Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2
Part 13
Naast, niet tegenover de scholastiek stond de mystiek en men vindt haar bijna door de geheele M.E. In menig punt sluit ze aan bij de Neo-Platonici. Dante is evengoed dichter van het mysticisme als van de scholastiek en het is een mysticus, Bernard van Clairvaux, die hem Maria toont.
Voor het gemoedsleven, ook van den modernen mensch, biedt de middeleeuwsche mystiek veel. Maeterlinck [53] sluit zich gedeeltelijk bij hen aan en Thomas à Kempis' "Imitatio Christi" is, in allerlei vertalingen en uitgaven, nog steeds in veler handen. Hoe sterk dit vrome boekje inwerken kan op een modern gemoed toont ons zijn behandeling door Mathys Acket.
De mystieken zijn de menschen der innerlijke ervaring; in hun eigen gemoed hebben ze gezocht, op eigen stemmingen nauwkeurig acht gegeven. Trouwe zonen der kerk meestal, spreken ze toch vele gedachten uit, die boven de kerkleer gaan en boven de tegenstellingen der partijen verheven zijn. Terwijl de Roomsch-Katholieke kerk de middeleeuwsche mystici dan ook geheel tot haar zonen rekent, zijn er eveneens denkers, die in hen voorloopers der Hervorming zien, omdat hun werken een geest ademen, vrij van kerkelijke dogma's. Zoo b.v. Bellaar Spruyt. Harnack daarentegen zegt:
"Nooit zal men de mystiek protestantsch kunnen maken zonder de geschiedenis en het protestantisme in 't aangezicht te slaan."
Eckhart.
Zeer bekend is geworden Eckhart, met wien de Duitsche [54] mystiek begint. De meeste middeleeuwsche denkers zijn geen Duitschers geweest; ze waren afkomstig uit Engeland, Frankrijk, Italië. Langzamerhand echter is de Duitsche filosofie opgekomen en sedert Kant is Duitschland het land der wijsgeeren.
Eckhart werd pl.m. 1250 in Thüringen geboren; behoorde tot de Dominicaner orde. Nadat hij professor in Parijs was geweest, leefde hij in Straatsburg en Keulen en stierf 1329, terwijl een onderzoek omtrent de rechtzinnigheid van zijn leer in vollen gang was.
Eckhart schrijft in het Duitsch en als zoodanig heeft hij groote verdienste voor de filosofische vaktaal, die hij mee gevormd heeft.
Het middelpunt van zijn leer is, dat de ziel, door God geschapen, terug moet keeren tot God. Alle zonde en boosheid ontstaat, doordat de mensch als zelfstandig wezen voor zichzelf bestaan wil: het Ik wil niet vernietigd worden. En daarom moet de mensch er met alle kracht naar streven, het ik te dooden, zich onafhankelijk te maken van begeerten en genietingen.
Terwijl wij in een dergelijk streven een der beste middelen zien om onzen wil te versterken, is dit voor Eckhart de weg, waarop onze wil gedood wordt.
Doch dit streven mag niet zijn om loon: dan waren we als kooplieden, als de wisselaars in den tempel.
Zoo mag het ons ook nooit om den schijn van heiligheid te doen zijn, godsdienstige zelfverheffing wordt sterk veroordeeld. Geen bijzondere roep van heiligheid, bijzondere woorden of gedragingen. Dit is ijdelheid.
De uitroeiing der "zelfheid" moet geschieden door lijden, niet zoozeer uitwendig, lichamelijk lijden als wel het inwendige, dat deemoedig maakt en in den diepsten grond van den deemoed ligt het hoogste toppunt der hoogheid.
Heeft zoo de mensch zijn zelf verloren, dan kan hij de Godheid aanschouwen, ja, hij gaat op in de Godheid, die hem opneemt als de zon het morgenrood. Alle kracht der ziel is dan ten slotte geconcentreerd op het eene: God zien. Dit eischt rust en vrede, de ziel moet zich aftrekken van alle uiterlijke dingen.
Maar uit dit aanschouwen, uit deze eenwording met God komt een kracht voort voor het dagelijksch leven: de mensch wordt door het "schouwende" leven zoo vol, dat hij zich uitstorten moet. Overal vindt hij zijn bezigheid. De wereld is vol van God en alle dingen, die de mensch dan doet, zijn de werken Gods.
Zelfs op een oogenblik, dat men in den derden hemel opgenomen was, zooals Paulus, zou het nog beter zijn, een arme, die dit noodig had, een bord soep te geven, dan in de ekstase te blijven.
Als dus alle werk Gods werk is, dan hebben de speciaal godsdienstige verrichtingen, b.v. bidden en vasten, geen hooger waarde dan andere. Zoo zegt hij: men wordt niet rein door het gebed, maar het gebed wordt rein door een rein hart.
De vereerders van reliquieën vraagt hij, waarom ze doode dingen zoeken in plaats van het levende heil.
Eckhart is een vrije, ruime geest. Hij komt tot levendig inzicht van de eischen der individualiteit: "Wat den eenen mensch ten leven wekt, strekt den anderen ten dood."
Tot de navolgers van Eckhart rekent men den beroemden prediker Johannes Tauler van Straatsburg ( 1361) en Heinrich Suso van Constanz ( 1365).
Nog even staan we stil bij Thomas à Kempis, naar alle waarschijnlijkheid de schrijver van de beroemde "Imitatio Christi." Hij was opgevoed in het fraterhuis van de broederschap des Gemeenen Levens te Deventer [55].
De Imitatie geeft niet zoo een geheel als Eckhart. Allereerst treedt hier op de vraag naar het heil der ziel. Men vindt dit, door van alle andere goederen en genietingen zooveel mogelijk af te zien, een rustig leven te leiden, niet veel omgang met menschen te zoeken, maar veel met Jezus. Wel zal men tegenover de menschen met liefde moeten staan; het "draagt elkanders lasten" is ook een leer van de Imitatio.
Naast en boven dit zoeken van eigen zieleheil staat zuivere liefde voor God:
"Om Uwentwille zal ik liever arm zijn dan rijk zonder U. Met U zal ik liever op de aarde een pelgrim zijn, dan zonder U den hemel te bezitten. Want waar Gij zijt is de Hemel. Maar Dood en Hel zijn, waar Gij niet zijt." [56]
DERDE AFDEELING.
DE OVERGANG TOT DE NIEUWE WIJSBEGEERTE.
HOOFDSTUK IX.
DE RENAISSANCE.
§ 33. Inleidende Opmerkingen.
De Middeleeuwen waren niet geheel zonder doorgaande ontwikkeling geweest. De aanraking der drie groote monotheïstische religies in de kruistochten, de groeiende bekendheid met de oudheid waren merkwaardige factoren voor den vooruitgang.
Geleidelijk--geleidelijker misschien dan men zich zoo algemeen voorstelt--gaan de Middeleeuwen in den nieuwen tijd over. Door eenige groote feiten is die overgang mee veroorzaakt.
De uitvinding en steeds verdere toepassing van het buskruit verminderden de gevechtswaarde van den enkeling: den dapperen, geoefenden ridder, en deden de waarde dalen van zijn burcht als verdedigingsplaats. Zoo kwam er een verandering in de maatschappelijke verhoudingen, die ook zeer gewijzigd werd door de groote zeereizen: de ontdekking en voortgaande verovering van Amerika, het vinden van den zeeweg naar Indië opende den handel nieuwe wegen. Meteen had er eene groote verruiming van gezichtskring plaats.
De uitvinding der boekdrukkunst maakte sneller verbreiding van kennis mogelijk. Het opnieuw bestudeeren van de klassieken deed het geestelijk leven stijgen. Dante (bladz. 185) had reeds teruggewezen op vroegere tijden; het Romeinsch keizerschap was zijn ideaal, Vergilius [57] zijn dichter geweest. Maar aan die liefde voor de oudheid had hij gepaard belangstelling in het heden. Hij schiep zijn taal.
Petrarca ( 1324) en Boccaccio (1313-1375) waren in dezelfde richting werkzaam geweest.
In 395 was het groote Romeinsche rijk verdeeld. Het westelijk gedeelte bezweek in 476 voor de invallen der van alle zijden opdringende stammen. Het Oostersch keizerrijk met Byzantium--Konstantinopel--tot hoofdstad bleef, onder al zijn felle burger- en godsdiensttwisten en bij toenemend inwendig verval, iets van de antieke traditie bewaren. In de 15de eeuw komen Byzantijnsche geleerden naar Italië (1430 Gaza; 1438 Georgios Gemistos). Ze brengen den Italianen grooter kennis der oudheid.
En als in 1453 Constantinopel bezwijkt voor de aanvallen der Turken, wijken meerderen uit naar Italië.
Hier ontstaat de herleving der klassieken, de Renaissance in engeren zin. Deze beperking voegen we er aan toe. Immers de geheele geestelijke beweging van pl. m. 1450-1600 of 1650 pleegt men ook Renaissance te noemen en deze is veel meer dan een terugkeer tot- en bestudeering van de oudheid.
Individualiteit.
Dat zij in Italië ontstaan was, behoeft niet te verwonderen. Niet alleen de sterke belangstelling voor de oudheid, is haar oorzaak.
Er waren ook andere invloeden. Zij bewerkten, dat het individu los werd van de boeien der M.E. Eenerzijds was er een sterk nationaal gevoel, anderzijds waren er vele steden en staatjes in voortdurenden strijd, waarbij de steden weer in partijen verdeeld waren: zoo werd het individu minder kuddedier, zoo kon het meer gelegenheid krijgen, zijn eigen plaats te zoeken in den strijd. Het individu kon zich naar buiten uitleven. Daarnaast kwamen persoonlijkheden, die, al het gehaspel moede, zich uit de wereld terugtrokken en in de stilte hun persoonlijkheid naar binnen cultiveerden.
Zoo zijn dit de eerste kenmerken der overgangsperiode: Terugkeer naar de oudheid; cultus der persoonlijkheid. En meer dan terugkeer naar 't oude geeft ze vernieuwing en verjonging te zien; nadat eeuwen lang de mensch lid en onderdaan is geweest van een geestelijke en wereldlijke gemeenschap, wordt hij nu een zelfstandige persoonlijkheid: dit is de ontdekking van den mensch.
De mensch, die zich voelen gaat, rukt aan zijne ketens: kerk, scholastiek, Aristoteles. Gehoorzaam zoon der kerk blijven velen, maar Aristoteles moet het ontgelden. Vrij van diens leiband, kan het jonge denken echter zelf nog niet alleen loopen, het zoekt naar een anderen steun, en vindt dien in onderscheidene Grieksche systemen; bij Plato, zooals die gekend werd door de Neo-Platonici, vooral. Maar deze reactie tegen Aristoteles wekt eene actie vóór hem. Zijn aanhangers willen hem verdedigen (niet alleen geestelijk, maar soms werden bij de groote disputen de vormen van A. met de vuisten verdedigd tegen de ideeën van P.). Ze zijn genoodzaakt de puntjes op de i te zetten, en zich klaar uit te drukken over A's bedoeling. Zoo komen er verschillende opvattingen, die samenhangen met het onderscheid tusschen de afwijkende teksten van A. en de zoo wijd uiteenloopende commentaren daarop.
Zoo is dan het begin, de tijd van 1450-1550, vol van strijd tusschen de aanhangers van Aristoteles en Plato en zien we vertalingen van en toelichtingen op hun werken verschijnen.
Toch was het nieuwe leven te krachtig, dan dat het vrede kon houden bij den enkelen terugkeer naar het oude.
Op 't gebied der natuurfilosofie, van de staatsleer, van den godsdienst streeft men naar nieuwe systemen.
Toch komen nog niet de groote wijsgeerige systemen. Maar voor de moderne natuurkundige wetenschap worden de grondslagen versterkt en de methoden aangegeven.
Dan, als de band van het oude gebroken is, de jeugdige kracht zich een weinig heeft uitgeraasd, en het feitenmateriaal belangrijk is vermeerderd, komen de groote denkers. Met Descartes mag men de geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte laten aanvangen na de Renaissance.
De overgangstijd is vol van namen. Ons bestek zou niet dan de korte opsomming hiervan gedoogen. Liever bepalen we ons dus tot de vermelding van enkelen, die meer beteekenis hebben en die we als vertegenwoordigers van hun tijd kunnen beschouwen.
CUSANUS 1401-'64.
Nicolaus Chrypffs, naar zijn geboorteplaats Kues Cusanus geheeten, ontving zijn opvoeding in 't Fraterhuis te Deventer, studeerde te Padua en werd later kardinaal. Hij biedt een interessant beeld van den uitgang der M.E. Toch zijn er in hem ook nieuwere elementen, b.v. zijn bestrijding van het bijgeloof, dat aan heksen hecht.
Zijn belangstelling voor theologische vraagstukken de vele mystieke elementen in zijne leer plaatsen hem in de Middeleeuwen. Tot den nieuwen tijd behoort zijn liefde voor natuur- en wiskundige wetenschappen. Groot is zijne bewondering voor Plato en Plotinus en in zijn leer zijn dan ook zekere pantheïstische elementen; voor hem valt alles samen in God; Hij omvat alles en is met geen praedicaat te bepalen.
Twee dingen zijn het vooral, die Cusanus voor ons merkwaardig maken.
a. Zijn beschouwing der aarde. Hij plaatst haar niet langer in het middelpunt: de oneindige wereld kon geen middelpunt geven. Maar waar Cusanus het geocentrisch systeem bestrijdt, stelt hij er geen heliocentrisch stelsel voor in de plaats.
b. Merkwaardig is zijn boek: de docta ignorantia (letterlijk: over de geleerde onwetendheid.) Al ons weten is eigenlijk maar vermoeden. De geheele, volle waarheid valt ons nooit ten deel.
Maar zooals een veelhoek steeds meer den cirkel naderen kan, zoo kan vermoeden steeds meer tot weten komen. Het bewustzijn, dat onze kennis ontoereikend is, mag ons niet ontmoedigen: het is een aansporing, om te onderzoeken.
In Duitschland hebben sommigen in Cusanus den vader der nieuwere wijsbegeerte willen zien. Misschien is het sterke Duitsche nationaliteitsgevoel hieraan niet vreemd.
§ 34. Natuurfilosofen.
De natuur is de geheime liefde der Renaissance geweest. Wordt de taalwetenschap druk beoefend in de laatste helft der 15de en 't begin der 16de eeuw en kampen in Italië aanhangers van Plato en Aristoteles--in de 16de eeuw treffen we een groot aantal natuurfilosofen aan.
Bij scherpzinnige gedachten voegen ze veel fantasterij; naast gezonde, vruchtbare beginselen, staan allerlei speculaties, gespeend aan de vruchtbare bron van natuurkennis: ervaring en feitenonderzoek. Opmerkelijk, hoewel niet bevreemdend, is dat sommige dezer denkers ook in hun uiterlijk leven een zekere overeenkomst met hun leer vertoonen; zooals hun leer fantastisch is, zoo is hun leven avontuurlijk.
Velen trekken van land tot land, doceeren op verschillende plaatsen, wat door een gemeenschappelijke taal, het Latijn, vergemakkelijkt werd.
PARACELSUS.
Zoo'n figuur is b.v. Theophrastus Bombastus Paracelsus (1493-1541), die een tijdlang, (1528-1531) professor te Bazel was. Hoewel hij aandringt op waarnemingen en erkent, dat boekenwijsheid ons niet tot 't doel voert, grondvest hij zijn leer meer op speculatie dan op waarneming. Toch heeft zijn geneesleer tot in 't laatst der 17de eeuw nog aanhang gevonden (Helmont 1577-1644). De beteekenis der scheikunde voor de geneeskunde heeft hij aangewezen.
De meeste natuurfilosofen zijn Italianen.
TELESIO.
Bernardino Telesio werd te Cosenza bij Napels geboren, studeerde te Rome, Milaan, Padua. Aan de hoogeschool in deze stad werd Aristoteles in hooge eer gehouden. Telesio kwam echter in Padua tot een breuk met 't Aristotelisme en doordat hij in Cosenza een academie stichtte, kwam er de tegenstelling tusschen 't meer conservatieve Noord- en 't meer vooruitstrevende Zuid-Italië. Hoewel hij eerst in hoog aanzien was geweest bij Paus Paulus IV, moest hij in 't laatst van zijn leven door de geestelijkheid, die zich erge gevolgen van de verwerping der Aristotelische leer voorstelde, gewantrouwd en nog voor zijn dood kwamen zijn boeken op den index. Hoeveel nieuws er in Telesio's leer zit, mogen de volgende opmerkingen leeren:
Hij wil niet door de rede, maar door de zinnen kennis verkrijgen. Hij meent dan te komen tot zekere kennis, die noch met de ervaring, noch met de kerkleer in strijd zal zijn, wat beide wel 't geval is met Aristoteles' leer. Deze valt hij dan ook aan; met name ageert hij tegen den vorm en de stof, waarvoor hij wil plaatsen de beginselen van kracht en stof. De krachten (hier kijkt de man van het overgangstijdperk om den hoek) zijn tweeërlei: een uitzettende--warmte--en een inkrimpende--koude--. Door deze krachten, die op de stof inwerken, komen allerlei verschillende dingen tot stand: De stof zelf vermeerdert of vermindert niet. Die krachten bezitten wel gewaarwording, ze merken elkaar op en werken daardoor op elkaar in (de krachten worden hier meer of min gepersonifieerd).
In zijn zielleer is Telesio eigenlijk materialist. De ziel is een fijne stof, spiritus, die in de hersenholten is. De prikkels der buitenwereld brengen in onzen geest een verandering. Het opvatten (het actieve aangrijpen) van deze verandering is waarneming. Op de waarneming berust alle kennis. Alle denken is waarneming. Herinnering is niets anders dan de herhaling der beweging, door de prikkels van de buitenwereld teweeg gebracht, hetzij die herhaling komt door gewoonte, hetzij, doordat er een deel der beweging weer opnieuw ontstaat.
Maar als slechts een deel gegeven is, kunnen we tot de voorstelling komen van het geheel: zien we het vuur, dàn komt ook de voorstelling van zijn warmte, enz. Ons verstand openbaart zich nu hierin, dat we een deel als geheel opvatten. Het verstand is dus eigenlijk een soort herinnering. Ook de laatste beginselen van ons denken berusten op waarneming: het principium contradictionis, dat A. niet tegelijk wel B. en niet B. kan zijn, wordt ons door de ervaring gegeven, die ons b.v. leert, dat sneeuw niet tegelijk wit en niet wit kan zijn.
Telesio is dus een beslist sensualist: alle kennis stamt uit de zinnelijke waarneming.
Tegen Telesio werd opgemerkt: ge strijdt zoo tegen de ratio--de rede: maar, wanneer ge zegt, dat er iets is, waardoor we van het deel tot het geheel komen, wat is dit dan anders dan de ratio?
Een dergelijke gaping vertoont Telesio's ethiek. Oorspronkelijk streeft de ziel, evenals de stof, naar zelfbehoud. De deugd is dus zelfbehoud en de wijsheid leert, wat noodig is om daartoe te geraken. Ze leert ons n.l. dat we niet buiten andere menschen kunnen: zoo ontstaat de welwillendheid jegens onze medemenschen, de humaniteit. Maar--en hier komt de gaping, want Telesio zegt niet, hoe deze deugd ontstaat uit de vorige--hooger is de sublimitas, de voorname, de hooge gezindheid.
Als geloovig Katholiek voegt Telesio nog iets aan zijn systeem toe: Naast de materiëele ziel, die zich stoffelijk heeft ontwikkeld, bezitten we nog een onsterfelijke ziel, ons door God gegeven. Het begeeren dezer ziel gaat uit boven de zucht naar zelfbehoud, en in de contemplatie vergeet zij al het stoffelijke. In welk verband we ons die ziel moeten denken tot de materiëele, zegt Telesio ons niet.
BRUNO.
De schitterendste figuur dezer natuurfilosofie, het zuiverste type is Giordano Bruno. Hij werd 1548 te Nola (Z. Italië) geboren, kwam jong in een Dominicaner klooster, geraakte door zijn vurigen aard in verzet tegen de kloostertucht en begon in 1576 zijn zwerversleven.
Over de Alpen naar Genève; hier misschien in conflict gekomen met 't Calvinisme [58], naar Toulouse, voorlezingen houdend voor de universiteit, in 1581 naar Parijs, dan naar Londen. Met veel praal en woordenrijkdom (de geleerden van dien tijd deden in hun opgeschroefde zelfverheerlijking eenigszins aan kwakzalvers denken) kondigt hij voorlezingen te Oxford aan. Hier in Londen heeft hij zijn belangrijkste werken geschreven. Van Londen trok hij naar Parijs, vandaar naar Duitsche steden. Op uitnoodiging van een jong edelman, die misschien wel de tooverkunst van hem hoopte te leeren, kwam hij naar Venetië. Deze jonge man voelt plotseling zijn geweten bezwaard en klaagt zijn leermeester en huisgenoot aan, die 23 Mei 1592 gevangen wordt genomen. Later wordt hij naar Rome gebracht. Het schijnt, dat hij eerst wat toegegeven heeft en sommige zijner leerstellingen heeft willen herroepen. Maar toen hij begreep, dat het ging om de vrijheid van denken, hield hij fier stand.
De geestelijke inquisitie leverde hem aan den wereldlijken rechter over met de bede: zonder bloedvergieten en zoo zacht mogelijk met hem handelen. Dit beteekende in de taal dier tijden den brandstapel. Den 17den Februari 1600 stierf Bruno den marteldood. Zijn asch werd naar alle vier windstreken verspreid.
In 1889 werd op de plaats, waar hij verbrand was, een marmeren standbeeld opgericht voor den grooten denker en martelaar, een hulde waartoe geheel de beschaafde wereld had bijgedragen. Thans is het dikwijls het middelpunt voor anti-clericale betoogingen.
Zonnestelsel.
In zijne natuurbeschouwing sluit Bruno zich aan bij Copernicus (vgl. § 38, blz. 227), maar hij voert diens gedachten tot grooter consequentie door: hij neemt aan, dat er geen hemelsferen zijn en dat er een oneindige ruimte is. Het opstellen dezer oneindige ruimte schijnt in hem een gemoedsbehoefte geweest te zijn, in de oneindigheid konden zijn sterke, maar meer vage gevoelens zich verliezen. Hij is een geestdriftig dweper voor 't oneindige. Een parallel zijner beschouwingen over 't zonnestelsel vinden we in zijn theologie: God is de oneindige; de wereld, zijn schepping, is ook oneindig. Aan te nemen, dat God, die de oneindigheid had, die ook in zijne schepping niet geven zou, streed tegen zijn Goedheid. Ook kan men zich niet iets als mogelijk en niet-werkelijk bij God denken: mogelijkheid en werkelijkheid zijn tegenstellingen, die in den mensch liggen, niet bij God te zoeken zijn.
Bruno heeft voor het recht van 't Copernicaansche wereldbeeld gestreden en het uitgebreid. Dit is zijn groote beteekenis.
In zijn filosofische ideeën is hij meer vaag en zijn standpunt is niet steeds hetzelfde. Hij begint als Platonist en ziet in de wereld een emanatie der Godheid. Langzamerhand echter, reageerend op Plato en Aristoteles, krijgt zijn leer een meer realistisch karakter: Hij wordt zeer getroffen door de beteekenis der stof, ziet in haar niets verachtelijks, maar veeleer een goddelijke oorzaak der dingen. Naast de stof staat echter eene geestelijke substantie, die alle vormen bevat. In zooverre is dus Bruno dualist. Maar bij hem is een streven naar eenheid. Beide, de stof en de geestelijke substantie, laat hij uit één wortel ontspringen. In dat Eéne vallen alle tegenstellingen weg. God is dus meer negatief te bepalen, door wat hij niet is, dan positief door wat hij is. Waardoor nu uit de Eenheid zich de Veelheid ontwikkeld heeft, hoe het komt, dat uit God, in wien alles vereenigd is, zich het stoffelijke en 't geestelijke heeft gescheiden, dat alles behandelt Bruno niet.
Deze opheffing der tegenstelling gaat gepaard met een optimistische wereldbeschouwing: van hemelsch standpunt gezien, bestaan verandering, dood, ongeluk, vernietiging niet. Deze optimistische stemming echter vermag Bruno slechts zoolang vast te houden, als hij in hoogere regionen vertoeft. Komt hij op aarde, dan wordt hij door de tegenstellingen en de misères van 't aardsche leven sterk aangegrepen en vat die tragisch op.
In zijn latere werken bracht Bruno nog meer wijzigingen in zijn opvattingen, die echter niet alle even duidelijk zijn.
In al zijn beschouwingen is echter éen gemeenschappelijke trek overheerschend: de natuur is eeuwig, oneindig, onvernietigbaar. Hij meent dat dit overeenstemt met den godsdienst en houdt deze daarom voor niet-tegenstrijdig met zijn wijsbegeerte. Het hoogste doel van deze is ook: kennis Gods. Het is tegelijk haar grens: God is alleen door het geloof te naderen en Hij wordt meer door zwijgen dan door spreken geëerd.
Het schijnt wel, dat in sommige zijner geschriften Bruno den godsdienst meer voor de massa en de weinig gevorderden noodig heeft geacht, de wijsbegeerte als het goed heeft aangezien voor degenen, die zich zelf en anderen kunnen beheerschen.
Hoe vrij Bruno overigens in godsdienstzaken denkt, moge hieruit blijken, dat hij, zij het ook bedekt, te kennen geeft, dat Christus daarom vereerd wordt, omdat hij de beste mensch was, en als zoodanig ook eerste priester is geworden.
CAMPANELLA.
De derde groote Italiaansche natuurfilosoof is Thomas Campanella. Hij had een tragisch leven. In 1568 in Calabrië geboren, op 19-jarigen leeftijd uit studielust Dominicaner monnik. Later voor de inquisitie gedaagd: wegens de grootheid zijner kennis werd hij van tooverij beschuldigd, maar vrijgesproken. Toen door de Spanjaarden gevangen gezet, als verdacht van samenzwering: 27 jaar lang bleef hij in hechtenis: "Vrij en toch gebonden, ledig en toch arbeidzaam, eenzaam en toch niet alleen." Na zijn vrijlating ging hij naar Parijs en toen hij hier kwam, waren zijn denkbeelden reeds klaarder en zuiverder door een ander uitgesproken: Descartes.