Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2
Part 2
Het is niet ongewoon, de meening aan te treffen dat gevoel en gemoedsbehoeften altijd vijandig zijn aan het weten. Dit is ook inderdaad dikwijls het geval. Menigeen omhelst een leer, omdat die zijn gemoedsbehoeften bevredigen kan, weigert nieuwe inzichten aan te nemen, omdat ze niet strooken met innerlijke begeerten of wenschen. De geschiedenis van het wijsgeerig denken zal ons dan ook telkens voorbeelden doen zien, hoe de tegenstand tegen bepaalde systemen niet ontsproten is uit vijandschap tegen het systeem, omdat het als niet-waar erkend werd, maar uit het besef, dat het inging tegen lang-gekoesterde gevoelens, wier verlies pijnlijk zou zijn.
Daarom ziet men zelfs tot op onzen tijd wijsgeeren pogen, hun systeem meer aannemelijk te maken, door het meer of min in overeenstemming te brengen met een leer, die tot dusver 't gevoel bevredigde. Het is echter zeer de vraag, of een dergelijk pogen steeds gepaard kan gaan met die volkomen eerlijkheid en met die scherpheid van bepaling, die absolute eischen zijn voor het filosofisch denken, en we hebben trouwens geheel geen recht, van te voren aan te nemen, dat de wereld is ingericht op bevrediging der behoeften van ons gemoed.
Deze opmerking gaat vooraf, omdat we nu een voorbeeld zullen aantreffen, hoe wetenschappelijke ontdekkingen hun oorzaak vonden in aesthetische en ethische behoeften. De Pythagoreeërs deden veel aan muziek. Men spande nu een snaar op een klankbodem, wist die snaar langer en korter te maken en ontdekte toen, dat er een verhouding bestond tusschen de lengte van de snaar en de toonshoogte. Hoe langer de snaar, hoe lager; hoe korter de snaar, hoe hooger de toon. Hiermee was een der eerste ontdekkingen gedaan op 't gebied van de leer van het geluid en een belangrijken stap gezet op 't gebied der physica.
Men zie echter goed in, dat er in deze ontdekking nog iets anders school. Men kwam tot inzicht in de beteekenis van quantitatieve verhoudingen. De huidige natuurkundige wetenschap tracht alles zoo precies mogelijk in getallen uit te drukken. Ze is niet tevreden, met te weten, dat een lichaam bij verwarming uitzet, maar wenscht ook te kunnen zeggen: bij zooveel graden warmtevermeerdering zal die stof precies zooveel uitzetten. En ook daarmee is ze niet tevreden. Ze vraagt, wat die warmte eigenlijk is: waarom zet een lichaam uit als 't warmer wordt. Nu neemt de natuurkundige aan, dat een lichaam uit allerkleinste deeltjes bestaat, die in voortdurende beweging zijn. Warmer worden van een lichaam wil zeggen: vermeerdering der snelheid, waarmee die deeltjes zich bewegen. De uitzetting is teruggebracht tot een sneller bewegen der deeltjes en een vergrooten van de afstanden, waarop die deeltjes zich van elkaar bevinden. Maar die bewegingssnelheid en die afstanden kunnen berekend worden en wiskundig geformuleerd. Zoo voert de natuurkundige de veranderingen terug op verandering van meetbare grootheden en tracht alle gebeuren vast te leggen in wiskundig geformuleerde stellingen. Het getal, de quantitatieve bepaling is dus van overwegende beteekenis voor de moderne wetenschap. En het is bekend, hoe niet alleen de natuurwetenschappen zich van het getal bedienen, maar hoe men ook maatschappelijke verschijnselen (b.v. de sterfte, de misdaad) in statistieken brengt.
Van de enorme beteekenis van het getal voor de beoefening der wetenschap, hebben de Pythagoreeërs een zoo diepen indruk gekregen (al zagen ze natuurlijk niet al de aanwendingen der toekomst vooruit) dat ze het getal verklaarden voor den grond van al 't zijnde, voor 't eenig wezenlijke.
Niet water, vuur, lucht, niet het oneindige, maar 't getal gold hun als grondstof.
Nu hebben ze met hun levendige fantasie, daaraan allerlei wonderlijke, mystieke gedachten geknoopt. Gold de eenheid hun als 't volmaakte, de twee, die deelbaar was, was minder volmaakt. Drie = 1 + 1 + 1, is een zeer volmaakt getal, het heeft begin, midden en einde.
Als ze eenmaal alles in het wezen als getal verklaard hadden, dan konden ze niet nalaten, op hun standpunt ook geestelijke eigenschappen voor getallen te verklaren. Want tot nu toe kennen de denkers nog niet het onstoffelijke en abstracte. Zoo wordt gerechtigheid een kwadraat getal, enz.
Hoe vreemd ons dit alles ook moge lijken, in die fantasterij zit een kern van waarheid: de groote beteekenis van 't getal; en het beduidt ook een voortschrijden van 't denken, wanneer men gaat inzien dat men eerst dàn een verschijnsel goed kan begrijpen, als men de getallenverhouding kent, waarin het zich voordoet. We zullen later zien, hoe in het begin van den nieuwen tijd de groote sterrenkundige Kepler dit heeft beseft.
Astronomie.
Groote verdiensten hebben de Pythagoreeërs voor de sterrenkunde.
Het is gewenscht, hier met een enkel woord te herinneren aan de gegevens.
Aan onze oogen vertoont zich de aarde steeds als een plat vlak. Is ons uitzicht niet beperkt, dan zien we dat platte vlak als een cirkel. Daarover welft zich als een halve bol het hemelgewelf, waaraan de zon zijn dagelijkschen loop voltrekt, nu eens hooger, dan lager aan 't hemelgewelf. De maan heeft eveneens haar dagelijksche beweging, daarnaast haar maandelijksche schijngestalten. Sommige "sterren," de planeten, zijn dan eens weer zichtbaar, dan weer niet. Andere zijn altijd zichtbaar, als de Groote Beer, andere ook komen geregeld op en gaan geregeld onder.
Ook den Grieken waren deze verschijnselen niet onbekend en ze moesten naar verklaringen zoeken. Aanvankelijk waren die kinderlijk en fantastisch-dichterlijk, maar we zagen reeds hoe Anaximander den schijfvorm der aarde niet meer aannam.
Deze verschijnselen nu kunnen we thans, sedert Copernicus in 1543 zijn "Over de omwenteling der hemellichamen" uitgaf en allerlei sterrenkundige waarnemingen zijn hypothese gestut hebben, in een eenvoudig stelsel samenvatten en uit een gering aantal veronderstellingen verklaren.
In het midden van ons zonnestelsel staat de zon. Daaromheen bewegen zich, in ellipsvormige banen de planeten. Onze aarde is een dezer.
Haar as staat met een hoek van 66 1/2° op haar baan. In 24 uren wentelt ze om haar as; vandaar de verschijnselen van dag en nacht. In een jaar wentelt ze om de zon: oorzaak van de afwisseling der jaargetijden. De duur van den omloopstijd der planeten hangt af van hun afstand van de zon, bij sommige is die 88 dagen, bij andere vele jaren. De zon, aarde en andere planeten staan dus op verschillende tijden in anderen stand ten opzichte van elkaar: vandaar het dwalen, dat de planeten aan den hemel schijnen te doen.
Toen Copernicus dit stelsel leerde, plaatste hij dus de aarde uit het middelpunt. De Middeleeuwen hadden haar nl. op voetspoor van Ptolemaeus in het middelpunt geplaatst, en om haar, in allerlei kunstige banen, zon en planeten laten wentelen.
Het stelsel van Copernicus bracht een omwenteling in het denken. De kerk aanvaardde het eerst niet. Galileï moest de aswenteling der aarde loochenen. Giordano Bruno, ook om andere ketterijen vervolgd, stierf in 1600 op den brandstapel. Cartesius durfde zich niet dan voorzichtig en niet duidelijk zijne bedoeling verradend, over de nieuwe leer uitlaten. [8]
Al deze strijd was ons gespaard gebleven en het denken wie weet hoeveel verder, indien men voortgegaan was op het voetspoor der Pythagoreeërs.
Want dit staat vast:
De Pythagoreeërs hebben de hoofdtrekken van het Copernicaansche stelsel geleerd.
Niet ineens kwamen ze er toe.
Den bolvorm der aarde namen ze reeds spoedig aan, 't zij op grond van waarnemingen, 't zij omdat de bolvorm de volmaakste was en dit het best in hun systeem paste.
Ze namen 10 hemelsferen aan; die der vaste sterren, die der zon, die der 5 planeten, die der maan en die der aarde vormen 9. Tien was echter een heilig getal en ze meenden dus, dat het aantal hemelsferen ook 10 moest zijn. Ze fantaseerden er dus een tiende bij: de tegenaarde. Later echter, toen uitgebreide reizen hun wereldkennis hadden verruimd, lieten ze die vallen.
De hemellichamen maakten bij hun beweging om één groot centraal vuur geluiden, die samen klonken als de tonen van een octaaf. Dit noemt men de harmonie der sferen. Dat wij ze niet hooren, verklaarden ze op de volgende wijze, die getuigenis aflegt van hun psychologische waarneming. Als een smid langen tijd op een aambeeld slaat, hoort hij 't niet meer. Zoo ook hooren wij de harmonie niet meer. Ze beroepen zich dus op het verschijnsel, dat in de huidige zielkunde "het afvloeien" heet.
Met de tegenaarde liet men weldra het centraal vuur vallen. Ecphantes leerde de aswenteling der aarde. Daarna liet men sommige planeten om de zon bewegen. En ten slotte plaatste Aristarchus van Samos (280 v. Chr.) de zon in 't middelpunt en liet aarde en planeten om haar wentelen.
Ethica.
Langzamerhand verbond de Pythagoreïsche zedeleer zich eng met de Orphische mystiek en in latere perioden is het niet gemakkelijk te onderscheiden, wat nu speciaal van de Orphiek, wat van de Pythagoreeërs kwam.
In 't middelpunt stond de leer der zielsverhuizing. Na den dood van den mensch gaat de onsterfelijke ziel het lijf verlaten en vindt, als ze niet genoeg gelouterd is, haar plaats in een of ander dier. Ze verlaat dit weer voor een mensch en doorloopt zoo vele stadiën, tot ze ten slotte gereinigd is en weer één kan worden met de godheid. Hoewel oudere berichten zeggen dat Pythagoras de leer der zielsverhuizing uit Egypte invoerde, valt dit te betwijfelen, nu jongere Egyptische onderzoekingen ons doen zien, dat de leer der zielsverhuizing bij de Grieken heel anders is geweest dan bij de Egyptenaren. Meer overeenkomst vertoont ze met de leer der Hindoe's, waaraan ze misschien, door bemiddeling der Perzen, ontleend kan zijn.
Met het geloof aan zielsverhuizing hangt vegetarisme samen. In de oudheid vertelde men van Pythagoras de anecdote, dat hij eens gezegd had: "Sla dien armen hond niet, de ziel van een vriend is in hem, ik heb zijn stem in 't jammeren herkend."
De Pythagoreeërs leidden een ascetisch, onthoudend leven, vrij van zingenot en wellust.
De leer der zielsverhuizing bracht een nieuw element in de Grieksche waardeeringsoordeelen. Tot dusver had bij hen gegolden: het lichaam meer dan de geest, het lichamelijk leven 't voornaamste.
Thans werd dit anders: de hoofdaandacht werd gevestigd op 't geestelijk [9] leven.
Plato zou deze idee weer opnemen en met zijn groote genialiteit en machtigen blik verder ontwikkelen; door hem ook heeft deze idee onwankelbaar post gevat in 't Westersch denken, waaruit ze misschien nimmer zal verdwijnen (bladz. 105).
Tegen 't einde der Grieksche wijsbegeerte leeren we de Neo-Pythagoreeërs kennen, bij wie de religieuse vraagstukken op den voorgrond staan. We zullen ze daar niet afzonderlijk behandelen, omdat ze veel overeenkomst vertoonen met andere, meer belangrijke richtingen, die we dan zullen ontmoeten.
§ 5a. De Eleaten.
De Eleaten vormen de richting, welke, in tegenstelling met Heraclitus niet op het worden maar op het zijn haar aandacht vestigt. Gewoonlijk laat men de school met Xenophanes beginnen, maar deze was meer een godsdienstig reformator. Stichter der eigenlijke wijsgeerige school is Parmenides.
XENOPHANES.
In Kolophon, aan de kust van Klein-Azië werd Xenophanes geboren. Toen de Perzen ook zijn vaderstad onder 't juk hadden gebracht, verliet hij zijn geboorteplaats en doolde van toen aan door 't Grieksche land, zoowel de verafgelegen koloniën bezoekend als wijlend in 't stamland. Als rondreizend zanger ging hij zoo een zestig jaar ruim door de Grieksche wereld, kennis verzamelend van menschen, zeden, toestanden en merkwaardige natuurverschijnselen. Op hoogen ouderdom liet hij zich neer in Italië, in Elea en stierf daar in 480. De school zijner jongeren heet daarnaar de Eleatische. Het eigenlijke hoofd of de grondvester dezer leer is echter Xenophanes niet. Hij was een godsdienstig denker en hervormer, tegelijkertijd een nauwgezet natuuronderzoeker. Xenophanes heeft zich ten heftigste verzet tegen vermenschelijking der goden. Met groote scherpzinnigheid heeft hij opgemerkt, dat de menschen zich hunne goden denken in analogie van zichzelf: de Thraciërs stellen zich hun goden voor met blauwe oogen, de negers met stompe neuzen en bruine gelaatskleur. Scherp spitst hij deze uitspraak toe, door te zeggen: als de leeuwen en de ossen goden hadden, zouden ze zich dezen denken als leeuwen en ossen.
Homerus en Hesiodus hebben met hunne verzen de menschen niets anders dan diefstal, wederzijdsch bedrog en echtbreuk geleerd. Duidelijk is het, dat zijn verzet zich ook richt tegen 't geloof aan mythische wezens als giganten, titanen, centauren, die hij verzinsels van de ouderen noemt.
In zekeren zin gaat Xenophanes terug tot de vóór-Homerische gods-opvatting, hij ziet in "den éenen God, die de grootste is" de natuur. Zijn godsopvatting is min of meer pantheïstisch. Streng monotheïstisch evenwel niet. Hiertoe hebben de Grieken het voor Aristoteles niet kunnen brengen (bl. 115). Dit vroeg te doen in volle klaarheid was weggelegd voor het, overigens misschien minder begaafde, Israëlietische volk. Hoewel de zaak niet absoluut is uitgemaakt, mag men aannemen, dat Xenophanes ook natuurkrachten als godheden vereerde.
Eene eigenaardigheid in zijne bestrijding van den toenmaligen godsdienst verdient vermelding. Hij bestreed dien nl. door de godsdienstige voorstellingen met elkaar te vergelijken en dan tusschen sommige een tegenspraak aan te toonen.
Misschien is geen betere wijze denkbaar, om den twijfel op te wekken en het geloof aan 't wankelen te brengen. Ook in de 18de eeuw zien we Voltaire deze methode met bijtenden spot toepassen op de Katholieke Kerk (§ 52). Xenophanes deed het op de Grieksche godsdienstige voorstellingen. Zoo vond hij het dwaas, gestorven goden te betreuren, zooals in de Osirisvereering gebeurde. Een van beide: òf ze zijn dood en men gaat ze betreuren als menschen, òf ze zijn goden en kunnen niet sterven.
Als natuuronderzoeker valt van hem vooral te vermelden, dat hij in de groeven van Syracuse versteende planten en dieren vond. Daaruit leidde hij af, dat hier vroeger de zee moest geweest zijn en zoo is hij dus een voorlooper van een wetenschappelijke aardkunde.
PARMENIDES.
Parmenides is de grondvester der Eleatische leer. Door Melissus en Zeno is ze verder ontwikkeld en verdedigd. Heraclitus had geleerd, dat alles ontstond. De Ioniërs hadden de Grieken gemeenzaam gemaakt met een steeds blijvende stof. Wij wezen er reeds op, dat de leer van Thales aanleiding moest geven tot de vraag: maar we nemen allerlei dingen waar, die gansch verschillend zijn, en er is toch maar éen oerstof. Hoe zit dat? (Bladz. 14).
Parmenides stelde de vraag en kwam tot de slotsom, dat al de verschijnselen slechts schaduwen, bedrieglijke beelden waren. Achter heel die wereld, vol van allerlei kleur en vorm, is één wezenlijkheid: het zijnde. Dat zijnde moet zijn kenmerken hebben.
Eeuwigheid: het is niet ontstaan en vergaat ook niet. Onveranderlijkheid: het ondergaat noch verandering naar de hoeveelheid, noch naar den aard.
Dit is de eenige leer van Parmenides: Het zijnde is. Verder kon hij niets zeggen dan het hier gegevene, want, om de woorden van zijn navolger Melissus te gebruiken: "We kunnen het zijnde aanschouwen noch kennen."
In het tweede deel van zijn leerdicht behandelt hij "de meening," den schijn, zooals die zich aan ons voordoet, tegenover de waarheid, die hij in in 't eerste deel behandeld had.
We vinden hier de merkwaardige poging om naast de leer van het eigenlijke, er nog een te geven voor wat het dagelijksch leven ons aanbiedt, in overeenstemming met wat onze zinnen waarnemen. We zullen dergelijk streven later ontmoeten. Vele sceptici ontkennen de mogelijkheid van het vinden der waarheid, slechts de kennis der dingen, zooals die zich als schijn aan ons voordoen, kunnen we zoeken.
ZENO.
De betrekkelijk eenvoudige formule van Parmenides liet niet veel verdere ontwikkeling toe. Gaan we van de Eleaten Melissus voorbij, om nog even op Zeno, den Eleaat [10] te komen, niet vermeldenswaard om de resultaten van zijn denkarbeid, maar wel om de methode zijner bestrijding. Zeno is de vader der dialectiek.
Dialectiek.
Hieronder verstaat men letterlijk de kunst om een gesprek wetenschappelijk te voeren, in ruimeren zin ook de ontleding der begrippen.
De leer van het eene zijnde, van de onmogelijkheid van verandering, was door velen met spotgelach begroet. Zeno stelt zich nu niet de taak, die leer allereerst te verdedigen, maar hij valt zijn tegenstanders aan en tracht te bewijzen, dat ruimte, beweging, veelheid, onmogelijk is. Daarbij gebruikt hij zulke scherpzinnige vondsten, dat men in de oudheid en in de middeleeuwen er verlegen mee heeft gezeten.
We geven er één, die betrekkelijk gemakkelijk is te begrijpen en te weerleggen, uitvoeriger weer.
In zijn bestrijding van de betrouwbaarheid onzer zintuiglijke waarneming zegt Zeno: Wanneer men een schepel koren uitstort, hoort men een geruisch, maar als men dit korrel voor korrel doet, niet. Nu kan toch niet uit de optelling van een groot aantal nullen iets ontstaan.
De nieuwere zielkunde geeft gemakkelijk een verklaring van dit verschijnsel. Om een prikkel waar te nemen, moet die een zekere sterkte hebben. De sterkte hangt ook af van onzen geestestoestand. Een zwakken prikkel zullen we bij groote aanwending van onze opmerkzaamheid wel waarnemen, bij toestanden van slapheid en zwakte niet. De luchttrillingen door één korrel veroorzaakt, bestaan wel, maar zijn niet sterk genoeg, om een gewaarwording teweeg te brengen. Vele korrels tegelijk vallende, brengen meer luchttrillingen voort, die samen sterk genoeg zijn om de gewaarwording te doen ontstaan. Deze ontstaat dus niet uit de som van nullen, ze wordt opgewekt door een prikkel, die zelf uit een aantal zwakkere is opgebouwd, welke elk op zich zelf niet sterk genoeg zijn, om waargenomen te worden.
Zoo hebben we ook hier weer een voorbeeld, hoe de oplossing het probleem volgt, als de wetenschap, in dit geval de zielkunde, maar ver genoeg is. We zien meteen, hoe de opstelling van het vraagstuk ook een prikkel is, om onderzoekingen in te stellen. Alleen reeds het stellen van het probleem is de halve oplossing, zou Hume later zeggen.
Deze schijnbare tegenstrijdigheid door Zeno gesteld is dus opgelost. Zijn andere bezwaren zijn moeilijker te behandelen.
Hiermee volstaan we. De merkwaardige methode van Zeno's bestrijding is toegelicht. Op de problemen, in andere van zijne argumenten vervat, komen we bij latere denkers terug.
We hebben nu gezien, hoe verschillende oerstoffen werden opgesteld, (de Ioniërs) hoe eenerzijds het worden tot het alleen waarachtige was verklaard (Heraclitus) anderzijds het zijnde (Eleaten).
We zullen thans twee denkers ontmoeten, die getracht hebben, de beide begrippen van worden en zijn te vereenigen. De een door aan te nemen dat er evenveel oerstoffen als zinnelijke kwaliteiten zijn (Anaxagoras), de ander (Empedocles) door een bepaald aantal grondstoffen aan te nemen, waaruit de wereld was opgebouwd.
§ 5b. Anaxagoras (500-± 428).
Leven.
Anaxagoras werd in Klein-Azië geboren, bracht een tijdlang te Athene door, ging vandaar, aangeklaagd wegens godslastering en vrijgesproken naar Lampsacus, waar hij, hoog bejaard en zeer geëerd, stierf ± 428. Hij was een ernstig, nuchter denker, een streng onderzoeker, heeft op de menigte door zijn zedelijken ernst, door zijn zelfstandigheid wel diepen indruk gemaakt, maar door zijn, voor 't oog der menigte bizarre theorieën, ook wel eens de vraag doen ontstaan, of hij wel ten volle toerekenbaar was.
Leer.
Niet beïnvloed door de Eleaten--die 't zijnde als eenige werkelijkheid, de verschijningswereld als schijn en droombeeld hadden verklaard--wel echter bekend met de oerstof der oude Milesiërs, verklaart Anaxagoras dat er eigenlijk zooveel stoffen zijn als er qualiteiten bestaan. Ontstaan en vergaan is er niet: ontstaan is een verbinding van stoffen, vergaan een scheiding. Het begrip van de onveranderlijkheid der stof heeft dus ook bij hem post gevat.
Eigenaardig is het, dat hij de stoffen, die ons de huidige scheikunde als eenvoudig heeft leeren kennen, 't samengesteldst vond; b.v. water, lucht. We kunnen echter wel in zijn gedachtengang komen. Stel, er is een brood. We eten dit en het gaat over in bloed, beenderen, de huid enz. In het brood, denkt Anaxagoras, moeten dus wel al de deeltjes zitten, waaruit bloed, beenderen enz. kunnen ontstaan. Maar dan moeten die stoffen ook zijn in het graan, ook in den grond, het water, de lucht, de zon, waaruit dat graan groeit. Dit inzicht is ook juist. Alleen, omdat hij nu aannam, dat de deelen van ons lichaam enkelvoudige dingen waren, het bloed, de beenderen, de huid dus b.v. niet samengesteld waren, moest hij in water, lucht enz. wel een massa elementen zoeken.
Aan het begin der wereldontwikkeling staat nu een chaos, waarin al die elementen, "zaden," aanwezig zijn. De wereld, zooals wij die kennen ontstaat nu, doordat er draaiing komt, eerst aan één punt, en dan in steeds wijder kringen, de deeltjes worden door de beweging gescheiden, van elkaar gerukt: het "dichte, vloeibare, koude en donkere" is daar gekomen, waar nu onze aarde is, het luchtige, droge, warme steeg op naar den ether.
De noes.
De groote vraag blijft nu: hoe ontstaat die allereerste beweging? Ze wordt veroorzaakt door de "noes."
Het is moeilijk voor een 20ste eeuwer zich duidelijk te maken, wat er met de noes bedoeld wordt.
Het Grieksche woord beteekent ook geest, vernuft, en men heeft daarom in Anaxagoras den eersten opsteller van het "geestbegrip" willen zien.
Maar dit is niet geheel juist.
Anaxagoras denkt zich zijn "noes" als een soort stof: de fijnste van alle. Maar toch is deze stof wel anders dan andere stoffen: ze is bewegingwekkend, organiseerend. Daarom ook mag men in de noes-leer een voorbereiding zien der leer, dat er iets gansch anders is dan stoffelijke verschijnselen, het psychische.
Met zijn noes kan Anaxagoras de wereld opbouwen. Met één hypothese verklaart hij een menigte feiten en toont daarmee een beginsel te kennen, dat ook voor de huidige wetenschap van groot belang is.
§ 6. Empedocles (495-435).
Leven.
Een sterk contrast met den solieden Anaxagoras vormt Empedocles. Hij werd ± 495 in Agrigentum, het huidige Girgenti op Sicilië, geboren, behoorde tot een oud en invloedrijk adellijk geslacht, werkte mee aan de verdrijving van den heerschenden tyran, bedankte voor den aangeboden koningstroon en trok in bonte, opvallende kleeding het land door, als priester, arts, ingenieur en wonderdoener, opgezocht en bewonderd door duizenden.
Ongetwijfeld was hij een man van groote talenten. Zijn geboortestad wist hij een beter klimaat te geven door een rotswand te laten doorbreken, die een verfrisschenden noordenwind toegang gaf; een andere stad verloste hij van de pest, door drooglegging van een moeras. Niet ongeloofwaardige berichten verhalen ons van treffende genezingen.
Maar het is moeilijk, een juist oordeel omtrent zijn persoon te vormen, en uit het pralende omhulsel van zijn groote beloften en aanstellerij de kern te halen.
Hij stierf, een 60 jaar oud, in eigenlijk Griekenland. Een eenvoudige dood echter scheen voor zulk een man niet mogelijk. Zoo verbreidden zich allerlei sagen over zijn sterven: sommige lieten hem in den vuurgloed van den Etna springen, andere in een vuurkolom ten hemel varen.
Leer: de vier elementen.
Het is niet te verwonderen, dat de leer van Empedocles geen streng systematisch geheel is. Er zijn elementen uit allerlei richtingen in op te merken. Toch is ze, ondanks haar gapingen en inconsequenties, veel meer dan een bloote compilatie [11] en heeft wezenlijk bijgedragen tot den vooruitgang.
Empedocles' groote verdienste ligt in de opstelling eener leer, waaraan drie beginselen ten grondslag liggen, welke men ook in de hedendaagsche scheikunde kent:
1o. Er bestaan een beperkt aantal grondstoffen, die op zich zelf niet veranderlijk zijn.
2o. Die stoffen gaan allerlei verbindingen met elkaar aan.