Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten

Part 8

Chapter 83,663 wordsPublic domain

De paring van deze dieren heeft in April plaats en de eieren, meer dan 12000 in getal, worden door het wijfje in Juni gelegd, doch zij blijven dan nog tot September aan de aanhangsels van het achterlijf bevestigd. Dan komen de jongen of larven uit, die in uiterlijk zeer van het moederdier verschillen, zooals wij in fig. 8 zien, waar de larve van den zeekreeft voorgesteld is. Daaruit blijkt, dat het achterlijf nog weinig ontwikkeld is, terwijl de voortbeweging geschiedt door de, nog gespleten, roeipooten van het kopborststuk. Doch de jeugdige diertjes hebben een veel opgewektere natuur dan het brommige ouderpaar; zij voeren een vroolijk bestaan en zwemmen dikwijls, in gansche scharen, lustig rond in de bovenste lagen van het water, waar zij echter hun onnadenkendheid bij die onbezonnen uitstapjes dikwijls met den dood moeten bekoopen, want zij worden te vuur en te zwaard vervolgd door allerlei roofvisschen. Daarom blijven zij dan ook in de eerste levensmaanden, vooral als er gevaar dreigt, nog veel in de buurt en onder de hoede van mama; telkens snellen zij naar haar terug en verschuilen zich onder haar staart, zooals onze kleintjes achter de rokken der moeder. Eerst na vele maanden, na de vijfde vervelling, nemen zij den vorm van het moederdier aan en daarmede ook haar teruggetrokken, éénzelvige natuur en haar kluizenaarsgewoonten in de diepten van het water.

* * * * *

In de Middellandsche zee, waar de gewone zeekreeft ontbreekt, wordt haar plaats ingenomen door het vreemdsoortige heerschap, dat wij op fig. 2 van de plaat op zijn ochtendwandeling zien, namelijk: de ~langoeste ~ (_Palinurus vulgaris_). Dit fraaie dier, dat bijna even groot wordt als de zeekreeft, namelijk: 30 tot 50 centim. lang en 4 tot 7 kilogram zwaar, wiens vleesch door kenners op bijna even hooge waarde wordt geschat als dat van zijn confrater in de Noordzee, mag met recht een hoofdsieraad van onze aquaria heeten. De kleur is roodachtig violet tot purperbruin, met doffe witte vlekken, de pooten zijn roodachtig wit met roodbruine strepen. Hij leeft van kleine schelpdiertjes, slakken en zeepokken (zie bladz. 55), wier huisjes hij behendig, als noten, weet te kraken. Hij is niet slechts veel opgewekter van inborst, doch ook veel vredelievender van natuur dan de vechtlustige brombeer uit het noorden.

Daarop wijst ook het geheele uiterlijk van het dier. De geweldige wapens, die onze zeekreeft noodig heeft voor zijn geweldigen strijd om het bestaan, ontbreken hier volkomen; aan geen der 5 borstpooten bevinden zich scharen, doch alleen een klauwvormig eindlid. Destemeer deed zich dus de behoefte gevoelen aan een doeltreffend beschermend pantser, ter verdediging en verweer. En dit laat dan ook niets te wenschen over, want het geheele kopborststuk is met scherpe stekels bezet, zoodat een vijand zich wel tweemaal zal bedenken, eer hij hem te lijf gaat. Bovendien heeft het kopborststuk aan den voorrand twee groote stekelige en harde uitsteeksels, die als basis dienen voor de bevestiging van het buitenste paar sprieten, welke naar achteren omgebogen en langer dan het lichaam zijn. Deze sprieten zijn tevens uitstekende en stevige stangen, bij het pareeren van aanvallen. De binnenste sprieten zijn veel dunner. Door het wrijven van het onderste lid der sprieten tegen de groote stekelige basis kunnen deze dieren een knarsend geluid voortbrengen, wellicht als middel tot afschrikken van den aanvaller.

De larven van de langoeste zijn dieren van wonderlijken vorm, wel eenigszins gelijkend op een zeespin (fig. 4). Zij wijken zoozeer van het volwassen dier af, dat men ze vroeger voor geheel andere dieren hield en zij tot een eigen familie: de ~bladkreeften~ (_Phyllosomae_) gebracht werden. Ook hier heeft de studie der ontwikkelingsgeschiedenis, evenals bij de rankpootige kreeften (zie bladz. 54) ons de ware natuur van dit raadselachtig wezen geopenbaard. Het is bladachtig dun (vandaar de vroegere naam), volkomen doorschijnend en uiterst teer; het platte lichaam is in twee hoofdafdeelingen verdeeld en daar de pooten zeer lang en dun zijn, gelijkt het dier, bij oppervlakkige beschouwing, zeer veel op een reusachtige, griezelige kruisspin. Toch bezit ook zelfs dit afzichtelijke wezen een schoonheidsmerk: zijn prachtige, hemelsblauwe oogen, die op zeer lange stelen bevestigd zijn. Deze bladkreeften leven in de diepe zee, waar de stroom sterk is en zij vertoonen zich vooral ’s avonds.

* * * * *

En nu iets over het meest bekende en populaire kreeftje voor het groote publiek, onze oude, trouwe ~zeegarnaal~ of ~zandgarnaal~ (_Crangon vulgaris_), fig. 3, een diertje, dat in sommige gedeelten van ons land „ontwoekerd aan de baren” zoo algemeen is en in zulke massa’s gevangen wordt, dat het, in zekere tijden van het jaar, bijna een volksvoedsel geworden is. En het wordt zooveel verzonden, dat men, om dit dier te kennen, zelfs nooit de zee behoeft gezien te hebben, terwijl het ook in elk zee-aquarium in menigte te zien is.

In vorm en uiterlijk gelijkt de garnaal veel op een kreeft in ’t klein, maar het is een veel opgewekter en gemoedelijker diertje. Het geheele lichaam is glad, alleen op het kopborststuk bevinden zich drie stekels; overigens heeft de garnaal ook 5 paren lange pooten, met zeer onvolkomen scharen aan het voorste paar, een krachtig achterlijf met leden, waarin zich een zeer smakelijke spiermassa bevindt en dit achterlijf is eigenlijk het eenige, wat wij van de garnaal eten, waartoe wij het achterlijfspantser er bij de staartvin aftrekken. De sprieten zijn buitengewoon lang en de buitenste bestaan wel uit 130 geledingen; de oogen zijn zeer duidelijk zichtbaar, op steeltjes bevestigd. Aan de leden van het achterlijf bevinden zich talrijke aanhangsels voor het zwemmen en voor het bevestigen van de kuit, terwijl het laatste lid in een soort staart, met vier platte, vinvormige aanhangsels, eindigt, die krachtdadig meewerken bij het zwemmen. De lichaamsbekleeding is dun, hoornachtig doorschijnend, licht grijsachtig bruin of eenigszins groenachtig van kleur. Deze wisselt echter zeer af, in verband met den bodem, want de kleur dient dezen dieren als een uitstekend beschermend middel, daar zij bijna niet te onderscheiden is van den zandigen bodem der vlakke kusten, waarin het dier zich bovendien behendig in onder weet te graven en bijna volkomen te verbergen. De kleur wordt, bij het koken, niet zoo rood als die van de kreeften; die van de Noordzee-garnaal blijft bleekrood, de Zuiderzee-garnaal wordt fraai zalmrood.

Overigens zijn de garnalen geheel andere diertjes dan de stugge, éénzelvige kreeften. Het is een monter en opgewekt volkje, vol leven en beweging, waarbij zij elkaar meestal in dichte drommen gezelschap houden. Nu eens is het, alsof zij, met eleganten pas, op haar dunne pooten steltloopen, dan weer glijden zij, als ’t ware, zwevend door het water en, bij het opschrikken, doen zij plotseling een geweldigen slag met het gespierde achterlijf en vliegen pijlsnel weg naar de diepte. Bij dat ontvluchten is de doorschijnendheid van het lichaam een groote beschermende factor, want men ziet de diertjes nauwelijks onder het zwemmen en zelfs in de zon werpen zij geen schaduw. Verder hebben zij zeer scherpe zintuigen, zijn steeds waakzaam, oplettend, ja zelfs nieuwsgierig, ook om dierlijk voedsel van allerlei aard te bemachtigen. Klein, maar dapper, als zij zijn, weten zij dat zelfs aan haar loggen, reusachtigen achterneef, den zeekreeft, afhandig te maken en zijn gevreesde slagen weten zij allerbehendigst te ontwijken. Dit neemt echter niet weg, dat zij, bij duizenden en duizenden, aan allerlei roofvisschen ten offer vallen en niet het minst aan de roofzucht van den mensch, die ze, bij milliarden tegelijk, met zijn vernuftig ingerichte netten, als ’t ware slechts uit den grooten waterplas heeft op te scheppen.

Gelukkig bestaat er echter nog geen gevaar voor uitsterven van deze geliefkoosde delicatesse, want de vruchtbaarheid dezer diertjes grenst aan het ongelooflijke en de wijfjes zijn bijna gedurende den ganschen zomer tusschen de buikpooten met ontelbare eitjes, de kuit, bezet. De garnaal komt langs de meeste kusten van Europa algemeen voor, vooral op zandigen of slibachtigen bodem, binnen het gebied van eb en vloed en vooral aan onze kusten worden zij in onnoemelijke massa’s gevangen, ook onder den naam „~gornaat~” of „~gernaat~” (Zeeland en Friesland).

* * * * *

Zeer na verwant aan de garnaal is de zoogenaamde ~steurkrab~ (_Palaemon squilla_) van fig. 1, die ook uiterlijk veel op de garnaal gelijkt, doch iets grooter is en er zich van onderscheidt door een scherpen, beenachtigen, zaagvormig getanden kam op den kop, tusschen de oogen. Ook deze soort heeft een zeer smakelijk vleesch, doch wordt bij het koken rooder dan de garnaal. In de provincie Zeeland komen deze dieren in de zee en in het brakke water van de Schelde in groote menigte voor en verder worden zij in alle Europeesche zeeën, ook in de Oostzee, aangetroffen.

* * * * *

In de warmere zeeën, vooral in de Middellandsche zee, komt nog een ander soort van garnaal voor, die in fig. 5 afgebeeld is, namelijk: de ~zweepgarnaal~ (_Penaeus_), aldus genoemd naar de zweepvormige aanhangsels aan den achterrand der vier voorste paren pooten, die nog een overblijfsel zijn van de gespleten borstpooten der larve. De achterste pooten zijn korte stompjes, het kop-borststuk heeft, ter verdediging, een langen, zaagvormigen kam. Het dier wordt veel grooter dan onze gewone garnaal, namelijk 25 centim.; het graaft zich aan de kusten in het zand.

* * * * *

Ook de vreemde snuiter van fig. 6 is voornamelijk in de Middellandsche zee te huis. Het is de ~berenkreeft~ (_Scyllarus latus_), een traag dier, 30 centim. lang, met een verre van innemend uiterlijk, en een lichaam, dat met vuil en kiezelwieren bedekt is. Het bewoont rotsachtige plaatsen aan de kusten en verschuilt zich in de holten daarvan. Het kopborststuk is plat en breed, bijna vierhoekig, de buitenste sprieten hebben geen voeldraden, doch een bladachtig verbreed aanhangsel. De oogen, die slechts kortgesteeld zijn, nemen al een zeer zonderlinge plaats in, daar zij bijna uit den rug ontspringen. Een kleinere soort, die levendiger van aard is, vindt men niet zelden in aquaria.

* * * * *

Dan ligt eindelijk onderaan, op den voorgrond, nog een grootere kreeft, met een veel gedistingeerder uiterlijk dan de vorige, ja, die zelfs op zekere schoonheid kan bogen, namelijk: de ~nephrops~ (_Nephrops Norwegicus_), fig. 9, die hoofdzakelijk aan de kusten van Noorwegen leeft en daar veel gevangen wordt, wegens zijn smakelijk vleesch. Het is een zeer fraai dier, dat op een grooten rivierkreeft gelijkt, doch in alle deelen veel slanker en sierlijker van bouw is, wat meer zegt: voor een kreeft zelfs een zekere gratie ten toon spreidt. De kleur, ook van het levende dier, vooral die van de scharen, is prachtig rood en de laatsten zijn wel groot, doch sierlijk en slank. De oogen zijn bijzonder groot en de buitenste sprieten dun en lang. Ook in de Adriatische zee komt deze fraaie kreeft veel voor, vooral in de buurt van Triëst en Fiume, waar hij ook aan de markt komt.

PLAAT VII.

EEN EXCENTRIEK GEZELSCHAP.

Het is een zonderling college van avontuurlijke en vreemdsoortige wezens, dat zich in dit stukje zee op onze plaat verzameld heeft en dat werkelijk wel eenigermate den indruk maakt van een gezelschap humoristische clowns uit den oceaan of van verschijningen uit een andere, ons geheel vreemde, wereld, die men zou wanen, dat slechts in sagen en sprookjes een rol konden spelen. En toch is het een beeld uit de onvervalschte werkelijkheid en allen behooren weer tot de, thans levende, =tienpootige schaaldieren= en zijn deels aan de kreeften, deels aan de krabben verwant.

Reeds dadelijk het bovenste dier op de plaat: de ~pitvormige Ilea~ (_Ilea nucleus_), fig. 1, wekt onze verbazing door zijn hoogst excentriek uiterlijk, dat veel meer aan een afzichtelijke groote spin, dan aan een kreeft zou doen denken en dat, vermomd als een soort vruchtepit (vandaar de naam), die zich de pooten van een hooiwagen heeft aangeschaft, tegen de rotsen opklautert. Dit dier behoort tot de zoogenaamde „~rondkrabben~”, aldus genoemd, omdat het kopborststuk een rondachtigen vorm heeft, terwijl er twee ondiepe groeven overheen loopen. De mondopening is driehoekig van vorm en aan den achterrand van het lichaam bevinden zich twee kleine driehoekige tandjes. De voorpooten zijn veel langer en dikker dan de volgende paren. De kleur van het lichaam is geelachtig tot bruinachtig, de lengte ongeveer 2, de breedte 1,5 centimeter. De dieren komen tamelijk veel in de Middellandsche en Adriatische zee voor.

[Afbeelding: VII.]

Tot dezelfde familie der ~rondkrabben~ behoort ook de ~schaamkrab~ (_Calappa granulata_), in fig. 7 afgebeeld, die de meest bekende soort van zijn geslacht in de Middellandsche zee is en door de bevolking der kustlanden ook gegeten wordt. Het dier is 6-8 centim. lang, lichtrood van kleur, met donkerroode vlekken--een beschermende kleur op den kiezeligen grond--, gele pooten en een rond, sterk gewelfd kopborstpantser, dat aan de beide zijden vleugelachtig verbreed is, zoodat de vier achterste paren pooten er bijna geheel door bedekt zijn. Ook hier is het schild rondom de monddeelen driehoekig toegespitst. De schaarpooten zijn ontzaglijk vergroot en kamvormig getand, zoodat zij, als zij tegen het lichaam aangetrokken worden, de geheele omgeving van den mond en een groot deel van de borst volkomen bedekken en verbergen, als schaamde het dier zich te laten zien, waarvan de naam afkomstig is. Daar ook de overige pooten door de verbreede borstschilden bedekt zijn en deze krab de gewoonte heeft, om zich over dag, traag en vadzig, zoo diep in het zand op den bodem te graven, dat slechts het voorste gedeelte van het rugschild, de zeer korte sprieten, de langgesteelde oogen en de bovenrand van de scharen boven den grond te voorschijn komen, is het dier daardoor even goed beschut als een schildpad door haar schild. De scharen vormen machtige wapens tegenover vijanden, en dienen tevens als stevige knijptangen voor het vasthouden van den buit en als schoffels voor het graven in het zand.

De zonderlinge snuiter van fig. 3, die naar een hoop zeewieren kruipt, is zeker wel de meest humoristische grappenmaker van het gansche gezelschap. Het is de ~dorippe~ (_Dorippe lanata_), uit de Middellandsche zee, behoorende tot de afdeeling der ~rugpootkrabben~, aldus genoemd naar de, weinig ontwikkelde dunne en teere achterste borstpooten, die geen aandeel nemen aan de voortbeweging en bovendien in die mate naar achteren op de rugstreek verplaatst zijn, dat het allen schijn heeft, alsof het dier, met zijn beenen op zijn rug, rondloopt. De schaarpooten zijn kort, doch de beide volgende paren zijn buitengewoon lang en van klauwen voorzien. Het dier is 4 à 5 centim. lang, groenachtig van kleur en het kopborststuk is van voren als dwars afgesneden.

Maar welk een potsierlijke maskerade-vertooning geeft deze wonderlijke snaak ons, daar op de plaat, ten beste? Hij laadt alle mogelijke vreemde zaken, die hij maar meester kan worden, boven op zijn rug: schelpen, wieren, doode visschen, enz. zoodat hij bijna doet denken aan een wandelenden „koopman van alles” of een uitdrager. Ons exemplaar van fig. 3 is bedekt met een oesterschelp, waarop een menigte zeepokken zitten (fig. 2) en die het met zijn, rugwaarts geplaatste, achterste borstpooten boven zijn rug vasthoudt. En nu het doel van deze komieke vertooning? Vooreerst dient die bagage op den rug als een schild ter bescherming en verder: om het dier voor zijn vijanden onkenbaar te maken, dus inderdaad een maskerade-vermomming.

Ook de ~gewone wolkrab~ of ~schildkrab~ (_Dromia vulgaris_), fig. 6, is een lid van dit gilde der zich vermommende karnevalsgasten; deze heeft zich echter, in ons geval, een geheel dier op den rug geplaatst en wel een dier uit de klasse der ~manteldieren~, orde der ~ascidiën~, namelijk: _Amarucium densum_ (fig. 5). Meestal kiest deze krab echter, als beschuttend dak en als maskerade-pak ter vermomming, een spons. Ontneemt men haar, in de gevangenschap, dit beschermend dak, dan hangt zij zichzelf een mantel om van waterplanten, wel een bewijs, hoe onmisbaar het dier die beschutting acht.

Bovendien schijnen echter de samenlevende dieren: spons en krab, ook inderdaad beiden voordeel te hebben van deze innige compagnieschap en blijvende vereeniging. De krab wordt door de spons beschermd en onder haar lichaam verborgen, en wederkeerig heeft de spons, het aangenomen pleegkind van de krab, het genoegen, op de schaal van deze voort te leven, zich uit te breiden en voortreffelijk te gedijen, want de krab voert haar mede op al haar tochten door het water en stelt haar dus, op die wijze, in staat, om een veel ruimere keuze te doen uit de lekkernijen, die de zee oplevert, dan het geval zou zijn, als zij aan een vaste plaats gebonden was. Vandaar dan ook, dat de beide getrouwen, na een gedwongen echtscheiding, steeds weer, op alle manieren, tot een gelukkige vereeniging trachten te geraken. Wij hebben hier te doen met een geval van de zoogenaamde „_symbiose_” (samenleving), waardoor men verstaat: het samenleven van twee verschillende wezens, tot onderlinge hulp en wederzijdsch nut, een verschijnsel in de natuur, waarvan wij, in den loop van onze volgende beschouwingen, nog andere merkwaardige voorbeelden zullen ontmoeten.

De wolkrab behoort ook weer tot de familie der ~rugpootkrabben~ en is verwant aan de dorippe van fig. 3. Doch zij onderscheidt zich daardoor, dat het geheele lichaam, behalve de punten der scharen, met wollige haren bedekt is, waarvan haar naam afgeleid is. De kleur is bruinachtig, die der scharen licht roodachtig, de lengte van het dier bedraagt 6-8 centim. Men vindt het in Europa, van de Middellandsche zee tot aan het Engelsche kanaal.

Het dier, dat op den voorgrond van onze plaat over den zeebodem voortkruipt, is de ~gewone sprinkhaankreeft~ (_Squilla mantis_), fig. 8, die niet tot de krabben behoort, doch tot de eigenlijke ~langstaartige~ kreeften. Op het eerste gezicht doet hij inderdaad meer aan een soort sprinkhaan, vooral aan de biddende vangsprinkhaan (_Mantis_), denken, naar welken hij genoemd is.

Deze kreeft is zeker wel één der avontuurlijkste vormen van deze verzameling en tevens één der merkwaardigste wonderen uit de geheele dierenwereld der Middellandsche zee. Hij is een echt roofdier, tamelijk groot (18 centim. lang), dat uitsluitend in de warme zeeën voorkomt. Het lichaam is lang uitgerekt, met een dik achterlijf, dat veel langer is dan het kopborststuk, welk laatste den vorm heeft van een bijna vierhoekige plaat. De staartvin is bijzonder groot en de voorste deelen van het achterlijf, alsmede de drie achterste ringen van het kopborststuk blijven vrij en zijn dus beweeglijk. De vijf eerste paren ledematen staan bijeen rondom den mond en deze noemt men dus ~mondpooten~; het voorste paar gelijkt op voelers, het tweede paar is eigenaardig gebogen, als bij een sprinkhaan, en vormt een paar geweldige roofpooten voor het grijpen van den buit. Het voorste lid van deze pooten is kamvormig getand en de kreeft bedient zich daarvan tevens, om het lichaam te reinigen. De binnenste sprieten bestaan uit 3 leden en eindigen in 3 zweepdraden, de buitenste sprieten hebben aan haar voet een lange schub. De oogen staan tamelijk ver naar voren, op steeltjes geplaatst. Men zegt, dat het vleesch van dezen kreeft zeer goed smaakt.

Kon geen der voorgaande dieren op het bezit van uiterlijke bekoorlijkheden bogen, zoo is er toch één lid van dit wonderlijke gezelschap, in fig. 4 voorgesteld, dat werkelijk, in haar soort, een schoonheid mag heeten en dat dan ook genoemd is naar de schoone Galatea in de Grieksche fabelleer, een zeenimf, dochter van Nereus en Doris, voor welke de éénoogige reus, de cycloop Polyphemus, een ongelukkige liefde had opgevat. Het is de ~Galatea~ of ~porseleinkrab~ (_Galatea strigosa_), een dier van de grootte van een rivierkreeft, dat in de Middellandsche en Noordzee leeft en daar nog op aanzienlijke diepten aangetroffen wordt, want men heeft reeds exemplaren opgehaald van diepten van meer dan 4000 meters.

Het is een fraai dier, roodachtig van kleur en met blauwe lijnen geteekend, een schoonheid, die echter niet volkomen tot haar recht komt, daar deze zeenimf, in tegenstelling van haar blanke naamgenoote uit de fabelleer, over het geheele lichaam sterk behaard is en daartusschen steeds vuil achterblijft. Deze kreeft heeft buitengewoon groote voorste schaarpooten, terwijl het laatste paar pooten juist zeer klein is. De buitenste sprieten zijn buitengewoon lang en dun. Het kopborststuk is langwerpig eirond en vertoont sterke dwarse groeven. Het achterlijf kan daaronder omgeslagen worden, waardoor dit dier nadert tot de krabben, waar zulks blijvend het geval is en waarmede wij nu kennis zullen maken.

[Afbeelding: VIII.]

PLAAT VIII.

KRABBELENDE STRANDVONDERS EN HUPPELENDE GYMNASTEN.

Aan onze noorderstranden krabbelt een eigenaardig volkje van „strandvonders” rond, die, om aan den kost te komen, hun buit grootendeels aan de kust, soms ook in de diepere zee, verzamelen. Voor een deel zijn het groote en logge gevaarten, die deftig, met afgemeten passen, over het strand voortkrabbelen, deels ook kleine, doch koene springers en zwemmers, die de wereld meer van den vroolijken kant opvatten en het leven lustig doorhuppelen, al wordt ook menig hunner meedoogenloos door den voet van den mensch vertrapt. Beiden behooren weer tot de =tienpootige schaaldieren=, zijn dus wel verwant aan de kreeften, maar hebben toch een geheel anderen lichaamsbouw en levenswijze.

Van eerstgenoemden: de =krabben=, zijn aan onze kusten een paar soorten welbekend en, als smakelijke spijs, gezocht, hoewel het aroma van haar vleesch niet halen kan bij dat van de kreeften. Ook uiterlijk wijken zij van dezen aanzienlijk af en zooals wij uit de fig. 10 en 11 zien, is haar lichaam veel lomper van bouw dan dat van de, dikwijls zoo fraaie en sierlijke kreeften, die wij tot nogtoe ontmoet hebben. Bij andere soorten, zooals die van fig. 2, 4 en 5, is de vorm bovendien zoo fantastisch gewijzigd, dat men er geen kreeftachtige dieren meer uit zou herkennen en zij ons meer aan, afzichtelijke gepantserde, reuzenspinnen doen denken.

Bij alle krabben is het lichaam kort en breed, doch wat wij er van zien, is eigenlijk alleen het ronde, vierhoekige of driehoekige kopborstschild, want het achterlijf is van boven onzichtbaar, daar het slechts zeer kort en onontwikkeld is, doch bovendien naar beneden omgeslagen is, in een groeve onder het borstschild. Daarom noemt men de krabben ook: =kortstaartige kreeften=. Bij het wijfje is dit korte achterlijf wel breed, doch zonder staartvin en van vier draadvormige pooten voorzien voor het vasthechten der eieren; bij het mannetje is het achterlijf nog minder ontwikkeld. Bij het zwemmen kan hier het achterlijf dus ook geen dienst doen, zooals bij de kreeften, doch hier geschiedt het alleen met de breede voorpooten. In de edele zwemsport zijn deze dieren echter niet zeer ervaren, des te beter echter zijn zij bedreven in de loop- en wandelsport. Meestal loopen zij op het strand en wel in den regel zijwaarts of in schuine richting.