Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2
Part 18
Een der meest merkwaardige verschijningen in de geschiedenis der wijsbegeerte. Na Aristoteles de grootste polyhistor, baanbrekend niet alleen op het gebied der wijsbegeerte, maar ook op dat der natuur- en wiskunde. Scherpzinnig denker en toch uiterst meegaand en verzoenend en van alle nieuwe gedachte die tot hem kwam, eerder het goede en juiste waardeerend, dan er critiek op uitoefenend. Man van de wereld, hoffähig, diplomaat, niet ongevoelig voor uiterlijk eerbetoon en onderscheiding door titels en waardigheid. Altijd in 't practische leven, met tal van plannen in zijn hoofd, en voor de verwezenlijking er van werkzaam. Toch (op jeugdigen leeftijd al) bekend met de auteurs der oudheid en der middeleeuwen, als schier niemand. Maar ook met het wetenschappelijk leven van zijn tijd goed op de hoogte en in correspondentie met tal van uitnemende geleerden. En in zijn werken--meest tijdschriftartikelen, kleinere werken, brieven, nog niet eens alle uitgegeven--een samenvoegen van Grieksche, Middeleeuwsche, Renaissance gedachten tot een grootsch systeem, een stoutmoedigen bouw van groote originaliteit, met tal van verzoenende en bemiddelende elementen; een stelsel, dat zich laat samenvatten in de woorden MONADENLEER en VOORBESCHIKTE HARMONIE, "begrippen die meer filosofie inhouden dan menig breed uitgesponnen systeem."
Aanleg en levensomstandigheden werkten samen, om dezen man te vormen.
Gottfried Wilhelm Leibniz werd den 21 Juli 1646 te Leipzig geboren, waar zijn vader hoogleeraar was. Deze stierf vroeg en de veel aan zichzelf overgelaten jongen snuffelde graag in vaders bibliotheek. Jong kwam hij reeds aan de universiteit, studeerde in de rechten, en trad na zijn promotie in dienst van den keurvorst van Mainz. Eerst moest hij behulpzaam zijn bij het verbeteren van de wetgeving. Daarna werd hij met een zending naar Parijs belast, en leerde hier onzen beroemden landgenoot Christiaan Huygens kennen. Hierdoor ging hij zich met wiskundige studies bezig houden, die hem later brachten tot de ontdekking van de differentiaalrekening. In deze tijden houdt hij zich bezig met de leerstellingen van Spinoza, Descartes, Hobbes. Door bemiddeling van Tschirnhausen trachtte hij in aanraking met Spinoza te komen, die hem reeds had leeren kennen als een man "van een vrijen geest en in elke wetenschap wel ervaren." Toch achtte Spinoza den tijd nog niet gekomen, om hem zijn Ethica te laten lezen. Die tijd kwam, toen Leibniz na een vierjarig verblijf (1672-1676) over Engeland naar ons land reisde, daar twee maanden bleef, en in dien tijd Spinoza herhaaldelijk bezocht, vaker, dan hij 't later in zijn geschriften wel heeft doen voorkomen. Uit onderzoekingen is gebleken, dat Spinoza een grooten invloed uitoefende en diens leer Leibniz voor goed afbracht van het Cartesiaansch dualisme.
Spinozist was hij echter evenmin als vroeger beslist Cartesiaan of Hobbist.
In 1676 werd Leibniz bibliothecaris van den hertog van Hannover. Hij had het zeer druk: "hij had het te druk gehad om te trouwen." Allerlei werkzaamheden hielden hem bezig. In de Hannoveraansche bibliotheek is zijn correspondentie met meer dan duizend personen bewaard. Hij getuigt van zichzelf: "Ik stel onderzoekingen in de Archieven in, haal oude papieren voor den dag en verzamel ongedrukte oorkonden. In grooten getale ontvang en beantwoord ik brieven. Zoo veel nieuws heb ik echter in de wiskunde, zoo veel filosofische gedachten, zoo vele andere letterkundige waarnemingen, dat ik dikwijls niet weet, wat het eerst te doen." Daarbij was hij dan nog bezig met allerlei practische plannen: de vereeniging der Katholieke en Protestantsche Kerk, die der Luthersche en Gereformeerde daarna. Door zijn bemoeiingen (hij stond bij den koning van Pruisen in hooge eere) werd de Academie van Wetenschappen te Berlijn in 1710 gesticht, wier eerste voorzitter hij was.
Niet te verwonderen is het, dat Leibniz niet de man van één boek was. Zijn meeningen zijn in verschillende geschriften neergelegd. In de 19de eeuw zijn zeer goede uitgaven van zijn werken bezorgd (o. a. door Erdman). Toch zijn de historici het niet eens over alle onderdeelen van zijn systeem. Hiertoe mag medewerken, dat Leibniz zich soms meer populair, soms meer wetenschappelijk uitdrukte, soms in Latijn soms in Fransch schreef, en ook niet geheel zijn leven dezelfde denkbeelden gehad heeft. Op sommige punten schijnt hij later wijzigingen aangebracht te hebben, ook met het oog op de verzoening zijner wijsbegeerte met de kerkleer, welke verzoening hij oprecht begeerde. Dit verhinderde niet, dat in 't plat duitsch zijn naam tot Leuve-niks (geloof niets) gemaakt werd en hij in 't laatst van zijn leven volk en geestelijkheid een ongeloovige scheen. Slechts weinig menschen volgden in 1716 de lijkbaar van den man, die zijn levensspreuk: zoo dikwijls een uur verloren gaat, gaat een deel van het leven te niet, steeds voor oogen had gehouden. Leibniz was een zachte, opgeruimde, weinig door emoties bewogen natuur, welwillend, ook tegenover dieren, en wist met ieder, van welke stand, religie, afkomst of overtuiging ook, innemend om te gaan en zich voor hunne belangen te interesseeren. Den man, die in de wetenschap zooveel waarde aan het kleine hechtte, was niet spoedig iets te klein. Zoo is er ook bij hem, als bij Spinoza een groote overeenstemming tusschen persoonlijk leven en wetenschappelijke leer.
Monadenleer.
Descartes had naast God twéé substanties aangenomen, wier wezenskenmerken uitbreiding en bewustzijn waren. Voor Spinoza waren die twee attributen de wijzen, waarop zich de Eene substantie (God of Natuur of Substantie) zich aan ons vertoonde.
Voor Leibniz nu is het wezen der substantie niet uitgebreidheid, maar kracht. Niet, wat uit zichzelf bestaat is een zelfstandigheid, maar wat uit zichzelf handelt.
Leibniz brengt eveneens een wijziging in de atomistische theorie. (vergel. bladz. 43.) Dat deze de lichamen opbouwt uit laatste, niet verder deelbare elementen, acht hij juist, maar hij meent, dat die eenheden geen stoffelijke lichaampjes moeten zijn, maar onstoffelijke, wijl een stoffelijk atoom toch steeds in 't oneindige deelbaar gedacht kan worden.
Deze beide gezichtspunten verbindend, komt Leibniz tot de theorie, dat de wereld bestaat uit onstoffelijke eenheden wier wezen kracht is.
Deze eenheden noemt hij met een uitdrukking (ontleend aan van Helmont, zie bladz. 208) monaden.
De monade is een geestelijke eenheid, haar werkzaamheid is voorstellen. Dit voorstellen kan echter meer of minder duidelijk geschieden, er zijn veel onbewuste voorstellingen. [71] Zoo is de geheele wereld een rij monaden. Het laagst staat de anorganische stof. Het zijn de naakte monaden, hun voorstellingen komen niet tot het bewustzijn, evenmin als dat bij den mensch in slaap of in een flauwte geschiedt. Hooger staan de planten: hier werken de voorstellingen, nog wel onbewust, als vormende levenskracht. Vervolgens komen de dieren, die reeds gewaarwordingen en geheugen kennen. Het zijn geen "slapende" maar "droomende" monaden. De mensch heeft rede, hij heeft het vermogen zich met zijn eigen bewustzijn bezig te houden. De monade die dit kan, is geen ziel meer maar geest. In elken hoogeren toestand is de lagere opgesloten: ook bij de monade, die geest is, blijven vele voorstellingen onderbewust. Alleen in de Godheid zijn alle voorstellingen helder, bepaald, zij is de hoogste monade. Die verschillende groepen van monaden zijn niet scherp gescheiden: de natuur kent geen sprongen, geleidelijk gaat het eene in het andere over: de schepping vormt een continuüm.
Elk voorwerp zooals zich dat aan ons voordoet, bestaat uit een verzameling monaden. Is de "doode stof," de anorganische eenvoudig een opeenhooping van monaden, bij de organische lichamen is er een centraal-monade, die hooger staat dan de andere. Bij den mensch is de ziel dit en de andere vormen het lichaam, dat deze dient. Die andere moeten nu saamgehouden worden, er moeten ook samengestelde zelfstandigheden zijn. Dit saamhouden geschiedt door den "substantieelen band" het "vinculum substantiale."
De monade is dus een voorstellende eenheid. Wat stelt zij zich voor? Het geheele heelal. Elke monade stelt zich, méér of minder duidelijk, het al voor. Zij is beladen met het verleden, zwanger van de toekomst. Zooals uit het begrip van een wiskundige figuur alle hare eigenschappen zijn af te leiden, zoo is ook alles opgesloten in de voorstellingsinhoud der monade. Van uit dit standpunt vallen tijd en ruimte weg.
Toch zijn geen twee monaden gelijk. Elke monade verschilt van de andere. Zooals men een stad van zeer verschillend standpunt kan zien, zoo ziet elke monade ook het universum van een ander standpunt.
In iedere monade is dus, in beginsel, alle kennis aanwezig. Wel is er in ieder een streven, om uit den eenen toestand in den anderen over te gaan, maar dat overgaan in eenen anderen toestand, het krijgen van andere bewuste voorstellingen komt uit het eigen wezen der monade voort: DE MONADE HEEFT GEEN VENSTERS. Van buiten kan zij geen invloed ondergaan. De monade leeft zich uit, en deze kan dus eigenlijk ook niet geboren worden noch sterven: Geboren worden is "uitgroeiing," sterven "inwikkeling," terug zinken tot een lager graad. Slechts de mensch behoudt na zijn dood het bewustzijn zijner zedelijke persoonlijkheid.
Voorbeschikte harmonie.
De monaden werken dus niet op elkaar in. Toch leert ons de ervaring iets, dat wij aan inwerking moeten toeschrijven. Deze verschijnselen nu verklaart Leibniz door de grootsche hypothese der VOORBESCHIKTE OVEREENSTEMMING (harmonia praestabilita). God heeft alle monaden zóó geschapen, dat de veranderingen in de monaden met elkaar evenwijdig en volkomen in overeenstemming zijn.
Dit nu kan toegepast worden op de verhouding van lichaam en ziel. Nemen we nu nog eens weer het ook door Leibniz gegeven klokkenvoorbeeld. Stel, dat wij twee gelijkgaande klokken zien.
Dan kunnen we aannemen, dat de eene inwerkt op de andere. Dit doet Cartesius met zijn "influxus physicus," die een invloed van lichaam en ziel op elkaar aanneemt. Ook is het mogelijk dat een werkman telkens weer de twee klokken gelijk zet. Dit is de theorie der occasionalisten, die aannemen dat de Godheid telkens werkend optreedt [72]. Ten slotte kunnen we aannemen, dat een hoogst bekwaam uurwerkmaker die klokken van 't begin af zoo nauwkeurig in elkaar gezet heeft, dat ze voortaan precies gelijk loopen. Dit is de voorbeschikte harmonie van Leibniz. Deze geeft slechts deze drie gevallen. De oplossing van Spinoza behandelt Leibniz dus niet.
Theodicee.
Over Leibniz' groote beteekenis voor de natuur- en wiskunde kunnen wij hier niet spreken. Hij heeft menige vruchtbare gedachte uitgesproken. Kortelijk moeten wij nog even melding maken van zijn theodicee, gewoonlijk een van zijn zwakste werken gerekend.
Pierre Bayle (1647-1706), de scherpzinnige schrijver eener historische critische dictionnaire, mocht gaarne met alle scherpte aantoonen, dat de geloofswaarheden tegen het verstand ingingen [73]. Zeer oprecht schijnt hij dan het geloof verder aangehangen te hebben; te heerlijker verschijnt het, naarmate het meer tegen de rede gaat! Zijn argumenten maakten intusschen diepen indruk op velen en de koningin van Pruisen gevoelde zich diep geschokt, toen zij Bayle's opmerkingen over een werk van Pascal gelezen had. Leibniz kwam er zoo toe, om in 1710 te Amsterdam een verhandeling uit te geven over de goedheid Gods, de vrijheid des menschen, de oorsprong van het kwaad. Zoo zette ook hij zich neer, om de oude vraag te beantwoorden: Indien God is, vanwaar het kwaad, een vraag, die wij reeds bij Böhme (bladz. 226) ontmoetten en al eerder bij de Grieken.
In hoofdzaak betoogt Leibniz:
God zag oneindig vele werelden voor zich. Hij koos deze, die bestaat, als de beste. (Vereeniging van Thomismus en Scotismus, vergel. bladz. 192). Onze wereld is de beste der mogelijke (le meilleur des mondes possibles).
In deze wereld is er kwaad: metafysisch, physiek, moreel.
Het metafysisch kwaad is noodig, zal de wereld bestaan: een geschapen wezen kan nu eenmaal niet zonder beperktheid en onvolkomenheid bestaan. Uitsluitend goden kunnen er niet zijn.
Wat het physieke kwaad betreft, dit is niet zoo groot, als het gewoonlijk wel lijkt. Wanneer men het goede met het kwade vergelijkt, dan moet men niet vergeten, dat zeer vele dingen, die men gewoonlijk niet als een goed aanmerkt (gezondheid bijv.), dit wel degelijk zijn en eerst bij gemis als zoodanig gevoeld worden. Het kwade kan verder meewerken tot het goede. Een dapper veldheer wint liever den slag, al wordt hij gewond, dan dat hij hem verliest, terwijl hij niet gedeerd wordt. Tegenover de harmonie van het heelal is de hoeveelheid smart oneindig klein en het is onjuist den mensch als het doel der schepping te beschouwen en deze van daaruit te beoordeelen.
Uit het zedelijk kwaad kan ook nog het goede voortkomen. Het kwade is noodzakelijk: geen geschapen schepsel kan zedelijk volkomen zijn. Het booze is overigens negatie: afwezigheid van goed. In alle handelingen is kracht, die van God komt, dat is het werkelijk bestaande goede er in. Het verkeerde voegt de mensch er aan toe, zooals twee gelijk groote, ongelijk beladene vrachtschepen door de rivier voortbewogen, aan de rivier dezelfde kracht danken, maar ongelijk vorderen door ongelijke lading, die in hen zelf ligt, niet aan de rivier.
Ten slotte moet men ook het zedelijke kwaad in samenhang met het geheel beschouwen: het is een dissonant op zichzelf, maar de wanklank versterft in de harmonie van het muziekstuk, het booze verdwijnt in de oneindige harmonieën van het Al.
Samenvatting.
Tusschen Bacon en Leibniz ligt meer dan een eeuw. Vier groote stelsels zag die tijd.
Het Cartesianisme, dat een dualistisch systeem was met
Het Occasionalisme, als een wijziging daarvan.
Het Spinozisme, de leer van het onbekende derde.
Het stelsel van Leibniz: alle bestaande is monade en de monade is geestelijk.
In Engeland treffen we in Hobbes den vertegenwoordiger van het materialisme: voor Hobbes is al het bestaande lichaam.
Het is vooral het substantie probleem en in verband daarmee de verhouding van God en wereld, ziel en lichaam, dat de aandacht vraagt.
Alle genoemde denkers zijn daarbij overtuigd van de mogelijkheid, om tot een kennis der wereld te komen. In de wiskunde zien zij het ideaal der wetenschappen en het streven der wetenschap moet, volgens hen zijn, kennis te geven, even zeker als de wiskunde.
De wijsbegeerte dezer mannen leidt hen met uitzondering van Spinoza, niet tot een breuk met de kerk of de christelijke geloofsleer: òf ze meenen, dat geloof en wijsbegeerte kunnen samengaan en vereenigbaar zijn (Descartes, Leibniz) of ze stellen het geloof naast de wijsbegeerte, als een zonder nader onderzoek te aanvaarden ding (Hobbes).
Op psychologisch terrein zijn het meer de gemoedsaandoeningen die belangstelling wekken.
Met Locke begint een nieuwe tijd, die der verlichting, de "aufklärung." Achtereenvolgens bespreken wij Locke, Berkeley, Hume en de Engelsche moraalfilosofen, zien daarna deze beginselen in Frankrijk verbreid, om ten slotte nog een vluchtigen blik op Duitschland te werpen.
HOOFDSTUK XV.
DE AUFKLÄRUNG.
§ 45. Inleidende opmerkingen.
We zagen reeds, dat men in de geschiedenis der Nieuwe Wijsbegeerte, twee elkaar evenwijdige maar wederzijdsche beïnvloedende richtingen onderscheidt: de empirische, die van de waarneming door feiten wil uitgaan en de rationalistische, die door en van uit de rede tot kennis der wereld wil komen. We kunnen deze rijen aldus opstellen.
Bacon 1620. Hobbes 1651. Descartes 1650. ---------------+ Spinoza 1677. Locke 1690. | Leibniz 1691, 1710. Berkeley 1710. | Wolff 1754. Hume 1748. +-----------------------
De jaren, geen sterfjaren, zijn die van de verschijning van het hoofdwerk.
De empirische denkers zijn Engelschen, de rationalistische Franschen, Hollanders, Duitschers daarna. Beide stroomen komen samen in Kant, die door Humes werken uit den dogmatischen sluimer wakker gemaakt wordt. In die tabel hebben we een streep getrokken. Want bij Locke begint eigenlijk een nieuwe wijsbegeerte. Voor zijn tijd was men uitgegaan van het denkbeeld, dat er een kennis der wereld mogelijk was. Had men getwijfeld, dan was het geweest aan de zekerheid, niet aan de mogelijkheid dier kennis. Had men het verstand onderzocht, dan was het niet, om te zien, hoe vér men met zijn verstand kon komen en òf onze verstandelijke organisatie ons in staat stelde, om de problemen op te lossen, maar om na te gaan, hoe men 't spoedigst tot zekere kennis zou kunnen geraken. Locke nu is de eerste geweest, die gemeend heeft, te moeten onderzoeken of wij menschen in staat zijn, alle vragen, die zich opdoen, op te lossen. Hij werd er in 1671 toe gebracht door een gesprek met vrienden over geopenbaarde moraal en religie. Men kon toen niet verder. Het viel L. in, dat het gewenscht was, eerst eens te onderzoeken of wij in staat waren, die vragen op te lossen. Die werd de aanleiding tot zijn hoofdwerk, dat, na langdurigen arbeid, in 1690 verscheen.
Ook in ander opzicht begint met Locke een nieuwe tijd. Het absolutisme van de 17de eeuw had zich weerspiegeld in de groote stelsels (Hobbes, zie pag. 274.) In de 18de eeuw zien we op staatkundig gebied een verzet komen tegen deze regeeringswijze. Als onze stadhouder Willem III in 1688 Jacobus II van den Engelschen troon verdrijft, is daarmee een knak aan 't absolutisme gegeven, is de parlementaire regeeringsvorm in Engeland verzekerd. Het democratisch besef ontwaakt. Niet alleen in zake de menschelijke kennis, maar ook op het gebied van staat, maatschappij, godsdienst en moraal komt nieuw leven. Dit besef kwam het eerst levendig in Engeland aan den dag en daar weer 't eerst in Locke, zij het dan, dat hij zijn voorloopers had gehad. Zoo in godsdienstopvattingen in Herbert v. Cherbury (1581-1648), in staatkundige opvattingen in den grooten dichter Milton (1618-1674.)
Uit Locke's leer werden consequenties getrokken, wijzigingen werden er in aangebracht, bestrijding knoopte er zich soms aan vast, maar op allerlei gebied werkte zijn invloed.
In Engeland bleef het op menig terrein bij de theorie. De denkers schreven meer voor de ontwikkelden, minder voor het volk. De economische toestanden waren in Engeland niet zoo heel slecht. De staatkundige verhoudingen beter dan in menig land van Europa: er was een (zij 't bespottelijk slecht gekozen) volksvertegenwoordiging. Hoe doortastend en baanbrekend ook op 't gebied der wetenschap, in practische zaken waren de Engelschen meer conservatief gezind. Nog heden zijn in de Engelsche rechtsspraak en wetgeving bijv. gewoonten, die voor een Nederlander schier onbegrijpelijk zijn. In het onderwijs is het niet anders.
Hoe geheel anders moest het in Frankrijk gaan. Een plattelandsbevolking, arm door een onzinnig belastingsysteem, dat al den druk lei op schouders, die weinig konden dragen, gebukt onder drukkende heerlijke rechten, uitgemergeld door langdurige, kostbare oorlogen. Een tamelijk of zeer rijke, ontwikkelde burgerstand, zonder eenig staatkundig recht. Een verkwistende, zedelooze regeering, die geen inzicht had in de belangen van het rijk. Verval van zedelijkheid in vele kringen. Daarnaast veel uiterlijk vertoon van vroomheid. De Fransche schrijvers minder veelzijdig, minder bezadigd vooral, maar scherper, maar meer één gedachte tot in de laatste consequenties vervolgend. Schitterende stylisten, populaire auteurs. Van geen Locke of Hume kunnen we licht ons een roman voorstellen en wat Locke aan verzen gaf is gerijmel. Maar bij een Voltaire en een Rousseau vragen we: zijn ze meer wijsgeeren of letterkundigen? In Engeland meer brandpunten van wetenschap. Locke hoort aan Oxford en Londen, Berkeley aan Dublin, Hume aan Edinburgh. In Frankrijk één brandpunt Parijs en in de Parijsche salons ontmoeten alle geesten elkaar. Levendig verkeer met opgewekte gedachtenwisseling, dat meer tot slagvaardigheid dan tot ernstig nadenken spoorde. Het Engelsche goud wordt in Fransche zilveren en bronzen pasmunt onder de menigte gebracht. Het Engelsche denken meer leidend en richting aangevend, het Fransche denken meer volgende, meer uitsprekend, wat er in den tijd leeft; dien niet vooraan, maar weerspiegelend.
Zoo schijnen de Fransche denkers der 18de eeuw als de geestelijke vaders der revolutie (die trouwens niet uitsluitend, zelfs niet in de eerste plaats aan hunne werken mag toegeschreven worden). Maar in die Fransche Aufklärung is een tijd van reactie. Rousseau, die eenerzijds haar lijnen vervolgt, is anderzijdsch een terugslag op haar streven. Deze afdeeling valt dus in drie hoofdstukken. De Engelsche en de Fransche Aufklärung. Dan overblikken we de zooveel minder beteekenende Duitsche.
HOOFDSTUK XVI.
DE ENGELSCHE AUFKLÄRUNG.
§ 46. Joh. Locke.
Leven.
In 1632, zes jaren na Bacon's dood in hetzelfde jaar als Spinoza werd Locke geboren. Zijn vader gaf hem een goede opvoeding (in vele dingen later een voorbeeld voor zijn opvoedkundige beschouwingen). Eerst ging hij naar de Westminsterschool, waar hij te veel met spraakleer werd geplaagd. Daarna kwam hij op de universiteit te Oxford en studeerde daar geneeskunde en godgeleerdheid. Het onderricht, nog in scholastieken geest gegeven, bevredigde hem niet. Het lezen der werken van Descartes boezemde hem voor de wijsbegeerte groote belangstelling in en werkte als een openbaring. Nadat hij gezantschapssecretaris was geweest te Cleef (1664) kwam hij als arts, opvoeder, secretaris, weldra als vertrouwd vriend in het huis van den lateren graaf Shaftesbury, die, eerst minister onder Karel II, later valt en in het parlement hoofd der oppositiepartij werd (Nov. 1673). Met diens val verloor ook Locke een ambt. Van 1675 tot 1679 reist deze voor zijn gezondheid in Frankrijk, leert daar zeer vele geleerden kennen, maar schijnt er, merkwaardig maar niet onbegrijpelijk, niet in aanraking te zijn gekomen met de bekende Fransche Cartesianen en "de heeren van Port Royal." De armoede der Fransche plattelandsbewoners maakte een diepen indruk op den reiziger. Na zijn terugkeer bleef hij niet lang in Engeland. Zijn meester moest, wegens deelneming aan een complot tegen den Koning, vluchten (1681). Locke, die waarschijnlijk niet in de samenzwering betrokken is geweest, gevoelde zich niet veilig en ontweek in 1683 naar ons land. Hij leefde te Amsterdam, Utrecht en Rotterdam, vond hier een gastvrij onthaal en telde hier vele vrienden, onder wie vooral te noemen is Limborch, professor aan het Remonstrantsch Atheneum. In 1689 stak Locke weer naar Engeland over met hetzelfde schip, dat ook Maria, Willems gemalin, naar het vaderland bracht. Bij de nieuwe regeering stond hij ook in staathuishoudkundige zaken (muntkwestie, kolonisatie, armenzorg, handel) en als bedreven geneesheer in groot aanzien en hoewel ze hem een ambt toevertrouwde, dat 1000 pond per jaar gaf, had Locke tot hooger waardigheden kunnen klimmen, als zijn zwakke gezondheid hem de Londensche lucht niet ondragelijk had gemaakt, en hij meer geldgierig en eerzuchtig geweest was. De laatste levensjaren bracht Locke, die nimmer getrouwd was, te Oates bij Londen door in het huis van een zekeren Mr. Masham die gehuwd was met een dochter van den filosoof Cudworth. Hier vond hij een zeer vriendelijk thuis. In 1704 overleed hij.