Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2

Part 10

Chapter 103,668 wordsPublic domain

In de physica zijn de Epicuristen aanhangers van het atomisme. Het is wel een treurig lot geweest voor het stelsel van den grooten Abderiet, dat het zoo energiek werd voorgestaan door een zoo weinig wetenschappelijke richting, waardoor het bij anderen in discrediet geraakte. In de leer zelf brachten ze een bedenkelijke wijziging aan, door eene uitzondering op de strenge causaliteit toe te staan: ten einde te verklaren hoe de atomen tot groote complexen waren samengegroeid, had Democritus een ongelijke valsnelheid aangenomen, een stooten van de zwaardere atomen op de lichtere; zij namen nu aan, dat, buiten oorzaak, een atoom was afgeweken van zijn rechtlijnige beweging en er zoo een wervel was ontstaan.

Voor 't overige maakten ze weinig ernst met de verklaring der natuurverschijnselen. Als ze maar aangewezen hebben, dat er eene natuurlijke verklaring is, zijn ze tevreden. Dan is de mensch van vrees verlost.

Want daartoe is de natuurkennis vooral: tot verlossing van vrees. Of dus de maansverduisteringen moeten worden verklaard uit een tijdelijk uitgebluscht worden van het maanlicht of uit de schaduw, door de aarde op haar geworpen, dit is tamelijk onverschillig. Men behoeft niet bevreesd te zijn.

Nog minder dan met de natuurkennis hebben de Epicuristen zich met de logica bezig gehouden en hier eigenlijk niets nieuws gepresteerd. We kunnen dit dus overslaan om ons te wenden tot hun zedeleer.

Ze verklaren evenals de Cyrenaïci den lust tot moraal-principe. Maar deze zijn de jeugdige Grieken, die den beker des levens in één teug willen ledigen; de Epicuristen hebben de bedachtzaamheid van ouderen leeftijd en drinken met kleine, fijne teugen. Niet dus de zinnelijke lust is het voornaamste. Hij is kort, zijn nasmaak dikwijls wrang. Veel schooner is de geestelijke lust.

Voor den wijzen Epicurist heerscht dan het ideaal van vredige gemoedsrust (ataraxie). Zorgen moet men zich niet op den hals halen. Het is beter niet te trouwen en zich ook niet met staatszaken in te laten: groote verantwoordelijkheid geeft zorg en belemmert den lust.

In vriendschap, oorspronkelijk op egoïsme zich steunend, maar zich verruimend tot waarachtige genegenheid, ziet de Epicurist veel geluk. In den tuin, waarin de school stond, werd de vriendschap druk "beoefend," tot het zoetelijk wederzijdsch bewonderen en tot sentimentaliteit toe.

De goederen dezer aarde kunnen op drieërlei wijze genoten worden. Weinige had men absoluut noodig om te leven: brood en water. Vele had men noodig om gelukkig te zijn, maar niet om te leven, b.v. mingenot. Andere waren eenvoudig tot bevrediging van ingebeelde behoeften. Deze waren het gemakkelijkst te ontberen.

Uit het hier gezegde volgt, dat de Epicuristen niet de grove zinnelijke genieters zijn, die men er later van gemaakt heeft. 't Zijn aangename, beschaafde, welwillende menschen geweest, die een aesthetisch leven, een leven "in stijl" geleefd hebben. Epicurus zelf was een waardig man en zijn zwijnskudde bestaat slechts in de verbeelding van hen, die hem niet kenden. Hun deugd was als bij de Stoïcijnen geen doel, slechts middel tot persoonlijk geluk.

Het is te begrijpen, dat ze voor den staat weinig gevoeld hebben. Ze zagen in hem slechts een middel, waardoor de menschen zich wederzijdsch bestaan verzekerden.

De goden werkten niet in op de aarde. Ze dachten in de ruimten tusschen de verschillende werelden (intermundiën) de goden die daar een zalig-schoon leven leidden; ze stelden ze zich voor als een hoog gezelschap van Epicuristische wijzen. Maar het was beneden de gelukzalige goden, om zich met de miserabele aarde te bemoeien.

Epicurus vereerde hen dus niet, omdat ze macht hadden, maar als de volkomen wijzen. Eigenlijk heeft hij daarmee (misschien is dit ook zijn bedoeling) het zedelijk-aesthetisch ideaal van zichzelf vereerd. Zich naar het uiterlijk aan de vormen van den volksgodsdienst te houden, ontmoette bij hem geen bezwaar.

§ 25. De scepsis. Het eklecticisme.

We hebben gezien, hoe het de beteekenis van Socrates was, dat hij een onderzoekmethode invoerde, en hoe na hem Plato en Aristoteles groote systemen hebben opgebouwd. In het Epicurisme en de Stoa hebben we twee, minder beteekenende, maar toch gewichtige, moraalsystemen ontmoet. Afsluiting vindt het Grieksche denken in een zeer eigenaardig religieus systeem: het Neo-Platonisme. Voor we daar echter toe overgaan, moeten we kortelings op een paar verschijnselen wijzen, die zoo omstreeks 300 v. C. opkomen en voortduren tot ver over het begin van onze jaartelling.

Allereerst dan het scepticisme. Een gunstige beteekenis heeft dit woord, als het wil zeggen, dat we niets zonder onderzoek, nauwgezette waarneming en toetsing der verkregen uitkomsten moeten aannemen. In zooverre moet ieder wetenschappelijk mensch een scepticus zijn. Gewoonlijk wordt het echter in ongunstigen zin gebruikt, en verstaat men onder scepticisme eene richting, die niet gelooft waarheid, zekere kennis te kunnen bereiken. De scepsis als zoodanig is dan consequent doorgevoerd de dood voor de wetenschap. Toch heeft ze een enorme beteekenis. Ze is wel eens het voorportaal der kennis genoemd. De scepsis toch wijst altijd weer op de moeilijkheden in het verkrijgen van onze kennis, tegenstrijdigheden worden door haar aangetoond. Daardoor dwingt ze eenerzijds tot nadenken over den aard van onze kennis en is in haar eene machtige prikkel gegeven tot studie der kennistheorie; anderzijds spoort ze anderen aan tot verder onderzoek om de door de scepsis aangewezen tegenstrijdigheden te verklaren.

Maar ook voor den scepticus zelf is zijn scepticisme niet zelden de doorgang naar nieuwe kennis. Voor de practijk is natuurlijk de scepticus onhoudbaar. Van kennis der buitenwereld doet hij afstand; over verleden noch toekomst spreekt hij zich meer uit. Het eenige, wat hem blijft, zijn zijne oogenblikkelijke bewustzijnstoestanden. Hieruit wil hij nu geraken. Hij begeert weer een vaste basis, hij tracht weer naar wetenschap. Die bouwt hij dan niet zelden veel vrijer van veroordeelen op; hij heeft alles laten varen van vroegere overtuigingen en meeningen. We zullen later een dergelijk proces bij Descartes opmerken. En geldt dit proces voor enkele personen, dikwijls geldt het voor een tijdvak: na eene sceptische richting komt er eene andere, die weer opbouwt. Na de plotselinge aanvlieging van 't scepticisme is Socrates gekomen.

Is dus in 't algemeen scepticisme soms een verblijdend, een goede toekomst voorspellend teeken, dit is het niet voor ons bijzonder geval. Nu is het de richting, die zich begeert terug te trekken uit de politieke beroeringen van haar tijd en onverschillig wordt voor alle problemen van waarheid en moraal, hoogstens nog eenige belangstelling behoudend voor de vraag: hoe worden we gelukkig?

De sceptici vormen niet een bepaalde school. Sommige schijnen geen schoolverband gekend te hebben, andere waren in de academie. Als eerste scepticus wordt genoemd Pyrrho uit Elis, ± 350 v. C. Dan zijn leerling Timon 315-226. Met Arcesilaus en Carneades († 219 v. C.) vormde het de nieuwe academie, daarna vinden we het bij een aantal artsen, waaronder Sextus Empiricus (180-210 n. C.).

Pyrrho zou drie vragen hebben gesteld:

1o. Hoe zijn de dingen, wat kunnen wij van ze weten?

Antwoord: Niets. De waarneming geeft slechts schijn.

2o. Hoe moeten we ons tegenover de dingen verhouden?

Antwoord: We moeten geen oordeel uitspreken, het eene is niet zekerder dan 't andere, van elke uitspraak laat zich 't tegengestelde beweren. Onze gedragslijn is dus de onthouding van een oordeel (epochê).

3o. Welk nut vloeit daaruit voor ons voort?

Antwoord: De ataraxie, de zielerust.

Eigenaardig is het, dat Stoïci, Epicuristen en Sceptici ten slotte in de gemoedsrust, in den innerlijken vrede, die, hoe dan ook verkregen, niet gestoord wordt door de buitenwereld, het laatste en hoogste zien.

Voor 't overige acht Pyrrho op zedelijk gebied 't eene noch beter noch slechter dan 't andere. Voor 't uiterlijk hield men zich dus maar aan heerschende gewoonte. De sceptici zijn in den regel conservatief, niet uit overtuiging, maar uit gebrek aan overtuiging.

Voor het dagelijksch leven moet men maar de ingeving van 't oogenblik volgen. Zoo vertelt een der vele anecdoten van Pyrrho, dat hij voor een bijtenden hond in een boom klom, zeggende: den mensch kan de filosoof nooit geheel afleggen.

Latere sceptici hebben vooral veel werk gemaakt van het bestrijden hunner tegenstanders. Carneades b.v. hield zich zoo uitsluitend bezig met polemiek tegen het derde schoolhoofd der Stoa, Chrysippus, dat hij zei: Als Chrysippus er niet geweest was, zou ik er niet zijn.

Carneades heeft, evenals latere Romeinsche sceptici, ook vele gevallen van zinsbedrog aangewezen (b.v. de schijnbare diepte in een schilderij, het gebroken zijn van riemen in 't water). Hij wees ook op de subjectiviteit van onze kennis (de een vindt warm, wat een ander koud vindt); op de wijzigende invloeden bij 't waarnemen (afstand brengt verandering; gemoedstoestand bepaalt onze gewaarwordingen). Dit alles moest dienen, om aan te toonen dat er geen kennis was te verkrijgen.

Eklecticisme.

Er bestonden ± 300 v. C. vier scholen: De academie door Plato gesticht; de peripatetische van Aristoteles; de Stoa van Zeno; de Epicurische van Epicurus. Oorspronkelijk hadden ze fellen strijd gevoerd. Langzamerhand echter openbaarde zich een neiging tot verzoening, vermenging, vereeniging. In 't algemeen zal een tijdperk, dat zelf geen sterke en diep-gevestigde overtuigingen heeft, graag in alles het goede waardeeren en de spreuk toepassen: Ik neem mijn goed, waar ik het vind.

Terwijl nu de scholen en hun uiterlijk verband gescheiden bleven, naderde hun leer zich op vele punten en kwamen er menschen, die niet meer tot een bepaalde richting behoorden, maar van alles iets genomen hadden.

Het eklecticisme treedt op. Zoo nam de Stoa zeer veel in zich op van de Platonische en Aristotelische leer, de Academie de Stoïcijnsche elementen.

Speciaal vertoonde zich dit eklecticisme bij de Romeinen. Cicero (106-43), de beroemde redenaar, heeft, zonder zelf groote wijsgeerige verdienste te bezitten, in zijn helder, mooi Latijn de voornaamste punten der Grieksche wijsbegeerte aan zijn landgenooten geleerd. Daardoor kwam de Grieksche wijsbegeerte in 't Romeinsche wereldrijk en daardoor ook was haar verder voortleven verzekerd.

Doordat Cicero in 't Latijn schreef, werden alle wijsgeerige begrippen onder Latijnsche namen bekend. Hiervan zagen we reeds enkele voorbeelden.

§ 26. Het Neo-Platonisme.

We merkten op, dat in het Romeinsche rijk zich hoe langer hoe meer tegen het einde der Oude Geschiedenis de behoefte deed gevoelen aan een religie, en hoe bij de lagere volksklassen vooral die behoefte voldoening vond in allerlei extatische en mystische godsdienstvormen.

Plotinus (205-270) een der grootste denkers van den laat-klassieken tijd, heeft getracht, die behoefte te bevredigen door zijn wijsgeerig-godsdienstig systeem, dat aansloot bij sommige elementen in Plato's leer en daarom ook Neo-Platonisme heet, maar een zelfstandig stelsel vormt.

Plotinus werd in Egypte geboren en studeerde in zijn jeugd te Alexandrië. Dit was, zooals we reeds zagen, een middelpunt van geestelijk leven. In de eerste eeuw na C. had hier Philo Judaeus (30 v. C.-± 40 n. C.) gewerkt, die getracht had Oosterschen godsdienst met Helleensche wijsheid te vereenen. In het Jodendom was reeds vroeg het monotheïsme opgekomen. Toen langzamerhand de Joden zich over de wereld verbreidden, (na de vernietiging van Jeruzalem door Titus in 70 n. Chr. maar ook reeds lang vóór dien tijd) werden ook andere volkeren bekend met hunne godsdienstige ideeën. Omgekeerd raakten de Israëlieten vertrouwd met de Helleensche beschaving. Zoo ontstonden pogingen, beide te vereenigen en Philo Judaeus is een zeer merkwaardig voorbeeld van een godsdienstig denker uit een Joodsch-Helleensch-Oostersch milieu als in Alexandrië kon bestaan.

Hier kon nu ook Plotinus voedsel vinden voor zijn zucht naar kennis; 't meest schijnt hij geleerd te hebben van den filosoof-zakkendrager (Ammonius). Betwijfeld mag echter worden, of zijn leer een uitwerking is van die van zijn meester.

Plotinus erkent de godheid als het Eenige, het Eerste en het Hoogste. Ze is zoo hoog en allesomvattend, dat we haar niet met woorden kunnen noemen. Ten opzichte van Plotinus' God kunnen Vondel's woorden gelden "Of faalt het aan begrip en stem." Men mag Hem het praedicaat denken niet toekennen, maar nog veel minder het begrip "niet-denken." [41]

Uit dit Eene nu gaat alles voort, zonder dat dit zelf iets vermindert. Als beeld hiervoor gebruikt Philo de zon, die, zonder zelf warmte en licht te verliezen toch haar licht uitstraalt en meedeelt aan de aarde. Al het zijnde is eene uitstraling, een emanatie van het Eene.

Zooals nu, naarmate men verder van het licht afkomt, het duisterder wordt en het ten slotte volkomen donker is, zoo wordt de wereld, naarmate ze verder van de Godheid afstaat, onvolkomener: ten slotte is de laatste uitstraling van de Godheid de stof, de materie.

Tusschen het Eene en de materie liggen nu verschillende trappen: de geest--de ziel. De geest gelijkt op het Eene, maar is er geen volkomen afbeelding van, de ziel weer op den geest maar ook minderwaardig.

In dit beginsel lag de mogelijkheid, om nòg meer tusschentrappen aan te nemen, wat later ook gebeurd is door jongere Neo-Platonici, die b.v. de demonen invoerden.

De stof, de materie is het waarachtig niet-zijnde, het booze, en Plotinus' theodicee bestaat hierin dat hij het kwaad niet als iets werkelijk bestaands erkent, maar het is de stof, het niet-zijnde.

De verhouding, die in de wereld heerscht, vindt haar evenbeeld in den mensch. De menschelijke geest heeft ook onder zich de ziel, die verstrikt is geraakt in de netten der zinnelijkheid. Het is het beginsel der Plotinische ethiek, dat men moet trachten, om zoo, los van de banden der zinnelijkheid, op te stijgen tot de zuivere kennis.

Hierin is een trek van 't Platonisme onmiskenbaar. Plotinus was een te groote geest, dan dat hij die losmaking zou zoeken in allerlei kleingeestige of speciale voorschriften, het kwam op eene algemeene stemming aan. Dat hij ernst maakte met zijn leer moge blijken uit wat zijn levensbeschrijver Porphyrius vertelt: hij scheen het bijna als een schande te beschouwen, dat zijn ziel in zijn lichaam zat, wilde niet over zijn afkomst of geboorte spreken en weigerde beslist een beeld van zich te laten vervaardigen: het beeld van het lichaam moest niet langer voortleven.

Door denken kan de mensch wel een klein eindje komen, maar langs den gewonen weg kan de godheid toch niet gekend worden. Hiertoe wijst Plotinus nu een anderen weg aan: we moeten trachten te komen tot onmiddellijke aanschouwing der Godheid. De ziel heft zich hiertoe op in een toestand van geestvervoering (extasis). Deze toestand valt slechts zelden enkelen ten deel. Rustend, onbewogen aanschouwt de mensch dan de Godheid. Wie eenmaal dezen toestand gekend heeft, zal er niet van kunnen spreken, noch het begeeren of durven ondernemen.

Een voorbereiding voor dezen toestand kan zijn het deelnemen aan den cultusvorm, maar noodig is deze niet.

Latere Neo-Platonici hebben in den uiterlijken vormendienst het voornaamste gezien en deze veel meer op den voorgrond gesteld [42].

Plotinus is nog te veel Helleen van beschaving, om niet ook de schoonheid een belangrijke rol toe te kennen en het gedeelte zijner geschriften, dat over het schoone handelt, wordt als een der uitnemendste deelen van zijn werk beschouwd.

Hij stelt een gansch ander schoonheidsbegrip dan het vroegere Grieksche; terwijl dit in de stof en haar vormen, in de harmonie, de regelmatige gelijkheid (symmetrie) een hoofdkenmerk zag van het schoone, ziet Plotinus dat hierin, dat in alle stof en in alle vormen iets van het Eene is uitgestraald. Niet het stoffelijk schoone, maar het geestelijk schoone is voor hem beslissend. Niet de uiterlijke vorm, maar de aanwezigheid van de Idee in de dingen en het kennen daarvan maakt het ons schoon.

Hierdoor schiep Plotinus een geheel nieuw beginsel der aesthetica, dat zeer invloedrijk werd.

Tegenover den staat verhoudt Plotinus zich vrij onverschillig. Naar het gerucht wil, zou hij van een Romeinsch keizer de gelegenheid verkregen hebben, om een stad te stichten in den geest van Plato's republiek. Dat zou echter een staat worden, welke het alleen mogelijk zou maken een leven te leiden, gewijd aan beschouwing en betrachting, en aflegging der zinnelijkheid: een Helleensch klooster.

Gewoonlijk noemt men het Neo-Platonisme van Plotinus het Egyptische. Daarna volgde de Syrische richting, die zich vrij wel verloor in allerlei gewaagde speculatie's en mystische dweperij. Haar typische vertegenwoordiger is Jamblichus (uit Syrië afkomstig), die grooten invloed had op keizer Julianus den afvallige.

Met Proclus (412-485), die te Athene werkte, kwam de Grieksche richting. Proclus was een geweldig systematicus, allerlei godsdienst, mysterie, goden trachtte hij in zijn systeem op te nemen.

Het Neo-Platonisme of liever Plotinus wordt zeer verschillend beoordeeld. Lange (Geschichte des Materialismus) spreekt van "de ver afdwalende Neo-platonische Systemen" en van "de dweepzieke Neoplatonici."

Hij ziet er niets anders in dan eene richting, waarbij de Grieksche geest zijn eigen beginsel ontrouw is geworden en tot een jammerlijke, totaal onwetenschappelijke dweperij is vervallen, een afwijking van 't gezond verstand.

Gunstiger oordeelen Windelband en Eucken. In zijn "Levensbeschouwingen der groote denkers" kent Eucken het Neo-Platonisme zeer veel waarde toe. Voor hem is Plotinus "een denker van den eersten rang." Zijn leer heeft op velen invloed geoefend "als een werkelijk oorspronkelijk denker blijft hij ook nu een bron van groote denkbeelden en vruchtbare opwekkingen."

Deze ongelijkheid in oordeelen berust zeker mee op verschil in inzicht van de taak der filosofie: Is ze een wetenschap die als elke andere van ervaring moet uitgaan en zoo streng mogelijk langs logisch-wetenschappelijken weg tot haar conclusies komen: dan is voor haar Plotinus--bij wien veel in de ruimte vervaagt, met zijn opheffing van 't zuivere denken, die zoo dikwijls aanleiding gaf tot allerlei bijgeloof, door zijn "dwaasheden"--niet een der eerste denkers, en schittert slechts flauw een straal van 't Grieksche licht uit zijn werken.

Maar let men ook op wat iemand presteert in zijne levensbeschouwing, voor het vervullen van de gemoedsbehoeften van den mensch, op den invloed op 't nageslacht, op 't intuïtieve denken, dan komt Plotinus in een ander licht. Hij wilde 't Griekendom bewaren en doodde het; hij wilde 't Christendom bestrijden en diende het. Op zijn eigen tijd kon Plotinus geen invloed uitoefenen. Zijn leer was een geleerde religie, het Christendom was beter geschikt dien te voldoen.

Met het opkomen van het Christendom komt het einde der Grieksche filosofie. De Middeleeuwen beginnen.

Maar trachten we eerst in enkele hoofdlijnen ons de resultaten van het Grieksche denken voor oogen te stellen.

SLOTSOM.

Het Grieksche denken begon, in tegenstelling met de mythe, zich los te maken van de oude godsdienstige voorstellingen. Het vroeg naar den oorsprong der natuur. Scheiding van mensch en natuur, van geest en stof was er niet. De mensch was een deel der natuur, de stof zelf bezield.--Het eerste probleem was: van waar zijn en worden?

De Ionische natuurfilosofen zochten achter de verandering de oerstof. De Eleaten brachten het tot het begrip van het Eeuwig Zijnde, niet te kennen, niet te aanschouwen. Alle kennis der verschijnselen was doxa.

Daartegenover staat Heraclitus met zijn negatie, zijn "alles stroomt": er is alleen worden, geen zijn of blijven.

Tusschen deze twee uitersten nu krijgen we pogingen tot verbinding. Anaxagoras door aan te nemen, dat er even veel oerstoffen zijn als er kwaliteiten bestaan: zijn en worden is er niet, slechts verbinding en scheiding van stoffen. Empedocles door als zijnde vier elementen aan te nemen, waaruit de wereld opgebouwd wordt. Democritus stelt de atomentheorie op.

Zoo was men zich op 't gebied der natuur bewust geworden van de tegenstelling tusschen zijn en worden, van de noodzakelijkheid ze met elkaar in verbinding te brengen.

Men had reeds de grondslagen gelegd van bijzondere wetenschappen (sterrenkunde, natuur- en scheikunde) en gedachten uitgesproken, die nog als leidende beginselen zijn aan te zien.

Maar ook op 't gebied van de theorie der kennis was men zich bewust geworden van een zekere tegenstelling; de Eleaten hadden volkomen betrouwbaarheid toegekend aan de rede alleen, Anaxagoras verklaarde de zinnen volkomen betrouwbaar.

Toen kwam de wending.

Niet meer de natuur, de mensch is middelpunt van het denken. Taal, geschiedenis, ethiek nemen hun plaats. Wat is goed voor den mensch, wordt gevraagd.

Deze wending dreigde uit te loopen op scepticisme, was niet Socrates gekomen, die het geloof herstelde in de vindbaarheid der waarheid.

Nu komt zijn leerling Plato en bouwt een grootsch geheel op. Hij vindt de immateriëele wereld der ideeën. Zwak is echter zijn poging, de ideeën met de ons omringende verschijningswereld te verbinden.

Wat Plato niet gelukte, zal Aristoteles trachten te volbrengen door zijn leer der ontwikkeling: de vorm ontwikkelt zich in de stof en verwezenlijkt zich in het ding.

Aristoteles vat al 't Grieksche weten samen in één groot systeem. Hij sticht een nieuwe wetenschap, de logica, legt grondslagen voor andere wetenschappen en leert de wetenschap wetenschappelijk te behandelen. Bij hem vinden we het zuiver monotheïstisch godsbegrip, de immateriëele godheid vloeit samen met de geestelijke: de scheiding van physisch en psychisch, stoffelijk en geestelijk, is voltooid.

Eene nieuwe wending treedt in. De wijsbegeerte verbreedt zich, strekt zich uit over alle beschaafde en Helleensche landen, later over 't Romeinsche rijk.

Twee ethische scholen ontstaan en stellen machtige principes op: de Stoïcijnen en Epicuristen.

Het Grieksche denken schijnt dood te loopen in scepticisme en eklecticisme.

Maar nog eenmaal vlamt het op: de religie vervult de gemoederen; na Philo Judaeus komt Plotinus, maar niet voor het volk is zijn leer. Het Grieksche denken loopt naar het einde. Het Christendom zal nu de wereld beheerschen.

TWEEDE AFDEELING.

DE MIDDELEEUWEN.

HOOFDSTUK VI.

§ 27. Het Christendom.

Bespreken wij ter inleiding even het algemeen karakter der middeleeuwsche wijsbegeerte. Aanstippend geven wij hier de voornaamste punten aan: andere landen--nieuwe volkeren,--andere denkers, meest geestelijken die een stil leven leiden--beperkt aantal problemen--gebondenheid aan de kerk.

De groote scheidslijn tusschen antieke en middeleeuwsche wijsbegeerte wordt echter getrokken door het Christendom.

De middeleeuwsche wijsbegeerte sluit zich gedeeltelijk aan bij de Grieksche: de eerste pogingen om de christelijke geloofswaarheden te begronden gaan uit van een aantal verschillende denkers, over wie straks. Maar deze denkers, hoe verschillend ook, ontleenen veel aan de Grieksche wijsbegeerte en steunen gedeeltelijk op haar, zij 't dan ook haar bestrijdend.

Geen behandeling der middeleeuwsche wijsbegeerte is mogelijk zonder eenige woorden aan 't Christendom gewijd te hebben.

Speciaal wordt hier dan bedoeld het Christendom zooals het de oude wereld binnendrong. Het zou hoogst moeilijk gaan om het gemeenschappelijke aan te wijzen in het Christendom van al de millioenen die nu den Christennaam voeren. Het Christendom heeft tot verschillende tijden behoord en die tijden hebben er hun stempel op gezet evenals de omgeving waarin het uitgroeide. Maar ook in gelijke tijden en landen heeft het zich onder tal van vormen voorgedaan.