Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2
Part 15
Zoo hebben we enkele hoofdtrekken uit den overgangstijd geschetst. Het is moeilijk, precies een grens te trekken tusschen deze en de nieuwere wijsbegeerte. Descartes b.v. mag als wijsgeer zeker tot den nieuwen tijd gerekend worden, als natuuronderzoeker vormt hij met Kepler en Newton de trits, die de grondslagen legden voor de moderne natuurwetenschap.
Bacon van Verulam rekenen we nog tot de nieuwere wijsbegeerte, omdat we met hem de ontwikkeling der Engelsche kennistheorie laten beginnen, die over Hobbes, Locke, Berkeley, Hume voortloopt, en tot zoo merkwaardige resultaten gevoerd heeft. Maar in zijn verzet tegen de scholastiek, in zijn zoeken naar beginselen, naar methode en niet uitwerken nog, is hij geheel een man der Renaissance.
Zoo we dus de nieuwere wijsbegeerte beginnen met Bacon van Verulam en Descartes, is dat betrekkelijk willekeurig, zooals alle scheidingen in de geschiedenis dat zijn, die wel steeds belangrijke, door eigen aard gekenmerkte perioden vertoont, maar deze toch geleidelijk overgaande in elkaar.
AFDEELING IV.
DE NIEUWERE WIJSBEGEERTE.
HOOFDSTUK X.
§ 39. Bacon van Verulam.
Leven.
Francis Bacon werd in 1561 geboren. Nadat zijn vader, grootzegelbewaarder onder Koningin Elisabeth, gestorven was, moest hij als jongere zoon, zich zelf zijn weg zoeken; hij wierp zich in de politiek, om daardoor de middelen te krijgen, die hij begeerde, teneinde aan zijn zucht tot studie te kunnen voldoen. Ongelukkig vergat hij het doel wel eens voor de middelen en toonde zich in de keuze der laatste niet steeds even kiesch. Toen zijn vroegere beschermer, graaf Essex, bij Elisabeth in ongenade gevallen was, bood hij haar zijn diensten aan en trad tegen Essex op! Zijn eigen raad, dat men zich de omstandigheden moest kunnen aanpassen zoo zij veranderden, wist hij op te volgen.
Onder Elisabeth's opvolger, den pedanten en opgeblazen Jacobus I (1603-1625) kwam hij snel tot grootere eere. Hij wist zich naar de luimen van zijn koninklijken meester te voegen, zij 't onbewust misschien, werd in 1618 Lord Kanselier, baron van Verulam, in 1621 viscount van St. Albans. Hij misbruikte zijn positie, om koninklijke gunstelingen te bevoordeelen; hij verklaarde aan de familie Buckingham verleende monopolies nuttig voor den staat. Het parlement kreeg achterdocht, veroordeelde hem tot verlies van rang, hooge geldboete en gevangenisstraf, zoolang het den koning zou behagen. De boete betaalde hij nooit, in de gevangenis zat hij maar enkele dagen; eigenlijk was hij de zondebok geweest voor koning en hof--en zijn laatste levensjaren bracht hij in stilte, in aan de studie gewijde afzondering, door. In 1626 stierf hij.
Karakter.
Het is begrijpelijk dat er over Bacon's karakter veel getwist is. Hij was niet een man uit één stuk. Om gelukkig te zijn moest men een beetje van een dwaas en niet te veel van een eerlijk mensch hebben. Naast een hoofddoel moest men steeds een nevendoel in het oog hebben, om dit te kunnen bereiken als het eerste mislukte. Het beste is, den roep te hebben van openheid, maar er in geoefend te zijn, heimelijk te werk te gaan.
Deze en dergelijke uitspraken toonen wel aan, dat Bacon's opvattingen niet zeer hoog waren en zijn optreden tegenover Essex blijft een schandvlek op zijn naam werpen.
Toch mag men niet blind zijn voor de goede zijden zijner persoonlijkheid. Hij had een warme belangstelling voor wetenschap en een vast geloof aan den vooruitgang der menschheid; hij was voor zijn omgeving een goed mensch: zijn dienaars hielden van hem, zijn vrienden bewonderden hem.
Tusschen Bacon's karakter en zijn wetenschappelijk werk is zekere overeenkomst: hij heeft groote plannen, spreekt groote beginselen uit, maar toont niet de volharding te bezitten, om al zijn plannen uit te voeren, zijn eigen beginselen toe te passen.
Werken.
Nadat hij eerst een reeks opstellen geschreven had (Essays), wilde hij een groot werk schrijven over de vernieuwing der wetenschappen de "instauratio magna."
Berekend op meerdere deelen voltooide hij er twee. In de "Vooruitgang der Wetenschap" (Advancement of learning 1605) dat in 1623 in vermeerderde Latijnsche vertaling verscheen, tracht hij een overzicht te geven, van wat de wetenschap tot dusver geleerd had en wat haar te doen overbleef. De methode waarnaar de wetenschap te werk moest gaan, ontwikkelde hij in het Novum organum [61] (1620).
Bacon's stijl is levendig, pittig. Lezen we zijn werken, dan krijgen we een veel moderner indruk dan bijv. uit die van de Italiaansche natuurfilosofen. Bacon behoort tot den nieuwen tijd. Graag gebruikt hij beeldspraak, waardoor hij de dingen soms heel treffend weet uit te drukken.
Hoofddoel.
Bacon's aandacht was vooral gericht op de natuurwetenschap, die volgens hem te veel verwaarloosd was: de Grieken hadden zich 't meest met moraal, de Romeinen met 't recht, de middeleeuwen met de theologie bezig gehouden. De natuurkennis moet ons inzicht geven in den samenhang der verschijnselen, om de wetten van het natuurgebeuren leeren kennen. Maar Bacon wil niet alleen de studie der natuur uit theoretisch oogpunt. Hij is te veel een kind van zijn tijd, die vervuld was met 't gewicht van uitvindingen en ontdekkingen. De natuurkennis geeft ons macht: zij onderwerpt de natuur aan den mensch en deze kan tot groote cultuurhoogte stijgen. Hoe juist Bacon hier gezien heeft, blijkt uit het fragment van zijn staatsroman. Hij schildert een eiland, waar tal van 19de en 20ste eeuwsche dingen (telefoon, vliegmachines, enz.) niet ontbreken en door allerlei maatregelen ziekten worden bestreden.
De wetenschap mag niet als een deerne tot lust gebruikt worden, maar mag evenmin onvruchtbaar blijven als een non.
Idola.
Op den weg naar kennis liggen echter zwarigheden en voor wij beginnen met waarnemen, moeten wij ons verstand louteren. Allerlei "denkfouten" zouden wij met een modern woord zeggen begaan wij. Bacon geeft een zeer geestig overzicht van de onderscheidene idolen zooals hij ze noemt en is daarmee al een voorlooper van John Stuart Mill, die ruim twee eeuwen later in zijn systeem der logica een uiterst scherpzinnige behandeling der denkfouten gaf. Allereerst zijn er de idolen, die eigen zijn aan den stam, aan den mensch in 't algemeen. Daartoe behoort de menschelijke neiging, om de dingen op te vatten naar analogie van den menschelijken geest; omdat onze geest zich bijv. gelijk blijft, meenen wij dit gelijk blijven ook in de natuur waar te nemen, al is 't er feitelijk niet. Bijgeloof ontstaat, doordat wij meer letten op de gevallen, waarin een zeker vermoeden bevestigd wordt, dan op die, waarin bevestiging uitblijft. Ons denken wordt door 't gevoel beïnvloed, 't naastbijzijnde verkiezen wij boven 't ver afliggende, al is dit het bestudeeren meer waard; wat onze zinnen direct kunnen waarnemen, vinden wij merkwaardiger dan de dingen, die zich aan de zinnelijke waarneming onttrekken, en toch zijn de fijnere veranderingen dikwijls 't meest belangrijk.
Ieder mensch bekijkt de wereld als van zijn eigen standpunt, als uit zijn eigen "hol." Daardoor ontstaan de holidolen. Deze zijn in tegenstelling met de zoo even genoemde, die aan alle menschen gemeen zijn, verschillend bij de menschen. Sommige menschen bijv. zijn steeds geneigd, het algemeene in 't oog te vatten, anderen letten meer op het bijzondere. De een dweept met 't oude, de ander vliegt op met al wat nieuw is. Ieder heeft dus zijn eenzijdigheid en daarvoor geeft Bacon den raad, dat elk onderzoeker dat 't meest wantrouwen zal, wat hem 't meest inneemt.
Uit het verkeer der menschen ontspringt een derde groep idolen, die der markt.
Bacon heeft hier vooral het oog op de taal, die verkeersmiddel is, maar dikwijls aanleiding tot misverstand. Niet zelden loopt de strijd meer over een woord dan over een zaak. Soms zijn er woorden, waarbij men zich eigenlijk niets denken kan, soms kan men met één woord tal van dingen aanduiden.
De laatste groep vormen de idolen van het theater. Zooals men door coulissen en geschilderde doeken schijn geeft in plaats van werkelijkheid, zoo hecht men soms meer aan overgeleverde meening, aan wat door autoriteiten bijv. Aristoteles verkondigd is, dan aan de werkelijkheid. Hij wijst dan nader aan, hoe in alle tot dusverre gevolgde stelsels fouten zitten. In 't bijzonder waarschuwt hij er tegen, de theologie met de filosofie te vermengen.
Behalve de idola wordt het onderzoek nog bemoeilijkt door de onvolkomenheden onzer zinnen. Zooveel mogelijk moet men deze met instrumenten te hulp komen. Waar de eene zin ons een bedrieglijke kennis geeft, daar moet een andere hem verbeteren. De zinnen zijn de poorten van den geest, door hen komt de kennis onze ziel binnen, door de rede alleen krijgen we geen kennis. De zinnelijke ervaring echter moet verwerkt worden; op zich zelve is ze niet voldoende.
Wij moeten niet doen als de spin, die een geheel nest uit zich zelf voortbrengt; evenmin als de mieren, die alles aandragen en op één hoop brengen, maar als de bijen, die het uit bloem bij bloem gehaalde verwerken tot honing en was.
Inductieve methode.
Hoe stelt Bacon zich dan de inductieve methode voor?
Het duidelijkst kunnen wij dit maken aan het voorbeeld, dat Bacon zelf geeft; een onderzoek naar den "vorm" der warmte. Het begrip vorm staat niet vast. Soms wordt er mee bedoeld het wezen der dingen, soms de wet, tengevolge wier werking het verschijnsel ontstaat. Dat Bacon dit allebei onder "vorm" verstond, ligt waarschijnlijk hieraan dat hij 't wezen der dingen niet meende te kunnen kennen, dan door de werking te leeren kennen, die de dingen voortbracht.
Bacon wil nu den vorm der warmte leeren kennen. Daartoe schrijft hij op eene tabel alle gevallen, waarin warmte voorkomt, bijv. zonnestralen, bliksems, broeiend hooi, enz. Zijn de berichten, waarop men soms moet afgaan, twijfelachtig, dan moet men experimenten nemen.
Op een andere tabel wil nu Bacon de verschijnselen opschrijven, waarin de warmte niet optreedt. Het spreekt vanzelf, dat die lijst oneindig zou kunnen worden. Daarom moeten alleen die verschijnselen genomen worden, welke met die, welke veel warmte vertoonen, overeenkomen. Als zoodanig wordt bijv. 't maanlicht genoemd, dat, naar Bacon meende, geen warmte gaf [62].
Een derde tabel ten slotte moet die verschijnselen bevatten, waarin de warmte in zeer verschillende graden voorkomt; bijv. een beetje in een dier, meer in een, dat zich heeft ingespannen, dat koorts heeft enz. Zijn deze tabellen gereed, dan kan men met de inductie beginnen, allereerst, door uit te sluiten, wat de warmte-oorzaak niet is [bijv. de warmte is niet uitsluitend aardsch, (zon) niet uitsluitend hemelsch, (maan) etc.]. Om nu te komen tot den vorm der warmte, mag men op grond van gevallen, waarin de warmte zeer duidelijk optreedt, een voorloopige hypothese opstellen. Dit is als een eerste wijnlezing. Proeven kunnen die hypothese bevestigen: men kan nagaan of overal waar de vermoede oorzaak optreedt, warmte ontstaat. Met het opstellen en verifieeren dezer hypothese is Bacon niet tevreden. Hij wil alle gevallen uitsluiten, waarin de gezochte vorm niet gevonden wordt. Omdat dit aantal echter oneindig groot zou zijn, wijst hij bijzonder geschikte aan, niet minder dan 27. Vermelding verdient in 't bijzonder dat van den handwijzer (crucis).
Als men tusschen twee oorzaken als grond van een verschijnsel heeft te kiezen, dan kan men een proef bedenken, waarbij de eene oorzaak niet voorkomt, en dan nagaan, of 't verschijnsel al of niet intreedt. Van het nut van 't experimentum crucis is ook de huidige wetenschap ten zeerste overtuigd, en dikwijls beklaagt men zich over de onmogelijkheid, om het te nemen. (Stel bijv. dat iemand genezen is na aanwending van een bepaald geneesmiddel. Het experimentum crucis, waardoor men zou kunnen uitmaken, of dat geneesmiddel werkelijk de oorzaak der beterschap was, zou hierin bestaan den patiënt weer ziek te laten zijn en te blijven zonder dat middel, wat natuurlijk onmogelijk is. De landbouwkunde maakt bijv. veel van het experimentum crucis gebruik, waar zij op gelijke gronden in gelijke tijden dezelfde gewassen verbouwt, met en zonder een bemesting). Bacon's methode komt neer op een aftrekking. Trek van alle omstandigheden, waaronder een verschijnsel optreedt, die af, waaronder het ook niet optreedt, en in de overgehoudene moet de oorzaak zijn. Bacon zelf achtte deze methode dan ook zoo eenvoudig, dat hij ze verre stelde boven de "ingeving" van het genie.--Zooals een ongeoefende met een passer veel beter cirkels trekt, dan een geoefende uit de vrije hand, zoo zou ook met zijn methode een middelmatig mensch verder komen dan een genie volgens de oude. Bacon's methode is in beginsel juist. Het bezwaar ligt in de toepassing en Bacon heeft dit zelf ook wel gevoeld: onze kennis is zoo beperkt, dat wij onmogelijk een overzicht kunnen krijgen van alle gevallen. Daarom blijft in veel sterkere mate dan Bacon zich dit voorstelde--de ontdekking van den grond of oorzaak van een verschijnsel altijd een daad van het genie. Kon de methode dus niet dat presteeren wat Bacon er van verwachtte, legt hij te veel nadruk op de inductie en vergeet hij te veel de deductie, (waarschijnlijk ook door gebrek aan wiskundige kennis), in zijn werken zijn zeer veel behartigenswaardige wenken voor de methode gegeven en zijn invloed is groot geweest: hij heeft de waarde van eigen onderzoek, van ervaring, helder in 't licht gesteld. Zijn ideeën oefenden ook veel invloed uit op de paedagogische denkers van dien tijd en met name heeft Johan Amos Comenius (1592-1671), de auteur der Groote Onderwijsleer in eenige zijner werken (De Wereld in beelden. De geopende poort der talen) den grond gelegd voor de aanschouwing in 't onderwijs en is daardoor de Bacon der opvoedkunde geworden.
Godsdienst.
In godsdienstzaken houdt Bacon zich aan de kerkleer. Hij wil een scherp onderscheid tusschen theologie en filosofie, die elk hun kennisbron hebben: de eerste de openbaring, de tweede de zinnelijke waarneming. In de filosofie wil Bacon van geen teleologie weten, wel in de theologie. Hoe ongerijmder een geloofswaarheid aan ons verstand schijnt, hoe meer wij God eeren, door haar te gelooven. Eigenaardig is Bacon's standpunt ten opzichte van het atheïsme. Dit is zeker verwerpelijk. Want de mensch moet, opdat hij niet door 't lichaamsleven tot de dieren dale, in betrekking komen tot een hooger wezen, waardoor zijn natuur veredeld wordt. Maar--het is beter geen meening omtrent God te bezitten, dan een verkeerde. Het atheïsme is ongeloof, het bijgeloof een beleediging. Dit laatste is dikwijls zeer onzedelijk en kan voor het gezonde leven van den staat gevaarlijk worden.
Door de scherpe scheiding tusschen geloof en wetenschap hield de Engelsche wijsbegeerte zich over 't geheel vrijwel buiten geloofskwesties. Er waren niet al te veel aanrakingspunten tusschen de empiristische wijsbegeerte en de theologie. En alle vijf groote empirische denkers: Bacon, Hobbes, Locke, Berkeley, Hume wilden het geloof zijn plaats laten en hielden zich voor 't dagelijksch leven min of meer aan de kerkleer.
Geheel anders ging het de groep denkers, onderling zeer verscheiden, die men in tegenstelling met de Engelsche empiristen, rationalisten pleegt te noemen. Hun rij begint met Descartes en zet zich over de verschillende Cartesianen (Geulinx' Malebranche), Spinoza, Leibniz en Wolff voort.
In Kant zullen dan beide stroomen zich vereenigen. Niet de ervaring, de empirie is voor deze groep denkers allereerst de kenbron der werkelijkheid, het middel om tot kennis te geraken, maar de rede, de ratio. Zij gaan uit van eenige grondstellingen en leidden daaruit hun systeem af.
Maar deze reeksen denkers loopen niet zuiver evenwijdig: er zijn allerlei toenaderingen en afbuigingen. Ook zijn ze niet scherp gescheiden, maar er bestaan tal van verbindingen.
HOOFDSTUK XI.
§ 40. Descartes.
Inleiding.
Descartes staat aan den ingang der Nieuwere Wijsbegeerte als de eerste groote stelselbouwer.
Nadat de renaissance voorbij was, trachtte men tot rust te komen. Er openbaarde zich een streven, afsluitende stelsels te vinden, gebouwd op beginselen, die zelf zeker en onomstootbaar waren. De vragen naar goed en kwaad traden op den achtergrond, ook de kennistheorie stond niet op den voorgrond. Dat waren de problemen der 18e eeuw. De 17e hield zich bezig met de vraag naar de verhouding tusschen God en wereld en wijdde haar aandacht aan verhouding tusschen geest en lichaam. Zij stond voor het probleem, of mensch en wereld als veelheden of als eenheden op te vatten waren. In de staatkundige ontwikkeling dier dagen, het ontstaan der absolute monarchie, 't streven naar een centraal gezag, vinden we van het filosofische streven een merkwaardige parallel. Frankrijks groote denker Descartes geeft de lijnen aan, waarlangs dit denken zich meer dan een eeuw zal bewegen.
Leven.
Hij werd in 1596 31 Maart te la Haye in Touraine geboren uit een adellijk geslacht. Als kind was hij lichamelijk zwak en zeer weetgierig. In het beroemde Jezuïetencollege la Flèche genoot hij zijn opleiding. (De Jezuïeten hebben zeer besliste verdiensten voor 't onderwijs gehad; vooral in den tijd van Descartes waren er uitstekende dingen in hun onderricht). Zijn leermeesters bleef hij steeds met dankbaarheid gedenken. Toch scheen het hem toe, dat hij niet veel opgedaan had, dat hij buiten de wiskunde weinig zekers had geleerd. Na zijn studietijd ging hij naar Parijs, leefde daar 't wereldsche leven mee, kreeg er genoeg van, sloot zich toen jaren op, werd ontdekt, geraakte weer in den maalstroom en ging daarna, om de wereld te leeren kennen, in krijgsdienst. Eerst in 't kamp te Breda onder Maurits. Hier maakte hij kennis met eenige Hollandsche wiskunstenaars. Daarna naar Duitschland. Hier laten zijn gedachten hem niet met rust. In het winterkwartier aan den Donau 10 Nov. 1619 ging hem plotseling het licht op, hij zag de grondslagen eener nieuwe methode helder voor zich. Zooals Bacon sprak van zijn nieuw organon en zijn methode boven alle andere achtte, zoo meende ook Descartes, dat hij zeer weinig aan zijn voorgangers te danken had, en alles zelf nieuw vond. Deze plotselinge verheldering bracht hem in een overspannen toestand; aan de Maagd Maria beloofde hij een pelgrimstocht naar Loretti, opdat zij hem hielp bij zijn denken. Later, toen er zich een geschikte gelegenheid aanbood, heeft hij die gelofte gehouden.
Na het soldatenleven weer op reis; in Frankrijk terug. In 1629 vestigde hij zich voorgoed in Holland. Hier heeft hij in verschillende plaatsen geleefd, o.a. te Franeker, A'dam, Endegeest. Zijn zinspreuk was: Wel leeft, die verborgen leeft. In Holland kon hij ook wegens het kille klimaat beter denken en de meerdere vrijheid, die hier heerschte, was voor hem ook niet te verwerpen, al zou hij later ook op droevige wijze kennis maken met de onverdraagzaamheid der Hollandsche protestantsche theologen. Zijn leven was hier niet eenzaam. Uit zijn brieven blijkt, dat hij, in het drukke bedrijvige leven van A'dam behagen schepte en zijn zinnen die vreugde liet geworden, die de filosoof hun niet behoefde te weigeren. Een liefdesbetrekking tot een A'damsch meisje, een verhouding waaruit een dochtertje geboren werd, dat op vierjarigen leeftijd tot Descartes' groote smart overleed, schijnt daartoe ook behoord te hebben.
In Holland was Descartes evenmin verstoken van omgang met andere geleerden. Een vriend uit Parijs, pater Mersenne, een oprecht Katholiek, zachtmoedig, welwillend, belangstellend, bracht hem in verbinding met mannen als Gassendi en Hobbes. In Holland vond Descartes rust. Hij maakte zich gereed een werk over de wereld uit te geven, waarin hij aantoonen wilde, dat de wereld zich naar mechanische wetten had ontwikkeld, toen hij hoorde, dat Galileï veroordeeld was evenals de leer van Copernicus. Oprecht geloovig, vredebegeerig, wenschte hij tot geen prijs in strijd te komen met de leer der Katholieke kerk en zag hij van de uitgave af. Zijn afkeer van boeken schrijven mag daartoe medegewerkt hebben. Toch gaf hij wel uit. Op aandrang van zijn vrienden verscheen in 1637 een bundeltje Essays te Leiden. (Het bevatte vier verhandelingen: een over de methode, twee over natuurkundige onderwerpen, één over de meetkunde, dat den grondslag legde voor een nieuwen tak der geometrie: de analytische meetkunde.) Het "Discours de la methode" bevat in een zeer zuiver Fransch geschreven, (Descartes behoort tot de klassieken der Fransche letterkunde zooals Bacon tot die der Engelsche) de geschiedenis zijner ideeën, de grondtrekken eener nieuwe kennistheorie en metafysica. Ook voor dezen tijd nog is het boekje zeer leerzaam. Nu volgden in 1640 de Meditaties, in 1644 de Beginselen der Filosofie beide in 't Latijn. De Meditaties, door bemiddeling van Mersenne aan een aantal geleerden gezonden, kwamen uit met de bedenkingen van dezen (o. a. Gassendi en Hobbes) en de tegenwerpingen van Cartesius. In 't Fransch verscheen dan in 1645 een werk over Gemoedsbewegingen, ontstaan door briefwisseling met Elizabeth van de Palz, dochter van den ongelukkigen winterkoning. [63]
Gedeeltelijk in de hoop dat hij iets voor deze vriendin zou kunnen doen, gedeeltelijk om bevrijd te zijn van de twisten met de Hollandsche theologen, gaf Descartes gehoor aan de roepstem van de kunst- en letterlievende koningin Christine van Zweden en reisde in 1649 naar Stockholm. Het hofleven, eertijds niet geheel zonder bekoring voor hem, beviel hem niet meer; het gure klimaat verdroeg hij niet: den 11den Februari 1650 overleed hij.
Leer. Metafysica.
Het uitgangspunt van Descartes' leer is de twijfel, niet, aan de mogelijkheid van kennis, maar aan de zekerheid der tot nu toe verkregene. Waar vinden wij het vaste kenmerk der waarheid? Hoeveel overgeleverde en ingebeelde meeningen bezitten wij niet! Droomen houden wij voor waar, zoolang wij droomen: eerst als wij ontwaken, bemerken we, dat we gedroomd hebben. Wie waarborgt ons, dat het geheele leven niet een droom is, waaruit we nimmer ontwaken? Kan een booze geest ons niet misleiden, en ons allerlei voorspiegelen?
Hoe nu aan een vast standpunt te komen, van waar uit we verder zullen gaan? Dit wordt gevonden in de zelfbewustheid. Waaraan hij ook twijfelen kan, niet aan het feit, dat hij twijfelt, dat hij bewustzijn heeft. Zoo komt Descartes tot zijn eerste stelling: Cogito, ergo sum. Ik heb bewustzijn, dus ben ik. [64] Hiermee heeft Descartes den grondslag gelegd voor zijn stelsel. Maar hij moet verder; hij moet tot het bestaan der buitenwereld, tot de mogelijkheid om haar te kennen, komen. Anders bleef hij staan bij wat wij thans solipsisme noemen. Zijn tweede stap is dat hij komt tot het bestaan Gods. Hij voert hier eenige bewijzen voor aan. Wij hebben een voorstelling van God als volmaakt, goed, alwijs, almachtig. Deze voorstelling kan niet anders dan van God zelf komen: het gevolg kan niet meer zijn dan de oorzaak.
Maar ook in het begrip van God moet als kenmerk zijn bestaan voorkomen. Dit is het z.g. ontologische bewijs van Anselmus (pag. 190), dat Descartes in andere woorden geeft.
Ten slotte voert hij ook het reeds van Aristoteles afstammende kosmologische bewijs aan. Wij moeten tot een eerste oorzaak der wereld, van den kosmos komen.
Een belangrijk kenmerk van God is zijn waarachtigheid. Hij kan ons niet misleiden. En als wij dus heldere en bepaalde voorstellingen hebben, dan mogen wij aannemen, dat ze waar zijn. Dwalen wij, dan geschiedt dit, omdat wij ons niet houden aan wat helder en bepaald is, en wij er een oordeel over uitspreken, dat, door de vrijheid van onzen wil, ook fout kan zijn. Zoo is de derde trap bestegen, en de twijfel geveld: Alles, wat zich klaar en bepaald aan mij voordoet, mag ik aannemen als waar.
Tot drieërlei substantie komt de denker nu.