Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten

Part 4

Chapter 43,704 wordsPublic domain

Al deze dieren zijn de naaste verwanten van onzen gewonen oester en mossel, en vooral met eerstgenoemden zal zeker menig fijnproever onder de lezers meermalen met genoegen kennis gemaakt hebben. De vraag is echter, of die kennismaking zich ooit verder dan tot het gehemelte van den verbruiker uitgestrekt heeft en als men hem, bij zijn oestermenu, besproeid met champagner, eens op den man af vroeg: „wat ~is~ nu eigenlijk een oester of een mossel voor een dier?”, dan zou hij, tien tegen één, het antwoord schuldig blijven of ze onder het artikel „visch” thuis brengen.

Maar een schelpdier is geen visch, want het bezit zelfs geen spoor van een inwendig geraamte, is dus niet eens een gewerveld dier, doch, even als bij de slak, is het geheele lichaam zeer week, men noemt ze dus „weekdieren”. Overigens is, bij een oestermaaltijd, het genoegen der kennismaking zeker niet wederkeerig en in geen geval aan de zijde van den oester, want dit goedige dier moet het zich, tegen wil en dank, laten welgevallen, dat men het levend en, om zoo te zeggen, „met huid en haar” opeet, zonder dat het ook zelfs maar van een schijn van protest kan doen blijken. Trouwens: voor het houden van diepzinnige bespiegelingen zijn oester en mossel allerminst in de wieg gelegd, want zij missen niet slechts de hersenen--er zijn in het lichaam slechts 3 ~zenuwknoopen~, die zenuwen uitzenden naar de verschillende lichaamsdeelen--doch zelfs de geheele kop ontbreekt: oester en mossel zijn ~koplooze weekdieren~ en, als zoodanig, geestelijk ongetwijfeld de minderwaardigen van de geheele familie.

Toch hebben zij zich tegen de gevaren voor hun weeke lichaam weten schadeloos te stellen, door de afscheiding van een schelp aan de buitenzijde van hun lichaam en daarom noemt men ze =schelpdieren=. Om te verklaren, hoe zij in het bezit van die schelp gekomen zijn en ook om de overige organisatie duidelijk te maken, zullen wij de mossel eens wat van naderbij bekijken, met behulp van fig. B op bladz. 12.

Het dier is tusschen de twee platen van de schelp besloten als een snede ham tusschen twee sneden wittebrood en nog treffender kunnen wij het geheele dier vergelijken met een boek, dat wij thans willen doorbladeren, om er zijn signalement uit te lezen. De ~schelpkleppen~ (Sch.) stellen dan den band voor en evenals deze, zijn zij in den rug beweeglijk met elkaar verbonden door een soort van scharnier, dat in fig. C, op bladz. 13, de linkerschaal van de ~Venusschelp~, bij _a_ te zien is. Bij een levend dier kunnen die kleppen met alle macht tegen elkaar aangedrukt worden door de samentrekking van twee stevige ~sluitspieren~, die dus, bij het openen van een oester of mossel, eerst met een mes doorgesneden moeten worden en wier aanhechtingspunten wij, tegen de binnenzijde der schelpkleppen, duidelijk kunnen zien (fig. C bij _g_). Doch rondom de buitenranden van het slot is de zeer veerkrachtige ~slotband~ bevestigd, waarvan wij in fig. B bij _Sch._ en in fig. C bij _c_ de aanhechtingsplaats zien en die de beide kleppen, door zijn veerkracht, van elkaar tracht te trekken. Wil het dier dus de schelp openen, dan behoeft het de inwendige sluitspieren slechts een weinig te laten verslappen, en daar dit bij het doode dier van zelf gebeurt, ziet men, dat dan de schelp steeds „gaapt”, open is. ~Slottanden~ (_Sb._) van de ééne schelp grijpen in holten van de andere, om het verschuiven te beletten.

[Afbeelding: Fig. B.

Dwarsdoorsnede van een mossel. (Schets).]

Als wij nu den band van het boek opengeslagen hebben, beginnen wij met de lezing en wij ontmoeten dan weer aan beide zijden een blad, het titelblad en het achterste blad, en wel: de beide helften van den ~mantel~ (fig. B, _Mt_), waarvan wij in fig. C bij _h_ den indruk op de schelp en bij _c_ een inbuiging voor de straks te noemen adembuizen zien. Dezen mantel vinden wij, in verschillenden vorm, bij ~alle~ weekdieren weer, het is een kenmerkend orgaan voor deze afdeeling en wordt zoo genoemd, omdat hij het geheele lichaam binnen de ~mantelholte~ (_Mh._ fig. B) inhult. Die mantel nu scheidt aan zijn buitenoppervlakte een laag koolzure kalk af, vermengd met een chitine-achtige stof (zie bladz. 4), de _conchyoline_, waardoor zij minder oplosbaar in water wordt en dit is dan de schelp, die dus geheel en al den vorm van den mantel weergeeft.

[Afbeelding: Fig. C.

Linkerschaal van de Venusschelp.]

Doch wij zetten de lectuur van ons boek voort. Binnen den mantel volgen nu aan weerszijden weer twee bladen van het boek: de plaatvormige ~kieuwen~, die voor de ademhaling dienen (fig. B bij _K_), waartoe het water door de schelpspleet in de mantelholte gevoerd wordt, tengevolge van een strooming, veroorzaakt door de beweging van millioenen trilharen, waarmede de binnenzijde van den mantel bezet is. Naar den vorm der kieuwen wordt deze klasse ook wel de =plaatkieuwigen= genoemd.

Binnen de kieuwen volgt eindelijk de eigenlijke tekst van het boek, de romp van het dier (_R_) en in dien tekst lezen wij nu verder het volgende. Bij _D_ zien wij eenige doorgesneden gedeelten van den darm, die het voedsel verteert, dat met het ademhalingswater naar binnen komt en uit fijnverdeelde of kleine plantjes of diertjes bestaat. Het dier heeft dus geen kaken of kop noodig, maar natuurlijk wel een ~mond~, die--hier wel eenigszins misplaatst--vlak bij den ~voet~ gelegen is. Zoo noemt men het dikke en gespierde, kielvormige orgaan (fig. B bij _F_), dat een verlengsel van het lichaam is en zich sterk kan uitzetten, tot buiten de schelp, en daarna weer samentrekken, ten einde de schelp in het zand of den modder--uiterst langzaam--voort te bewegen, als ’t ware voort te „ploegen”, waarbij zij dan ook een duidelijke groef of vore achterlaat. Sommige schelpdieren brengen het in die uitzetting en samentrekking van den voet zelfs zoover, dat zij over den bodem voort kunnen springen. Door middel van datzelfde orgaan kan de mossel de schelp eerst op haar kant zetten, zooals de ~vijvermossel~ op de plaat bij figuur 4 en haar dan zéér langzaam--dikwijls eerst na eenige uren!--bijna geheel loodrecht in den modder of het zand graven, waar het dier dan meestal onbeweeglijk blijft zitten.

In die positie zou onze vijvermossel het spoedig te benauwd krijgen, door gebrek aan versch water en zuurstof voor de ademhaling, doch ook daarin is op praktische wijze voorzien. Tusschen de beide kleppen der schelp is, aan de achterzijde, de rand van den mantel tot twee buisjes uitgegroeid (in fig. C, bij _i_), die ~adembuizen~ of ~sipho’s~ genoemd worden en waarvan de onderste dient, om het versche water, met het daarin aanwezige voedsel, toe te laten, de bovenste om het onbruikbare water, met de spijsresten, af te voeren. Bij sommige mossels, die zich soms geheel in het zand onderploegen, zijn die sipho’s zeer lang, zoodat zij tot boven de zandlaag in het water uitgestoken kunnen worden.

De ~vijvermossel~ is vrij groot (10 centim. lang), breed ovaal van vorm en de schelp is dun, groenachtig bruin van kleur, met groene stralen en bruine dwarsbanden. Het slot heeft geen tanden. Zij komt in onze vijvers veel voor en plant zich, zooals alle oesters en mossels, door eieren voort, waaruit zich nog binnen de kieuwplaten de larven ontwikkelen, die reeds een schelpje bezitten en heel wat beweeglijker zijn dan de moeder. Uit de ademhalingsruimte naar buiten in het ruime sop gekomen, zwemmen zij daar eerst geruimen tijd lustig rond. Dan hechten zij zich aan visschen vast en laten zich door dezen nog maandenlang door het water spelevaren, totdat de zwaarte van hun schelpje hen dwingt die levende plezierjachten los te laten en zij op den bodem van het water vallen.

In onze binnenwateren komt bijna overal ook de ~riviermossel~ (_Dreissena polymorpha_), fig. 5, overvloedig voor, die veel kleiner is dan de vorige en uiterlijk wel eenigszins op onze gewone eetbare mossel gelijkt, tot wier naaste familie zij dan ook behoort, ook door een bijzonderheid, die aan alle echte mossels eigen is. Zij bezitten namelijk, dicht bij den voet, een klier, waaruit een kleverig vocht afgescheiden wordt, dat, bij aanraking met het water, tot een bundel van 100 tot 200 strak gespannen draden stolt, die men „~baarddraden~” of „~byssusdraden~” noemt en waarmee de schelp zich aan de steenen vasthecht, terwijl daardoor ook de riviermosselen zich dikwijls in grooten getale aan elkaar vasthechten en opeenhoopen. De vorm van deze schelp is driehoekig, schuitvormig, groenachtig geel van kleur met bruine golvingen, de mantel is over zijn geheele lengte vergroeid, behalve de openingen voor de adembuizen en den voet. Deze schelpdieren verplaatsen zich veel meer dan de vijvermossel, zooals reeds daaruit volgt, dat zij eerst in betrekkelijk lateren tijd, uit de streken rondom de Zwarte Zee, naar onze streken gekomen en zich hier overal verspreid hebben. Daarom noemt men ze ook wel: ~trekmossels~.

Links, in den ondersten hoek van de plaat, liggen op den bodem nog een drietal mossels van een andere soort: de ~rivierfijnschaal~, (_Pisidium amnicum_), fig. 13, naar den vorm ook wel „erwtenschelp” genoemd (_pisum_--erwt), een kleine, gezwollen ronde schelp, met dwarse groeven over de oppervlakte en een aschgrijze tot olijfbruine kleur. De sipho’s zijn kort en vergroeid en de schelp is dikwijls zoo doorschijnend, dat men er de kieuwen en het hart van het dier doorheen ziet. De soorten van dit geslacht zijn over de geheele aarde verspreid; het zijn de kleinste van al onze zoetwaterschelpen en de kleinste soort is een ware dwerg en niet meer dan 2 millim. lang.

* * * * *

Wij vinden op onze plaat ten slotte nog vertegenwoordigers van een andere diergroep afgebeeld, die insgelijks tot de weekdieren behoort, doch tot een geheel andere klasse dan de mossels, n.l. tot die der

SLAKKEN.

Zij staan, in alle opzichten, op een veel hoogere sport van de ladder dan de schelpdieren, al ware het alleen reeds door het bezit van een kop, met beweegbare voelhorens en oogen; vergeleken met een dommen oester of mossel is een slak, in haar soort, althans reeds een genie. Ter opheldering van haar lichamelijke ontwikkeling, maken wij gebruik van de schets in fig. D, hoewel dit eigenlijk de doorsnede van een landslak voorstelt. Doch er zijn ook zoetwaterslakken, die door longen ademen, terwijl er verder, behalve de kieuwslakken, ook nog tweeslachtige slakken bestaan, die longen en kieuwen tegelijk bezitten.

[Afbeelding: Fig. D.

Schets van een long-slak, in doorsnede.]

Wat wij slakken noemen, is een eigenaardig slag van volkje. Als rechtgeaard weekdier, is het uitwendige kleedingstuk van de slak ook weer de ~mantel~, die het geheele lichaam inhult, maar deze heeft hier een eigenaardigen vorm, namelijk dien van een spiraal (fig. D, _Mt_) en hij sluit bij _Mh_ de ~mantelholte~ in, terwijl _RMt_ den ~rand~ of ~zoom~ voorstelt. Die mantelholte vervult hier de rol van ~long~ en bij _At_ dringt de lucht daarin, om in aanraking te komen met de, zich daarin verspreidende bloedvaten. Uitwendig wordt door den mantel, uit koolzure kalk, met veel hoornachtige stof, weer de schelp afgescheiden, die hier dus ook spiraalvormig is en den naam draagt van ~huisje~. En werkelijk huist daarin de geheele romp _R_, met de ingewanden en in het, naar voren meer verwijde gedeelte, den ~mond~ van het huisje, kan zich ook de ~kop~ _Ko_ en de ~voet~ F, die er anders buiten uitsteken, geheel terugtrekken.

Zulk een longslak veroorlooft zich de weelde van ~twee paren~ terugtrekbare voelhorens _Fü_ te bezitten, twee kortere voorste en twee achterste langere, en daarbij komt nog, als verdere eigenaardigheid, dat boven op den top van de beide laatste de ~oogen~, als zwarte puntjes, geplaatst zijn. Bij _M_ zien wij verder den ~mond~, die in het darmkanaal _D_ voert, welks aarsopening bij _A_ ligt. De slakken verkeeren in het gelukkige geval, dat zij, in letterlijken zin, „op een grooten voet” kunnen leven, want haar bewegingsorgaan, de ~voet~ (_F_) is zeer groot en gespierd en is voorzien van een breede ~kruipzool~, onder den geheelen buik. Daarom noemt men de slakken ook wel ~buikpootige~ weekdieren.

Tot de longslakken van het zoete water behoort nu de kleine, napvormige ~ronde kaphorenslak~ (_Ancylus fluviatilis_), fig. 10, die slechts 4-8 millim. lang is en een slaapmutsvormig huisje heeft, dat zeer dun en hoornachtig van kleur is. Zij zit op steenen of planten in beken of rivieren, want zij houdt van stroomend water.

* * * * *

Een geheel andere ademhaling en levenswijze hebben de ~kieuwslakken~, waarvan wij in fig. 9, 12 en 14 vertegenwoordigers afgebeeld zien. Kieuwen zijn de typische water-ademhalingswerktuigen, maar waardoor onderscheiden zij zich eigenlijk van longen? Bij de longen verspreiden zich de bloedvaten over de ~buitenzijde~ van de oppervlakte (bij ons de vliezige longblaasjes), in wier ~binnenste~ de versche buitenlucht doordringt, terwijl bij de kieuwen de lucht, die in het water is opgelost, de deelen, waarin zich de bloedvaten verspreiden, ~uitwendig~ omspoelt. Om echter zooveel mogelijk aanrakingspunten tusschen de lucht en het bloed te hebben, moeten hier de deelen, waarin zich de bloedvaten verspreiden, een groote oppervlakte aan het water aanbieden en in den regel is dus de oppervlakte, waarin die bloedvaten gelegen zijn, door een groot aantal sterk vertakte, fijne huidplooien, aanzienlijk vergroot.

Doch een bijzonder geval vertoonen, onder de kieuwslakken, de ~pluim~- of ~vederdragers~, hieronder in fig. E voorgesteld en waarvan op de plaat in fig. 9 de ~vijver-pluimdrager~ (_Valvata piscinalis_) afgebeeld is.

[Afbeelding: Fig. E.

De platte pluimdrager, een kieuwslak.]

Wij zien in fig. E, hoe hier de kieuwen zeer lang en veervormig vertakt zijn en, ver uit de kieuwholte naar buiten uitgestoken en als een opstaande piramidale vederbos, door het dier gedragen worden. De voet is klein en naar voren in twee lobben verdeeld (fig. E), het huisje is rond, kegelvormig, met vele windingen, terwijl de mond van het huisje, zooals bij vele waterslakken, bij het terugtrekken door een hoornachtig dekseltje afgesloten wordt. De kieuwslakken hebben slechts ~twee~ voelers en hier zijn de oogen aan de binnenzijde der basis van deze geplaatst.

Onder de grootste van de zoetwaterslakken behoort de ~levendbarende moerashorenslak~ (_Paludina vivipara_) van fig. 12 en 14, een kieuwslak met eivormigen horen en niet spitse punt en 4 tot 5 sterk gezwollen windingen of „omgangen”. De kleur is fraai glimmend, doorschijnend, geelachtig groen of bruin, met donkerbruine banden over de omgangen. Fig. 12 stelt het iets kleinere mannetje, fig. 14 het grootere wijfje voor, het laatste in het huisje teruggetrokken, dat door een dik, hoornachtig, concentrisch gestreept dekseltje gesloten is. Opmerkelijk is, dat de eitjes reeds in het lichaam van het wijfje uitkomen, dat dus ~levendbarend~ is; gedurende den geheelen zomer kan men in het moederdier eieren en jongen in verschillende ontwikkelingstoestanden vinden, doch er wordt er telkens slechts één tegelijk geboren. Men vindt deze slakken in modderige, stilstaande wateren, waar zij over het slib of waterplanten rondkruipen, bij zonneschijn ook wel aan de oppervlakte komen.

PLAAT II.

HET LEVEN IN SLOOTEN EN BEEKJES.

Hier hebben wij een geheel ander tooneeltje vóór ons uit het leven der waterdieren, dat zich echter ook weer afspeelt in zoet water, deels in slooten, doch voor een deel ook in kalm voortkabbelende beekjes.

En daar treft ons oog vooreerst een zonderling klein wezentje, uiterst eenvoudig in haar maaksel en bescheiden in haar optreden, maar waarvan toch een schat van wetenswaardige en interessante bijzonderheden te vertellen valt. Aan waterplanten bevestigd, zien wij, bovenaan links, in fig. 1, schijnbaar een paar onaanzienlijke aanhangsels, maar die in werkelijkheid vastgehechte diertjes zijn, die behooren tot de

ZOETWATERPOLIEPEN.

Deze vormen zelf weer een klasse van de hoofdgroep, die den weinig aristokratischen en onwelluidenden naam draagt van: =holzakdieren= of =darmholtedieren=, maar daar die term toch juist zoo goed onze bedoeling weergeeft, willen wij er in berusten en hem op den koop toe nemen. Want de dieren van deze afdeeling, waartoe ook de, nog later te behandelen, ~kwallen~ en ~bloempoliepen~ behooren, bestaan feitelijk inderdaad uit niets meer dan een hollen zak, waarin slechts enkele eenvoudige organen liggen. Fig. F op bladz. 21, die de doorsnede van een zoetwaterpoliep, in schets, voorstelt, zal ons dit duidelijk maken.

De lezer kan trouwens ook zelf dit interessante diertje gemakkelijk in zijn doen en laten bespieden. Men schept uit een vijver of sloot wat waterplanten, eendenkroos enz. op en plaatst die in een diep bord vol water; na eenige oogenblikken van rust strekken de diertjes hun armen begeerig uit en blijven stil zitten, aan een blad of tegen den wand van het bord gehecht.

[Afbeelding: II.]

Zulk een poliep is eigenlijk niets meer dan een enkele ~holte~ of ~zak~ (fig. F, _H_), die van onderen gesloten en aan bladeren of stelen van waterplanten vastgehecht is en waarin alleen van boven een soort van mond (_M_) uitkomt. Men zal begrijpen, dat het dier in onze figuur op zijn hoofd staat, of liever, daar van een kop geen sprake is: met den mond naar beneden hangt, want in fig. 1 op de plaat zien wij, dat het, als een echte wateracrobaat, allerlei standen kan innemen en tevens, dat er zich om den mond ~vangarmen~, in den regel 6 tot 8 in aantal, bevinden, die het dier bij die zittende of hangende levenswijze, wel verplicht was zich aan te schaffen, om aan den kost te komen en zijn vereischt rantsoen aan versch water binnen te krijgen.

[Afbeelding: Fig. F.

Doorsnede van een zoetwaterpoliep. Schets (vergroot).]

Die zaak is hier namelijk volgenderwijze geregeld. Ook die vangarmen zijn hol en hun holte is, zooals wij in fig. F bij _A_ zien, één met de lichaamsholte, waarin zij ook volkomen teruggetrokken kunnen worden. Zij zijn voortdurend in levendige beweging, waardoor een strooming van het versche water naar den mond voortgebracht wordt, niet slechts ten dienste van de ademhaling--die eenvoudig binnen in den hollen zak plaats heeft--doch ook voor den aanvoer van allerlei kleine waterdiertjes: kreeftachtigen, wormen, larven enz., waarmede het dier zich voedt. Tevens zijn die vangarmen echter, ook op meer directe wijze, behulpzaam bij het bemachtigen der prooi, want hun buitenzijde--en trouwens ook die van het geheele overige lichaam--is voorzien van talrijke ~netelorganen~, welke, bij aanraking, een prikkelend gevoel, als van een brandnetel, teweegbrengen, terwijl bovendien, uit kleine blaasjes aan de vangarmen, ~hengeldraden~ kunnen uitgezonden worden, zijnde lange, holle draden, met een scherp zuur gevuld, dat, bij het naar buiten slingeren, de prooi verlamt. Daar deze merkwaardige strijd- en verdedigingsmiddelen bij de geheele groep der darmholte-dieren aangetroffen worden, dragen dezen ook wel den naam van =neteldieren=.

De zoetwaterpoliepen of armpoliepen zijn, zoo klein als zij zijn, buitengewoon vraatzuchtig en haar honger is eigenlijk onverzadelijk. Geen prooi laten zij voorbijgaan, ook al hebben zij zoo juist haar maaltijd geëindigd. Onpartijdigheidshalve voegen wij er echter bij, dat zij, in geval van nood, ook zeer lang kunnen vasten.

Als nu het een of ander waterdiertje gevangen en door één of meer vangarmen naar den mond getransporteerd en opgeslokt is, dan komt het onmiddellijk in de lichaamsholte (_H_), die hier de rol van maag vervult en wier binnenwand het voedsel op dezelfde wijze verwerkt en verteert, als onze maagwanden dit met een biefstuk of kippeboutje zouden doen. De wand van den lichaamszak bestaat namelijk uit twee lagen van cellen, zooals wij in fig. F kunnen zien: de buitenste laag (_aS_) is zeer dun en dient als huidlaag en zij bevat de netelorganen, de binnenste (_iS_), van de buitenste door een tusschenruimte (_St_) gescheiden, noemt men de „darmlaag”, omdat zij het voedsel verteert. En deze laatste laag werkt ook krachtdadig mede tot de water-ademhaling, want haar cellen zijn met tallooze trilhaartjes bezet, die in voortdurende beweging zijn, waardoor het voedings- en ademhalingsvocht voortdurend door de geheele lichaamsholte heen bewogen wordt.

Is nu het voedsel verteerd, dan moeten de onverteerde resten ook weer uit het lichaam verwijderd worden; dit zou een lastig vraagstuk kunnen zijn, daar er zich aan de tegenovergestelde lichaamspool van den mond geen uitweg bevindt en er dus geen aars-opening is. Doch de poliep heeft dit vraagstuk, langs radikalen weg, opgelost, door den mond zoowel voor in- als voor uitgang, dus ook als aarsopening, te gebruiken en langs dezen minder gebruikelijken weg worden dus ook de uitwerpselen naar den grooten vergaarbak: het water, weggevoerd. Dit moge, voor onze begrippen, een minder smakelijke uitweg zijn, maar .... nood breekt wet, en een poliep is gelukkig minder kieskeurig dan een mensch, want noch van een zenuwstelsel, noch van zintuigen zijn bij deze wezens de geringste sporen aanwezig.

De ~bruine armpoliep~ (_Hydra fusca_), fig. 1, op de plaat, is één van de vele soorten dezer familie, die in onze zoete wateren voorkomen. Zeer algemeen is ook de ~groene armpoliep~ (_H. viridis_), in wier huidcellen bladgroenkorrels voorkomen. Vroeger werden al deze dieren--zelfs nog anderhalve eeuw geleden--, en met hen ook de bloem- en koraalpoliepen, nog algemeen tot de planten gerekend, of liever: als een overgangsvorm beschouwd, want men noemde ze „plantdieren”. Niet alleen gaf de plantachtige vorm en de overeenkomst van de zee-anemonen en koraaldieren met bloemen, daartoe wel eenige aanleiding, doch bovendien herinnert de merkwaardige wijze van voortplanting der armpoliepen zeer veel aan die der planten en, evenals bij velen van deze, heeft zij op tweeërlei wijze plaats. Evenals men een geraniumplant niet alleen door bloemzaad (de eitjes) kan vermenigvuldigen, doch ook door stekken, waaraan zich knoppen bevinden, zoo brengt ook de kleine _Hydra_ vooreerst eitjes voort, die in het water komen en daar bevrucht worden door de voortplantingsstoffen van een ander individu, doch in de tweede plaats kunnen er ook nieuwe wezens door ~knopvorming~ ontstaan. Heeft men eenige armpoliepen, met eendenkroos of waterplanten en voldoend voedsel, in water gebracht, dan ziet men, na eenige dagen, ergens aan het lichaam van zulk een diertje een kleine uitwas ontstaan (zie fig. F op bladz. 21, bij _K_), wier holte met die van het lichaam samenhangt en aan het uiteinde eerst armen en dan een mond krijgt. Zulk een knop laat later los en leeft dan zelfstandig verder.

Deze dieren zijn overigens zeer zelfgenoegzame en weinig veeleischende wezens, en volstrekt niet teergevoelig, want zij laten zich, schijnbaar zonder er zich iets van aan te trekken, op alle mogelijke manieren be- en mishandelen. Bepaald verbazingwekkend is hun onbegrijpelijk herstellingsvermogen; het is bijna onmogelijk, een poliep zoo te kwetsen, dat de toegebrachte wond niet in korten tijd geneest. Doch bijna ongelooflijk is het feit, dat afgesneden stukken van het dier, ja, zelfs afgesneden vangarmen, weer tot zelfstandige en volledige dieren kunnen uitgroeien. Juist daarom heeft men aan dit nietige, onschadelijke diertje den naam van één der afzichtelijkste monsters uit de Grieksche fabelleer gegeven en het genoemd naar de Lernaeïsche _Hydra_, een kolossale, vergiftige veelkoppige waterslang, die in het moeras Lerna, bij Argos, leefde en die voor elken kop, dien men haar afsloeg, er twee terugkreeg, totdat zij eindelijk door Hercules gedood werd.

[Afbeelding: Fig. G.

Herstellingsvermogen van de zoetwaterpoliep. 5 malen vergroot.]