Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2

Part 16

Chapter 163,725 wordsPublic domain

De eene, oneindige substantie: God. De geest, als bewustzijn hebbende substantie, (res cogitans), de lichamen als uitgebreide substantie (res extensa). De wezenlijke kenmerken eener substantie zijn hare attributen: bewustheid is het kenmerk der eene, uitbreiding die der andere. De andere kenmerken, die wij aan de dingen opmerken, zijn geen kenmerken tot hun wezen behoorend, geen attributen: 't zijn slechts modi. Ligging en grootte van een lichaam bijv. zijn modi. Om die te hebben, moet 't lichaam eerst uitgebreid zijn. Voelen, willen, fantaseeren zijn modi van den geest: deze kan dat niet, als hij niet als wezenskenmerk bewustzijn heeft.

'n Scherpe scheiding brengt Descartes dus tusschen geest en lichaam, het psychische en physische. Daardoor heeft hij verruimend en bevrijdend gewerkt. Maar tevens deed hij een groot, nieuw probleem geboren worden.

Geest en lichaam zijn niet zonder inwerking op elkaar. Hoe moet die wederzijdsche inwerking verklaard worden? Zeker waren in Descartes' tijd nog niet zulk een groote menigte feiten omtrent die inwerking bekend, als thans, maar ze was toch duidelijk genoeg. Een gedachte komt op: de mensch wil zijn lichaam bewegen: hij doet het. Een steen treft hem: hij gevoelt de pijn. Met veel scherpzinnigheid heeft Descartes zich aan een oplossing gezet, maar een volkomen bevredigende verklaring heeft hij niet kunnen geven. Zijn school is steeds bezig geweest om een redelijke verklaring te vinden.

Allereerst tracht Descartes het terrein der inwerking zoo klein mogelijk te maken. Dieren ontzegt hij alle bewustzijnsleven: zij zijn volkomen onbewusten. Schopt men een hond en geeft hij een schreeuw, dan gaat dit volkomen mechanisch: het bewustzijn komt er niet bij te pas, evenmin als bij een over de straat voortgeschopten, geraasmakenden ketel. Voor de meeste verschijnselen bij den mensch houdt Descartes dan ook vast aan een mechanische verklaring. Daardoor kreeg zijn methode, al moest men later veel van zijn inzichten laten varen, groote beteekenis voor de genees- en natuurkunde. Bij zijn verklaring maakt Descartes gebruik van de ontdekking van den omloop van 't bloed, door Harvey in 1626.

In het hart, oorzaak van den bloedsomloop, zetelt hitte. Uit het bloed ontwikkelen zich zeer fijne deeltjes, "de levensgeesten" [65]. Zij stijgen op en komen in de hersenholten. In het midden der hersenen bevindt zich de pijnappelklier. Hier komen de levensgeesten. Van daar weer gaat het naar de zenuwen, en door deze kunnen ze invloed op de spieren uitoefenen, waardoor dan bewegingen van armen, beenen, enz. ontstaan.

Maar de mensch heeft toch ook een ziel, hem door God ingeschapen. Deze nu werkt speciaal op de pijnappelklier in en daardoor op de levensgeesten. Descartes heeft nu wel de inwerking tot een heel klein gebied teruggebracht, maar het feit der inwerking is er niets meer door verklaard. Hij heeft de pijnappelklier genomen, omdat deze in het midden der hersenen gelegen was, en éénig was; was er een gepaard hersendeel genomen, dan zouden wij dubbel zien, dubbel hooren, enz. Later onderzoek heeft aangetoond, dat de pijnappelklier een zeer weinig beteekenend hersendeel is, en dat het voor onze psychische verrichtingen zoo goed als geen beteekenis heeft.

Ethiek.

Over de ethiek heeft Descartes zich slechts weinig uitgelaten. Wat hij daarover geleerd heeft, sluit aan bij zijn theorie van de gemoedsbewegingen. Hij stelt zes oorspronkelijke begeerten: bewondering, liefde en haat, begeerte, vreugde, droefheid, later door Spinoza tot drie teruggebracht (bl. 274). De hartstochten nu moeten beheerscht worden door den wil. Dit kan niet onmiddellijk, maar moet middellijk geschieden. Ik kan bijv. de vrees niet verdrijven, maar wel de lichaamsbewegingen verhinderen, waartoe de vrees mij brengen zou: het vluchten. Niet door een nieuw affect te laten opkomen moet ik een bestaand bestrijden: dat zou beteekenen uit de eene slavernij overgaan in de andere. Maar door helder inzicht in de waarde der dingen en door rustig overleg beheersch ik de affecten. Zelfbeheersching door helderheid van inzicht. Ziedaar het kernpunt der Cartesiaansche ethiek; ze herinnert aan het ideaal der Stoa. De consequentie acht Descartes noodig: het eenmaal beslotene moet doorgezet worden. Reeds in de verhandeling over de methode stelde hij, teneinde niet zonder levensrichting te zijn, terwijl hij over alles theoretiseerde, deze regels op en voegde daar bij: Zich houden aan den godsdienst en de zeden van het vaderland. Wij zagen reeds vroeger (pag. 150) hoe twijfel dikwerf tot conservatisme voert.

De metafysica was voor Descartes slechts een voorportaal tot het gebouw der genees- en natuurkunde, dat hij wenschte op te richten. Langer dan zijn gebouw--hoe merkwaardig ook--is zijn voorportaal blijven bestaan. Moge ook Descartes den grondslag gelegd hebben voor een zeer belangrijke tak der wiskunde, moge hij zeer veel bijgedragen hebben tot de natuurwetenschappen, zijn beteekenis ligt allermeest op wijsgeerig gebied.

De Cartesianen, tot wier behandeling wij nu overgaan, zijn geen groep natuurvorschers. 't Zijn metafysici, die zich hoofdzakelijk bezig houden met de vraag naar het verband tusschen onze geestelijke en lichamelijke verrichtingen, naar de verhouding tusschen God en Wereld.

§ 41. De Cartesianen.

De leer van den grooten Franschen denker vond in zijn geboorteland zoowel als in 't land, waar hij 't meest gewerkt had, veel verbreiding. Veel werkte daartoe mee. De mechanische natuurbeschouwing, die al het gebeuren tot beweging terugvoerde, was naar den geest des tijds en nergens schier zoo scherp uitgesproken. De bewijzen voor 't Godsbestaan schonken 't geloof steun; de twijfel, de zorgvuldige methode van onderzoek, voegden het denken. Daarbij de schitterende stijl, die zijn werken toegankelijk maakten en aantrekkelijk. Geloovige Fransche Katholieken, Jansenisten, Nederlandsche Protestanten hingen 't Cartesianisme aan.

Maar het vond ook bestrijding. Aan den twijfel en de menschelijke rede gaf het te veel ruimte. Het leerde de aswenteling der aarde, de oneindigheid der wereld. Zoo verzetten de Jezuïeten er zich tegen. De Katholieke kerk plaatste Descartes' werken op den index. Aan Hollandsche universiteiten werden hoogleeraren, die Cartesiaan waren, geweerd.

Niet ieder, die in de geschiedenis der wijsbegeerte Cartesiaan heet, denkt in alles gelijk met den meester. Op menig punt onderging zijn leer wijziging. Een substantie zoo had de meester gezegd, was, wat op zich zelf kon bestaan. Hij had er drie aangenomen: God, geest, lichaam. Kon dat? Hadden geest en lichaam een zelfstandig bestaan tegenover God? En--als het substanties waren, hoe konden ze dan op elkaar in werken? Men kon hier drieërlei weg inslaan. De substantie geest kon geloochend worden, (zie Hobbes 272) de substantie lichaam; (zie Leibniz 282, Berkeley 314) de wisselwerking kon ontkend worden. Dit laatste deden de occasionalisten.

Het occasionalisme vindt zijn volle ontwikkeling in de werken van Geulinx, die in andere Cartesianen al zijn voorloopers had.

GEULINX.

Arnold Geulinx, uit katholieke ouders in 1623 te Antwerpen geboren, werd professor te Leuven. Vandaar ging hij naar Leiden, ging daar over tot het protestantisme en werd hoogleeraar. In 1669 stierf hij. Zijn voornaamste werken zijn z'n Ethica (volledige uitgave in 1675) en zijn na zijn dood verschenen Metafysica (1695.)

Geulinx gaat ook uit van de gewisheid van ons bewustzijn. Maar hij stelt er naast: dat, waarvan ik niet weet, hoe 't geschiedt, doe ik ook niet. Hoe wil ik nu weten, dat de lichamelijke beweging wordt veroorzaakt door een geestelijke verrichting en omgekeerd? Het kind in de wieg, dat na zijn schreien door de moeder gewiegd wordt, kan met 't zelfde recht meenen dat hij, met zijn schreien, de wieg in beweging brengt. Men kon zich wel evengoed verbeelden de Ilias geschreven te hebben. Neen: ik doe het niet, Gód doet het. Krijg ik een gedachte, wil ik een der ledematen bewegen dan veroorzaakt God bij occasio, bij gelegenheid van mijn gedachte de lichamelijke beweging. Omgekeerd. Bij gelegenheid, dat een prikkel mijn oog treft, verwekt God een gewaarwording of voorstelling.

Dit is de leer van het occasionalisme. Geulinx vat die leer nu zoo op, dat God zulke wetten heeft gegeven voor de beweging der stof dat deze overeenkomt met den vrijen wil van den mensch. Zoo kunnen twee klokken tegelijk slaan, niet omdat zij op elkaar inwerken, maar omdat zij van te voren zóó door een uurwerkmaker vervaardigd zijn, dat zij precies denzelfden gang hebben. Naast dit beroemde voorbeeld geeft hij een ander. Voor geld kan ik mij spijzen en kleeding verschaffen, niet door de natuurlijke kracht van het geld, maar doordat dit, door menschelijke instelling waarde vertegenwoordigt. Eveneens nu veroorzaakt een stoffelijke beweging geen gewaarwording door eigen kracht, maar door goddelijke instelling en goddelijk besluit.

In verband met deze metafysische opvatting staat Geulinx' ethica. Niet het streven naar geluk is voor hem grondslag der zedeleer, maar het zich buigen voor Gods wil, het doen van zijn plicht. Naast de stelling der metafysica wat gij niet weet, dat doet gij niet, staat die der ethiek, waar gij niets doet, zijt ge niets waard, zult ge niets willen.

Op niets heb ik dus recht dan op het doen van mijn plicht. Misschien echter wordt daardoor mijn geluk nog wel het meest bevorderd. Voor de fiere individualiteit der renaissance, is de zachte deemoed gekomen. In de politiek had de 17de eeuw zich leeren buigen voor de absolute monarchie, [66] een parallel vinden wij in de ethiek.

Naast Geulinx mag onder de Hollandsche Cartesianen genoemd worden Balthasar Bekker, die door zijn werk: De betooverde wereld, zeer krachtig bijdroeg tot de bestrijding van het geloof aan heksen, spoken, enz. Bekker was in Metslawier geboren, was op verschillende plaatsen predikant, werd in 1679 te A'dam beroepen, gaf zijn boek van 1691-'94 uit, geraakte in strijd met de kerk. In 1692 van zijn ambt ontzet, stierf hij in 1698. [67]

MALEBRANCHE.

Naast Geulinx wordt, als de grootste der Cartesianen Nicole Malebranche genoemd.

Hij werd in 1638 uit een hooge Fransche beambtenfamilie geboren, kwam in 1660 in het Oratorium. [68] Zijn zwak gestel deed hem de rust der studiecel lief krijgen. Doordat hij toevallig met een werk van Descartes in aanraking kwam en er ten zeerste door geboeid werd, wijdde hij zich verder aan de studie der wijsbegeerte, die hij ten nauwste met de religie trachtte te verbinden. Evenals Geulinx was hij veel meer mystiek gezind dan de rationalistische leermeester. Tot op hoogen leeftijd bleef Malebranche frisch van geest. Hoe zeer het occasionalisme in het Cartesianisme opgesloten lag, blijkt misschien wel uit het feit, dat Malebranche er toe kwam, zonder Geulinx of diens voorgangers te kennen. De belangrijkste werken van Malebranche zijn: "Onderzoek naar de waarheid," en "Gesprekken over de metafysica."

Malebranche wil beginnen met na te gaan wat de oorzaken zijn van dwaling en hoe wij ons verstand kunnen louteren.

Dwaling spruit allereerst hieruit voort, dat de mensch het getuigenis der zinnen voor waarheid aanneemt. Zij leeren ons wel, hoe wij ons, met 't oog op de praktijk moeten gedragen, en als zoodanig zijn 't vertrouwbare raadgevers. Maar bedriegelijke getuigen zijn het, als ze ons over de waarheid moeten inlichten. Niet, hoe de dingen op zichzelf zijn, leeren zij ons; kleur, warmte, koude, zijn eenvoudig indrukken die wij van de dingen krijgen, maar ons niets zeggen, omtrent het wezen der dingen zelf.

Verder ontstaat de dwaling uit onze hartstochten. Door deze komen wij tot een eenzijdige opvatting der dingen.

Welke is dan de weg, om tot ware kennis te geraken? Alleen hierdoor kunnen wij iets weten, dat wij de dingen in God zien. Van de dingen zelf krijgen wij alleen kennis door middel van de ideeën, die van hen in ons bewustzijn aanwezig zijn. Zélf kunnen wij die ideeën niet voortgebracht hebben. De dingen evenmin. Dan zouden zij de oorzaak der ideeën moeten zijn, en geen ding kan eerste oorzaak zijn: dat is iets goddelijks. Wat wij menschen oorzaak noemen, is slechts de gelegenheidsoorzaak. Treft een bewegende bol een tweede, waardoor ook deze in beweging geraakt, dan is zij daarom nog niet de oorzaak van de beweging dier tweede. Noodzakelijke samenhang tusschen die twee verschijnselen bestaat niet, al zien wij ze herhaaldelijk optreden. De oorzaak der beweging is God. Deze is eveneens de oorzaak van het verloop der geestelijke processen. Het verband tusschen stoffelijke en geestelijke verschijnselen is dus absoluut geen causaal verband. Het berust op Gods wil. En zooals de religie slechts één God kent, zoo kent de echte wijsbegeerte niet meer dan één oorzaak.

Ieder mensch staat met God in onmiddellijke verbinding. Deze is de "plaats aller geesten." In God zijn de voorstellingen der geschapen dingen voorhanden en door middel van onze verbinding met God zien wij de voorstellingen en daardoor de dingen.

Dat zijn leer tot die van Spinoza zou kunnen voeren, of er mee gelijk zou zijn, heeft hij zeer uitdrukkelijk bestreden, en hij heeft veel moeite gedaan om de verschilpunten aan te wijzen tusschen zijn leer en dien van "den ellendigen Spinoza" zooals hij hem noemt. Hij wijst daarbij op 't volgende: Spinoza: God is in het al, hij: Het al is in God. Spinoza loochent de schepping, hij neemt een aan. Voor Spinoza is er één geheel, denken en uitbreiding zijn attributen van een zelfde zijnde, hij onderscheidt de geschapen wereld der dingen scherp van de wereld in God, van de intelligibele wereld.

Evenals bij Geulinx loopt ook bij Malebranche de ethiek evenwijdig aan de metafysica. Zooals al ons denken op onze verbinding met God berust, zoo gaat al ons streven naar God: in de vereeniging met Hem ligt het ware geluk. Hij heeft de behoefte aan geluk in ons nedergelegd. Zooals wij op 't gebied der kennis de gelegenheidsoorzaken verkeerdelijk voor de ware houden, zoo nemen wij ook niet zelden een goed van geringer en voorbijgaande waarde voor 't ware en hoogste goed.

HOOFDSTUK XII.

§ 42. Spinoza.

Leven en Persoonlijkheid.

Misschien heeft geen land zoo dankbaar te zijn voor de aan Joden verleende gastvrijheid als Nederland. Dezen hebben onzen handel en welvaart aanmerkelijk uitgebreid, op het gebied der dicht-, tooneel- en schilderkunst hebben zij uitgeblonken, zij hebben Nederland zijn grooten wijsgeer geschonken: Baruch de Spinoza.

Den 24sten November 1632 werd hij uit Portugeesche ouders in Amsterdam geboren. Zijn eerste onderricht ontving hij van Joodsche geleerden en naast het Oude Testament leerde hij de Talmud kennen, terwijl hij met de middel-eeuwsche filosofie van Maimonides en andere Joodsche denkers (zie bladz. 183) min of meer vertrouwd raakte. Daarna ontving hij onderricht van een arts, v. d. Ende, die als een vrijgeest bekend stond en van wien hij misschien nog iets meer dan Latijn geleerd heeft.

Spinoza kreeg in allen gevalle vrije opvattingen, en nadat pogingen om hem voor de synagoge te behouden, waren mislukt, werd hij in 1656 uit de gemeenschap der Israëlieten gestooten. Hij moest zich--ook de protestantsche geestelijkheid was hem weinig genegen--een tijdlang verbergen op een buiten bij Amsterdam. Later ging hij in Rijnsburg wonen, waar hij, zooals later gebleken is, niet een te eenzaam leven had, maar met vele geleerden omging. Van Rijnsburg, waar sedert 24 Maart 1899 het Spinozahuis geopend is (min of meer als een Spinozamuseum ingericht), ging hij naar Voorburg, en van hier naar Den Haag. Ook in deze stad telde hij vrienden, o. a. de De Witten. Spinoza leidde een stil, ingetogen, bescheiden leven, alleen zijn ware geluk vindend in het zoeken der waarheid. Aan die persoonlijke behoefte naar helder en klaar inzicht, ontsproot zijn wijsgeerig streven.

Met het slijpen van brilleglazen voorzag hij in zijn onderhoud. In geldzaken toonde hij zich onbaatzuchtig. Tegenover andersdenkenden verdroeg hij zich verdraagzaam en welwillend. Hij was voorzichtig in het uitspreken van zijn meening en toonde zeer weinig "propagandistischen" aanleg.

In 1670 gaf hij zijn Politiek-Godsdienstig tractaat uit, waarin hij het opnam voor godsdienstvrijheid, het vrije wetenschappelijke onderzoek voorstond, dit min of meer toepaste op het Oude Testament en waarin hij ook het wonderengeloof bestreed. Dit werk gold den Nederlanders van dien tijd als een kort begrip van de onzaligste goddeloosheid en de ondervinding met deze uitgave opgedaan, mag er Spinoza wel mee toe geleid hebben om een professoraat, hem in 1673 te Heidelberg aangeboden, af te slaan, omdat hij vreesde niet voldoende leervrijheid--al was hem die beloofd,--te zullen hebben.

Ondertusschen werkte hij voortdurend aan zijn ethica, dat reeds voor het verschijnen aan sommige vrienden in handschrift bekend was, hoewel Spinoza zeer voorzichtig was met het ter lezing geven of laten geven.

Den 21sten Februari 1677 stierf hij, als hij geleefd had: kalm en welgemoed. Zijn levensbeschrijver, de hem zeer vijandig gezinde, maar waarheidslievende predikant Colerus, loochent de dwaze geruchten, die omtrent zijn dood in omloop waren, al kon de man zich niet begrijpen, hoe een vrijgeest zoo eerlijk leven en zoo kalm sterven kon.

De hospita van Spinoza zond na diens dood den lessenaar met papieren naar Amsterdam, waar onder de hoede van Spinoza's vrienden zijn "Nagelaten Werken" in November het licht zagen. Het voornaamste deel is de Ethica, Spinoza's hoofdwerk.

Karakteristiek van het werk.

In Spinoza's systeem loopen al de draden van het denken der 17e eeuw samen. Bij hem het innige, het mystieke naderende, religieuse gevoelsleven, bij hem het vertrouwen op de macht der rede, om tot zekere onbetwijfelbare kennis te komen, bij hem de belangstelling voor de analyseering van het menschelijk gemoedsleven, de fijne psychologische blik; bij hem evenmin onverschilligheid voor zedekunde en staatsleer, bij hem ook op het gebied der natuur een streng mechanische beschouwing, wars van alle verklaringen uit doelmatigheid.

Zijn leer wordt in de ethica gegeven in den drogen zakelijken vorm van een meetkundig betoog.

Bepalingen en grondwaarheden gaan vooraf. Stellingen en Bewijzen volgen, soms voorzien van enkele aanteekeningen en toevoegselen.

"De ethica staat voor ons als een zuiver afgeslepen kristal: we zouden iets begeeren te weten van het kristallisatieproces."

Niet te verwonderen is het dan ook, dat uitvoerige onderzoekingen zijn ingesteld omtrent de verhouding van Spinoza tot andere wijsgeeren en omtrent zijn ontwikkelingsgang. Men neemt wel algemeen aan, dat hij de Joodsche middeleeuwsche wijsbegeerte heeft gekend en dat--misschien mag het ook een uiting geweest zijn van zijn semietzijn--hij daar leerde kennen het streven, om aan alles één groot beginsel ten grondslag te leggen.

In hoeverre hij Giordano Bruno gekend heeft en hoe ver zich diens invloed heeft uitgestrekt is niet volkomen zeker te zeggen, al pleiten sommige overeenstemmingen tusschen zijn eerste geschriften en die van Bruno voor Spinoza's bekendheid met dezen. Zeer zeker heeft hij sterk den machtigen invloed van Descartes ondergaan en voor een jongen vriend, dien hij nog niet in zijn eigen leer wilde inwijden, stelde hij in 1660 een overzicht van de leer van den grooten Franschman samen.

Een volbloed Cartesiaan is hij niet geweest. Hij heeft de consequenties van wat Descartes had gezegd, met groote koenheid getrokken.

"Spinoza is niet zooals Descartes en Leibniz, een vindingrijke, impulsieve, maar een stelselmatige denker; zijn sterkte is niet de geniale inval, maar het volhardende doordenken, niet de plotseling opkomende gedachte, maar de streng gesloten kring van denkbeelden."

Welken invloed hij dus ook van anderen ondergaan heeft, hij heeft het verwerkt als zijn eigen; het overgenomene werd materiaal voor het gebouw, dat voor zijn denkbeelden opgetrokken werd en welks oorspronkelijkheid er niet minder op werd, dat er steenen, van elders aangehaald, voor gebruikt werden.

Leer.

Descartes had eene scherpe scheiding gemaakt tusschen God en wereld, lichaam en ziel. Hij had de inwerking dier beiden laatsten op elkaar als feit erkend. Hij had ze echter niet kunnen verklaren. Zijn navolgers en leerlingen zijn met het probleem bezig geweest en de occasionalisten hebben het vraagstuk opgelost, door de inwerking te ontkennen en het samengaan van lichaam- en geestesverschijnselen terug te brengen tot Gods wil.

Ziel en lichaam.

Voor de metafysica ligt Spinoza's groote beteekenis in de wijze waarop hij dit vraagstuk oploste. Men kan deze leer "de leer van het onbekende derde" noemen.

Stel, zoo zouden wij deze leer op meer moderne wijze kunnen voordragen, dat er een voorwerp met twee wijzerplaten is. De eene wijzerplaat wordt door den wijzer in 24 uur doorloopen, de andere eveneens. De beide wijzers staan dan steeds gelijk. Met den stand van den eersten komt steeds een bepaalde stand van den laatsten overeen. Wij zien dat ding met de twee wijzerplaten herhaaldelijk en merken telkens de met elkaar correspondeerende wijzerstanden op. We kunnen nu op het denkbeeld komen, dat al deze standen veroorzaakt worden door één uurwerk, dat er binnen in zit. Over den aard van het onbekende derde zouden we eenige vermoedens kunnen opstellen, gebouwd op de waarneming der wijzers.

In de werkelijkheid zijn ons een reeks stoffelijke en geestelijke verschijnselen gegeven, die gestaag met elkaar correspondeeren; aan een bepaald geestelijk proces beantwoordt een stoffelijk. Voor Descartes waren het werkingen van twee, onafhankelijk van elkaar bestaande zelfstandigheden, voor Spinoza waren het de verschillende werkingen, de openbaringsvorm van één substantie. Zooals het eene uurwerk zich in de beide verschillende wijzerstanden openbaart, zoo openbaart die eene substantie zich aan ons op twee wijzen, in stoffelijk en geestelijk gebeuren, in uitbreiding en denking.

Blijven we nog even bij onze vergelijking.

We zouden ons kunnen denken, dat het uurwerk nog tal van wijzers in beweging bracht, aan onze waarneming onttrokken. Zoo neemt Spinoza aan, dat die eene substantie nog vele openbaringsvormen heeft, ja, een oneindig aantal, die onze waarneming ontgaan.

God en wereld.

Van oudsher is het bij de wijsgeeren gebruik geweest, om de hoogste werkelijkheid, de laatste grond voor het zijnde, God te noemen en zoo noemt Spinoza de substantie God. (God of substantie). Hij gaat verder. God is het geheel der dingen, al wat bestaat, de Natuur. En zoo komt hij tot God of de Natuur.

Cartesius had bijna den stap gedaan: God of substantie, maar toch ook aan lichaam en ziel een eigen bestaan toegekend en ze substantie genoemd.

Bruno was er dicht bij geweest, God en natuur te vereenzelvigen.

Spinoza stelt: Substantie of God of Natuur. Verder gebruikt hij de terminologie van Descartes. Denken en uitbreiding zijn de ons geopenbaarde Attributen der Godheid.

Naast de attributen staan de modi. Het zijn de wijzigingen in het bestaande, de bestaanswijzen. Willen b.v. is een modus van het denken, grootte een van de uitbreiding. "Onder modus versta ik wijzigingen in een zelfstandig bestaan of wel datgene, wat in iets anders is en daardoor dan ook moet begrepen worden." Zooals de enkele figuren, de driehoek, de kubus, etc. in de ruimte zijn, zoo zijn de modi in het attribuut.

De wereld is dus niet een schepping van God, maar een modificatie van zijn eigen wezen. En zooals wij, wanneer we de ruimte kennen, daaruit de meetkundige eigenschappen kunnen afleiden, zoo ligt in de Godheid de kennis van alle verschijnselen. Deze kennis is er dus logisch uit af te leiden.

De Godheid is dus niet oorzaak in onzen modernen zin: een werking, die aan eene andere voorafgaat, en deze laatste teweegbrengt. Bij Spinoza evenals bij Descartes moeten wij onder oorzaak grond verstaan.