Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2
Part 19
Locke, een man van zwakke gezondheid, (hij leed aan asthma) wordt ons geschilderd als een eenigszins bange, vreesachtige persoonlijkheid van groote liefde voor waarheid en vrijheid, degelijke kennis. Een scherp en een nuchter denker, met een levendige belangstelling in godsdienstige vraagstukken. Overtuigd van de beperktheid van het menschelijk weten en kunnen, raadpleegde hij gaarne vrienden en verbeterde zijn werk of vulde aan, als hij dit noodig vond. In den omgang was hij vriendelijk, een man die veel gezien had. Aan zijn vrienden hing hij met innige gehechtheid. Van kinderen hield hij veel. Soms tot toorn geneigd, was hij niet haatdragend, maar vergevensgezind.
Werken.
Van Locke's vrij talrijke werken noemen wij:
a. Onderzoek over het menschelijk verstand, gewoonlijk het Essay genoemd (Engelsche titel: An Essay concerning human understanding), Locke's hoofdwerk, dat in de opeenvolgende drukken nog al uitgebreid werd en door zekere wijdloopigheid en sommige herhalingen zijn ontstaanswijze verraadt. Een voor een lateren druk bestemd toevoegsel kwam na den dood van den auteur uit als afzonderlijk werk: "Over de leiding van het verstand" en bevat vele practische aanwijzingen over studie-methode.
b. Theologische werken, waaronder De redelijkheid van 't Christendom.
c. Staatkundige werken, waaronder een paar verhandelingen over de regeering om de revolutie van 1688 te verdedigen en brieven over de verdraagzaamheid.
d. Opvoedkundige werken. Het bekendst zijn: Gedachten over opvoeding (1693).
Kennisleer.
Locke's leer heeft twee leidende gedachten, een negatieve: er zijn geen aangeboren begrippen, een positieve: al onze voorstellingen stammen uit de ervaring.
Geen aangeboren begrippen.
In onze ziel zijn geen aangeboren begrippen. Dit geldt allereerst voor de theoretische axioma's, voor de grondwetten van ons denken. Immers waren ze aangeboren dan zouden ze een ieder bekend moeten zijn en 't eerst verworven geestesbezit. Evenmin zijn ons de grondbeginselen der moraal ingeboren. Vanwaar anders het enorme onderscheid in zedelijk oordeel tusschen verschillende menschen, tijden, volkeren en religie's? En met sommige speciale voorstellingen, bijv. identiteit, God, substantie is het ook niet 't geval. De weerlegging, dat deze ingeboren voorstellingen wel ons oorspronkelijk bezit zijn, maar verdonkerd, geldt voor Locke niet; voor hem is het een ongerijmdheid van onbewuste voorstellingen te spreken, wat wij ons niet bewust zijn, bezitten wij niet.
Leibniz' bestrijding.
We zagen, dat Leibniz een bestrijding leverde van Locke's theorie. Voor den eersten zijn eigenlijk alle voorstellingen ingeboren. De monade heeft geen vensters. Al haar kennis ontstaat door uitgroeiing van wat in kiem in haar aanwezig is (bladz. 282).
Maar in 't bijzonder richt Leibniz zich tegen Locke's ontkenning van wat wij nu noemen de onbewuste voorstellingen. Het is de groote verdienste van den eerste voor de zielkunde, dat hij dit begrip heeft ingevoerd. Hij onderscheidt perceptie en apperceptie. De laatste is het zich bewust worden, de eerste het waarnemen zonder dit. (Dit woord apperceptie soms in 't Hollandsch toeëigening genaamd, heeft een veelbewogen leven gehad en er is menige strijd gevoerd over het begrip apperceptie zoowel op ziel- als opvoedkundig gebied. We zullen het later weer bij Herbart aantreffen). Er zijn nu mogelijk "petites perceptions," kleine waarnemingen. We hooren niet het geluid van een enkel golfje wel het geruisch van de zee. (Vergel. bladz. 32).
Tweeërlei ervaring.
Er is dus voor Locke geen twijfel aan, of al onze aanstellingen stammen uit de ervaring. Deze is tweeërlei: uitwendig (sensatie) en inwendig (reflectie). Door de reflectie leeren we bijv. onzen wil, ons geheugen, en andere psychische verschijnselen kennen. Al onze bewustzijnsinhouden nu zijn of door rechtstreeksche waarneming ontstaan of ze zijn daaruit opgebouwd, zooals de taal uit woorden en letters. Locke durft het dan ook aan, te verklaren, dat de voorstelling, die wij ons, zoo goed wij kunnen van het Opperste Wezen vormen, ook uit de ervaring komt: "Want het is de idee van oneindigheid, dewelke gevoegd bij onze ideeën van bestaan, macht, wetenschap enz., die samengestelde idee vormt, waardoor wij ons zelven zoo goed wij kunnen, het Opperwezen voorstellen."
Overzicht onzer ideeën.
Alle voorwerpen van ons denken, noemt Locke ideeën. Hij verdeelt ze naar het volgende schema:
Ideeën: | /----------------+-------------------\ Enkelvoudige. Samengestelde. | | /----------------+------------------\ /----------+-------------\ Door Sensatie. Door Door Sensatie Modi. Substanties. Relaties. | Reflectie. en | /--+------\ | Reflectie beide. | Lich. Geestel. /-----+-------\ | Door Door /------+-------\ één zin. meer Enkelv. Gemengd. zinnen.
Onze enkelvoudige ideeën kunnen ons door één zin gegeven worden: kleur, smaak, tonen, reuk. Andere, waaronder Locke het ruimtebegrip rekent, stammen uit de waarneming met meer zinnen. De ruimte bijv. nemen we waar met ons gezicht en onzen tastzin. Door reflectie alleen krijgen we de ideeën van onze geestelijke vermogens, b.v. waarnemingsvermogen, geheugen, wil. Door samenwerking van reflectie en sensatie ontstaan bijv. onze ideeën van kracht, lust, onlust, eenheid, opeenvolging.
Secundaire en primaire eigenschappen.
Door de zinnen nemen wij dus de eigenschappen van de dingen waar. Maar die eigenschappen zijn tweeërlei: primair en secundair. Grootte, dichtheid of ondoordringbaarheid (soliditeit), rust of beweging, vorm, aantal, zijn primaire eigenschappen. Zij komen de dingen werkelijk toe. Kleur, geur, smaak, tonen b.v. komen de dingen niet toe. Het zijn slechts de wijzen waarop wij de indrukken, die de beweging der kleinste deeltjes van een lichaam op onze zintuigen maken, opvatten.
Aan ons idee van rood beantwoordt dus niet in de buitenwereld iets, dat rood is, maar een beweging, maar aan ons idee van soliditeit beantwoordt wel een dicht, ondoordringbaar iets in de buitenwereld.
Deze onderscheiding, die Democritus voor den opbouw van zijn atomistisch systeem van Protagoras overnam (vgl. bladz. 45) en door Gassendi en Galileï in de nieuwere wijsbegeerte weer werd ingevoerd, werd door Locke met volle scherpte en klaarheid gegeven. Voor de physiologie en de psychologie had deze onderscheiding groote waarde.
Zij wees op dit belangrijk probleem. Hoe moeten onze zintuigen gebouwd zijn om de specifieke gewaarwordingen die wij krijgen, mogelijk te maken, en welke werkelijkheid, buiten het bewustzijn, komt nu overeen met onze gewaarwordingen van kleur, smart, geur, tonen, hitte, koude, gladheid enz.? Voor den physioloog en den psycholoog is de beantwoording der eerste, voor den natuurkundige die der tweede vraag.
Voor de kennisleer werd deze onderscheiding van minder beteekenis sedert Kant (vergel. deel II).
Het wezen der lichamen ziet Locke niet, zooals Descartes, in de uitgebreidheid, maar in de soliditeit. Men kan zich zeer goed ruimte, dus uitgebreidheid denken, zonder een lichaam, niet omgekeerd.
De complexe ideeën.
Bij het opnemen der enkelvoudige ideeën verhoudt de ziel zich passief, zij worden haar opgedrongen, zooals beelden aan een spiegel. De ziel heeft echter ook een actief element; zij kan algemeene voorstellingen en begrippen vormen, waardoor het mogelijk wordt onder één woord een groot aantal dingen onder te brengen. Zij kan de elementen afscheiden en verbinden, en zoo nieuwe voorstellingen vormen.
De samengestelde of complexe ideeën zijn modi, wanneer ze niet op zichzelf bestaan, maar aan andere dingen worden waargenomen, zooals bijv. driehoek, dankbaarheid, moord. Zijn ze veranderingen of combinaties van hetzelfde enkelvoudige idee, dan zijn ze "simple modes", enkelvoudige modi, zooals dozijn, gros, die niets anders zijn dan te zamen gevoegde ideeën, van verschillende, afzonderlijke eenheden. Wanneer ideeën van verschillende soort te zamen worden gevoegd, dan ontstaan gemengde modi. Schoonheid bijv. is de samenvoeging van kleur en vorm, in den toeschouwer zeker genot opwekkend.
De tweede groep der samengestelde ideeën zijn de substanties. Bij Locke wordt het substantie-begrip tot het substantie-probleem. Wat de ervaring ons geeft, is niets dan een bundel kenmerken, een aantal secundaire en primaire eigenschappen. Maar deze eigenschappen schrijven wij toe aan iets, aan een drager, aan een er aan ten gronde liggend substraat. Dat onbekende, die X. is de substantie. We weten dus niet wat het is. Er zit dus iets in het substantiebegrip, waarvan wij niet weten wat het is, en daardoor wordt het een probleem. Naast de lichamelijke substanties zijn er geestelijke (onze ziel, hoogere geestelijke substanties, God). Evenals Locke met Descartes verschilt ten opzichte van het wezenskenmerk der lichamen, doet hij dit ook met betrekking tot dat der ziel. Denken geldt hem niet als zoodanig, de ziel zou dan steeds moeten denken, wat zij niet doet (slaap). Hoewel hij er persoonlijk toe neigt, dit aan te nemen, mag men niet met zekerheid zeggen, dat de ziel onstoffelijk is. Het zou kunnen zijn, dat de Schepper een denkende stof had willen scheppen.
Bij de relaties vragen we niet of zij met de dingen overeenstemmen, maar of deze dit met hen doen. Bij de relatie oorzaak b.v. vragen wij, of twee dingen, zich zoo voordoen, dat we ze oorzaak en gevolg kunnen noemen, of zij dus overeenkomen met een bepaalden verhoudingsvorm.
Kennis.
Na een overzicht gegeven te hebben van onze verschillende bewustzijnsinhouden, gaat Locke na, welke waarde voor onze kennis toekomt aan de ideeën en de oordeelen.
Voor de ideeën geldt de volgende indeeling:
Reëel of Ingebeeld.
Adaequaat of Niet-Adaequaat.
Waar of onwaar.
Reëel zijn onze ideeën, als ze met iets in de werkelijkheid overeenkomen (al onze enkelvoudige dus). Ingebeeld (fantastical) als ze of uit elkaar uitsluitende elementen bestaat (vierzijdige driehoek), of een zoodanige combinatie biedt van elementen, als in de werkelijkheid niet voorkomt (centaur). Van adaequate ideeën spreken wij, als deze geheel overeenkomen met de dingen, vanwaar de geest ze als afkomstig veronderstelt. Niet adaequaat, maar wel reëel zijn bijv. de ideeën, die een leek heeft van rechtsgeleerde begrippen.
Van waar en onwaar kan men eerst spreken, als de voorstellingen betrokken worden op een bepaald voorwerp. In zichzelf is een idee dus nimmer waar of niet waar. Zoo spoedig we het met deze termen benoemen, hebben we eigenlijk geoordeeld, we hebben ontkend of bevestigd.
Onze wetenschap heeft voor Locke geen betrekking op de verhouding tusschen ding en idee, maar op die der ideeën onderling.
Locke gaat nu uitvoerig na, hoe de verschillende ideeën zijn of kunnen zijn. De enkelvoudige ideeën verkeeren in 't gunstigste geval: ze zijn reëel en adaequaat.
Soorten van weten.
Kennis van de dingen zelf hebben we echter niet. Locke bedoelt met het reëel en adaequaat zijn der enkelvoudige ideeën dus niet, dat deze overeen komen met de dingen zelf, maar dat zij als regelmatige gevolgen zijn te beschouwen van de inwerking der dingen op ons. En daarom mogen we aannemen dat aan die gewaarwordingen een buitenwereld beantwoordt. Het groote verschil tusschen een waarneming en een herinneringsvoorstelling, de wederzijdsche steun, die de zinnen elkaar verleenen, de leed- en lustgevoelens, die met sommige waarnemingen gepaard gaan, geven ons wel recht om dat te doen. Het zinnelijk (sensitieve) weten is wel niet absoluut zeker, maar 't brengt toch tot een zeer groote waarschijnlijkheid, die voldoende is voor onze practische behoeften.
Zekerder kennis geeft ons het demonstratieve, het bewijzende weten. We kunnen, van onmiddellijk ingeziene waarheden, voortschrijden tot andere door tusschen gelegen oordeelen. Het opsporen dezer schakels is soms zeer moeilijk, van hoog belang echter voor de wetenschap. We hebben deze kennis van de wiskunde en van de moraal. (Aan de uitnoodiging van een zijner vrienden, om een dusdanig demonstratief stelsel van zedeleer te geven, heeft Locke niet voldaan). Ook onze kennis van God is demonstratief. Toch is deze voorstelling eenigszins anders dan die der wiskunde of moraal. Aan God komt bestaan buiten ons toe, aan de wiskunde en de zedelijke grondbeginselen niet. Als zoodanig bestaan zij nergens anders. De hoogste trap van kennis is de aanschouwelijke, de intuïtieve. Wij zien bijv. onmiddellijk in, dat een ding niet tegelijkertijd a en niet a kan zijn.
Vermoeden.
Naast het weten staat het meenen, schemering tusschen nacht van niet--dag van wel weten. Er is meer of minder waarschijnlijkheid, om iets aan te nemen. Met een zoo mogelijk gegronde waarschijnlijkheid moesten we ons in tal van zaken, waar absolute zekerheid niet mogelijk is, tevreden stellen. Begeerden we deze voor ons handelen, we zouden dikwijls geen vinger kunnen verroeren.
Omvang van het weten.
Het meenen vult dus het weten aan. De omvang van dit laatste is zeer beperkt. Het gaat niet uit boven onze ervaring, die wegens de zwakheid en het gering aantal der zinnen lang niet op al het bestaande betrekking heeft. Van de te weten dingen hebben wij ook nog maar voor een gering deel voorstellingen. Bovendien zijn deze niet zelden onklaar en verward. Om ons weten te vermeerderen, moeten wij dus onze ervaring trachten te vergrooten en onze voorstellingen verhelderen.
Locke's essay is een belangrijk werk, een ernstige, zij 't niet volkomen geslaagde poging, om den oorsprong, den omvang en de zekerheid der menschelijke kennis te onderzoeken en de methode, met behulp waarvan hij dat doel tracht te bereiken is zuiver wetenschappelijk: "ontleding der in 't feitelijke denken gegeven voorstellingen in hare eenvoudigste bestanddeelen, onderzoek naar de wijze waarop deze eenvoudigste voorstellingen zijn verkregen en de samengestelde daaruit opgebouwd." (Heymans).
Godsdienst.
Locke is een aanhanger van den christelijken godsdienst. Hij acht deze niet tegen, maar boven de rede. In godsdienstige opvattingen echter mag men zich ook laten leiden door zijn rede. Omdat God ons de openbaring gegeven heeft, behoeven wij het natuurlijke licht niet uit te dooven. Hij is er een vijand van, de menschen te plagen met onbegrepen of angstaanjagende dogmata. Godsvertrouwen, geloof in Jezus als Zaligmaker, een streven naar een christelijken levenswandel zijn voor hem de hoofdkenmerken der Christelijke leer. Hij gevoelde zich aangetrokken tot de breedkerkelijke (latitudinarische) richtingen. Een groot voorstander is hij van verdraagzaamheid. Noch de staat, noch de kerk heeft het recht, om iemand een geloofsovertuiging op te dringen. Trouwens men kan een ander wel dwingen, woorden en formules na te praten, maar het geloof kan men hem niet geven. Slechts waar de veiligheid van den Staat of het handhaven der goede zeden dit eischen, mag men bepaalde overtuigingen bestrijden. Daarom eischt Locke geen verdraagzaamheid voor atheïsten die geen eed kunnen doen en voor... Roomsch-Katholieken, die aan een Buitenlandsch gezag zijn onderworpen.
Staatsleer.
Locke verwerpt de absolute monarchie. Wanneer men, om zich te beschermen tegen elkaar, alle macht in handen geeft van een onbeperkt heerscher, gelijkt men op hen, die om zich tegen vossen en marters te beschermen, zich door den leeuw laten verslinden.
Drieërlei staatsmacht is er:
De legislatieve, de wetgevende; de executieve, de uitvoerende; de federatieve, de macht om verbonden te sluiten, en de verhoudingen met het buitenland te regelen. De eerste behoort aan de vertegenwoordigers van het volk. De twee laatsten zijn gewoonlijk in één hand, die van den vorst. Doch van alle regeering moet het doel zijn het gemeene best. Zoo een vorst dus niet regeert overeenkomstig het doel van den Staat, vervalt zijn macht aan het volk. Dat dit tot revolutie zal leiden, is niet te zeer te duchten. Geen vorst zal gaarne zijn kroon in de waagschaal stellen, geen volk wordt gaarne uit zijn rust opgeschrikt door een omwenteling met al haar nadeelen en gevaren.
Opvoedkunde.
Locke's opvoedkundige gedachten zijn van wijdstrekkenden invloed geweest. Bij Rousseau komen we er op terug, want diens Emile is in hoofdzaak gebaseerd op Locke's meeningen.
Locke's opvoedkunde geeft reeds in zekeren zin het paedagogisch ideaal der aufklärungsperiode: de vorming der kinderen tot beschaafde, zedelijke, wereldwijze menschen.
Er is een zekere nuchterheid in Locke's opvoedkunde, als in al zijn werken.
Rousseau, heeft ook Locke hem gewezen, waar hij graven moet, graaft dieper.
Door zijn zakelijkheid, zijn helderheid doet echter Locke's werk ongemeen aangenaam aan tegenover velerlei fraseologische opvoedkunde.
Locke heeft zonen van edellieden op het oog. Hij verwerpt de scholen en wil voor elken leerling een opvoeder, opdat de individualiteit tot haar recht kome. De opvoeder moet een algemeen ontwikkeld, beschaafd, bescheiden mensch met wereldkennis zijn, in één woord: een voorbeeld voor een leerling.
Naast de individueele opvoeding legt Locke nadruk op de hygiënische, waardoor hij groote verdienste heeft voor de lichamelijke opvoeding. Locke wil een milde tucht, wil het kind de redelijkheid van gebod en verbod zooveel mogelijk doen inzien, als het ouder wordt. De opwekking van het eergevoel is van veel belang.
Ten opzichte van het onderricht in de wetenschap merkt Locke op, dat dit de steun is voor de deugd en noodzakelijk voor 't leven. Meer waarde komt er niet aan toe. Geen intellectueel onderricht allereerst om zijn zelfs wil. Het onderricht moet practisch zijn. Het Engelsch, de moedertaal moet vóór het Fransch en Latijn geleerd worden en de vreemde talen moeten meer door spreken, dan door grammatica geleerd worden. Veel meer nadruk dan tot nu toe geschiedde, wordt gelegd op onderwijs in aardrijkskunde, wiskunde, handelsrekenen, boekhouden, teekenen, dansen, rijden. Als voorlooper van de voorstanders van handenarbeid wordt Locke beschouwd, omdat hij eischt, dat de leerling zich ook een handwerk eigen make.
§ 47. De Deïsten.
Onder dezen naam pleegt men een aantal denkers samen te vatten, die zich in hoofdzaak met de wijsbegeerte van den godsdienst hebben beziggehouden en hun voorloopers in Herbert van Cherbury en Locke vinden. Bij de deïsten is nog zeer veel onderling verschil en in onderscheidene werken is hun stelsel ontwikkeld. [74] Hier kunnen alleen de hoofdpunten gegeven worden.
God is.
Er bestaat een Godheid. Dit wordt aangetoond met het physiko-teleologisch bewijs. Reeds Newton, de groote wis- en sterrenkundige, had uit de doelmatigheid van de wereld, besloten tot het bestaan van eene Godheid. Bij de deïsten nu gold in hoofdzaak dezelfde redeneering. Elk orgaan van het menschelijk lichaam is wonderfijn gebouwd. De organen sluiten weer aan om het lichaam van den mensch te maken. 't Klimaat onzer aarde maakt 't mogelijk, dat er menschen op haar oppervlakte wonen. De planeten bewegen zich in vaste banen en naar, zooals Kepler had gevonden en Newton nader verklaard, eenvoudige wetten. Het heelal zoowel als de onderdeelen wees op een hooge intelligentie, die dit alles had geschapen. Komend op een onbewoond eiland en daar een kundig geconstrueerde machine vindend, zou men oogenblikkelijk aan een menschelijk vernuft denken. Zoo moet de beschouwing van de groote, doelmatige natuur ons ook wel aan de Godheid doen denken.
Algemeene moraal.
Er is in iederen mensch een natuurlijke zedewet aanwezig. Van nature weet iedereen, dat naastenliefde plicht is. Het christelijk gebod der liefde is niet door Christus 't eerst verkondigd: het bestond van de schepping der wereld af aan: Christendom is even oud als de schepping.
God en de zedewet bestaan. Ziedaar de kern van alle godsdiensten. Dit is ook van oorsprong de natuurlijke godsdienst der menschen geweest. De geopenbaarde religies zijn niets anders dan vervalschingen van den eenen, waren godsdienst. In elken godsdienstvorm kan men die kern terugvinden. Priesterheerschzucht en priesterbedrog hebben maar al te veel kwaad gedaan.
God heeft de wereld geschapen met haar eigen wetten. Volgens deze wetten ontwikkelt ze zich. Het natuur-gebeuren is dus causaal te verklaren en God grijpt in den loop der natuur niet in. De godsdienst moet redelijk zijn, het Christendom is niet geheimzinnig. In verschillende toonaarden komen deze gedachten telkens tot uiting.
De invloed van het deïsme is groot geweest. Bij Rousseau en Lessing zullen we de nawerking zien. Ook in ons land oefende het zijn invloed uit. Tot in de 19de eeuw vond men warme voorstanders van den "redelijken godsdienst."
Vrijmetselaars.
Met de opkomst van het deïsme schijnt samen te hangen die der eerwaarde vrijmetselaarsloges. Sedert langen tijd bestonden in Engeland vereenigingen van werkelijke metselaars. Toen deze in verval kwamen, geraakten sommige menschen op het denkbeeld deze "bouwhutten" om te zetten in vereenigingen, die verlichting, verbreiding van broederschap en naastenliefde beoogden. Den 24sten Juni 1717 werden onder leiding van Anthony Sayer als Groot-Meester de vier overgebleven bouwhutten, tot zedelijke genootschappen hervormd, vereenigd tot de Groot-Loge van Engeland.
De stichting van meer loges volgde, ook in ons land (Rotterdam, b.v. De Drie Kolommen, 21 Aug. 1767). Ook over de andere landen breidde de beweging zich uit, ondanks vervolging. Nog eischen sommige loges, dat hunne leden zullen verklaren in God als schepper en in de onsterfelijkheid der ziel te gelooven. De dogmatische geloofsverschillen treden echter, overeenkomstig het uitgangspunt, op den achtergrond.
§ 48. Moraalfilosofie in de 18de Eeuw.
Levendig werden de vraagstukken der moraal behandeld in de eerste helft der achttiende eeuw, en reeds in het laatste vierde deel der 17de. Men sluit meestal bestrijdend, bij Hobbes aan. Deze had om de zedeleer los te maken van de kerk, haar geheel onder den staat gesteld. Hij had den staat laten opkomen uit het inzicht, dat de oorlog van allen tegen allen, de natuurlijke begintoestand, dwaas en onvoordeelig, ook voor 't individu was. De grondslag der moraal was voor hem de zelfliefde geweest. Hiertegen nu kwamen verschillende richtingen in verzet, die allen de zedeleer niet uitsluitend willen bouwen op egoïstische motieven. De eene richting, als de idealistische te kwalificeeren, en die in Cudworth ( 1688) haar woordvoerder vond, achtte, dat er van nature een idee van goed en kwaad in den mensch aanwezig was. De grondslagen der moraal zijn eenvoudig, algemeen, onveranderlijk; niet uit de ervaring, die slechts het bijzondere en 't veranderlijke geeft, kunnen zij stammen. God vond in zijn verstand de idee van het goede en deze idee plant hij de menschen in.
De tweede strooming zou de logische kunnen genoemd worden en wordt door Wollaston ( 1724) verdedigd. Voor hem valt het goede samen met het ware.
De bestemming van den mensch is, de waarheid te kennen en die in zijn daden toe te passen. Goed is een handeling, als zij als een bevestiging eener waarheid is te beschouwen, slecht, wanneer zij een waarheid ontkent. Waarom handelt de moordenaar, die een ander het leven ontneemt, slecht? Omdat hij handelt, alsof hij den gedoode het leven kan terugschenken. Wie dieren martelt, doet, alsof het gevoellooze wezens zijn.
Wollaston en de met hem gelijk denkenden probeeren dus, een objectief beginsel te vinden dat als grondslag der moraal kan dienen: de waarheid. Veel invloed hadden zij niet. Meer aandacht trok de derde richting in de Engelsche moraalfilosofie, die wij de aesthetische kunnen noemen en die wij verbinden aan den naam van den graaf van Shaftesbury en zeker het schitterendst stelsel van dezen tijd is.
Shaftesbury.