Twee vroolijke geschiedenissen

Chapter 9

Chapter 94,163 wordsPublic domain

De oude baljuw liep in zijne kamer op en neêr en was knorrig, want al was hij ook niet zeer driftig van aard, zoo was hij toch een oud man, die gewoon was te bevelen en die zijne eigene manier had, en nu moest hij zich laten kommandeeren, en had 's morgens klokke acht moeten opstaan,--wat tegen zijne natuur was,--en koffie had hij ook niet gekregen, en toen hij tot zijne opvroolijking een pijp wilde aansteken, waren er geene pijpen te zien. Hij schelde éénmaal: Frits Sahlmann kwam niet; hij schelde tweemaal: Fieken kwam ook niet. Hij haalt zijne snuifdoos uit den zak en neemt een snuifje, met zulk een veelbeteekenend neusophalen, als iemand doet, die zich op alle mogelijke onaangenaamheden wil voorbereiden, krijgt zijn lorgnet te voorschijn en kijkt naar 't weder. Het regende buiten dat het goot, en in de hooge, kale toppen der olmboomen zaten de kraaien zoo stil en ineengedoken, alsof hunne vleugels waren vastgekleefd, en zij dropen, als de oude boer Kugler, toen hij eens op een avond tot aan den rand van zijn hoed in de dorpssloot had gezeten. "Die hebben ook al geen pleizier!" zeide de oude heer. "Maar, waar is tegenwoordig pleizier in de Duitsche landen? 't Is toch eene wonderlijke zaak met het wereldbestuur! Onze lieve Heer laat maar toe, dat één zoo'n hondsvot de gansche wereld ongelukkig maakt. Dat is voor een christenmensch moeilijk te begrijpen. De grootachtbare hertogelijke kamer maakt ook menigmaal bepalingen, die geen christenmensch en geen ambtenaar begrijpen kan; maar het hoogachtbare domeinbestuur is toch ook maar zoo'n arme zondaar, wien al van het begin af bij alle hooge eigenschappen, de domheid in de ééne slip meê ingeknoopt is, en dat weten wij, en wij schikken er ons in, dat wil zeggen, niet zonder eenige ergernis en verdriet. Maar hier, bij het christelijk geloof aan een wijs wereldbestuur, het nut van den schavuit Bonaparte in te zien, dat is--dat is!"--en hij nam zijne slaapmuts af en hield die een duim of drie boven zijn hoofd, "God moge mij de zonde vergeven! Ik heb tegen geen mensch ooit haat gekoesterd, tegen geen mensch vijandschap, ook niet tegen de grootachtbare kamer met haar sakkermentsche monitoriën, maar nu heb ik een' haat!" en hij smeet zijne slaapmuts op den vloer en zette er zijne voeten op; "nu heb ik er een! en ik wil hem ook behouden!"

Dit laatste had hij misschien wat luid geroepen, want zijne lieve vrouw kwam geheel ontsteld de deur in.--"Weber, Weber! Wat scheelt u? Heeft Frits Sahlmann of Fieken...?"--"Neen, Netje," viel hij haar in de rede en raapte de slaapmuts op, "die niet, Bonaparte maar." "Goede hemel," riep zij uit, "al weder! Waarom wilt ge u toch op hem boos maken?" En zij ging naar de boekenkast van mijnheer den baljuw en kreeg er een boek uit, zeggende: "Daar, Weber, lees in je boek!" Dat was nu het boek van Marcus Aurelius. Daaruit las de baljuw een kapittel, als hij zich boos gemaakt had, en zoo 't heel erg geweest was, twee. Hij nam dus nu ook het boek en las, en zijne lieve vrouw deed hem den witten purgeermantel om en maakte het mooie, grijze haar glad en draaide het kleine deftige staartje en strooide hem zacht en voorzichtig het stuivende poeder over 't hoofd; Marcus Aurelius deed ook het zijne, en al de knorrige rimpels waren weg van zijn ernstig voorhoofd, toen de vrouw van mijnheer den baljuw met het kleine zilveren mesje het poeder van 't aangezicht afschrapte.--"Want dat moet zij er altijd afschrappen," zeide Fieken, wanneer zij hierover begon te praten, "en wasschen kan hij zich dan niet, anders zou het tarwemeel hem de oogen dichtplakken."

"Netje," sprak de baljuw, toen hij, wat zijn hoofd betrof, in orde gemaakt was, "kijk toch, als ge kunt, eens beneden in 't huishouden rond. 't Is toch eene zonderlinge zaak! Fieken komt niet, Frits Sahlmann niet: die verd... 'k wou zeggen--dat goddelooze Fransozentuig heeft alles hier in huis in de war gemaakt.--Wat moet dat?"

De vrouw van mijnheer den baljuw was een kleine goedaardige vrouw, een weinig zwak van persoon, doch daarbij niet gemelijk en steeds bereid, om in vriendelijkheid de wonderlijke invallen van den ouden heer te verdragen. Zij hadden één zoon, hun Jochem, die sinds lang buiten 's lands was, en zoo waren de beide ouden in dat groote slot alleen met elkander, en zij droegen in trouw en eerbaarheid lief en leed te zamen: en wanneer de verveling bij hen wilde binnensluipen, dan trof het gelukkig altijd, dat mijnheer de baljuw juist ter goeder ure een nieuwen, wonderlijken inval kreeg, en uit het geeuwen kwam dan een recht gezond niezen, dat de liefde weêr opfrischte, want het gaat met de liefde als met een' boom: hoe meer de wind in de kruin en in de bladeren speelt, des te vaster worden zijne wortels.

Nu, wat mijnheer de baljuw heden morgen van zijne lieve vrouw verlangde, dat zij namelijk eens in 't huishouden zou omzien, was nu juist geen zonderlinge inval en daarom niesde zijne vrouw ook niet, ofschoon zulks, in onzen tegenwoordigen tijd, menige wel opgevoede vrouw wel gedaan zou hebben.--Zij was juist heengegaan, toen de oude molenaar Voss met het valies de deur inkwam. "Goeden morgen, mijnheer de baljuw!" zeide de molenaar en maakte een buiging, "met uw verlof!" En hij legde het valies op de tafel, "hier is 't!" "Wat is 't?" vroeg de oude heer.--"Mijnheer, wat weet ik 't? Ik weet wat, ik weet veel, ik weet in 't geheel niks, maar, zooveel weet ik, een gauwdievenkraam is 't." "Molenaar Voss, hoe komt gij aan een gauwdievenkraam?"--"Hoe komt de hond in den halsband, mijnheer de baljuw? Hoe kwam het meisje aan 't kind?--Ik weet maar, dat dit de mantelzak van den Fransoos is, en dat de duivel mij den Fransoos gisteren avond op mijn wagen heeft gegooid, en mijn Frederik hem er weêr afgesmeten heeft." En nu vertelde de molenaar het geheele geval.

De oude heer liep ondertusschen in de kamer heen en weder en bromde zoo wat in zijn baard, van "leelijke zaak!" en dan weder stond hij voor den molenaar stil en zag hem strak in de oogen, en toen het verhaal van den molenaar uit was, zeide hij: "Wel, vriend Voss, 't is immers toch wel zeker, dat de Franschman nog leeft?"--"Mijnheer de baljuw, wat weet ik 't?--Zie eens; ik maak mijne berekening zóó: koud was 't van nacht voor den tijd van 't jaar juist niet; maar geregend heeft het den heelen nacht; en, als wij beiden, mijnheer de baljuw, gij of ik, van nacht daar gelegen hadden, dan waren we mogelijk verkleumd. Maar, ik reken ook zóó: zulk volk is 't liggen in de lucht beter gewend, dan wij, en heeft het hem in Rusland geen kwaad gedaan, dan zal 't hem hier ook wel niet benadeeld hebben. En weggegaan is hij, en Frederik is hem achterna, en als hem dan naderhand nog wat overkomen is, kunnen wij dat niet helpen."--"Vrind Voss, vrind Voss," sprak de oude heer, het hoofd schuddende, "dat is een erg ding! Als jou Frederik den Franschman niet weêr krijgt, kan 't je den hals kosten."--"God beware mij!" riep de molenaar, "met welke dwaasheden heb ik me, op mijn ouden dag, ingelaten! Mijnheer de baljuw, 'k ben immers onschuldig, en 'k heb immers het valies ook niet gehouden, en het paard staat in de schuur van den bakker Witt." "Dat is ook je geluk, molenaar, dat is ook een groot geluk voor je, want dat kan ik getuigen. En louter goud en zilver, zegt gij, is in dat valies?" "Ja, louter goud en zilver," antwoordde de molenaar. En dit zeggende, gespte hij het valies los en liet mijnheer den baljuw den inhoud zien.

Mijnheer de baljuw zette groote oogen op. "Heere! bewaar ons!" riep hij uit, "dit is waarlijk een schat."--"Ja, dat zegt ge wèl, mijnheer de baljuw! Mijne vrouw zegt anders niet veel, maar toen ze dit zag, sloeg zij hare handen samen en sprak geen woord."--"Gestolen is 't alles, Voss. Hier, op het zilverwerk is het Urtzensche wapen; dat ken ik. De lepels heeft die gauwdief zeker hier in de buurt gestolen. Maar daardoor wordt jou zaak niet beter."

De oude molenaar stond daar als geheel verpletterd. Mijnheer de baljuw liep de kamer door en wreef zijn hoofd; eindelijk ging hij naar den molenaar toe, legde hem de hand op den schouder en zeide: "Molenaar Voss, 'k heb je altijd voor een eerlijk man gehouden; maar zoo'n eerlijkheid, in zulke omstandigheden! Je kunt niet van den éénen dag tot den anderen leven, en je geeft uit eigene beweging zoo'n portie geld terug, waarvan eigenlijk niemand weet, waar het t'huis hoort!"--De oude molenaar werd zoo rood als vuur en keek naar de punten van zijne laarzen. "Ja, Voss," sprak de oude baljuw verder, "'t is eene zeldzame handelwijze van je, want je hebt niets kunnen weten van wat er hier is voorgevallen, maar dank er God voor, want het is mogelijk, dat dit gedrag je het leven redt."

Het gevaar, waarin hij meenen moest te verkeeren, de onverdiende lof, die hem juist zoo aangenaam voorkwam, als wanneer iemand op een leuningstoel gaat zitten, waar zijne lieve vrouw een speldekussen op nedergelegd heeft, het vooruitzicht, dat hij met Gods hulp uit deze gevaarlijke zaak nog door eene kleine opening zou kunnen kruipen, en dat hij dat alles niet verdiend had, deden den ouden molenaar vreeselijk aan. Hij stond met neêrgeslagen oogen en wrong zich heen en weder, en draaide zijn hoed hoe langer zoo erger; eindelijk sloeg hij hem met beide handen inéén, zoodat hij geheel uit zijn fatsoen geraakte, en riep: "De drommel hale de heele Fransozenhistorie en mij daarbij, mijnheer de baljuw! Als de hemel jegens mij genade voor recht wil laten gelden en mij uit dezen nood redt, dan wil ik ook niet met ongerechtigheden omgaan. Neen, wat waarheid is, is waarheid! En als mijne kleine Fieken er niet geweest was, dan lag dat entfaamte Fransozengeld in mijne kast en ik hing van avond aan de galg." En nu vertelde hij de zaak.

"Vrind Voss," zeide de baljuw, toen alle omstandigheden verteld waren, "ik ben niet voor meisjes; jongens zijn beter; meisjes zijn me te teemachtig; maar met jou Fieken is het dan toch eene andere zaak.--Vrind Voss, het strekt jou en je vrouw tot eer, dat je zoo'n kind hebt.--Hoor eens, als je weêr bij mij komt, breng dan je Fieken eens meê; ik....--dat is te zeggen mijne vrouw, zal er zich over verheugen. En neem nu het valies en breng het naar 't raadhuis en meld je daar aan; want de Franschen zullen daar wel zoo'n soort van gerechtsdag houden,--'t zal er ook naar wezen!--en vraag eerst naar den burgemeester; dat is een welwillend man, en hij spreekt ook Fransch, en spoedig zal ik daar ook zijn, en wat maar eenigszins mogelijk is, zal ik voor je doen."--"Best, mijnheer de baljuw! Ik ben al veel lichter om 't hart.--En met de andere zaak; met het bankroet meent gij...?"--"Dat je een dwaas zoudt wezen, om je op je ouden dag nog met zulke dingen in te laten!"--"Best, mijnheer de baljuw! Nu, adjuus dan!" Daarop ging de molenaar heen.

TIENDE HOOFDSTUK.

Waarom Frits Sahlmann in den winter zonder parapluie in een appelboom zit; waarom hij een klein pak akten onder zijn vest knoopt en waarom mamsel Westphalen verklaart dat zij eene erge zondares is.

Na eenigen tijd kwam de vrouw van den baljuw de kamer weder in en zeide: "Weber, wat beteekent dit?" Frits Sahlmann is er niet, mamsel Westphalen is er niet; in hare kamer ziet het er uit alsof heidenen en Turken daar huisgehouden hebben, en de meiden zeggen, dat zij van niets weten, behalve dat de raadsheer Herse door de achterdeur is binnengeslopen, en Fieken heeft hem bij abuis, met een stompen bezem over 't gezicht gestreken en mamsel Westphalen heeft hem een paar handen vol turfasch in de oogen gegooid, ook enkel bij abuis, en naderhand is Frits Sahlmann met mamsel Westphalen weggegaan, en ze weten niet waar ze zijn."--"Dat is eene wonderlijke zaak, zegt de oude heer.--"Wat doet de raadsheer Herse in mijne keuken? 'k Mag anders den man wel lijden, Netje; hij is een pleizierig man, maar hij steekt zijn' neus in iedere beuzeling, en iets verstandigs is daardoor van zijn leven niet voor den dag gekomen.--Zeg eens, Netje, wie van de meiden houdt ge wel voor de verstandigste?" "Weber, wat praat je toch? Van verstand kan bij die soort wel weinig sprake wezen."--"Nu, dan de slimste, die 't meest bij de hand is."--"O, dan is 't Fieken Besserdichs, want hare oogen gaan fiks overal rond, en haar mondwerk nog veel beter."--"Roep haar dan eens binnen."

Dat geschiedde, en Fieken kwam. Zij was eene kleine, flinke deern, zoo vroolijk en bij de hand, als eene Gulzowsche schoutdochter maar zijn kan; want toenmaals dienden de schoutsdochters nog.--Nu stond zij echter voor mijnheer den baljuw, en sloeg hare oogen neder en plukte aan haar boezelaarsband, want zij had een voorgevoel, dat dit een soort van verhoor zou worden.--"Alzoo," begon de oude heer, "tot de waarheid vermaand, en zoo voorts,--Fiek Besserdichs, wat weet je van mamsel Westphalen? Begin van gister avond af!"--Fieken vertelde nu, wat zij wist, en wat wij weten.--"Dus," sprak de oude heer, "heeft ze bij jelui geslapen en niet in ééne kamer met mijnheer Droi?"--"Weber, wat praat je toch?" viel zijne vrouw hem in de rede.--"Netje lief, elke omstandigheid is gewichtig, als de onschuld aan den dag moet komen.--En geloof je niet," zoo vroeg hij aan Fieken, "dat zij met den raadsheer Herse weggeloopen is?"--"Neen, mijnheer; op de vlucht is zij, geloof ik; maar niet met den raadsheer Herse, want hem heb ik naderhand alleen bij de achterdeur ontmoet, toen ik van mijn broêr terugkwam, want die was hier in den tuin van mijnheer den baljuw met onze paarden, tot voorspan, maar--" en hier sloeg zij hare oogen op, en het frissche aangezicht zag er zoo recht ondeugend uit, "maar mijnheer de baljuw, hij heeft voor de Franschen de plaat gepoetst." "Zoo," vroeg de oude heer, "heeft hij de plaat gepoetst?" "Ja, mijnheer," zeide Fieken en lachte zoo schalkachtig, "en hij heeft al de anderen ook opgestookt, dat ze zouden gaan loopen en heeft hun de groene poort aangewezen." "Dat is een domme streek van hem, en als de Franschen hem krijgen, zullen ze 't hem inpeperen. Jelui zijt een wijsneuzig geslacht, jelui, Besserdichs.--Netje, help me eens aan dien bengel, dien Frits Besserdichs, denken.--En waar is Frits Sahlmann?"--Nu was Fieken weêr zeer benauwd geworden, en wat er nu uitkwam, dat ging maar heel langzaam aan. "Wel, mijnheer de baljuw, van morgen gooide hij al uwe pijpen stuk, en naderhand zei hij, dat ik 't gedaan had. En, mijnheer de baljuw, ik kon 't niet helpen, want ik woû maar eventjes om den hoek kijken, toen de Fransche overste zóó te werk ging; toen liep hij met de pijpen tegen mij aan, en nu liggen de scherven in de keuken."--"En heb je hem van morgen verder gezien?"--"Ja, mijnheer, toen de horlogemaker getranspireerd werd; toen liep hij meê, en toen hij daarna weêrom kwam, praatte hij met de mammesel hoogduitsch, en naderhand fluisterden zij te zamen." "Hoogduitsch? Frits Sahlmann hoogduitsch? Wat heeft die lummel in 't hoogduitsch te praten? Wat zei hij dan?"--"Hij zei: "Redding nadert.""--"Zoo! en kwam naderhand de raadsheer?" "Ja, mijnheer de baljuw, en ik streek hem met den bezem in 't gezicht; maar dat kon ik ook niet helpen."--"'t Is toch eene wonderlijke zaak!" riep de oude heer uit en hij liep op en neêr, wreef zich onder de kin en keek naar den grond, en keek naar den zolder. Eindelijk stond hij stil en zeide: "Netje, de zaak wordt mij duidelijk; die goede stumperd, mamsel Westphalen, heeft angst gekregen, en de raadsheer heeft zich daarmeê gemoeid en heeft het een of ander verkeerds uitgericht. Je zult zien, dat zij zich verstopt heeft."--"Laat haar dan begaan, Weber." "Dat gaat niet, Netje; zij moet voor den dag komen, want zij moet getuigenis afleggen voor den horlogemaker en voor den molenaar; 't kan die beiden anders den hals kosten.--Als ik maar wist, waar die bengel, die Frits Sahlmann, was, die weet van de heele zaak af.--En jij weet niet, waar hij is, Fiek?"-- "Neen mijnheer."--"Nu, dan kunt gij heengaan."

Terwijl Fieken zich omkeerde, viel haar oog op het hoekvenster, doch, daar haar gezicht zeer goed en helder was, ging haar blik ook door het venster, en zij zag, wat ver daar achter voorviel. Zij keerde zich haastig weder om en zeide: "Mijnheer de baljuw, nu weet ik, waar hij is."--"Wel, waar dan?"--"Kijk, daar zit hij." "Waar?" vroeg de oude heer, en hij plaatste zijn lorgnet voor de oogen, en keek overal heen, slechts niet dáárheen, waar Frits Sahlmann zat.--"Dáár, mijnheer de baljuw,--dáár! in onzen ouden... appelboom, die aan den hoek van de keuken staat."--"Waarachtig! ja!--Dat is toch eene wonderlijke zaak!--Netje, in den winter!--Als 't in den herfst was, als er appelen aan den boom zijn;--maar Netje, in den winter!"--"Och, Weber," zeide zijne lieve vrouw, "hij oefent zich zeker daar maar op."--"Fiek Besserdichs, gij hebt heldere oogen, wat doet hij daar?" vroeg de oude heer, terwijl hij door zijn lorgnet zat te turen.--"Wel, mijnheer, hij heeft daar een langen staak; maar wat hij er mee voornemens is, dat is voor mijne oogen verborgen. Hij maakt er allerlei bewegingen meê tegen 't luik van den rookzolder."--"Netje, tegen onzen zolder! Wat zou hij daar uitvoeren, Netje?"--"'k Weet het niet, Weber; maar 't zal mij niet verwonderen, als er morgen weêr worsten weg zijn."--"Kijk eens, kijk eens.--Ei, dat zou aardig wezen! Dat is waarlijk een prachtige boom voor mijn Frits Sahlmann. 's Zomers appelen, en 's winters worst!"--Dit zeggende maakte hij het venster open en riep: "Frits Sahlmann! Frits! kom daar uit, mijn jongen. Ge zoudt daar in den regen verkouden kunnen worden."

Men zegt, dat het bekende dier, 't welk luiaard genoemd wordt, zeven dagen noodig heeft, om in een' boom te klimmen en zeven dagen, om er weder uit te komen. Nu, zóó veel tijd gebruikte Frits Sahlmann juist wel niet, toen hij uit den appelboom klom, maar het duurde toch lang genoeg, en van wege zijn' broek klauterde hij zeker niet zoo bedachtzaam; en toen hij beneden was, toen was het blijkbaar, dat hij ernstig aan 't overleggen was, of hij zou komen, of op den loop zou gaan. Doch Frits Sahlmann was een brave knaap; hij hield zich menigmaal slechts een beetje op.--"Fiek, wat doet hij daar achter het kruisbessenboschje?" vroeg de oude heer.--"Wel, mijnheer, hij heeft daar zeker wat achter gegooid."--"Zoo?--Dat is dan iets anders.--Nu, Frits, kom door de keukendeur binnen! En jij, Fiek, ga eens heen, en pas goed op, dat hij niet door de voordeur weêr ontsnapt."--Fieken ging heen, en Frits kwam, zoo langzaam als de dure tijd; maar hij kwam.--"Frits Sahlmann, mijn jongen, zóóveel verstand moest je al hebben, om in te zien dat het niet goed voor de gezondheid is, om als 't regent, buiten te zitten; neem, als 't weêr gebeurt, een parapluie meê, als je buiten zitten wilt; en zóóveel moest je ook wel inzien, dat het niet goed voor je broek is, bij een' regenbui in een boom te klimmen; zoek in 't vervolg een drogen tijd van 't jaar daartoe uit. Maar zeg mij nu eens; wat deedt ge in dien boom?"--"Och, mijnheer de baljuw, dat was zoo maar eens."--"Hm," hernam de oude heer, "die reden is duidelijk. Maar wat ik eigenlijk vragen woû: heb je niets van mamsel Westphalen gezien?"

Frits Sahlmann, die eene geheel andere vraag vermoed had, leefde zichtbaar weder op en zeide heel opgeruimd: "Neen, mijnheer de baljuw."--"Ha, mijn jongen, waarom zoudt gij ook van eene zaak wat weten, waarvan niemand wat weet? Maar, doe me nu 't pleizier eens, en kijk me nu eens flink in de oogen."--Frits Sahlmann deed hem dit pleizier; maar zijn blik was een valsch stuk geld, en de oude heer scheen het ook niet voor echte munt aan te nemen, want hij zeide: "Frits Sahlmann, hier is een mes, ga eens naar den tuin, en snijd eens uit de hazelaars, je weet immers, waar ze staan,--zoo'n klein stokje, zooals een--als een--nu, als je middelvinger dik, en jongenlief! dan heb je achter het kruisbessenboschje in den tuin wat verloren; roep Fiek Besserdichs, die zal je helpen zoeken, om toch je eigendom weêr te krijgen.--Maar, hoor je, Fiek Besserdichs moet meêgaan."

Frits Sahlmann zag aldus onder zeer benauwde omstandigheden in eene treurige toekomst; hij steunde echter op twee zaken, waarop de menschen meestal in hunne verlegenheid vertrouwen, namelijk in de eerste plaats, op den hemel, dat die nog ter goeder ure den ouden heer bij zijn voornemen een' steen in den weg zou leggen, en ten tweede, op zijne vroegere ervaring in zulke verlegenheden; hij had daarenboven nog eene hulp in den nood, van welke de gewone menschen niets weten, namelijk zoo'n klein pak akten, dat hij in bedenkelijke gevallen gewoon was onder zijn vest te knoopen; dit vergat hij dan ook heden niet. Hij ging dus thans tamelijk gerust gesteld naar den tuin, in de stille hoop dat Fieken, die met hem ging, zich in den juisten kruisbessenboom zou vergissen; maar terwijl hij bezig was, de geschiktste soort van hazelaartakken uit te zoeken, zag hij met inwendigen schrik, dat de deern juist naar het rechte boompje toeging en daar wat opraapte, wat hem in de verte veel overeenkomst met eene worst scheen te hebben. Hij moest zich dus op eene andere manier zien te helpen; vooreerst sneed hij een paar onmerkbare kerven in den hazelaarstok, wat juist niet zeer tot de stevigheid er van bijdroeg, en vervolgens beproefde hij Fieken het gevondene weêr af te bedelen, Dit gelukte hem evenwel niet, daar Fieken geen lust had, een tweede verhoor voor mijnheer den baljuw te ondergaan, en de gedachte kwam ook bij haar op, dat het misschien Frits Sahlmann wel geweest was, die haar, voor een dag of acht, eene hand vol kleingesneden varkenshaar in 't bed had gestrooid. Zoo kwam dus Frits Sahlmann met den stok, en Fiek met eene kleine, aardige metworst weder voor den baljuw.

"Fieken," zeide mijnheer de baljuw, haar de worst afnemende, "gij kunt nu heengaan, mijn kind!--Netje!" zeide hij tot zijne lieve vrouw, en hield de worst voor hare oogen, "dat noemen wij een corpus delicti."--"'t Is mogelijk, Weber, dat ze in 't Latijn zóó heet; wij zeggen er metworst tegen."--"Best, Netje! zeg eens, kunt ge stellig verzekeren, dat het eene van onze metworsten is?"--"Ja, Weber, ik ken ze aan den band."--"Frits Sahlmann, hoe ben je aan die worst gekomen?"

Dit was nu voor Frits eene infame vraag van den baljuw. De hemel kwam blijkbaar niet tusschen beiden: zijne ondervinding liet hem in den steek; mijnheer de baljuw stond voor hem; in de ééne hand hield hij de worst, in de andere den stok, en de stok was nauwelijks twee voet van zijn' rug af; al zijne hoop was dus op het kleine pakje akten gericht, en dat was ook maar zóó--zóó; de baljuw had het al eens aan 't klappen gemerkt. Hij achtte zich dus verloren, begon te schreien en zeide: "Ze is mij gegeven."--"Dat jokt ge!" was het driftig antwoord van de vrouw van den baljuw; "je hebt ze met een stok van den rookzolder gehaald."--"Netjelief, bedaard! geene suggestieve vragen!--Frits, wie heeft je die worst gegeven?"--"Mamsel Westphalen."--"Frits, wáár?" "Toen ik in den boom zat."--"Zat zij daar dan bij jou?" "Neen, zij zat op den rookzolder, en toen heeft zij de worst voor mij aan den stok gestoken; daar had ik een spijker ingeslagen."--"Maar je hebt me straks nog gezegd, dat je niet wist, waar mamsel Westphalen was; Frits Sahlmann, je hebt dus gelogen." "Mijnheer de baljuw, och, sla mij niet! Dat is mijne schuld niet. Ik en mijnheer Herse hebben samengespannen, en ik heb hem heilig moeten beloven, aan geen mensch, ook niet aan u, te zeggen, waar mamsel Westphalen was."--"Krijg je bij den raadsheer kost en loon, of bij mij? Je hebt gelogen, Frits, en als je liegt, krijg je slagen, zóó staat het in ons kontrakt." En met die woorden pakte de baljuw Frits bij den kraag en lichtte den stok op, en indien de hemel nog tusschenbeide wilde komen, was 't nu hoog tijd daartoe, en--de hemel deed het.