nader tot het publiek bracht. In 't bijzonder is te noemen zijn: "Onderzoek omtrent het menschelijk verstand" (Inquiry concerning human understanding). "De "Treatise" en de "Inquiry" hebben beiden hun geheel eigenaardige verdiensten; eerst gezamenlijk kunnen zij een denkbeeld geven van de grootheid van dezen man, voor wiens blik geen feit te onbeduidend, maar ook geen hypothese te stout of te veelomvattend is geweest." (Heymans).

Zijn Essays verwierven Hume een grooten roem, en toen hij in 1763 als gezantschapssecretaris Parijs bezocht, viel hem een warme ontvangst ten deel, ondanks, of misschien juist door zijn eenvoudig, eenigszins verlegen optreden. In Frankrijk maakte hij met Rousseau kennis, wien hij in Engeland een toevluchtsoord aanbood. De tot waanzin stijgende achterdocht van Jean-Jacques maakte aan de verhouding een einde.

Nadat Hume een korten tijd lid van het ministerie geweest was, leefde hij ambteloos, als geacht en welgesteld burger in Edinburgh. Hij stierf 1766.

Hume was een ietwat nuchtere natuur, die, trots de fijn- en scherpheid van zijn denken, trots den moed, om gedachten tot de laatste consequenties te vervolgen, nooit de practijk geheel uit 't oog verloor. Ongetrouwd, als vele wijsgeeren, zocht hij in studie en omgang met eenige vertrouwde vrienden zijn genot. Een dier vrienden, Adam Smith, zegt dat Hume, voorzoover dat voor menschen mogelijk is, voor hem vrij wel het ideaal van den wijze naderde. Staat hij "als mensch" hoog, als denker wordt hij tot de allergrootsten gerekend. Velen hebben hem bestreden, bijna niemand is zonder zijn invloed gebleven.

Zijn grootste verdienste ligt in de ontdekking van het causaliteitsprobleem.

Kennisleer.

Hume sluit in zijn kennisleer aan bij Locke en Berkeley, maar trekt conclusies, die de eersten hadden kúnnen of móeten trekken als gevolg hunner stellingen en hij ziet een probleem, waar zìj dat niet zagen.

Onze geheele bewustzijnsinhoud bestaat uit impressies en ideeën. Onder de eerste begrijpt Hume de meer levendige, de heldere voorstellingen, onder de laatste verstaat hij de flauwere, de minder levendige. Alle ideeën zijn afkomstig van impressies, flauwe nabeelden daarvan en verwerkingen. Het verschil tusschen waarnemings- en herinneringsvoorstellingen ligt voor Hume dus alleen in den verschillenden graad van levendigheid. Met Berkeley verwerpt hij het bestaan van algemeene voorstellingen en begrippen en het stoffelijk substantiebegrip. Loochent Hume eveneens het bestaan eener buitenwereld? Hij erkent, dat, waar ons eigenlijk niets gegeven zijn dan onze impressies en de daaruit ontstane ideeën, we geen recht hebben tot het bestaan eener buitenwereld te besluiten op logische gronden. Maar... voor onze gedragingen, voor de levenspractijk is dit noodig en de filosoof, die als zoodanig twijfelt, is de eerste om zich zelven uit te lachen, als hij tot het practische leven keert uit zijn theoretische beschouwingen.

Evengoed als het lichamelijke verwerpt Hume het geestelijke substantiebegrip en gaat daarmee dus een schrede verder dan Berkeley. Als wij ons zelven beschouwen--of juister, als Hume zich zelven beschouwt (want hij wil van te voren niet ontkennen dat zich bij een ander andere toestanden kunnen voordoen) merkt hij niets dan een of andere geestestoestand, een impressie, een idee, een emotie. Telkens is die toestand weer anders. Maar van zichzelven kan hij niets anders vatten. In den slaap zijn ze er niet, die verschillende bewustzijnsinhouden, maar dan is er ook in 't geheel geen bewustzijn, bestaat hij niet voor zich. Maar achter al die verschijnselen, achter dien stroom van impressies en ideeën, bemerkt hij geen substraat, geen geestelijken drager dier functies geen ik. Onze geest is niet anders dan een bundel impressies en ideeën.

Toch erkennen we in het dagelijksche leven het bestaan eener geestelijke persoonlijkheid, de identiteit. We nemen aan en moéten dit voor de practijk (rechtsspraak, handel, afspraak) dat A van voor een maand een jaar, ook nú nog A is, zij 't met anderen bewustzijnsinhoud.

Eenerzijds geeft de ervaring Hume dus niets anders dan afwisselende, komende en gaande impressies en ideeën.

Anderzijds wijst de practijk van het leven op identiteit, op een ikheid.

Hume verklaart zich niet bij machte, om de tegenstrijdigheid, die hier bestaat, door een bevredigende verklaring op te lossen.

Causaliteitsleer.

Hume voelt dus het groote en moeielijke probleem, dat in de individualiteit ligt, maar ziet geen kans voor een oplossing. Anders is het met het causaliteitsprobleem. Hij ontdekt het en geeft een oplossing, die een menigte feiten kan verklaren en op een uiterst nauwkeurig, wetenschappelijk onderzoek is gebouwd. Over dit onderzoek oordeelt Heymans:

"De theorie van Hume is niet slechts wat vele philosophische theorieën zijn, het werk van een genie, maar ook, wat slechts van weinigen kan gezegd worden, het werk van een vorscher. Wij hebben hier niet te doen met een van die zeepbellen van het vernuft, die schoon zijn om aan te zien, maar uiteenspatten, zoodra zij in aanraking komen met de harde werkelijkheid: niet met een gelukkigen inval, op den weefstoel der deductie uitgewerkt tot een schitterende fantasie:--wij hebben hier te doen met een onderzoek in den besten zin des woords, met een bewust, geordend, wetenschappelijk onderzoek, steunende op een breeden grondslag van feiten, en telkens bereid, zijne resultaten aan nieuwe feiten te toetsen."

De allervoornaamste punten uit Hume's causaliteitsleer volgen hier.

Wanneer spreken wij van twee verschijnselen, A en B als oorzaak en werking? Ten eerste moeten ze elkaar aanraken in den tijd en in de ruimte: er moet contiguïteit zijn. Nu schijnt het wel, dat er soms een afstand is, 't zij naar tijd of plaats. Maar dan nemen we een middenstof aan, die de werking van A op B overbrengt of een reeks gebeurtenissen. Als door A B optreedt, dan ligt er, als ze gescheiden zijn, een keten tusschenbeide, die ze verbindt, zoodat ze toch contigu zijn.

Verder moet A aan B voorafgaan. (De bewering, dat oorzaak en gevolg gelijktijdig kunnen bestaan weerlegt Hume. Overigens acht hij dit voor zijn onderzoek van geen beteekenis).

Naast de contiguïteit komt dus de prioriteit.

Vervolgens is noodig een regelmatig samengaan. Als A er is, moet B er ook stééds op volgen. Wanneer A optreedt en B soms niet, verhouden ze zich niet als oorzaak en werking.

De ervaring leert ons dus dit:

We zeggen, dat A en B oorzaak en gevolg zijn, wanneer:

ze contigu zijn,

A aan B voorafgaat,

ze regelmatig samengaan.

Maar--in de causale betrekking zit nog IETS, dat niet in de ervaring is gegeven. Wanneer we zeggen, dat A oorzaak is van B, beteekent dit niet, dat B telkens optreedt, als A is opgetreden, maar dat dit geschieden MOET. Dit element van noodwendigheid, dat niet in de ervaring is gegeven, en toch in ons bewustzijn bestaat, moet verklaard worden. Dit is het causaliteitsprobleem.

Hume's oplossing van het probleem (oplossing, die na Kant de meeste auteurs niet meer bevredigt) sluit aan bij zijn psychologie, die het verschil tusschen waarnemings-, herinnerings- en fantasie-voorstellingen in een levendigheidsverschil ziet.

Het is iets heel anders, een voorstelling te hebben dan overtuigd te zijn, dat iets bestaat, waarvan die voorstelling de vertegenwoordiger is. Een overtuiging is iets anders dan een voorstelling. De inhoud is niet verschillend. In 't begrip centaur zijn niet meer kenmerken, als ik overtuigd was dát 't bestond, dan er nu in zijn. Wat is dan het onderscheid? Alleen de levendigheid. Een bijzonder levendige voorstelling is een overtuiging. Vandaar, dat onze waarnemingsvoorstellingen (die 't helderst zijn) ons overtuiging geven. Aan 't bestaan van wat gezien en getast wordt, twijfelt niemand. Minder levendig zijn onze herinneringsvoorstellingen. We zijn van de existentie van de op hen betrekking hebbende dingen, minder overtuigd en, als onze herinnering zeer flauw is, kunnen we niet meer onderscheiden of 't herinnering dan wel fantasie is. Het minst levendig zijn onze fantasievoorstellingen en hier blijft de overtuiging uit. Worden echter, door bijzondere omstandigheden, de fantasievoorstellingen zeer levendig, dan kunnen ze 't overtuigingsgevoel doen ontstaan: sommige leugenaars gelooven ten slotte zelf, wat ze zeggen.

Levendigheid van voorstelling bewerkt dus de overtuiging van het bestaan van iets, waarvan die voorstelling de vertegenwoordiger is.

Dit nu brengt Hume in verband met zijn associatietheorie. Wanneer twee voorstellingen geassocieerd zijn, dan zal, als de eene waargenomen wordt, de andere weer zeer levendig in 't bewustzijn treden. Wij zullen bijv. aan een vroegeren vriend levendig herinnerd worden, wanneer wij met zijn zoon praten. A en B hebben wij gedurig samen waargenomen. Zoo spoedig A nu optreedt, wordt de voorstelling van B zéér levendig, en deze levendigheid is het, die ons de overtuiging geeft, dat B optreden zal.

Dat wij dus in onzen geest A en B, oorzaak en gevolg, als noodwendig met elkaar verbinden, ligt in de verwachting dat B zal optreden, tengevolge van de associatie tusschen beiden, die ontstaat uit de gewoonte, om beiden te zamen te zien.

Met behulp dezer Causaliteitstheorie weet Hume ook een verrassend licht te werpen op de gevallen, waarin wij een waarschijnlijkheidsoordeel uitspreken.

Stellen wij ons een kubusje, een dobbelsteen, voor. Op vier zijden plaatsen wij een kruisje, op twee een stipje. Wij gooien de kubus op.

Wij weten nu niet wat zal bovenkomen: kruis of stip. Maar de waarschijnlijkheid, dat kruis boven zal komen, is tweemaal zoo groot als die, dat stip boven komt.

Hoe is dat te verklaren?

Er is geen vaste associatie tusschen het vallen van den dobbelsteen en het bovenkomen van een bepaalde zijde.

De levendigheid, waarmee we ons dus het bovenkomen van één zijde voorstellen, is gering. Maar de vier kruiszijden versterken elkaar evenals de twee stipzijden dat doen.

De voorstelling, dat er kruis of stip boven zal komen, is dus levendiger, dan die van één bepaalde zijde. En dat een kruis 't zal zijn, is weer een voorstelling met grooter kracht dan een stip.

Op deze wijze weet Hume ook een aantal niet logische, maar bijna algemeen voorkomende redeneeringen te verklaren.

Wij hechten, bij het vormen van een oordeel, meer waarde aan wat wij zelf beleefd hebben, dan aan wat ons--zij 't ook door nog zoo een betrouwbaar persoon--is medegedeeld, omdat een impressie altijd veel levendiger is dan een idee.

Door de opvoeding kunnen bepaalde denkbeelden zoo vast in de ziel worden gehamerd, dat wij van hun waarheid overtuigd zijn, zonder er ons ooit op te bezinnen. De telkens terugkeerende herhaling geeft een groote mate van levendigheid aan deze voorstellingen en doet dus de overtuiging ontstaan, dat ze een werkelijkheid afbeelden.

Practische filosofie.

Ook voor de moraal, de staathuishoudkunde en de wijsbegeerte van den godsdienst, bevatten Hume's werken zeer belangrijke aanduidingen of uiteenzettingen. Wij bepalen ons hier tot korte aanstippingen, den lezer, die meer over Hume begeert, naar 't helder geschreven werk van Dr. J. C. Wijnandts Francken verwijzend [76].

Als grondslag der moraal erkent Hume het gevoel. Het medegevoel voor anderen drijft tot handelingen, die niet rechtstreeksch ons welzijn beoogen, maar den lust van een ander bevorderen.

Ten opzichte van den godsdienst ontkent Hume dat deze door de rede te vinden zou zijn, daarmee een der geliefde stellingen van 't deïsme afbrekend. Belangrijk is, dat hij tracht te geven een geschiedenis van de ontwikkeling der godsdiensten uit psychologisch oogpunt. Hij ontkent, dat de afzonderlijke religies ontaardingen zijn van den eenen natuurgodsdienst, waarover de deïsten zooveel spraken. Hij ziet in 't polytheïsme veeleer een begin, meent dat een god, van een bepaalden stam bijv., zich omhoog gewerkt heeft, en dat zoo 't monotheïsme is ontstaan.

Wel hebben de menschen dat strenge monotheïsme later niet kunnen volhouden en 't op sommige punten weer verzwakt. Niet het inzicht in den doelmatigen bouw en den samenhang der schepping behoeft de oorsprong te zijn van het godsbegrip, maar ook de vrees kan gewerkt hebben.

Hume bestrijdt dus eigenlijk de grondslagen der theorie, opgesteld door de deïsten. Wat zijn eigen standpunt betreft, hierover is men niet in 't zekere.

De groote verdienste van Hume is geweest, dat hij het empirisme van Locke tot consequentie gebracht heeft en met zeer groote scherp- en klaarheid problemen opgesteld. Maar in zijn leer lag ook een kiem voor de toekomst; zijn critische richting was noodig, om bij de rationalistische te komen, teneinde Kant zijn systeem te doen opbouwen.