Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2

Part 17

Chapter 173,678 wordsPublic domain

Beschouwen wij de verschijnselen sub specie aeternitatis, onder het gezichtspunt der eeuwigheid, dan valt het tijdsverschil weg: de werking is niets anders dan de logische gevolgtrekking, uit de oorzaak getrokken, zooals uit het begrip driehoek b.v. voortvloeit, dat de som der hoeken 180° is.

Psychologie.

Voor de psychologie heeft Spinoza zich verdienstelijk gemaakt door eene fijne beschouwing en behandeling der verschillende gevoelens. Het behoort tot het voortreffelijkste, wat hij en wat de zielkunde gepresteerd heeft. Op drie punten geeft hij gewichtige beschouwingen, die ook in de huidige zielkunde beteekenis hebben.

Allereerst leidt hij de gevoelens af uit onze zucht tot zelfbehoud: "Elk ding tracht zooveel als in zijn vermogen is, in zijn bestaan te volharden." Dit stemt overeen, met de biologische beteekenis, die wij thans het gevoel toekennen: leed ontstaat, wanneer onze levensverrichtingen belemmerd worden, lust in het tegenovergestelde geval.

Vervolgens stemt, met wat wij de contrastwerking der gevoelens noemen, zijn beschouwing overeen, dat de overgang van een ongunstigen toestand in een gunstigen toestand met lust, van een gunstigen in een ongunstigen met leed is verbonden.

Opmerkelijk is ook, dat Spinoza de aandoeningen tot een drietal terugbrengt: begeerte, lust en leed en de verschillende soorten aandoeningen nu laat ontstaan, door dat streven, blijdschap en droefheid zich met verschillende voorstellingen verbinden. "Behalve deze drie ken ik geen hoofdaandoeningen en in hetgeen hier volgt, zal ik aantoonen, dat alle overige voortvloeien uit deze drie."

Naast deze uitspraak van Spinoza is het treffend b.v. Jodl [69] te hooren zeggen: "Wat zich buiten dit (lust en leed) in het bewustzijn als verscheidenheid van gevoel aankondigt, behoort niet tot het gevoelsverschijnsel als zoodanig, maar is bepaald door de verscheidenheid der--elementen,--waarmee de gevoelens in het bewustzijn optreden."

Spinoza leidt nu de verschillende gevoelens op b.v. de volgende wijze af: "Droefheid, gepaard met de voorstelling van ons onvermogen, wordt deemoed geheeten, terwijl de blijdschap, die uit de beschouwing van ons zelf ontstaat zelfgenoegzaamheid of tevredenheid met zichzelf wordt genoemd."

Van groote beteekenis is nog het uitgangspunt van Spinoza bij de behandeling der aandoeningen: hij staat er niet als een zedemeester, goed- of afkeurend tegenover, maar wetenschappelijk, objectief: hij wil ze beschrijven en onderzoeken. "Ik zal de daden der menschen en hunne begeerten geheel en al beschouwen, alsof er sprake was van lijnen, vlakken of lichamen."

Zoo heeft Spinoza wezenlijk meegeholpen om een zakelijke studie der menschelijke gevoelens en neigingen mogelijk te maken, wat voor sommige practische wetenschappen (rechtsgeleerdheid, paedagogiek) onontbeerlijk is.

Spinoza is beslist determinist. Hij ontkent niet het gevoel van vrijheid, dat men heeft. Een voortgeworpen steen, die bewustzijn bezat, zou, hoewel zijn loop precies bepaald is, ook meenen, vrijwillig, naar eigen wil te gaan, in de richting, waarin hij gedreven wordt. Maar dit subjectieve vrijheidsgevoel is geen bewijs tegen het determinisme.

Ethica.

Aan de ethiek heeft Spinoza groote waarde toegekend en voor zeer velen heeft het Spinozisme juist als levensleer zijn groote aantrekkelijkheid. Grondslag der ethiek is de zucht tot zelfbehoud.

"Elk ding tracht, zooveel in zijn vermogen is, in zijn bestaan te volharden."

Het streven van ieder ding, om zich in zijn bestaan te handhaven, is niet anders dan het werkelijk wezen van zulk een ding. Bij deze stellingen sluiten zich aan deze uitspraken:

"Niemand kan wenschen gelukkig te zijn, goed te handelen en wel te leven, of hij moet tegelijkertijd wenschen te zijn, te handelen en te leven, d. i. inderdaad te bestaan.

Er is geen deugd denkbaar, die hieraan voorafgaat (namelijk aan het streven om zijn bestaan te handhaven)."

Dit grondbeginsel leidt Spinoza echter tot een meer verheven zedeleer, dan zich op het eerste gezicht zou laten verwachten. Hij stelt wil en verstand gelijk. "Er bestaat in onze ziel geen wilsuiting, in bevestigenden of ontkennenden zin, behalve die, welke in de voorstelling als zoodanig ligt opgesloten," zoo luidt stelling 49 (tweede deel ethica) en als gevolg dier stelling wordt gezegd: "Wil en verstand zijn een en dezelfde zaak."

Als dan wil en verstand een zijn, dan is waarlijk deugdzaam handelen ook niets anders dan volgens de voorschriften der rede te handelen, te leven, zijn bestaan te handhaven. Maar om naar de rede te leven, moeten wij kennis hebben van de voorstellingen, wij moeten ons laten leiden door volkomen begrepen beweegredenen. Dit is het eenige doel, dat zich de rede stelt, de dingen te begrijpen en wat daartoe niet dienstig is, wordt niet van belang geacht. En goed is dus alleen iets, wat ons verstand verheldert, kwaad wat ons verhinderen kan de dingen te begrijpen. Voor Spinoza vloeit dus deugd en inzicht samen, zijn zedeleer is intellectualistisch. Maar hij weet deze intellectualistische ethiek in verbinding te brengen met zijn innig, diep religieus gemoedsleven.

Volledig is onze kennis, als wij de objecten onzer voorstellingen in samenhang met het geheel zien. Het hoogste goed der ziel is de kennis van God en de hoogste deugd der ziel is God te leeren kennen.

Met die hoogste kennis moet ook de hoogste vreugd gepaard gaan. Wij verheugen ons in wat wij klaar en helder begrijpen onder het gezichtspunt der eeuwigheid. Hoe meer wij in die kennis vorderen, hoe gelukkiger wij ons achten. Als oorzaak dier kennis beschouwen wij God, want de ziel, die zich zelve en het lichaam in het licht der eeuwigheid spant, weet dat zij in God is en uit God verklaard kan worden. Wij hebben dus blijdschap (de vreugde over de kennis) en daarmee verbonden de gedachte aan een oorzaak.

"Liefde is blijdschap, gepaard met de gedachte aan een ding buiten ons." Zoo ontstaat als hoogste de geestelijke liefde tot God (amor intellectualis dei). Dit is het hoogste, waarnaar de mensch moet streven, deze liefde moet ons meer dan iets anders vervullen, zij schenkt ons de grootste zielerust. Wel doen en blij zijn is de taak van den door de Rede geleiden mensch en over niets denkt hij minder, voor niets is hij minder bevreesd dan voor den dood. Deze geestelijke liefde tot God is de zaligheid. Deze is dus niet het loon der deugd, de deugd zelve is ze.

Zoo heeft dus Spinoza, uitgaande van het beginsel, dat de zucht tot zelfbehoud grondslag der zedeleer is, op den bodem eener intellectualistische moraal een verheven zedeleer gevestigd.

Staatsleer.

In zijn staatsleer, waarin hij op menig punt aansluit bij Hobbes, hoewel hij veel meer dan deze voor de democratie gevoelt, gaat Spinoza ook uit van een naturalistischen grondslag. De mensch, niet door de rede geleid, speelbal van zijn hartstochten, wil zichzelve handhaven, wil zijn eigen belangen, die dikwijls tegenstrijdig zijn aan die van een ander, behartigen. Hoe is het nu mogelijk, dat de menschen onderling elkaar met rust kunnen laten? Dit kan doordat elke hartstocht bedwongen kan worden door een anderen hartstocht, sterker dan die, welke bedwongen moet worden, en omdat ieder zich onthoudt een ander mensch kwaad te doen, indien hij vreest, zichzelf nog grooter nadeel te berokkenen. Op dezen grondslag zal dus eene maatschappij gevestigd kunnen worden, indien zij slechts het recht, dat ieder heeft om zich te wreken en te oordeelen over goed en kwaad, zichzelve voorbehoudt en daardoor de macht verkrijgt een algemeene zedeleer voor te schrijven, wetten te maken, en die wetten niet door de rede, maar door strafbedreigingen te handhaven. Zulk een gemeenschap nu, gegrond op wetten en op de macht, om zich te handhaven, wordt Staat genoemd, en zij, die door dit Staatsgezag beschermd worden, Staatsburgers. Dat Spinoza volkomen godsdienstvrijheid wil, werd reeds opgemerkt.

Aan het staatsleven kende hij groote beteekenis toe. De waarlijk vrije mensch zal niets voor zichzelf begeeren, wat hij anderen ook niet toewenscht. De door de Rede geleide mensch werkt dus tot heil van den Staat. Hij zal ook liever in gemeenschap leven dan eenzaam.

Invloed.

Een enkel woord over de waardeering van Spinoza. Tijdens zijn leven waren er trouwe jongeren en ook na zijn dood oefende in ons land zijn leer veel invloed uit. Herhaaldelijk vonden orthodoxe predikanten gelegenheid anderen te verketteren wegens Spinozistische beginselen. Door den tijdgenoot werd Spinoza echter over 't geheel niet begrepen. Wij zagen reeds hoe Malebranche hem den ellendigen Spinoza noemde en ook andere denkers wilden graag vooral doen uitkomen, dat hun leer verschilde van dien van Spinoza, den "Atheïst."

In het laatst der 18de eeuw begonnen verschillende dichters in Duitschland hun aandacht aan Spinoza te schenken. Goethe gewaagt met zeer groote waardeering van hem en op Goethe's opvattingen heeft de studie van Spinoza's ethica grooten invloed gehad, en menige wijsgeerige gedachte in de werken van den grooten dichter wijst terug op den stillen denker.

In de 19de eeuw steeg Spinoza in de waardeering der wijsgeeren. Uitnemende onderzoekingen werden aan zijn leer, zijn geschriften gewijd.

Land, in leven hoogleeraar in de wijsbegeerte te Leiden en de letterkundige Van Vloten, bezorgden een Latijnsche uitgave van al zijn werken. Voor de populariseering zijner denkbeelden is krachtig werkzaam Dr. W. Meyer, zoowel door zijn vertalingen van Spinoza's werken [70] als door zijn lezingen over den wijsgeer in verschillende steden. Dr. D. Bierens de Haan gaf een levensleer naar Spinoza. Over Spinoza en zijn kring schreef Dr. Meinsma.

De Duitsche Spinoza-kenner is de pas overleden hoogleeraar Freudenthal.

Onder onze jongere kunstenaars vindt de Spinozistische leer veel belangstelling. Van Eeden en Gorter zijn hier o. a. te noemen. De laatste gaf in zijn "School der Poëzie" een reeks van verzen, meerendeels sonnetten: Spinoza's leer. De stichting van het Spinozahuis werd reeds gemeld. Bij de opening sprak prof. Bolland de feestrede uit. Sedert 1880 heeft Den Haag op de Paviljoensgracht een standbeeld voor den wijze, de lectuur van wiens werken "een bad moest zijn, waarin elk beginnend beoefenaar der wijsbegeerte gedoopt moest worden."

HOOFDSTUK XIII.

§ 43. Hobbes.

Leven.

Toen de Spaansche Armada Engeland in 1588 bedreigde, kreeg de vrouw van den predikant te Malmesbury onverwacht een zoon. Thomas Hobbes zag, zegt hij zelf, zoo tegelijkertijd met de vrees, het levenslicht. Hij studeerde te Oxford, waar hij nog onderricht ontving in scholastieke wetenschap.

In Oxford was toen het nominalisme heerschend en Hobbes bleef dan ook een aanhanger dezer leer. Voor 't overige vond hij weinig bevrediging in de in Oxford opgedane wetenschap.

Hij kwam nu als opvoeder in de familie Cavendish. Met drie geslachten dezer familie heeft hij in betrekking gestaan en aan haar dankte hij later ook een zorgenvrij bestaan, dat hem veroorloofde rustig te studeeren. Zijn eerste bemoeiingen golden de geschiedenis. Hij vertaalde Thucidydes in 't Engelsch (vergel. bladz. 53), met het doel zijn landgenooten, die toen reeds in strijd waren met hun eigenmachtigen koning Karel I, te toonen, welk een jammer en ellende de teugellooze democratie over Athene had gebracht.

Door vele reizen naar Italië en Frankrijk verruimde Hobbes zijn gezichtskring. Hij kwam in aanraking met verschillende hem tot nog toe verborgen gebleven problemen. Op zijn 42ste jaar zag hij de meetkunde van Euclides; dit was voor hem een openbaring: in de meetkunde zag hij het model aller wetenschappen, wegens de zekerheid harer uitkomsten. Hij vormt dus een merkwaardig contrast met Bacon, die de wiskunde te gering schatte. Hoewel hij als secretaris dezen gediend heeft, is Bacon's invloed op zijne denkbeelden veel geringer geweest, dan men vroeger meende te moeten aannemen.

In Frankrijk kwam Hobbes met verschillende denkers in aanraking. Ook hier bewees pater Mersenne (zie bladz. 243) zijne diensten.

"Nadat ik Mersenne met mijn ideeën vertrouwd had gemaakt, werd ik tot de wijsgeeren gerekend." Hobbes heeft zijne aanmerkingen gemaakt op Descartes' Meditationes (zie bladz. 244) en ook met Gassendi omgegaan.

Ook tijdens de burgeroorlogen leefde Hobbes in Frankrijk en hij keerde eerst weer naar Engeland terug, toen daar ordelijke toestanden onder Cromwell heerschten en hij door zijn werk de "Leviathan" met de Stuarts (hij onderwees den lateren koning Karel II in wiskunde) in onmin was geraakt. Na de restauratie (het herstel der Stuarts op hun troon) in 1661, verzoende hij zich met dezen. Tot het einde van zijn leven werkzaam, stierf hij hoogbejaard in 1679.

Werken.

Zooals Bacon zich voorstelde een groot werk uit te geven, zoo wilde ook Hobbes een geheel wetenschappelijk systeem geven in drieën: over de lichamen, over den mensch, over den burger. Het laatste gedeelte, een staatsleer bevattend, verscheen het eerst in 1672. Naast dit werk staat dan zijn politiek in de Leviathan (1651). Hij noemt dit werk zoo naar het geweldige dier in Job, waarvan het heet in Job 41 : 24 (Leidsche vertaling): "Zijns gelijke is er niet in het stof, gemaakt als hij is, om nooit te versagen," en met dit geweldige wezen wordt de absolute staatsmacht vergeleken.

Daarnaast staat nog, nevens andere werken een merkwaardig geschrift over de Zielsvrijheid (1656).

Leer. Metafysica.

De filosofie is voor Hobbes de wetenschap, die uit de oorzaken, de werkingen tracht af te leiden, en uit de werkingen tot de oorzaken wil besluiten. Door deze bepaling sluit Hobbes de theologie, de leer van den eeuwigen God uit. Deze kennis der eerste oorzaken moet men den theologen overlaten, zooals in Israël de eerstelingen van den oogst geofferd werden. Over geloofswaarheden moet men niet nadenken, men moet ze aannemen, zooals men pillen ongekauwd naar binnen slikt.

Alle verschijnselen hebben nu slechts één oorzaak: beweging, en er wordt niets anders bewogen dan lichamen. Alles wat is, is lichaam, alles wat geschiedt, is beweging. Voor elke beweging is een oorzaak en die oorzaak moet weer liggen in de beweging van een ander lichaam. Alles geschiedt met noodwendigheid. Deze mechanische opvatting der natuur wil Hobbes nu overdragen op de geesteswetenschappen.

Zooals Copernicus op het gebied der sterrekunde, Galileï op dat der natuurkunde en Harvey op dat physiologie met de scholastiek hadden gebroken (vergel. bladz. 227, 228, 247), zoo wilde hij dat doen op het terrein der geesteswetenschappen.

Zoo komt hij tot een materialistische wereldbeschouwing. Onze geest is lichaam of een beweging in sommige deelen van ons lichaam, zooals het elders heet. Al ons geestelijk gebeuren is dus eene verandering in de kleinste deeltjes van het gewaarwordende lichaam. Hoewel hij het niet openlijk zegt, duidt hij het op verscheidene manieren aan, dat God een lichaam is.

"Had men een recht vertrouwelijk gesprek tusschen Gassendi en Hobbes kunnen afluisteren, dan had men misschien een woordenwisseling vernomen over de vraag of de alles levend makende warmte of de alomvattende aether als de Godheid te beschouwen zou zijn." (Lange).

Kennistheorie.

Conclusies trekken, oordeelen, is voor Hobbes rekenen. Ons denken is een soort algebra: optellen van elementen. Waarneming is beweging. Kleur, warmte, enz. zijn geen qualiteiten der dingen, maar de wijzen, waarop wij de buitenwereld opvatten. De nawerking dezer waarnemingsbeweging is herinnering. Herinneren is dus: waarnemen, dat men waargenomen heeft. Het middel om onze voorstellingen te behouden en mede te deelen is de taal. Deze is dus voor het denken van enorm gewicht. Wij brengen onder een woord tal bijzondere dingen samen. Hobbes is nominalist. Die woorden vervangen de werkelijke zaken, zooals speelpenningen voor geld in de plaats kunnen treden. In het oordeel telt men eenige penningen op of af, in het concludeeren verbindt men eenige oordeelen, de wetenschap is weer een samenstel van ware of bewezen oordeelen. Het geheele denkproces is dus een rekenproces.

Zielkunde.

Hobbes opent de rij der uitnemende onderzoekers op het gebied der zielkunde die de trots der Engelsche filosofie zijn. Met zijn frissche grepen, zijn kijk op de groote hoofdlijnen, heeft hij belangrijke bijdragen voor de kennis van het zieleleven gegeven. Over sommige opvattingen spraken wij reeds bij de kennis-theorie hier boven.

Wij wijzen er hier nog op, dat Hobbes groote beteekenis toekent aan de associatie door aanraking. Wanneer van een rij bewegingen in de hersenen, (dus van een rij waarnemingen) na eenigen tijd weer een herhaald wordt, ontstaan de andere ook weer, zooals op een gladde tafel het water den vinger naloopt. (De eerste woorden van een vers brengen ons het geheel in de gedachte).

Maar ons gedachtenleven wordt verder georganiseerd door onze doelvoorstellingen. Wij zoeken iets te bereiken: dit maakt sommige voorstellingen van meer waarde dan de andere. Gevoel en begeerte hebben dus evengoed invloed op het voorstellingsverloop als de associatie.

Lust en leedgevoel ontstaan oogenblikkelijk door de al of niet bevrediging van onze zucht naar zelfbehoud. Samengestelde gevoelens ontstaan, wanneer zich voorstellingen verbinden aan lust of leed. Zij zijn terug te brengen tot gevoelens van macht of onmacht. Stel ik mij voor, dat ik iets verwerven kan waardoor dan ook (eigen geestelijke of lichamelijke kracht, vrienden, beschermers, de Godheid) dan geeft dit een aangenaam gevoel; een onaangenaam ontstaat bij de bewustheid van mijn onmacht, iets kwaads te vermijden, of iets goeds te bereiken. In den wedstrijd tusschen de menschen ontstaan de bijzondere gevoelens: wie voorkomt is blij, wie achterblijft droevig en eerst met den dood eindigt de wedloop.

Hobbes is determinist. Hij ziet in de erkenning, dat ook de psychische werkingen oorzakelijk bepaald zijn geen enkelen grond van vrees voor verzwakking van het verantwoordelijkheidsgevoel. De straf behoudt haar waarde, als afschrikkingsmiddel voor de toekomst. De wetten, die het booze verbieden, zijn niet onrechtvaardig, zij werken meer als motief. De overlegging behoudt insgelijks haar beteekenis voor het handelen. Zij werkt als oorzaak mee.

Staatsleer.

Het meest treffende van Hobbes' leer is zijn staatsleer. Deze boezemde in den overgangstijd in 't algemeen veel belang in. Wij zagen reeds, dat Macchiavelli, Campanella, Morus, Grotius en Althusius zich ermee bezighielden (bladz. 215). Bij de laatsten ontmoetten we de leer van het maatschappelijk verdrag. Deze zullen wij ook bij Hobbes aantreffen, maar zij voert hen tot gansch andere conclusies. Hij loochent het beginsel van Aristoteles (zie bladz. 124), ook door Grotius aangenomen, dat de mensch van nature een gemeenschapsvormend wezen is, zooals de bijen en de mieren bijv. De oorspronkelijke toestand is veeleer een oorlog van allen tegen allen, (bellum omnium contra omnes). Ieder tracht goederen te bezitten, die een ander misschien ook begeert en op wie hij ze door macht of list moet veroveren.

Maar naast deze zucht tot zelfbehoud heeft de mensch ook de rede, die hem naar betere middelen doet zoeken dan den voortdurenden strijd. Dit betere middel is de vrede onder elkaar en de hulp elkaar tegen vreemden verleend, door hen, die onder zekere gelijke omstandigheden verkeeren. Maar dit brengt mee, dat ieder voor zich afstand doet van zijn volle recht. Hieruit volgen dan een aantal maatschappelijke deugden, samen te vatten in: Wat gij niet wilt, dat u geschiedt, doet dat ook aan een ander niet.

In de staat nu is een Autoriteit noodig, voor wie allen zich buigen. Deze autoriteit krijgt alle macht. In hem concentreert zich als 't ware al 't recht, dat de eenlingen ieder voor zich hebben. De overdracht van dit recht is het maatschappelijk verdrag, dat wel een stilzwijgend verdrag geweest kan zijn. Het staatsgezag dus heeft alle recht. Niet alleen, dat het beslag mag leggen op eigendom en leven, het mag, neen het moet bepalen wat de normen van goed en kwaad zijn, wat voor den waren Godsdienst zal gelden, wat bijgeloof is. Dit staatsgezag kan verschillend zijn: een monarchie houdt Hobbes voor den besten vorm; een democratie is een aristocratie van redenaars.

Bij Hobbes treffen we dus een heteronome zedeleer. De zedewet komt van iemand anders dan van den mensch zelf; die andere is de staat.

Enkele punten mogen genoemd worden, die deze staatsleer wat begrijpelijker maken. De 17de eeuw was de eeuw, waarin het absolutisme opkwam en zijn duidelijkste uitdrukking vond in het: "Ik ben de staat" van Lodewijk XIV. Hobbes leefde in den kring van het absolutisme: in adellijke omgeving. Na het trotsche overmoedige zelfgevoel der renaissance, dat zich naar alle kanten moest uitleven, was zooals we reeds bij Geulinx zagen (blz. 253) een neiging tot concentratie, beperking, eenheid, berusting gekomen. En ook bij Hobbes valt die op te merken. Zijn vreedzame natuur deed hem terugschrikken voor het losgebroken geweld der revolutie en het noodzakelijke inzien van een absoluut staatsgezag. Zijn streven om één gezag te erkennen in alle zaken is vooral een politiek tegen de kleine autoriteitjes. Wat gaf de bevrijding van het pausdom als zich "de onbeteekende mannetjes," de Anglikaansche bisschoppen in zijn plaats stelden? Hobbes moet ongeveer de stemming gehad hebben, die de Genestet vertolkt in zijn leekedichtje, als hij zegt:

Zoo boud niet, man! Al rilt ge van De heilige Pantoffel, Pas jij maar op voor de oude kous Van de een of andren kleinen Paus Daar zijn er velen--stoffel!

Zijn strijd voor 't absolute staatsgezag is een strijd tegen de Kerkelijke Hiërarchie.

Men meene niet, dat Hobbes zich de drager van het opperste staatsgezag als een tyran dacht; neen als een verlicht vorst, die begrijpt, dat hij er is tot heil der burgers. Het gezag van den vorst moet ook de heerschappij der eene klasse over de andere opheffen. Op de verlichting van het volk hoopt Hobbes eveneens, waarmee hij de dragers der Aufklärung zelfs vooruit is. "Langzamerhand leert het volk en wordt het knapper." (Paulatim eruditur vulgus).

Hobbes is een denker geweest van groote geestkracht, die het verstaan heeft frissche omtrekken te geven en een bepaald beginsel uit te werken. Voor fijnere schakeeringen had hij minder oog. In de geschiedenis van het materialisme bekleedt hij een belangrijke plaats. Met zijn theorie der kennis komt hij in de rij Bacon, Hobbes, Locke, Berkeley, Hume, die zoo gewichtig is geweest voor de Engelsche wijsbegeerte en voor de ontwikkeling van heel het denken. Met zijn staatsleer heeft hij veel invloed op Spinoza doen gelden (zie blz. 267). Zijn werken, hoewel sommige tegenstrijdigheden bevattend of schijnend te bevatten zijn helder en klaar. Hobbes is "een van die geacheveerde naturen, wier denken zoo klaar voor ons ligt als hun leven." (Heymans).

Hij heeft geen navolgers gevonden, die zijn geheele systeem volgden of verder verwerkten. De drie groote dingen, die hij van het wetenschappelijke leven van zijn tijd had aanvaard; de mechanische natuurbeschouwing, de wiskundige methode, de erkenning, dat de ervaring grondslag moet zijn voor onze kennis, wist hij niet tot een levende eenheid te verbinden. Maar zijn werken zijn een vindplaats van vele oorspronkelijke, rijke gedachten.

Zijn eigen tijd scheen hij een atheïst, een vrijgeest. De leer van den man, die gezegd had dat men de geloofswaarheden zonder nader onderzoek diende te aanvaarden, gold als den godsdienst vijandig. Langen tijd was in Engeland Hobbist gelijkbeteekenend met godloochenaar en vrijgeest.

HOOFDSTUK XIV.

§ 44. Leibniz.

Leven en persoonlijkheid.