Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten
Part 13
Tot dezelfde groep behoort de merkwaardige familie der ~porseleinslakken~, van welke in fig. 20 de ~slangenkop~ (_Cypraea mauritiana_) voorgesteld is. De schelp heeft hier een zeer bijzonderen vorm, zij is eivormig, op den rug zeer bol en de laatste winding omsluit al de overige bijna geheel en deze zijn dus bijna niet zichtbaar. De mond van de schelp is een lange en smalle spleet, met omgeslagen randen, die getand of gekarteld zijn. Het langwerpige, in elkaar gerolde dier heeft aan weerszijden een, van breede lappen voorziene, uitbreiding van den mantel, die van binnen met draden bezet is, welke zich over de schelp kunnen heenslaan. De voelers zijn lang, kegelvormig en op een verdikte plek daarvan staan de oogen. Een deksel ontbreekt. Deze soort komt in Oost-Indië voor.
Een paar andere bekende soorten spelen een niet onbelangrijke rol in de samenleving van sommige natuurvolken. De ~getijgerde porseleinslak~ (_Cypraea tigris_), uit den Indischen oceaan, levert de schelpjes, die onder den naam van „~katjes~” bekend zijn en die in Oost-Indië in groote hoeveelheid in den handel komen voor allerlei sieraden en speelgoederen, en door de inboorlingen voor het versieren van gordels, kleeren en wapens gebezigd worden. Interessant is verder het gebruik van de ~kauri’s~ of ~muntslakken~ (_Cypraea moneta_) uit den Indischen oceaan, die 2-3 centim. lang en geelachtig wit van kleur zijn en zoo genoemd worden, omdat zij in een groot deel van Midden-Afrika als gangbare munt gebruikt worden. Hoofdstapelplaats voor deze schelpjes is Zanzibar en van daar worden zij door karavanen over geheel Afrika als munten verspreid.
In fig. 2 zien wij de ~tonslak~ of ~patrijs~ (_Dolium perdix_), die een buikige, tonvormige, dunne schelp heeft van 10-12 centim. hoog, met dwarse ribben en zeer korte en stompe windingen, behalve de laatste, die buikig en wijd en veel grooter is dan al de overige te zamen. Een deksel is niet voorhanden. De voet is zeer groot en naar voren verbreed. De snuit is buitengewoon lang en sterk, langer dan de schelp, de voelers zijn dun en dragen aan de buitenzijde, niet ver van de basis, de oogen. De kleur van de schelp is bruin geteekend. Zij komt in Oost-Indië voor. Zeer merkwaardig is, dat deze dieren, als zij geprikkeld of vervolgd worden, een sterk bijtend speeksel uitspuiten, waarin men meer dan 2 procent ~vrij zwavelzuur~ aangetoond heeft. Een bijzondere soort van tonslak is het zoogenaamde ~vat~ (_Dolium galea_), de grootste slak van de Middellandsche zee, zoo groot als een menschenhoofd, 25 centim. hoog, met een sipho van 15 centim.
Curieuze namen draagt de tonslak van fig. 10, die wel iets heeft van een Duitsche „Pickelhaube” en dan ook ~helmslak~ of ~stormhoed~, ook wel ~Poolsche muts~ (_Cassis testiculum_) genoemd wordt. Het huisje is langwerpig eivormig, ongeveer 6 centim. hoog, roodachtig geel of fraai rozerood van kleur, met roode, overdwars geplaatste vlekken en gordelvormige strepen. De spits van de schelp is kort en puntig, de laatste winding, met den mond, is zeer groot. Deze, en nog andere soorten, deels zeer groote, leven in de Oost-Indische zeeën; de prachtige vuurroode monding van de schelp wordt in Italië veel tot valsche cameeën gesneden.
Tot de bandtongigen op de plaat behoort eindelijk ook nog de ~Tritonshoren~ (_Tritonium lotorium_), fig. 6, die een buikige schelp van ongeveer 10 centim. heeft, welke aan de spits kegelvormig uitgerekt is; zij is hoog en met knobbels bezet, de oppervlakte is zeer bultig, dwars gestreept en gerimpeld, bruinachtig of geelrood van kleur; de laatste winding is zeer groot en aan de basis is een groeve of kort kanaal. De monding is langwerpig driehoekig, wit van kleur. De voet is dik en breed; de snuit matig van lengte en de sipho lang. Er leven meer dan 100 soorten van ditzelfde geslacht in de warmere zeeën, daaronder ook een soort, die niet minder dan ¹⁄₂ meter lang is: de ~trompethoren~ (_Tritonium variegatum_), die reeds in de oudheid, en ook nog tegenwoordig, den natuurvolken aan de kusten van den Indischen oceaan als krijgstrompet diende. De naam is afgeleid van ~Triton~, één der lagere zeegoden uit de Grieksche fabelleer, van boven mensch, van onderen visch, die de golven kalmeerde door de tonen van zijn schalmtrompet.
* * * * *
Een tweede gezelschap van kamkieuwigen zijn de =vedertongigen=, aldus genoemd, omdat de wrijfplaat op de tong uit talrijke ~veervormige~, in rijen geplaatste haakjes of klauwtjes bestaat. Twee soorten van deze groep zijn, op de plaat vertegenwoordigd. Vooreerst zien wij in fig. 3, bovenaan, een aardig en fraai horentje: de ~blauwslak~ (_Janthina communis_), vooral beroemd door de zonderlinge wijze, waarop zij zich ophangt en drijvende weet te houden. Dit is de eenige slak in de open zee, die nog de posthorenvormig gewonden schelp bezit. Deze is dun, buikig, zonder deksel, fraai violet of blauw van kleur, met grooten mond. De voelers zijn kort, priemvormig en geringd en daaronder staan de oogen op korte steeltjes. De voet is klein en rond, doch draagt van achteren een zoo uiterst merkwaardig orgaan, dat het in de geheele dierenwereld zijnsgelijke niet heeft, namelijk: een uitgebreide, uit louter luchtblaasjes gevormde schuimmassa, die, als ’t ware, een drijvend vlot vormt, waaraan het dier met den voet is opgehangen en op de open zee ronddrijft (zie fig. 3). Deze blaasjes worden gevormd door een groef in den voet, die telkens een luchtblaasje aan de wateroppervlakte grijpt en dat met een slijmig, verhardend omhulsel omgeeft. Zoo worden die blaasjes aan den voet en aan elkaar tot een drijvend vlot vastgekleefd, aan welks onderzijde ook de eitjes bevestigd worden. Deze blauwslakken, die in de Middellandsche zee en andere soorten, die in ontzaglijke menigte in den Stillen oceaan leven, zijn ware roofdieren, die echter, op hun beurt, in onnoemelijke massa’s, aan de walvisschen ten prooi vallen.
De tweede vedertongige slak van de plaat is de ~echte wenteltrap~ (_Scalaria preciosa_) van fig. 13, die tot de zoogenaamde „~perspectiefslakken~” behoort en wier wenteltrapvormig horentje puntig en spits en geelachtig wit van kleur is. De windingen zijn, als bij een wenteltrap, van elkaar afgezonderd en met hooge en scherpe ribben bezet. Het dekseltje is dun en hoornachtig, de voet kort en eivormig en aan den hals bevestigd--wel een curieuze plaats voor een voet! Op de twee dunne voelers zijn van buiten de oogen geplaatst. Deze slak komt in den Indischen oceaan voor, doch is betrekkelijk zeldzaam en vroeger werden er hooge prijzen voor betaald. Een andere soort: de ~gewone~ of ~onechte wenteltrap~, met windingen, die elkaar niet aanraken, komt in Europa, ook aan ons Noordzeestrand, voor.
* * * * *
De thans volgende, derde groep van zeeslakken, de =smaltongigen=, hebben, in een lange, terugtrekbare slurf, een lange en smalle tong, met hoogstens drie rijen plaatjes, waarvan de middelste breed en aan den achterrand met scherpe tandjes bezet zijn. Al deze slakken zijn vleescheters en bezitten dus, volgens bladz. 119, een sipho, die in een gleuf of kanaal of ook in een insnijding van de schelp gelegen is. De laatste is altijd gewonden en van een deksel voorzien.
Hiertoe behooren vele bekende en deels zeer fraaie soorten. In fig. 12 zien wij de ~plooislak~ (_Voluta scapha_), genoemd naar de schuine ~plooien~ aan den rand van de spil der schelp, die tolvormig, buikig en van boven verbreed is, met roodbruine, hoekige, overlangsche lijnen of vlekken geteekend en zeer groot is. De voet is groot en breed, de voelers, aan wier basis de oogen zitten, zijn driehoekig. Zij ontbreken in Europa en leven in de tropische zeeën. Bij een andere soort: de ~muziek~- of ~notenslak~, gelijken de donkere lijnen eenigszins op notenbalken.
Een zeer fraaie smaltongige slak is die van fig. 22, in vorm en kleur eenigszins op een olijf gelijkend, en daarom ~olijf~- of ~dadelslak~ (_Oliva_) genoemd. Het zeer gladde en glimmende, langwerpig eironde huisje heeft een zeer korte winding, doch een bijzonder langen en smallen mond, met insnijding voor de sipho. De kleur is olijfgeel, met eenige bruine golven, grootte als op de plaat, doch de ~porfierslak~ van Brazilië wordt wel 9 tot 12 centim. Daarentegen zijn de ~rijstkorrels~ (_Oliva oryzae_), die wit van kleur zijn en in vorm en grootte aan rijst doen denken, niet langer dan 5-9 millim. Het dier zelf heeft een kleinen kop en de oogen staan op het midden der voelers. De voet is zeer groot en zijn breede zijlobben kunnen om den rand der schelp naar boven geslagen en tot zwemmen gebezigd worden. Het zijn zeer levendige, snel kruipende dieren, die op zandige gronden in de warme zeeën leven.
Verwant aan de vorige is de ~bisschopsmuts~ (_Mitra episcopalis_) van fig. 19, die bij de Philippijnen voorkomt. Het fraaie en zeer gladde huisje is ongeveer 8 centim. lang, hoog en spits kegelvormig, als een bisschopsmijter, wit van kleur, met hoogroode, in dwarse rijen geplaatste, bijna vierhoekige vlekken. De mond van de schelp is klein, van een uitsnijding voor de sipho voorzien. Het dier zelf is spiraalvormig, met kleinen voet en kop, doch zeer langen slurf. Het deksel ontbreekt. In de zeeën van Indië leven honderden soorten, waaronder ook één, die, naar den vorm, ~pauselijke kroon~ (_Mitra papalis_) genoemd wordt.
De ~fuikhorenslak~ (_Nassa reticulata_), fig. 15, eenigszins op een palingfuik gelijkend en 3 centim. hoog, komt algemeen op slibgronden van de Noordzee en de westelijke Oostzee voor en is dikwijls met kolonies van poliepen bezet. Er is een kanaal, met diepe insnijding voor de sipho, de slurf komt, als een roode buis, uit den mond en boort zich in het vleesch van de prooi. Een na verwant familielid van deze slak is de bekende ~wulk~ of ~kinkhoren~ (_Buccinum_), waarvan de fraaie en wijdmondige, groote horens (9 centim.) veel aan onze kusten aanspoelen en door oude visschers verkocht worden. Ook behoort tot deze groep het ~duifje~ (_Columbella mercatoria_) van fig. 11, met een ei-kegelvormig huisje van 1,5 centim., dat dwarsgegroefd en met witte en bruine zigzagvormige dwarsbanden geteekend is. Het kleine deksel is hoornachtig, de voet klein en aan de geringde voelers staan de oogen. Zij komt in den Atlantischen oceaan voor.
Als laatste voorbeeld van de smaltongigen bespreken wij nog de interessante ~purperslak~ (_Purpura lapillus_), fig. 5, insgelijks verwant aan de ~kinkhorens~, met een eivormig, vrij groot, dwars gegroefd huisje, ~zonder stekels~, waardoor zij zich onderscheidt van de stekelpurperslak (zie bladz. 110). Het huisje is groenachtig geel, met witte banden, het gewonden gedeelte is kegelvormig, met bolle windingen en de monding, die met een hoornachtig deksel kan gesloten worden, is groot, met zeer kort kanaal. De voet is breed, vooruitstekend, van voren tweelobbig. Het dier leeft in de Noordzee en heeft een „purperklier”, wier kleurstof in de oudheid veel gebruikt werd voor het verven van mantels en gewaden, waartoe in Tarente in Italië en in Tyrus in Phoenicië zich talrijke purperfabrieken bevonden. Nog heden ten dage wijst men, bij Tarente, den bezoeker den zoogenaamden „Monte-Testacea”, dat is: den berg der schelpen, die alleen bestaat uit de schelpen van de purperslak, welke men daar, na het uittrekken van de verfstof, sedert eeuwen opgehoopt heeft.
Twee zeeslakken op de plaat: de ~kegelslak~ van fig. 9 en de ~schroefslak~ van fig. 21, behooren tot de vierde groep der kamkieuwigen: de =pijltongigen=, bij welke de tong bezet is met twee rijen lange, spitse ~pijlen~, wier steek voor de levende prooi doodelijk is. De ~gemarmerde kegelslak~ (_Conus marmoratus_), fig. 9, heeft een prachtig gemarmerde schelp, zwart van kleur, met ongeveer driehoekige witte vlekken, die den vorm heeft van twee, met de basis op elkaar staande, kegels, waarvan de kleinste, lagere het gewonden gedeelte, de veel grootere en hoogere alleen de laatste winding voorstelt. De mond van de schelp is zeer lang en smal, met een kleine groef aan de basis. Het deksel is geel, met zwarte strepen. Het smalle, afgeplatte en opgerolde dier heeft een kleinen voet en een lange sipho, die door de insnijding uitgestoken wordt. Er is een duidelijke kop met 2 voelers, waarop halverwege de oogen zitten en een lange slurf met korte tong, gewapend met pijlvormige weerhaken. De schelpen behooren tot de bekendste en gezochtste van de verzamelaars en worden vooral in de warme Indische zeeën, als bewoners der koraalriffen, aangetroffen. Sommige soorten hadden vroeger een groote waarde.
Een eveneens zeer fraaie schelp is die van een andere pijltongige slak: de ~gevlekte schroefslak~ (_Terebra maculata_) van fig. 21. Het huisje is zeer lang en spits, toren- of naaldvormig, met kleinen mond, scheeve gedraaide spil en een kort kanaal. Het wordt 20 centim. hoog, is geelachtig van kleur en heeft op elke winding twee rijen van bijna rechthoekige, grijsachtig bruine of roodbruine vlekken. De voet is klein, de sipho lang, de oogen zijn onduidelijk. Deze soort leeft in den Indischen Oceaan; vele kleine soorten zijn uiterst sierlijk en hebben veel waarde voor verzamelaars.
* * * * *
Tot de laatste groep der kamkieuwigen, de =waaiertongigen=, genoemd naar de vele, waaiervormig geplaatste, zijplaten langs den rand der middelplaten van de zeer samengestelde tong, behooren nog drie soorten op onze plaat, waarvan de twee eerste een groote ademhalingsholte hebben, met een kieuw, die uit twee bladen bestaat. Zij zijn plantetend en houden zich bij voorkeur op tusschen zeewieren op het strand. De eerste soort is de ~Grieksche sleutelgathoren~ (_Fissurella graeca_), fig. 4, die ook op onze kusten voorkomt, met straalvormig elliptische schelp en een ademopening boven in het midden. De schelp is roodachtig grijs van kleur en heeft straalvormige overlangsche en concentrische dwarse ribben. De slurfvormige mond heeft twee kegelvormige voelers, aan wier basis de oogen liggen. De tweede waaiertongige slak is de ~rondmond-slak~ (_Turbo pica_), fig. 8, die in de warme zeeën leeft, vooral in die van den Atlantischen oceaan. De schelp is ~tolvormig~, rond en buikig, het gewonden gedeelte kegelvormig, de oppervlakte is glad, wit van kleur, met zwarte vlekken of strepen, de monding der schelp is rond, het deksel dun en hoornachtig.
Ten slotte zien wij op de plaat nog een derde voorbeeld van de waaiertongigen, namelijk: de ~uitsnijdingsslak~ (_Emarginula_), fig. 1, aldus genoemd naar de ondiepe insnijding over het midden der schelp, die van den voorsten rand uitgaat. Zij is ongeveer 1,5 centim. lang, geelachtig wit, eivormig en tralievormig gestreept. Het dier zuigt zich aan rotsen vast.
[Afbeelding: XIII.]
PLAAT XIII.
UIT HET RIJK DER SCHELPDIEREN.
Het tooneel dezer plaat verplaatst ons weer in het gebied van een andere klasse der weekdieren: de =plaatkieuwigen= of =schelpdieren=, waarvan wij vroeger eenige voorbeelden uit het zoete water ontmoet hebben, terwijl wij thans met een groote verscheidenheid van zeebewoners zullen kennis maken. Verschillende soorten daarvan zijn in elk zee-aquarium, zoo ook in dat te Amsterdam, vertegenwoordigd.
De algemeene organisatie van de ~schelpdieren~ of ~mossels~ werd, reeds bij die vroegere gelegenheid, uitvoerig door ons besproken en wij kunnen dus den lezer slechts aanraden om, vóór wij verder gaan, die beschrijving op bladz. 10-15 nog eens aandachtig over te lezen, waarbij de afbeeldingen B en C op bladz. 12 en 13 weer goede diensten zullen bewijzen. Thans willen wij dus nog slechts, in het kort, een paar hoofdpunten in herinnering brengen.
Binnen de beide, uit koolzure kalk en conchyoline bestaande, ~schelpkleppen~, die door een ~slot~, meestal van tandjes voorzien, beweeglijk verbonden zijn en van buiten door een veerkrachtigen ~slotband~ uiteengetrokken worden, liggen vooreerst de beide bladen van den ~mantel~, die aan zijn buitenoppervlakte de schelp heeft afgescheiden en binnen welke de ~mantelholte~ gelegen is. Het levende dier kan de beide schelpkleppen stevig aaneen doen sluiten door het samentrekken van ~één~ of ~twee sluitspieren~, die aan de binnenzijde van de kleppen vastgehecht zijn en waarvan de aanhechtingsplaatsen of „spierindrukken” later nog steeds zijn te zien (zie fig. C op bladz. 13, bij _gg_). Binnen den mantel liggen verder weer de platte bladen van twee paren (zelden één paar) ~kieuwen~, naar welke men deze klasse de =plaatkieuwige weekdieren= noemt.
Voorts zagen wij, dat bij geen enkel schelpdier ooit „het hoofd kan omloopen”, noch „het hoofd op hol” kan gaan, want bij allen ontbreekt de kop volkomen: het zijn ~koplooze weekdieren~. Toch is de onmisbare ~mond~ aanwezig, die bij het ééne uiteinde der schelp gelegen is, doch die alle organen voor het fijnwrijven van het voedsel, die wij bij de slakken aantroffen, mist, daar de schelpdieren zich slechts voeden met mikroskopische diertjes of plantjes, die, met het naar de mantelholte stroomende, water meegevoerd worden. Bij het tegenovergestelde uiteinde van de schelp ligt de aarsopening en tusschen deze en den mond een vrij volledig ~darmkanaal~, terwijl ook het ~hart~ en de ~bloedsomloop~ goed ontwikkeld zijn, evenals het ~zenuwstelsel~, dat uit 3 paren zenuwknoopen bestaat, waarvan zenuwdraden naar de verschillende organen en zintuigen uitgaan. Onder de laatste zijn ~gehoororganen~ voorhanden en niet zelden zelfs ~oogen~, die aan den rand van den mantel liggen.
Als bewegingsorgaan dient, zooals bij alle weekdieren, de ~voet~, in de buurt van den mond gelegen, een stevige, dikke spier (zie fig. B op bladz. 12, bij _F_), die, door beurtelingsche samentrekking en uitzetting, het lichaam, met de schelp, voortbeweegt of in het zand graaft. Het is trouwens een armzalig soort van beweging, want de rivier-parelmossel, die wij vroeger, bij de zoetwater-mosselen, ontmoet hebben (zie bladz. 31), heeft niet minder dan een half uur noodig, om een weg af te leggen, zoo lang als haar eigen schelp en als zij grooten spoed maakt, komt zij, in 9 uren tijds, niet meer dan 80 centim. vooruit. Onpartijdigheidshalve moeten wij er echter bijvoegen, dat er uitzonderingen zijn; sommigen kunnen, door middel van dat primitieve bewegingsorgaan, tamelijk snel zwemmen, andere, zooals de zandschelp, zelfs zekere akrobatische sprongen doen.
Nog dient opgemerkt, dat de beide randen van den mantel geheel open kunnen zijn of voor een groot deel onderling kunnen vergroeien; in het laatste geval blijft er slechts een opening in den mantel vrij voor het doorlaten van den voet, benevens een onderste en bovenste opening voor den toevoer en afvoer van water en voedsel, wier randen dan dikwijls vergroeid en tot ~adembuizen~ of ~sipho’s~ verlengd zijn (zie bladz. 14). Vele schelpdieren groeien eenvoudig met hun schelp aan andere voorwerpen vast; velen hebben echter, onder den voet, een ~spinklier~ of ~byssusklier~, waarmede zij een bundel „~byssusdraden~”, ook „~baard~” genoemd, spinnen, om zich aan steenen of rotsen vast te hechten. Naar gelang van de aanwezigheid van één of twee ~sluitspieren~, verdeelt men de schelpdieren in twee orden: de =éenspierigen= en de =tweespierigen=. Wij zullen eerst kennis maken met eenige vertegenwoordigers der
EENSPIERIGEN,
bij welke steeds slechts de indruk van één enkele groote sluitspier in het midden der schelpkleppen te zien is, terwijl deze laatsten onregelmatig en ongelijk van vorm zijn en de mantel steeds geheel gesloten en aan den rand van franjes of papillen voorzien is. Wij beginnen met den edelsten van dit gilde, de kostelijkste gave voor de fijnproevers, waarvan wij reeds op bladz. 11 iets verteld hebben, namelijk: den ~gewonen oester~ (_Ostrea edulis_, d.i. eetbare oester), die in fig. 21 afgebeeld is. De schelpkleppen zijn hier rond-eivormig, aan het slot smaller toeloopend; de bovenste klep is vlak en ondiep, van buiten bladerig, de onderste dieper en dikker, van buiten met gevouwen overlangsche ribben bedekt. Het slot is puntig, zonder tanden en de kleine slotband is, aan weerszijden van het slot, in een kleine groef bevestigd. Het dier zelf is eivormig, langwerpig en zeer glad, de randen van den mantel zijn dik. De indruk van de sluitspier is onduidelijk. De voet ontbreekt, als volkomen overbodig, daar de dieren met de geheele onderste, dikkere schelpklep aan den bodem of aan andere schelpen vastgegroeid zijn. Er bestaan veel verscheidenheden in vorm, grootte, smaak en vastheid van het vleesch, zooals Zeeuwsche, Texelsche, Engelsche koroesters enz., doch deze zijn alleen aan de wijze van behandeling te danken en geenszins verschillende soorten.
De oesters komen aan de verschillende Noordzeekusten voor op een diepte van 18 tot 36 meters, liefst op steen- of kleiachtigen, niet op zandigen bodem. De voortplanting heeft in het voorjaar en den zomer plaats en in dien tijd worden de dieren niet gevangen, daar zij dan mager, schraal en taai zijn. Men neemt als regel aan, dat de oesters alleen deugdelijk zijn in de maanden, wier naam een _R_ bevat, dus van September tot April, omgekeerd als bij den kreeft (bladz. 61). Het aantal eieren, dat gelegd wordt, is ontzaglijk groot, dikwijls voor één oester meer dan een millioen, waarvan er echter slechts enkelen tot ontwikkeling komen. Uit de eitjes komen eerst larven, het „~oesterzaad~”, doch de jonge oesters zijn lang niet zoo hokvast als de oudelui; zij zwemmen lustig en vrij in het water rond en zetten zich eerst later met de diepere schelpklep vast, waarna de voet, als overbodig, bijna geheel verdwijnt. De dieren beminnen de gezelligheid; zij leven altijd in grooten getale bij elkaar, op zoogenaamde ~oesterbanken~.
Na het vangen zijn de oesters nog niet voor het gebruik geschikt; zij moeten eerst nog, zooals men dat noemt, „~gespeend~” worden in de ~oesterputten~, die men bij ons vooral in Zeeland aantreft en die bestaan uit groote, met planken of gekalkte dakpannen gevulde, ruimten, waarop de dieren zich vasthechten en waardoor men, bij eb en vloed, door middel van sluizen herhaalde malen versch zeewater laat in- en uitstroomen. De dieren ~spuwen~ dan, zooals de technische term luidt, dat is: door het zeewater worden alle onzuiverheden weggespoeld en daardoor wordt het vleesch van den oester blank en smakelijk.
* * * * *
Bij de familie der =hamerschelpen= vormt de slotrand bijna een rechte lijn en heeft naar voren en naar achteren oorvormige aanhangsels, zoodat de schelp een eenigszins hamervormige gedaante verkrijgt, zooals vooral het geval is bij den ~Poolschen hamer~ uit den Indischen Oceaan, minder duidelijk, maar toch zichtbaar, bij de twee soorten van fig. 1 en 2. Fig. 1 is de ~paarlemoerschelp~ (_Avicula_), insgelijks uit den Indischen Oceaan, wier mantel geheel open is en slechts twee franjeachtige spleten heeft, in plaats van de adembuizen of sipho’s. De sluitspier, in het midden van de schelpkleppen gelegen, is zeer groot. De voet is klein, tongvormig en van byssusdraden voorzien (bladz. 133), die door een insnijding van de rechterklep naar buiten treden. De kleur is grijsachtig bruin.
De echte ~parelschelp~ of ~parelmossel~ (_Meleagrina margaritifera_), fig. 2, heeft een afgerond vierhoekige, zeer dikke schelp, die zeer bladerig en van scherpe randen voorzien en uitwendig groenachtig grijs van kleur is, met witte stralen, terwijl de binnenzijde paarlemoerachtig glinstert. Het slot heeft noch tanden, noch lijsten. De dieren leven in den Indischen Oceaan en de Roode zee en hechten zich op groote diepten met hun baarddraden aan de klippen vast, zoodat de visschers of duikers zich, voor de vangst, aan een touw naar beneden laten zakken, om zooveel mogelijk schelpen tegelijk los te snijden. De binnenwand der schelp levert paarlemoer en daarin vormen zich de schoone en kostbare ~echte parelen~, zooals dit op bladz. 31 voor de onechte verklaard werd.
* * * * *