Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten
Part 6
Thans tot een minder romantisch en meer prozaïsch onderwerp overgaande, waarbij echter ook de bloeddorstige ader niet ontbreekt, vragen wij, voor een oogenblik, de aandacht voor een paar =ringwormen=, wier kenmerken, in ’t algemeen, reeds vroeger door ons geschetst werden (zie bladz. 8). Twee van deze dieren zien wij ter linkerzijde van ons wijnglazen-woud rondspartelen. Fig. 10 stelt den ~zwarten bloedzuiger~ of ~onechten paardenbloedzuiger~ (_Aulacostomum gulo_) voor. Den tweeden naam draagt het dier ter onderscheiding van den eigenlijken ~paardenbloedzuiger~, die bij ons zeldzaam is, doch in Zuid-Europa en Noord-Afrika zeer lastig voor de paarden en het vee kan worden, daar hij bij drinkend vee in de neusgaten kruipt, zich daar vastzuigt en de ademhaling belemmert. Deze behoort tot de naaste familie van onzen bekenden medicinalen bloedzuiger, waarover wij bij de volgende plaat zullen spreken.
Toch komt ook de zwarte bloedzuiger van fig. 10 met beiden overeen door het bezit van 5 paar oogen en van 3 kaakplaten in den mond, die in de voorste zuignap gelegen is (zie bladz. 8), doch de tandjes der platen zijn hier stomp. De kleur van het dier is van boven zwartbruin of groenachtig zwartbruin, met donkere vlekken, en aan de onderzijde licht olijfkleurig. Hij zwemt tamelijk behendig, door middel van slangvormige kronkelingen en voedt zich met wormen, slakken, larven en kleine vischjes. De hechtschijf of achterste zuignap is kleiner dan bij den medicinalen bloedzuiger. Zooals alle bloedzuigers legt hij zijn eitjes in de vochtige aarde, boven den waterspiegel, en hij verlaat ook overigens, menigmaal voor geruimen tijd, het water, om in den vochtigen grond onder steenen weg te kruipen. Hij komt in bijna alle stilstaande of kalm vlietende wateren voor.
De dunne, rolronde worm, die zich, rechts op de Plaat (fig. 11), tusschen waterplanten voortkronkelt en dien men voor een kleinen regenworm zou kunnen houden, blijkt, bij nader inzien, daarmede niets te hebben uit te staan, behalve dat hij, evenals de laatste en de bloedzuiger, ook weer tot de ringwormen behoort, hetgeen trouwens reeds uit het duidelijk geringde lichaam te zien is. Het is de ~broze slibworm~ (_Lumbriculus variegatus_), „broos” genoemd, wegens zijn buitengewoon ver gedreven herstellingsvermogen, dat zelfs als een herkenningsteeken, een signalement, voor dit dier kan gelden. Hoewel deze eigenschap, gelijk wij vroeger zagen (bladz. 33), algemeen is bij de wormen, zoo hebben wij daarvan hier toch een merkwaardig en hoogst zonderling geval.
Men kan namelijk niet zelden opmerken, dat het lichaam van dezen ringworm tweeërlei kleuren vertoont: één gedeelte van het lichaam is veel lichter gekleurd dan het andere. De oorzaak daarvan is een zeer ongewone wijze van voortplanting van dit dier, namelijk zoodanig, dat er eenvoudig een stuk van afbreekt en tot een nieuwen worm uitgroeit, terwijl het verminkte gedeelte zich insgelijks weer tot een volledig dier ontwikkelt, welk nieuw uitgroeisel dan tijdelijk een andere kleur vertoont. Snijdt men den worm in verscheidene stukken, dan is elk stuk ook weer in staat, om een nieuw individu te vormen. Toch heeft de voortplanting tevens ook door eieren, langs geslachtelijken weg, plaats.
De talrijke ringen, die men uitwendig aan het lichaam ziet, komen overeen met de inwendige afdeelingen of „segmenten”, waarin de lichaamsholte verdeeld is. Aan die segmenten zijn van buiten, tot bundels vereenigde, ~borstels~, die tot steun bij de voortbeweging dienen, in twee rijen bevestigd. Daarom noemt men deze orde der ringwormen, waartoe ook de gewone aard- of regenworm behoort, „~borstelwormen~” (zie ook bladz. 8). De broze slibworm, die zich in het slib of tusschen waterplanten ophoudt, is 4 tot 8 centim. lang, geelachtig bruin van kleur en heeft een dunne huid, die zoo doorschijnend is, dat de inwendige organen, vooral het zwarte darmkanaal en de hoogroode bloedvaten, er duidelijk doorheen te zien zijn.
Nog een geheel andere worm, van veel lageren rang, ligt, onderaan in het midden, op den bodem van het water (fig. 9). Het is de ~zwarte veeloog~ (_Polycelis nigra_), een zonderling teer schepseltje, aldus genoemd naar het groot aantal oogen, 30 tot 50 stuks, die langs den geheelen breederen, afgeronden voorrand van het diertje geplaatst zijn. Het is zwart van kleur, 1 centim. lang, plat en langwerpig van vorm en het behoort tot de groep der =platwormen=, afdeeling ~trilwormen~ (zie bladz. 33). Het komt veel in zoet water voor onder steenen, of ook tusschen bladeren van riet of aan de onderzijde der bladeren van de waterlelie.
* * * * *
Verder zien wij tusschen de waterplanten, in het midden van onzen waterplas, nog een hoogst merkwaardig diertje rondsluipen. Het is één der kleinere kreeftachtige schaaldieren: de ~kieuwpoot~ (_Apus productus_), fig. 2, een dier, dat 3-7 centim. lang is, tot de „~bladpootigen~” behoort en bruin van kleur is. Van boven is het met een breede, schildvormige schaal bedekt, waaronder een aanzienlijk getal: 30-60 paren bladvormige ledematen gelegen zijn, waaraan de kieuwen vastzitten; daarom verkeeren zij aanhoudend in een trillende beweging, om versch water voor de ademhaling aan te voeren. Bij het wijfje is het 11e paar pooten in twee borsttaschjes overgegaan, waarin de eitjes bewaard worden. Mannetjes komen zelden voor en werden eerst later ontdekt.
Deze dieren kunnen verbazend snel en onstuimig zwemmen en wel op den rug. Men vindt ze in poelen en moerassen, wel is waar, tamelijk zelden, doch dan ook in ongelooflijke menigte. Bij ons komen zij in sommige jaren, vooral in Gelderland en Noord-Brabant, in aanzienlijke massa’s voor; vooral na hevige regens vindt men ze dan zelfs op de rijwegen en in de plassen op de straten. De oorzaak is, dat door het vocht de schijndoode diertjes, die uit de eitjes ontstaan zijn, weer ontwaken. Bij het uitdrogen der poelen verdwijnen de dieren weer plotseling en laten alleen de eitjes achter, die zich juist alleen op het droge ontwikkelen en daar jarenlang levensvatbaar blijven, totdat zij, door nieuwen watertoevoer, weer tot het leven gewekt worden.
* * * * *
De overige bevolking van het watertooneeltje op Plaat III wordt verder nog slechts uitsluitend gevormd door eenige soorten van slakken, die zich hier blijkbaar volkomen op haar plaats en uiterst behaaglijk gevoelen. Daaronder is slechts één ~longslak~ (zie bladz. 16) en wel: de ~barnsteenslak~ of ~amber-horenslak~ (_Succinea_), fig. 1, die dan ook, zooals wij zien, terecht een plaatsje op het droge, op de bladeren van een plant boven de oppervlakte van het water, heeft uitgekozen. Zij is dan ook geen eigenlijke waterslak, behoort zelfs, als longslak, in de lucht tehuis, doch houdt zich toch bij voorkeur in de nabijheid van het water op, maakt daarin zelfs dikwijls een uitstapje, om zich op waterplanten, vooral op de bladeren van het pijlkruid, neer te zetten. De naam is afgeleid van het doorschijnende, barnsteen- of ambergele huisje. Er is een soort van dit geslacht (_Succinea oblonga_) die ook wel in ons land voorkomt en tot de echte aardslakken behoort, elders zelfs tot hoog in het gebergte trekt, in de buurt van bergbeekjes.
Overigens vinden wij op de Plaat nog slechts ~tweeslachtige slakken~ (zie bladz. 16). Op den voorgrond liggen, op den modderigen bodem, drie fraaie exemplaren van de ~gewone schijfhoren~ (_Planorbis corneum_), fig. 8, waarvan wij een familielid reeds vroeger op Plaat II ontmoet hebben. De hier afgebeelde is de grootste en fraaiste--en tevens de meest voorkomende--van onze schijfhorens of „~posthorentjes~” en zij bereikt niet zelden een middellijn van 3 centim. Zij houdt zich bijna in alle stilstaande wateren in groote menigte op en klimt ook gaarne tegen waterplanten omhoog. De horen bestaat uit 5 of 6 zeer gezwollen windingen, waarvan de laatste een weinig wijder uitloopt en in een vrij grooten schelpmond eindigt. Het huisje is tamelijk dik en stevig, met duidelijke dwarsstrepen; de kleur is olijfgroenachtig bruin van boven en van onderen geel of rossig, soms bijna wit.
Nog grooter, ja zelfs de grootste van al onze, in het water levende, slakken en een reus onder zijn familieleden, is de algemeen in onze slooten voorkomende en zeker aan weinigen onzer lezers onbekende, ~gewone poelslak~ (_Limnaea stagnalis_), waarvan in fig. 4 en 6 een paar exemplaren afgebeeld zijn. De voelers, slechts twee in getal, zijn hier zeer dik, niet rond en voor intrekking vatbaar, doch driehoekig van vorm; aan hun basis liggen, boven op den kop, dicht bij elkaar, twee groote oogen. De horen is rechts gewonden, langwerpig eivormig, met 5 tot 8 omgangen of windingen, waarvan de laatste zeer groot is en wel ²⁄₃ van den geheelen horen beslaat; deze is 6-7 centim. lang, loopt puntig uit en heeft een grooten mond. De wand van het huisje is dun, eenigszins doorschijnend, hoornkleurig of vaalbruin, met duidelijke strepen.
De dieren kruipen zoowel over den bodem, als tegen waterplanten naar boven en dikwijls hangen zij ook, op een eigenaardige wijze, met de kruipzool van den voet, onmiddellijk aan de oppervlakte van het water, terwijl het huisje naar beneden hangt en zoo ziet men ze ook wel langs den waterspiegel voortglijden. Waarschijnlijk kan de slak lucht van hare ademholte uitpersen, waardoor zij specifiek zwaarder wordt en naar beneden zinkt, en omgekeerd door de lucht in de ademholte te doen uitzetten, deze opblazen en daardoor omhoog stijgen. Daar zij ook in de lucht kan ademen, verlaat zij gaarne van tijd tot tijd het water, om op vochtige weilanden een poos rond te dolen en te zien, wat daar van haar gading is. De eitjes worden, als een soort van kuit, in samenhangende, wormvormige snoeren op de bladeren van planten of andere voorwerpen in het water gelegd (zie fig. 5). Uit de eitjes ontsnappen larven, die zich, met behulp van trilharen, vrij snel in het water ronddraaien.
De twee kleine slakjes, die wij, in de buurt van de groote poelslakken, op waterplanten zien zitten, zijn een paar ~blaashorenslakken~ (_Physa fontinalis_), fig. 3 en 7, die een dun, eirond, glad en gezwollen huisje hebben, met slechts vier windingen, waarvan de laatste zeer groot is en wel ³⁄₄ van de geheele hoogte van den horen inneemt. De kleur is licht hoorngeel en het huisje is links gewonden. De rand van den mantel is hier franje-achtig uitgetakt en kan over den rand van den horen omgeslagen worden. Deze soort van blaasslak leeft ook wel in bronnen of beekjes en wordt daarom ook wel ~bron-blaashoren~ genoemd.
Ten slotte ligt onderaan, rechts in den hoek van de plaat, nog een leeg huisje van een ~moerashoren~ (_Paludina_), fig. 13, waarover wij reeds op bladz. 18 gesproken hebben.
[Afbeelding: IV.]
PLAAT IV.
LEVEN EN BEDRIJF IN VIJVERS EN ZACHT VLIETENDE WATEREN.
Hier worden wij nogmaals verplaatst in het gebied van het zoete water, in vijvers of zachtvlietende beekjes, waar zich het leven en bedrijf van zeer uiteenloopende diervormen weer op interessante wijze afspelen.
Reeds dadelijk valt ons oog op een hoogst zonderling gebouwd wezentje, dat, in den linker bovenhoek van onze waterpartij, tusschen waterplanten rondzwemt (fig. 1). Dit is weer een vertegenwoordiger van de kreeftachtigen of schaaldieren en wel: een lid van de familie der =kieuwpootigen=, waarvan wij, op bladz. 3 reeds een nabestaande ontmoet hebben. De ~kieuwpoot~ van fig. 1 behoort tot het geslacht _Branchipus_, en heeft een zachte huid, zonder schaal of schild, is zeer langwerpig van vorm, melkwit van kleur en bezit een duidelijken kop, met twee samengestelde, gesteelde oogen en twee paar sprieten. Het achterlijf draagt geen ledematen en eindigt in twee vertakte, beweegbare aanhangsels. Aan het kopborststuk daarentegen bezit het dier, in volwassen staat, niet minder dan 11 paar roeipooten, waaraan van boven de kieuwzakjes bevestigd zijn.
Het is een zeer curieus gezicht, als men het diertje zich door het water ziet voortroeien; het licht dan achtereenvolgens al de paren kieuwpooten op en doet daarbij onmiddellijk aan een miniatuur raderstoombootje denken. Aan de buitenzijde van de beide voorste borstringen bevindt zich een zakvormige broedruimte voor de eitjes en uit deze ontwikkelt zich eerst een larve met slechts 3 paren pooten. Bij elke volgende vervelling ziet deze echter het aantal harer pooten toenemen. Het diertje leeft in stilstaande zoete wateren en komt dikwijls zelfs in menigte voor in waterplassen, die door de zomerregens op kleiwegen gevormd worden.
In fig. 5 zien wij nog een ander schaaldier, welks aanwezigheid men hier in den waterplas zeker allerminst zou verwachten en dat men misschien tusschen dit gezelschap van echte waterdieren als toevallig verdwaald zal beschouwen. Het is namelijk, gelijk wij dadelijk op het oog reeds zien, één van die diertjes, welke antwoorden op den onkieschen naam van „pissebedden”, en wel: de ~zoetwater-pissebed~ (_Asellus aquaticus_). Zij komt in al onze slooten en vijvers algemeen voor en is dus de naaste verwante van onze oude, getrouwe kelderpissebed of steenmot. En als men de levensgeschiedenis van deze laatste kent, dan heeft ook de aanwezigheid van haar nabestaande in het water niets onbegrijpelijks meer.
Men wete namelijk--hoewel velen het nauwelijks zullen kunnen gelooven--dat onze gewone pissebed eigenlijk niets anders is dan een kreeftachtig schaaldier. Als zoodanig herkent men haar, bij nadere beschouwing, dan ook werkelijk door haar vrij harde huid, de twee paren sprieten, het groot aantal ledematen en .... door hare ademhaling door ~kieuwen~, bestaande uit vliezige plaatjes, waarin de ledematen van het achterlijf vervormd zijn. Zoo hebben wij hier dus te doen met een landdier, dat door kieuwen ademt, als ’t ware een kreeft op het droge, een zeer curieus geval dus, maar dat volkomen begrijpelijk wordt, als wij weten, dat ook de keldermot oorspronkelijk--lang en lang geleden, in vóór-wereldlijke tijden--insgelijks een echte bewoner van het water was, die eerst later, uit nood gedrongen, zijn eigenlijk element verliet en, om zijn bestaan te redden, tegen wil en dank het land voor lief heeft genomen, maar daar dan nu ook wel eenigszins zit als een visch op het droge. Vandaar juist, dat hij elke omgeving, die maar eenigszins droog is, angstvallig vermijdt en het liefst vertoeft in vochtige, met waterdamp bezwangerde ruimten, waar zijn kieuwen vochtig blijven, dus in kelders, onder vochtige steenen, in bloempotten enz. En brengt hij eens, bij hooge uitzondering, een vluchtig bezoek aan onze gangen of kamers, dan geldt dit ook als een zeldzaamheid, als een bewijs van vochtigheid der lucht, hetgeen hem een plaats heeft verleend onder de tallooze voorspellers van nat weer.
Doch nu zal men er zich niet langer over verwonderen, dat de pissebed van fig. 5, die haar familielid, bij den gewichtigen stap van het water naar het land, niet is gevolgd, zich in onzen vijver volkomen op haar gemak gevoelt. Daar is zij juist in haar element en, daar zij de edele zwemsport niet beoefent, doch op haar beenen door de wereld moet gaan, maakt zij daar zelfs groote wandelingen over den bodem en tusschen de waterplanten, want zij beweegt zich zeer gemakkelijk en snel.
Het diertje is groenachtig bruin van kleur en hoogstens 1,5 centim. lang; de binnenste sprieten zijn zeer groot en de pooten aan de achterste leden zijn grooter dan die aan de voorste. Van de keldermot onderscheidt zich de zoetwater-pissebed verder nog door een langwerpiger lichaam en door de kortere ringen van het achterlijf, waarvan alleen de laatste zeer groot en schildvormig is. Doch ook zij heeft--zelfs nog meer dan haar familielid in den kelder--een heiligen afkeer van alles, wat naar droogte zweemt. Als dus in den zomer de slooten uitdrogen, graaft zij zich zoo spoedig en zoo diep mogelijk in het slijk, om gunstiger tijden af te wachten en bij den terugkeer van het water tot een nieuw en beter leven te ontwaken. Hetzelfde doet zij in den winter tot het houden van een winterslaap. Ten slotte nog iets bijzonders van dit dier; het draagt zijn hart, althans volgens onze begrippen, volstrekt niet op de rechte plaats of ten minste in een minder gebruikelijk lichaamsdeel, namelijk: in het achterlijf.
* * * * *
Evenmin als pissebedden, zou men, hier in den waterplas, spinnen verwachten en toch zien wij in fig. 3 een lid van deze klasse der gelede dieren druk in de weer, namelijk: de ~waterspin~ (_Argyroneta aquatica_), die algemeen in stilstaande of zwak stroomende wateren in ons land voorkomt. Zij verraadt, in alle opzichten, door haar uiterlijk, de familietrekken der spinnen en wel: ~vier~ paren pooten, bevestigd aan het, uit kop en borst vergroeide ~kopborststuk~, het dikke achterlijf, dat van achteren van ~spinklieren~ voorzien is, waaruit een vocht afgescheiden wordt, dat in het water tot „spindraden” verhardt, en verder nog door het gemis van sprieten, doch het bezit van twee paren, tot monddeelen of kaken vervormde pooten: de ~kaaksprieten~, waarin een giftklier uitmondt. Dan bezit het dier, zooals alle spinnen, vier paren enkelvoudige oogen, die aan den voorrand van het kopborststuk geplaatst zijn en wel: 6 vooraan in een boog en het vierde paar binnen dien boog.
De waterspin is 14 millim. lang, roodbruin van kleur, heeft een langwerpig, gesteeld achterlijf en donkerbruine, sterk behaarde pooten. Zij zwemt met den buik naar boven, die onder water, evenals het onderste gedeelte van het borststuk, kwikzilverachtig glinstert, tengevolge van de luchtlaag, die aan de talrijke haren van het achterlijf blijft vasthechten.
De spinnen ademen echter door ~longen~ en het zijn dus feitelijk ~luchtdieren~. Het zijn dan ook alleen bijzondere bezigheden, die deze spin in het water doen vertoeven; in weerwil daarvan is en blijft het echter een echt luchtdier, dat, voor de ademhaling, steeds met de buitenlucht voeling moet houden en telkens naar de oppervlakte moet terugkeeren. Vooreerst zoekt zij haar voedsel hoofdzakelijk in het water en overmeestert daar haren buit, uit allerlei waterinsekten en zoetwaterkreeftjes bestaande, door flink te zwemmen en behendig tegen waterplanten op te klimmen. Daarbij beschikt zij steeds over een voldoenden voorraad aan lucht, die zij van de oppervlakte, tusschen de haren van haar lichaam, ook in de buurt van de longen, heeft meegevoerd.
Maar bovendien heeft deze spin in het water nog een ander interessant werkje te verrichten, dat in verband staat met de zorg voor de nakomelingschap. Waterspinnen zijn niets meer of minder dan fabrikanten van duikerklokken. Van haar spindraden vervaardigt het dier, onder water, een nest van dicht weefsel, zoo groot als een half duivenei, dat een ronden vorm heeft en van onderen open is; het wordt aan waterplanten vastgesponnen (zie fig. 3_a_). Van onderen kan er echter geen water indringen, want het wordt, evenals een duikerklok, geheel met lucht gevuld, waartoe het dier telkens naar boven klimt en van boven de wateroppervlakte lucht meevoert, die in de klok van de haren, door middel van de achterpooten, afgestreken wordt.
In het bovenste verwulf van deze duikerklok wordt dan een warm nestje of cocon gemaakt, dat helder wit is als sneeuw en er uitziet als watten. Daarin worden de eitjes gelegd, welke door de moeder met veel zorg bewaakt worden, want zij verjaagt nadrukkelijk allerlei kleine waterroovers, die hun zinnen op een paar van de verleidelijke eitjes gezet hebben. Daar de lucht in de klok dikwijls ververscht moet worden, spint zij, ten einde dit snel en gemakkelijk te kunnen doen, van stengel tot stengel draden naar de oppervlakte, die zij als ladder gebruikt en waarover zij zeer snel voortglijdt.
Welk een rijk vernuft en hoeveel verstandig overleg zetelt er in het kleine zenuwknoopje, dat in den kop van de spin de rol van onze hersenen vervult! Op alle omstandigheden, die aan haar kleinen schade zouden kunnen toebrengen, wordt zorgvuldig acht geslagen, in alle noodige reparaties van het kunstwerk weet zij op voorbeeldige wijze te voorzien. En wat ons hier vooral aangenaam aandoet, dat is de goede harmonie, die bij dit alles tusschen de beide echtelieden: spinneman en spinnevrouw, blijft bestaan. En dit is een zaak, die anders in de spinnenwereld veel te wenschen overlaat; de verhouding is daar dikwijls zeer gespannen en, tot schande van den man, moeten wij erkennen, dat hier de vrouw het heft in handen heeft. Wat meer zegt: bij onze gewone kruisspin, die in haar web aan de tuinschutting zit, gebeurt het niet zelden, dat het veel kleinere mannetje--en dat nog wel in den bruidstijd, als hij zijn huwelijksaanzoek komt wagen--eenvoudig door het groote en steeds hongerige wijfje wordt opgeslokt.
Bij de waterspin zijn de verhoudingen van den echt vrij wat vriendschappelijker, waarschijnlijk ook daardoor, dat hier, tegen den regel in, het mannetje wat meer „mans” en grooter is, en zich dus niet alles van zijn wederhelft laat welgevallen, hetgeen in elk geval meer respekt afdwingt. En zoo zien wij dan ook, dat, hoewel het voornamelijk het wijfje is, dat de werkzaamheden aan het nest verricht, zij daarbij toch door haren echtvriend trouw wordt bijgestaan. Toch schijnt ook hier moeder de vrouw in geestelijk opzicht veel hooger te staan: manlief is met den besten wil bezield, maar hij is minder bedeeld met vernuft en overleg, waardoor hij meestal in den weg loopt en de vrouw hem het werk uit handen neemt.
Ter linkerzijde van de waterspin kronkelt zich weer één dier bloeddorstige ringwormen, die in den vijver zijn spel drijft met het vervolgen van zijn buit: slakken, kikkerlarven enz., van wier bloed hij leeft (fig. 2). Ditmaal hebben wij nu te doen met den echten, ~medicinalen bloedzuiger~ (_Hirudo medicinalis_), die, zooals reeds op bladz. 8 vermeld werd, gekenmerkt is door het geringde lichaam, de drie halfcirkelvormige, scherp getande ~kaakplaten~ in den mond, die in den voorsten zuignap ligt, en door het bezit van 5 paar oogen. Met de kaakplaten zaagt het dier bij zijn slachtoffer de huid open, waardoor ook de bloedvaten geopend worden en door den zuignap het bloed uit de wond wordt gezogen. Daarbij zwelt het lichaam, dat zich sterk kan uitzetten, verbazend sterk op, zoodat het somtijds driemaal de normale dikte bereikt. Want de slokdarm eindigt in een kolossale maag, die bovendien nog van talrijke zijdelingsche, zakvormige blinde aanhangsels voorzien is. Voor die buitengewone gulzigheid kunnen echter verzachtende omstandigheden gepleit worden; het dier moet namelijk groote hoeveelheden bloed verzamelen voor de tijden van nooddruft, daar het soms maandenlang moet vasten, als de gelegenheid tot bloeduitzuigen zich niet voordoet.
De kleur van den medicinalen bloedzuiger is groen, min of meer naar het bruine overhellend, en over beide zijden van den rug loopen drie smalle, overlangsche gele banden. De buikzijde is afgeplat en het lichaam loopt naar voren en naar achteren smaller toe. Het dier komt, vooral in Frankrijk en Hongarijë, in zoet water voor en wordt bij ons wel in vijvers of bakken gekweekt voor het gebruik in de geneeskunde, om overvloedig bloed bij de patiënten weg te zuigen. Daar echter de tegenwoordige menschheid niet veel over een overmaat van bloed te klagen heeft, doch integendeel een groot percentage juist aan bloedarmoede lijdt, zoodat men er meer op uit is, om haar meer bloed te verschaffen, is die toepassing van de bloedzuigers, en dus ook het kweeken van die dieren, sterk verminderd. Voor het vangen gaan mannen met bloote beenen in de kweekvijvers en men grijpt de dieren dan, zoodra als zij zich op de huid zetten, of men brengt ook wel doode dieren in het water, waarop zij zich vastzetten. In den zomer boren de wijfjes zich in de aarde aan den oever en leggen daar eieren.
* * * * *