Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2
Part 12
Zoolang dus de christen op aarde is, strijdt hij, is zijn wil werkzaam. Is hij eenmaal in de gelukzaligheid, dan zwijgt zijn wil: het aanschouwen Gods is zijn gelukzaligheid: voor de aarde wil en handeling en strijd, voor de eeuwigheid vrede en aanschouwing.
HOOFDSTUK VIII.
DE SCHOLASTIEK.
§ 30. Het begrip, de phasen, de denkers.
De patristiek had getracht, het Christelijk geloof te formuleeren en in Augustinus was de groote denker gekomen, die een groot systeem van dogmatiek geschapen had. Eeuwen volgen hem en wel staat het denken niet stil en is er ook een wijsgeerig leven aan te wijzen, maar eerst omstreeks 1000 komt er vooral in Italië, Frankrijk, Engeland en Duitschland, een nieuwe wijsbegeerte, de scholastiek. Zij heet zoo naar de schoolhoofden (scholasters), die in de Middeleeuwen het onderwijs gaven. De Scholastiek--en dit is bij zeer veel verschillen het gemeenschappelijke in haar,--tracht nu de door de patristiek vastgestelde dogma's verstandelijk te begrijpen en te verklaren. Men is wel gewoon haar in drie perioden te scheiden, doch dan moet men die scheiding zoodanig nemen, dat er eenerzijds de 1ste, anderzijds de 2de en 3de periode komt.
Eerste periode.
De eerste periode der scholastiek is haar opkomst. De eerste denker is Johannes Scotus Eriugena, door Karel den Kale uit Engeland naar Parijs geroepen. In zijn leer merkt men veel nieuw-Platonische elementen.
De groote baanbreker is dan Anselmus van Canterbury (1033-1109). Deze geestelijke was te Aosta geboren, werkte eerst in Normandië en werd later aartsbisschop van Canterbury. In de staatkundige geschiedenis is hij bekend geworden door zijn strijd tegen den Engelschen koning.
Voor de wijsbegeerte heeft hij vooral beteekenis door zijn bewijzen voor het bestaan van God.
Op de leer van een tijdgenoot van Anselmus (Roscellinus), zullen we eveneens terugkomen.
Tot de leerlingen van Roscellinus behoorde ook Pierre de Palet (Abaelard), (1079-1142), een zeer welsprekende, indrukwekkende, roemzuchtige persoonlijkheid, (die door zijn vurige liefde voor Heloïse zoo bekend geworden is). Hij nam in den strijd dier dagen een middenstelling in. Hij begon met een soort encyclopedie der godgeleerdheid te schrijven (sic et non), waarin hij de leer van verschillende kerkvaders weergaf. Dit werd een voorbeeld voor de latere "summae," samenvattingen der wetenschappen; in het samenstellen daarvan verwierf Abaelards leerling Petrus Lombardus ( 1164), bisschop van Parijs, zich grooten roem.
In deze eerste periode der scholastiek gaat men uit van het denkbeeld dat de kerkelijke leerstukken volkomen overeenstemmen met de wetenschap.
Arabische en Joodsche denkers.
Tot 1200 ongeveer had men in het Westen zeer weinig kennis van de geschriften der oude Grieken. Van Plato en Aristoteles bezat men slechts brokstukken, en vele hunner ideeën kende men slechts uit de tweede of derde (niet steeds vertrouwbare) hand. Langzamerhand echter geraakt men hoe langer zoo meer bekend met de werken der Grieksche denkers en dankte dit vooral aan de Arabieren. Nadat Mohammed ( 632) zijn nieuwen godsdienst gesticht had, verbreidde zijn leer zich snel, zoowel naar het Westen als naar het Oosten. Hier ontstond een bloeiend kalifaat met Bagdad als hoofdstad, ginds kwam het in 711 veroverde Spanje tot grooten bloei en was Cordova een middelpunt van wetenschap.
Gedeeltelijk door Syrische overzettingen waren de Arabieren [48] met de Grieksche denkers bekend en in breedheid en in omvang van kennis gingen zij het Westen te boven. Ook de Joden, die over het geheel een goed lot in Spanje hadden, hadden hun aandeel aan de beoefening der wijsbegeerte.
In 't algemeen hadden de Mohammedaansche denkers op de Christelijke hun grooter feitenkennis vooruit, zij waren geen geestelijken, maar velen waren artsen en zij waren niet onbekend met de werken van Hippocrates en beschikten dus over een grooter feitenmateriaal.
Ibn Sina (980-1038) of Avicenna, een groot geneeskundige, staat dichter dan eenig Arabisch denker bij Aristoteles. Als de grootste Arabische denker stelt men Averroës, in 1126 te Cordova geboren, lijfarts van den kalif, in 1198 gestorven, na te hebben moeten vluchten.
Merkwaardig is ook nog Ibn Tofail Abubacer. Hij schreef een roman, Hai ibn Jokthan, waarin hij schetst, hoe een, zonder menschen in de natuur opgegroeid kind, tot dezelfde religieuse waarheid komt als de kerk (bladz. 194).
De Joden droegen vooral door de vele reizen voor hun handel 't meeste bij tot de verspreiding der Oostersche wijsbegeerte. Als hun voornaamste denkers worden Maimonides (1135-1224) en Gersonides (1288-1344) genoemd. In hun wijsbegeerte sloten ze zich eng aan bij Averroës.
Het is zeer opmerkelijk dat de Kruistochten (1096-1291), die zooveel strijd brachten tusschen Christenen en Mohammedanen, waarbij gruwelijke jodenvervolgingen plaats hadden, meer verbinding brachten tusschen de drie groote monotheïstische godsdiensten en het Christelijk denken onder sterken invloed bracht van 't Arabische.
Tweede periode.
De volgende perioden der scholastieken zijn dus van de eerste hierdoor onderscheiden, dat zij over veel grooter kennis van de Grieksche wijsbegeerte beschikken en dat met name Aristoteles meer en meer gewaardeerd wordt tot hij ten slotte de filosoof der Middeleeuwen is. Zooals Johannes de Dooper Christus' voorlooper was in het geestelijke, is Aristoteles het in zaken betreffende de natuur. In de tweede periode der scholastiek voelt men niet meer de algeheele overeenstemming van filosofie en wetenschap. Sommige waarheden kunnen op wetenschappelijke of verstandsgronden bewezen worden. Met deze houdt zich de philosophie bezig, zij zijn de "theologia naturalis." Maar er zijn ook leerstukken, die niet aldus zijn te bewijzen, die ons verstand te boven gaan; deze moet men gelooven. Dit is de geopenbaarde theologie (theologia revelata).
Dit bloeitijdperk der scholastiek wordt ingeleid door Albertus Magnus. Albertus von Bollstädt, geboren in 1193 te Lauingen, studeerde in Italië, gaf onderricht in Keulen en Parijs, werd bisschop van Regensburg en stierf in 1280 te Keulen. Hij beschikte ook over een groote mate van andere dan theologisch-wijsgeerige kennis (plantkunde).
In Thomas van Aquino bereikt de scholastiek haar hoogtepunt en zoo niet de grootste na Augustinus, is hij een der grootste denkers der Middeleeuwen geweest. Reeds zijn leven getuigt van zijn vurige liefde voor studie. Hij werd uit een adellijk geslacht in 1225 in Beneden-Italië geboren. Hij werd opgevoed in het beroemde klooster Monte Christo en het voorbeeld der monniken daar deed zijn lust ontwaken om te studeeren. Dit was zeer tegen den zin van zijn vader, die hem natuurlijk voor den krijgsdienst bestemd had. Op allerlei wijzen (oplichting, gevangenschap, mishandeling, smeekbeden, verleiding) poogde men hem van zijn voornemen te gaan studeeren af te brengen, maar niets gelukte. Eindelijk kon hij zijn wensch vervullen: hij ging bij Albertus Magnus studeeren. In verschillende plaatsen heeft hij gedoceerd, op kerkvergaderingen was hij een zeer beroemde en geziene persoonlijkheid wegens zijn vredelievend karakter en zijn geschiktheid tot bemiddelen.
In 1274 overleed hij in Italië. Zijn vele werken zijn alle glashelder geschreven en toonen dat hij een zeer fijn en scherpzinnig verstand paarde aan een edel gemoed. Ook waar hij tegenstanders bestrijdt blijft hij onpartijdig en eerlijk. Niet ten onrechte verwierf hij den naam van doctor angelicus. In 1323 verklaarde de katholieke kerk hem heilig. De wijsbegeerte van den heiligen Thomas wordt aan de Amsterdamsche gemeentelijke universiteit gedoceerd door prof. De Groot, die ook zijn leven beschreef.
Zijn dichterlijke uitdrukking vond de scholastiek in het grootsche werk van Dante. De dichter werd in 1265 te Florence geboren, geraakte door partij-twisten in ballingschap, vertoefde in verschillende plaatsen van Italië en stierf 1321 te Ravenna. Het beroemdst is hij geworden door zijn Goddelijke Comedie die uit drie deelen bestaat: Inferno (de hel), Purgatorio (het vagevuur), Paradiso (het Paradijs [49]). Dante voert den lezer eerst door de hel, leert hem de straffen der verschillende misdadigers kennen. Daarna komt de dichter in 't vagevuur en beschrijft hoe hij van zonden gelouterd wordt. Na het vagevuur stijgt hij op door de verschillende hemelsferen; Thomas van Aquino, de kerkvaders, de geleerden wonen in de sfeer der zon: boven hen staan de geloofshelden, de rechtvaardigen, de heilige kluizenaars, in de sferen van Mars, Jupiter en Saturnus. In de sfeer der vaste sterren verschijnen de apostelen. In het uiterste der geschapen wereld wonen de engelen, in negen orden [50] verdeeld en eindelijk ziet hij de Moedermaagd, welke Bernard van Clairvaux hem toont.
Dante's werk is de grootsche dichterlijke uitdrukking van geheel het gedachtenleven der M.E. Het geeft een zinnebeeldige voorstelling van hemel, hel en vagevuur, maakt ons bekend met de ethiek, toont de twee zijden van 't Middeleeuwsche denken: de scholastiek en de mystiek, en geeft uiting aan de staatkundige gevoelens van dien tijd.
Van zijn Commedia, door het nageslacht de goddelijke genoemd, zegt Ten Kate:
Het heerlijkst, ooit in menschentaal geschreven, Waarin niet slechts de Middeleeuwen leven, Maar 's levens polsen kloppen, altemaal.
Ook andere geschriften van Dante hebben wijsgeerige waarde. (Over de Monarchie.)
Een tegenstander van Thomas van Aquino is Roger Bacon (1214-'92), die aandrong op natuurstudie en daarom vele vervolgingen had te verduren en Johannes Duns Scotus. Deze was afkomstig uit Engeland, waarschijnlijk pl. m. 1270 geboren, was in 1307 als leeraar werkzaam te Parijs, in 1308 te Keulen en is zeer jong gestorven. Tegenover de kerkleer staat hij even eerbiedig als Thomas, koestert ook groote achting voor Aristoteles, maar komt bij de poging, diens leer met de kerkleer in overeenstemming te brengen, tot geheel andere uitkomsten. Zijn stijl is heftig en paradoxaal, hij mist de vredelievendheid en de onpartijdige gelijkmatigheid van den doctor angelicus. Hij leidde een strijd in, die zeer lang geduurd heeft, den strijd tusschen Thomisten en Scotisten.
Derde periode.
In de derde periode der Scholastiek wordt men zich meer en meer bewust van de groote kloof, die er bestaat tusschen theologie en filosofie. Het aantal leerstukken die met het verstand kunnen begrepen worden, acht men steeds kleiner: niet alleen de drieëenheid, de erfzonde, de onsterfelijkheid, maar zelfs het bestaan van God worden er niet toe gerekend. Er komt strenge scheiding van gelooven en weten: het geloof wordt gegrondvest op de kerkelijke autoriteit. Eenerzijds geeft dit aanleiding tot een verdieping en versterking van het geloof, (het geloof alléén geeft de kennis, de rede niet), anderzijds is het de voorbereiding tot een nieuw leven der wijsbegeerte. Des te meer nog voelde men behoefte aan een nieuwe wetenschap, omdat deze periode gevuld was door allerlei strijd, die met vele spitsvondige redeneeringen en weinig zaakkennis gevoerd werd. Deze periode vooral gaf aan de Scholastiek haar slechten naam.
§ 31. De Problemen der Scholastiek.
Nominalisme en Realisme.
Het groote probleem, waarmee het middeleeuwsche denken zich heeft beziggehouden, is geweest de vraag naar den aard der begrippen. We herinneren ons, hoe Plato aan de begrippen een werkelijk bestaan toeschreef, hoe Aristoteles de vraag wel onder de oogen gezien, maar niet opgelost had: hij schreef aan de dingen een eerste bestaan toe, van de begrippen sprak hij als van tweede bestaandheden (bladz. 116).
In de M.E. nu zijn er denkers die zeggen: de begrippen bestaan niet. Wat alleen werkelijk bestaat, zijn de dingen. We geven eenvoudig aan een aantal verschillende dingen eenzelfden naam: die naam (nomen) is het begrip.
Daar een naam, een woord niets anders is dan (naar men meende) door de tong veroorzaakte trillingen, zijn de begrippen dus niet anders dan klanken, die als teeken voor vele dingen dienst doen.
Het schijnt, dat sommige nominalisten zich zelfs niet eens afgevraagd hebben wat er dan wel de oorzaak van was, dat er aan verschillende dingen een naam gegeven werd.
Het nominalisme werd het eerst verkondigd door Roscellinus. In de glansperiode der scholastiek treedt het minder op den voorgrond; in de derde periode wordt het weer sterk verdedigd, al is het nominalisme van Occam niet hetzelfde als dat van Roscellinus.
Tegenover het nominalisme staat het realisme, leerend, dat de begrippen werkelijk bestaan als zoodanig.
Het Realisme vertoont verschillende vormen.
Men neemt aan, dat er in alle dingen gelijke eigenschappen zijn. Die gemeenschappelijke eigenschappen vormen de kenmerken, den inhoud van het begrip. Wat er dus overeenkomstigs is in Socrates, Plato, Aristoteles, Zeno, Plotinus enz. dat is het begrip mensch. Het begrip zit dus in de dingen; wij nemen de dingen waar, merken het overeenkomstige op en komen zoo tot de kennis van het begrip. Dit is dan het realisme in re: de begrippen zijn in de dingen.
Deze begrippen nu, meenden velen, waren er al geweest, voordat de dingen er waren: ze waren de inhoud van Gods gedachten. De begrippen bestonden dus vóór de dingen. Dit is het realisme ante rem.
Er waren ook wel denkers, die aannamen, dat het begrip in elk ding gelijk was. Socrates was Plato, enz. Het is duidelijk, dat men bij dat realisme erg zijn best moest doen, om toch nog het klaarblijkelijk verschil tusschen Socrates en Plato te verklaren.
Averroës zegt: de begrippen zijn ante rem in de Goddelijke gedachte, in re in de werkelijkheid, post rem (na het ding) in ons denken.
Sermonisme.
Tusschen de nominalisten en realisten neemt Abelard een verzoenende middenstelling in. Het nominalisme verwerpt hij als onhoudbaar, het realisme aanvaardt hij ook niet. Dit bestrijdt hij vooral op dezen grond, dat het tot pantheïsme moet voeren. Immers, het eene begrip komt weer onder een ander. Zoo kan men ten slotte stijgen tot het hoogste, alles omvattende begrip, de Godheid, het algemeenst zijnde (ens generalissimum.)
Het woord wordt eerst in het oordeel tot begrip, het begrip bestaat door het menschelijk denken (in conceptu). Abelard's richting heet ook wel conceptualisme of sermonisme.
Daar het begrip het universeele (algemeene) genoemd wordt, heet de strijd tusschen nominalisten en realisten, gewoonlijk de universaliënstrijd. [51]
Hij werd in de M.E. niet alleen uit wijsgeerig oogpunt met zooveel heftigheid gevoerd, maar ook omdat er zich een groot aantal theologische kwesties over de erfzonde, de drieëenheid enz. aan vastknoopten.
Bewijzen voor 't Godsbestaan.
Aan de begrippen kenden dus de realisten werkelijk bestaan toe. Daarbij hebben sommigen nog de eigenaardige Grieksche opvatting, dat er meer en minder zijn kan wezen. Hoe algemeener een begrip, hoe meer zijn het heeft. Het meerder zijn wordt dan ook gelijk gesteld met het betere, het meer volkomene het algemeenste begrip heeft het meest zijn en is dus ook het volmaaktste.
Het ens realissimum is ook het ens perfectissimum. Hierop bouwt Anselmus van Canterbury zijn beroemd ontologisch [52] bewijs voor Gods bestaan.
Ik denk me het meest algemeene en volkomen begrip. Dit bestaat in mijn verstand. Maar het bestaat ook in werkelijkheid. Was dit n.l. niet het geval, dan kòn een wezen gedacht worden, dat naast het gedachte bestaan ook werkelijk bestaan had; daar het zijn van dit wezen het grootste is, zou het door mij gedachte wezen niet het volmaakste zijn. Ik heb me echter het volmaakste gedacht. De laatste aanname strijdt daartegen en kan dus niet waar zijn. Derhalve moet, wat ik me als volkomenst wezen gedacht heb, ook bestaan.
Anselmus wil dus zeggen: denk ik me God als het volkomenste wezen, dan moet het ook het meest zijnde wezen zijn (volkomenheid stemt overeen met algemeenheid, met zijn.) Hij moet dan realiter bestaan.
Hij vergat echter, aan te toonen dat men zich het volkomenst wezen denken moet.
In Anselmus' tijd vond dit bewijs weinig waardeering. Gounild merkt b.v. op, dat men zoo ook het bestaan van een allergelukzaligst eiland bewijzen kan.
In den nieuweren tijd komt het naast andere voor bij Descartes, die er intusschen niet dezelfde formuleering aan geeft. (zie bladz. 247).
Individualiteit.
Met het nominalisme en realisme hangt eveneens een andere vraag nauw samen: Hoe komt het, dat de eene persoon de andere niet is. Nog al eenvoudig zeggen de nominalisten: er bestaan niets dan de enkele dingen. Maar de realisten moeten een verklaring zoeken. Als b.v. het begrip mensch in Socrates en Plato aanwezig is, hoe komt het dan, dat er hier twee wezens zijn? In de Christelijke M. E. is het gevoel van de waarde der enkele persoonlijkheid sterk. Augustinus had dit nog versterkt en men moest dus naar een verklaring zoeken, waarom twee menschen, in wie toch éénzelfde begrip verwezenlijkt was, ongelijk waren.
Merkwaardig is hier de fijne oplossing van Thomas van Aquino. Hij neemt als Aristoteles geest en stof aan, maar wijzigt die beide begrippen op een fijne wijze. Allereerst onderscheidt hij formae separatae (afzonderlijke vormen) die zonder stof bestaan, b.v. de engelen. Daarnaast staan formae inhaerentes, vormen die zich in de stof verwezenlijken b.v. dier. In den mensch ontmoeten beide elkaar: het lichaam is de hoogste inherente vorm, de ziel de laagste separate vorm.
Hij heeft dus de stoffelijke en de geestelijke wereld in den mensch laten samenkomen. Dat nu Socrates van Plato verschilt, ligt aan de stof, de materie, niet aan den vorm, 't begrip. Het beginsel der aparte persoonlijkheid ('t principium individuationis) is de materie.
Het probleem bij de Scotisten.
De Scotisten hebben een andere opvatting. Ze ontkennen met Aristoteles het bestaan van reine vormen, zonder stof. Bovendien loochenen zij, dat het zit in de quantitatieve verscheidenheid. Het zit hierin, dat er naast den vorm mensch in Socrates een andere vorm is: de "Socratesheid." In elk bijzonder ding is naast den algemeenen vorm een vorm, de "ditheid" waardoor het juist dit ding is en niets anders. Dit lijkt wel dwaas (men heeft er zich later zeer vroolijk over gemaakt) maar er ligt een zekere logische gedachte in. Immers, de vorm is het algemeene, waarin vele dingen met elkaar overeenkomen. Maar een ding is in verschillende tijden ook weer anders. Socrates in de gevangenis is een ander dan Socrates op de markt, een ander, dan Socrates optrekkend in het leger. Toch is er in al die "Socratessen" één Socrates. We kunnen ook hier vragen: Wat is Socrates? Dat is iets algemeens tegenover de verschillende Socratessen. Zoo kan men ook wel van een Socratesvorm spreken.
In den vorm, zooals het in de M.E. voorkwam, is het individualiteitsprobleem niet weer behandeld. Het blijft echter een vraagstuk van groote beteekenis, zij het onder gansch ander licht bezien.
Het Godsbegrip.
Kortelings wezen we er reeds op, dat het Christelijk Godsbegrip een ander is dan dat van Aristoteles, die Gods wezen in theorein, beschouwen, laat opgaan. Thomas van Aquino schrijft God naast verstand wil toe. De wil schept de wereld, zooals Gods wijsheid die denkt. Bij Thomas wordt dus aan het intellect toch de eerste plaats toegekend. Hiermede hangt samen een opvatting in de ethiek. Thomas leert: God wil iets, omdat zijn verstand het als goed erkent.
De Scotisten daarentegen zeggen: iets is goed, wijl God het wil. Had God geheel iets anders gewild, dan was dit het goede geweest. De Scotisten zijn aanhangers van het voluntarisme. Hun is de wil het hoogste.
Staat en Ethiek.
Ook over den Staat treffen we andere denkbeelden aan bij de Scholastieken dan bij Augustinus. Was voor dezen de staat een werk Satans, voor Thomas is dit niet het geval. De Staat heeft een zekere beteekenis, een voorloopige. Hij moet het individu gelegenheid geven zijn deugd te ontwikkelen. Maar, terwijl Aristoteles de geheele bestemming van den mensch in die ontwikkeling zag, ziet Thomas hierin slechts een voorbereiding voor de hoogste bestemming van den mensch: lid te zijn van het Godsrijk. De staat der burgerlijke gemeenschap is de leerschool voor de hemelsche. Zoo wordt door de genade de natuur niet opgeheven, maar volmaakt.
Uit het hier gezegde vloeit ook voort, dat voor Thomas de kerk boven den staat verheven is. In den strijd tusschen kerk- en wereldmacht, dien de M.E. ons te zien geven, vinden we het streven naar verwezenlijking dier gedachte.
Intusschen hebben lang niet alle Middeleeuwsche denkers deze gedachte gedeeld. Dante plaatst de staat niet onder, maar naast de kerk en een enkele denker kiest partij tegen den Paus.
Terwijl Thomas dus in zijn ethiek vooral de mensch nog beschouwt als lid eener gemeenschap (aardsche en hemelsche), heeft Abelard in zijn zedeleer de mensch als individu, als enkeling op 't oog in zijn boek: Scito te ipsum (ken u zelf). Den regel, den norm voor zijn handelen moet de mensch zoeken in zichzelf. Daarmee spreekt hij een beginsel uit, dat in de moderne wijsbegeerte van veel invloed zal blijken. In Abelard openbaart zich die frissche, krachtige Fransche geest, die zoo geschikt is om met het oude te breken en zich het nieuwe toe te eigenen, iets ook van de scherpzinnige en fijne discuteerkunst, die het kenmerk veler Fransche denkers is geweest.
De dubbele waarheid.
In 't midden van de M.E., reeds ten tijde van Thomas, maar vooral later, komt de leer der dubbele waarheid op, volgens welke iets waar kan zijn voor de wijsbegeerte, maar niet voor de theologie. De denkers probeerden als 't ware: Hoever kunnen we met ons verstand komen? Kwamen ze dan tot conclusies, tegengesteld aan kerkelijke leerstukken, dan zeiden ze: Zoo is het nu wel volgens de rede, maar volgens ons geloof is 't anders en dat is natuurlijk 't ware. Later werd die leer der dubbele waarheid dikwijls de dekmantel om allerlei afwijkende meeningen vrij te kunnen uitspreken. Maar aanvankelijk schijnt ze wel ernstig gemeend te zijn en in dézen vorm het eerst voorgekomen, dat sommige dingen niet door de rede, wèl door 't geloof konden begrepen worden. Iets kon dus waar zijn voor 't geloof, als het dit niet was voor de rede. Later ging dat gelden voor de rede; men zei dat iets waar kon zijn voor de rede, wat niet waar was voor 't geloof. Naarmate men meer en meer gevoelde, dat geloof en weten gescheiden moesten worden, trad de leer der dubbele waarheid meer op. Dit geschiedde vooral in 't laatst der M.E.
Toen de Kruistochten de drie groote monotheïstische religies met elkaar in aanraking gebracht hadden, toen ook de denkers in de Grieksche wijsbegeerte zekeren gemeenschappelijken grond hadden, kon het niet anders, of men moest zich afvragen, of er niet sommige algemeene trekken in de religies waren en of niet de geopenbaarde geloofswaarheden ook langs volkomen redelijken weg te vinden waren.
Sterk komt dit uit in den roman van Ibn Tofail. Hij laat een kind, door een gazelle gezoogd, zonder menschen opgroeien op een eiland, laat dit kind, opgegroeid, nadenken en tot bepaalde conclusies komen. Daarna komt deze natuurmensch in aanraking met een heilige kluizenaar, en ontdekt, dat deze eigenlijk hetzelfde gelooft als hij: alleen, wat hij als product van nadenken vond, hult zich bij den kluizenaar in zinnebeeldige vormen en voorstellingen.
In romantischen vorm wordt hier dus de idee uitgesproken, dat in de geopenbaarde godsdiensten de natuurlijke godsdienst in zinnebeeldigen vorm bevat is. Ook bij anderen komen ten opzichte van de zedeleer gelijksoortige denkbeelden voor (zie ook pag. 306).
In de innige vereeniging van gelooven en denken ging men meer en meer uit elkaar, en de klove werd ternauwernood bedekt door de leer der dubbele waarheid. Geen wonder, dat sommige godsdienstige naturen afstand deden van de rede en in de mystiek heil zochten.
§ 32. De Middeleeuwsche Mystiek.