Twee vroolijke geschiedenissen

Chapter 8

Chapter 84,025 wordsPublic domain

Toen de horlogemaker van het slot getransporteerd werd, was Frits Sahlmann natuurlijk medegegaan, alléén maar om te zien, hoe den arrestant de zaak wel zou aanstaan, en of hij ook soms op den loop ging; doch dat laatste geschiedde niet. De stoet ging langzaam naar beneden, naar 't raadhuis, want men had moeite zich door allerlei paarden en voertuigen te dringen, die tot het vervoeren van bagage en maraudeurs en tot voorspan van kanonnen uit de dorpen en steden gekommandeerd waren; en die thans op het slotplein en op den weg naar het slot bijééngedreven en door Franschen ingesloten waren, opdat zij niet weder zouden ontvluchten, want daarvan hadden de boeren nu al drommelsch goed slag gekregen.--De horlogemaker ging, zoo geduldig als een lam, met zijne beide bewakers door de menigte heen; hij was in 't eerst wel erg verschrikt geweest, en de geheele zaak kwam hem dien nacht ook geducht onaangenaam en bedenkelijk voor, doch gedurende het verhoor, dat de adjudant hem had doen ondergaan, was hij in eene stemming geraakt die het best aldus kon uitgedrukt worden: "Praat jij maar! Je kunt veel praten, eer mij één woord daarvan behaagt!" En zijne antwoorden waren bijzonder sober geweest. En hoewel hij juist niet zoo'n onbesuisde courage bezat, die dadelijk overal op los gaat, zoo was hij toch al lang in de wereld geweest en had al zoo dikwijls in den knoei gezeten, dat hij niet licht den moed verloor. Hij liet de zaak haren gang gaan. "Hoe zou dat hier wel afloopen?" zeide hij tot zich zelven, toen hij de deur van het raadhuis ingeduwd werd.

"Frits Sahlmann," zegt de raadsheer Herse;--toen de jongen den weg naar het slot weder wilde opgaan; "wat beteekent dat?"--Frits vertelt nu met de grootste deftigheid de geschiedenis van gisteren, en hoe mijnheer Droi in de kamer van mamsel Westphalen geslapen en alles kort en klein geslagen had; en hoe hij zelf de pijpen van mijnheer de baljuw stuk had gesmeten,--maar, dat kon hij niet helpen, daar had Fieken schuld aan,--en hoe de overste mijnheer den baljuw had willen doodsteken, en hoe mamsel Westphalen in de keuken zat, als een toonbeeld van ellende en smart;--doch van den ijsklomp zeide hij niets.

Nu was echter mijn oom, de raadsheer Herse, een ontzaglijke patriot, ofschoon in 't geheim. En dat was niet zonder reden. Want, gelijk hij mij jaren daarna, toen Bonaparte al dood was, eens toefluisterde, hij behoorde in dien tijd tot het deugdverbond. En 'k geloof dat wel, want als hij in gezelschap was, speelde hij altijd met een langen horlogeketting van zeer licht haar,--en tante Herse's haar was zwart,--en hij liet dikwijls een vervaarlijk grooten ijzeren vingerring zien, waarmede hij eens den vagebond, den smidsknecht Höpner, bijna had doodgeslagen, toen die zich in de gerechtszaal zeer onbehoorlijk gedragen had.--"Frits," zeide hij later tot mij, "dat lichte haar is van eene heldhaftige jonkvrouw, die zich, anno dertien, het hoofd heeft laten kaal scheren voor 't vaderland, en de ijzeren ring heeft mij mijn gouden ring gekost. Maar, praat er niet van, ik heb dat liever niet." Hij was dus met recht, ten tijde toen deze geschiedenis speelde, zeer voor heimelijkheden. En het is ook mogelijk, dat zijne wijze van doen, om alles in het geheel, van een uitgebreid gezichtspunt te beschouwen, met zijne heimelijke verbroedering in verband stond. Terwijl toch mijn vader zich met de nietigste plagerijen en knevelarijen dag en nacht kwellen moest, opdat de schrale stadszaken nog tamelijk goed bij elkaâr bleven en niet alles in de war kwam, liet de raadsheer Herse Kutusof rechts marcheeren en Czernitschef links, en hij prees York en schold op Bülow;--die verstond zijne zaak niet; want hij hij had zich niet naar Berlijn, hij had zich rechts, tot naar Stavenhagen toe, moeten terugtrekken, en had Bonaparte in de flank moeten aanvallen. Kortom, hij was er zoo juist de man naar, om van eene vloo een' olifant te maken, in elken onschuldigen Franschen korporaal zag hij den korsikaanschen dwingeland, en toen eens de politiedienaar Luth bij eene kloppartij een paar slagen had meêgekregen, stelde hij zich aan, alsof de hertog van Mekklenburg in persoon op oorvegen getrakteerd was.

"Hou je snater, jongen!" fluisterde de raadsheer Herse zeer ernstig, "wilt ge hier je doodvonnis op de openbare markt uitschreeuwen?--Voor 't leven van den horlogemaker geef ik geen groschen, want dit is zeker, dat de molenaar en zijn Frederik den chasseur doodgeslagen hebben...."--"De molenaar niet," valt Frits hem in de rede, "de molenaar bestond gisteren louter uit brandewijn en barmhartigheid."

"Nu, dan zijn Frederik, dat is een Pruis. Weet je, wat een Pruis is? Weet je wat een Pruis te beteekenen heeft? Weet je...? Domme jongen, wat kijk je me aan?--Denk je, dat ik je mijne aangelegenheden aan den neus zal hangen? Maar, wat ik zeggen woû,--den ouden baljuw zullen ze naar Bayonne, in Frankrijk, zenden, daar ze den schimmelhengst Herodotus van den graaf van Ivenack ook heengestuurd hebben; en mamsel Westphalen,--zooveel ik van de Fransche krijgswetten weet,--zal wel eenvoudig opgehangen worden; en jij, mijn jongen, voor de boodschap, die je gedaan hebt, zult ge wel een geducht pak slaag krijgen."--Frits Sahlmann zag dus eene droevige toekomst te gemoet en zette er ook een gezicht naar.--"Mijnheer Herse, toch niet openlijk op de markt?" vroeg hij.--"Waar je maar gaat en staat, daarom heet het immers standrecht. Maar, als de zaak nog behoorlijk wordt aangevat, kan alles nog best terecht komen.--Kunt ge zwijgen?"--Frits Sahlmann zei, dat hij onbeschaamd goed zwijgen kon.--"Nu, kom dan eens hier, steek je beide handen in je broekzakken en fluit eens.--Zoo! dat gaat al goed!--En zet nu eens zoo'n onnoozel gezicht, alsof je alles niets aanging,--zooals je 's zomers wel eens doet als je in den slottuin appels van de boomen gooit, en mamsel Westphalen daarop afkomt.--Mooi zóó!--En let nu goed op ieder woord, wat ik je zeg: nu ga je, met dit gezicht, en met dien mooien schijn van kinderlijke onschuld, tusschen de Fransozen en de boeren door, naar het slot, in de keuken, en roept daar mamsel Westphalen alléén in den hoek en je zegt dan maar deze beide woorden: "Redding nadert!" Mocht zij daarmede niet tevreden wezen, dan kunt ge haar, in alle bedaardheid vertellen, wat ik van 't ophangen gezegd heb, en zoo ze soms daarbij eerst een beetje verschrikt, zeg haar dan, dat ze nog lang den moed niet moet verliezen; want dat ik, de raadsheer Herse, de zaak in handen heb genomen. Maar zij moet in de allereerste plaats, de keukendeur afsluiten en de achterdeur aan den tuinkant; en de beide meiden en jij moeten elk het een of ander ding in de hand nemen en geen Franschman binnen laten en jelui moet je weren, tot op den laatsten man, totdat ik kom. Ik zal echter dadelijk door den slottuin naar de achterdeur gaan,--'k wil maar eerst even een mantel hebben, want het regent infaam,--en mijn parool zal wezen: "Wel, wel!" en mijn veldgeschreeuw: "York!" Neen; dat gaat niet, dat begrijpt ze niet.--Nu, wat dan? 't Is alles egaal,--'t is alles egaal.--Nu, mijn veldgeschreeuw is... is... "Zuur varkensvleesch!" Dat begrijpt zij.--Als er nu iemand komt, die dit woord roept, dan moet zij de achterdeur opendoen.--Hebt ge alles onthouden?" "Ja, mijnheer Herse."--"Nu, ga dan maar heen. En geen mensch, ook mijnheer de baljuw zelfs niet,--mag er een woord van vernemen!" Frits ging heen, en mijnheer de raadsheer ook.

Mijn oom Herse had zich natuurlijk terstond, nadat hij raadsheer was geworden, de blauwe raadsheers-uniform met den rooden, met goud belegden kraag laten maken, en daar hij een groot, gezet en deftig man was, trok hij die zeer gaarne aan, zoodra er maar eenige aanleiding toe bestond; bij voorbeeld, als de brandspuiten geprobeerd werden, of als op een meidag de koeien in de stadsweide gebracht werden, of als er inkwartiering kwam. Wanneer dan mijn vader in zijn grijs jasje achter de gerechtstafel zat, en schreef, dat hem de vingers kraakten, ging de raadsheer Herse vóór de gerechtstafel op en neêr en zorgde voor de staatsie en de deftigheid, waarbij het hem dan bijzonder streelde, wanneer zoo'n Franschman hem als "monsieur le maire" aansprak. Mijn vader had daar ook niet tegen, want meestal viel er, bij deze zaak, ook wat in te brokken, en dat liet hij dan met de deftigheid, ook aan den raadsheer over, en hij nam de werkzaamheden op zich. Zóó hadden zij het gelijkelijk verdeeld, en wanneer de raadsheer Susemihl zijne zwaarwichtige taak, als wethouder op een gerechtsdag, behoorlijk vervulde, en de politiedienaar Luth het loopende werk op de straat verrichtte, en de stads-omroeper Dolmstrich niet dikker werd, dan hij werkelijk was, zoodat hij nog af en aan door veld en bosch ging, en op een zachten slootrand zijn middagslaapje waarnam, en de wijkdienaren van tijd tot tijd de brandspuiten probeerden en de aangelegenheid van den stadsstier bezorgden, en de veldwachter Hirsch de jongens uit de erwtenvelden joeg,--dan zou 'k wel eens willen zien, wáár eene stad en een rechtsgebied te vinden was, waar 't zoo in orde en geregeld toeging, als in mijne vaderstad Stavenhagen. En dat kwam alles daar vandaan, dat de raadsheer Herse gaarne zijne uniform droeg.

Toen dus mijn oom Herse naar huis ging,--want het regende steeds, dat het goot,--zocht hij in zijne kleerkast naar zijn grijzen mantel, en daarbij kreeg hij zijne uniform in de hand en hij dacht: "Zie! vandaag is 't er een goede gelegenheid toe, en wie weet, of ze mij in mijn voornemen niet van dienst kan zijn."--Hij trekt ze dus aan, en zet ook zijn mooien driekanten hoed op, dien wij jongens naderhand steeds als schuit in den vijver van den ouden Nahmaker hebben laten drijven. Nu, destijds was hij nog in den besten staat, en toen de raadsheer Herse zijne huisdeur uitging, sloeg hij er den kraag van zijn mantel over heen, opdat de hoed niet nat werd, en mijn oom Herse zag er op klaarlichten dag uit, zooals een Fransch generaal bij nacht, wanneer hij de vijandelijke posten observeert. "Zoo!" sprak hij, "nu kent mij ook geen mensch!" Hij ging de markt over en maakte een' kleinen omweg over eene hoeve, waar de pachter Nahmaker uit het hoekvenster zijne paarden nakeek, die de Franschen uit zijn stal hadden gehaald. "Goeden morgen, mijnheer Herse!" zeide de pachter; "lieve Hemel, wat is 't een nare tijd!"--"Stil!" zeide oom Herse, en hij ging verder. Achter de schuur op de hoeve ontmoet hem de draaier Zwaardveger. "Goeden morgen, mijnheer de raadsheer!"--"Houd uw mond!" zegt mijn oom knorrig en hij gaat achter den slottuin om.--"Goeden morgen, mijnheer Herse!" zegt de jongen van den ouden muzikant Hartlaff.--Klets! daar krijgt hij er een, met de platte hand, om zijn ooren. "Domme jongen! zie je niet, dat ik niet bekend wil wezen?"--Met die woorden gaat hij den slottuin in, en hij is knorrig en zegt: "De drommel mag het weten! Eene openbare betrekking drukt waarachtig als een vloek op een' mensch!"

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Waarom mijn oom Herse met parool en veldgeschreeuw komt, waarom mamsel Westphalen niet in den veengrond zitten wil; en waarom mijnheer de raadsheer op den wagen van den molenaar en ook weder er afkomt.

Ondertusschen was Frits Sahlmann met het voorgeschreven gelaat, met de handen in de zakken, en al fluitende, naar het slot gegaan; doch, toen hij de keuken inkwam, vergat hij alle voorschriften en zette een gezicht, dat in de lengte en in de breedte er uitzag als Bileam's gezicht, toen zijn ezel begon te spreken, en hij fluistert mamsel Westphalen toe: "Redding nadert!" "Jongen! Frits Sahlmann!" zegt mamsel Westphalen, "wat is dat, wat moet dat, en wat beduidt dat?" Frits zeide dus nu, wat zij doen moesten, dat zij zich in de keuken tot op den laatsten man verweren moesten en geen Franschman binnenlaten, en dat de raadsheer Herse met parool en veldgeschreeuw zou komen en het kommando op zich nemen zou. "Goede hemel!" zegt mamsel Westphalen, "wat moet ik doen? Den baljuw kan ik onder zulke omstandigheden niet onder de oogen komen, want de schande is te erg voor mij. Ik wil mij dus getroost in de armen van den raadsheer Herse werpen en zijn raad volgen, en die zal wel de rechte zijn: waarvoor zou hij anders raadsheer wezen?--Fieken en Carolien, jelui neemt samen de achterdeur; Frits Sahlmann en ik nemen de keukendeur; en past nu goed op, dat jelui het veldgeschreeuw niet vergeet."--De deuren werden gesloten, Fieken nam een' bezem, Carolien een kolenschop, Frits Sahlmann een' potlepel en mamsel Westphalen grijpt al naar een' stamper, maar zij laat hem liggen, terwijl zij zegt: "De hemel beware mij, dat ik door moord en doodslag mijne schuld vergrooten zou! Neen, ik weet een beter middel," en zij haalt een aschpot en zet dien voor zich op de keukentafel, van waaruit zij de achterdeur en keukendeur kon overzien, en zeide: "Zóó! Laat ze nu maar komen!--Maar, wie van mijne soort van zalf wat in 't gezicht krijgt, die mag zijne oogen wel eens goed uitwasschen!"

Het duurde ook niet zeer lang, of er riep iemand voor de achterdeur: "Wel, wel!" En na eene korte poos riep dezelfde stem half overluid door het sleutelgat: "Zuur varkensvleesch!"--"Dat is de rechte," zegt mamsel Westphalen,--"Carolien, maak de deur op mansbreedte open, en als hij binnen is, sla ze dan dadelijk weêr dicht." Carolien doet dus nu de deur een eindje open, en mijnheer de raadsheer wil er zich doordringen; toen schuift de kraag van zijn mantel terug, en zijne driekante hoed en de roode uniformkraag komt te voorschijn. "Hu!" gilt Carolien uit, en klemt den raadsheer half in de deur vast; "een Fransozenkerel, een Fransozenkerel!"--"Zuur varkensvleesch!" roept de raadsheer Herse, "hoort gij niet? Zuur varkensvleesch!" Maar 't kwam te laat; Fieken had hem al met haren stompen bezem zijn hoed van het hoofd en zijn vel van 't gezicht gestooten, en mamsel Westphalen had hem al twee handen vol asch in de oogen gestrooid.

Daar stond mijn oom Herse en blies en proestte en snoof en grabbelde met de handen voor zich uit, alsof hij blindemannetje speelde: 't was nacht voor zijne oogen en woede in zijn hart. Zijn geheele voornemen was mislukt; want wat wil toch eene heimelijkheid zeggen, waaruit een keukenspektakel wordt? Wat kan een deftig gelaat uitrichten, als 't met een harden bezem bewerkt is en waar blijft alle glans, wanneer de turfasch er over ligt, gelijk de honigdauw op eene bloem?

De eerste, die weer bij hare zinnen kwam en gewaar werd, wien dit alles eigenlijk was overkomen, was Fieken; met één sprong was zij de achterdeur uit, in den regen. Carolien volgde haar na, uitroepende: "Beter een nat jaar van onzen lieven Heer, dan van onze mamsel!" Frits Sahlmann riep: "Heere jeminé! dat is de raadsheer Herse." Mamsel Westphalen stond daar als Loth's huisvrouw, en zij zag den raadsheer aan, als ware hij Sodom en Gomorrha, en zij riep met een zwakke stem uit: "Barmhartige hemel, wij wandelen allen in duisternis rond!"--"Gij kunt nog kijken, maar ik kan mijne oogen niet open krijgen.--Water, hier!" Nu ging het er op los met wasschen en afvegen en beklagen en verbazen en schelden en bedaren; maar oom Herse was te boos geworden, en hij zeide wat hem betrof, konden alle huishoudsters opgehangen worden, hij zou er wel oppassen, zich met vrouwlui in eene heimelijke samenzwering in te laten.--Mamsel Westphalen hield haar boezelaar voor hare oogen en begon te schreien en zeide: "Mijnheer de raadsheer, geef gij mij raad; vader of moeder heb ik niet meer; mijnheer den baljuw kan ik in zulke omstandigheden niet onder de oogen komen; gij zijt mijn eenige troost."

Mijn oom Herse had een goed hart; mijn oom Herse had een teergevoelig gemoed; en toen de asch hem niet meer in de oogen zat, en mamsel Westphalen de schrammen in zijn aangezicht met zoeten room had ingesmeerd, zoodat zijn lief rood gelaat er uitzag als een paddestoel, waarmeê de vliegen doodgemaakt worden, zeide hij vriendelijk: "Houd nu met dat schreien maar op; ik help u terecht; gij moet vluchten."--"Vluchten!" riep zij en keek heel verbaasd hare figuur van boven tot onderen aan. "Mijnheer Herse; ik vluchten!" En zij dacht daarbij aan de duiven, die zij boven op de duiventil had, en indien hare omstandigheden niet zoo droevig geweest waren, zou zij bijna gelachen hebben.--"Ja," zegt mijn oom, "kunt gij bij dezen weg en in dit weder, wel zoo'n mijl of drie vier, in ééns door marcheeren? Want een rijtuig is niet te krijgen, en 't is ook niet heimelijk genoeg." "Mijnheer Herse," zegt Mamsel Westphalen, en het lachen verging haar geheel en al; "zie mijne persoonlijkheid aan; ik ben wat zwaar gebouwd, en het trappenklimmen wordt mij soms al heel moeilijk."--"Kunt gij dan rijden?"--"Wat zegt gij?"--"Ik meen, of gij kunt paardrijden?" Mamsel Westphalen stond nu op en zette de handen in de zijden, zeggende: "Met schande wil ik niet leven. Welk vrouwspersoon rijdt te paard? Ik heb er maar één gekend in mijn leven, en dat was eene freule, maar die was er ook naar."--Nu stond de raadsheer Herse op, en liep een paar maal in gedachten, in de keuken, op en neder; eindelijk vroeg hij: "Acht gij u zelve in staat, om u bij dit weder, vier en twintig uren in onzen stads-veengrond in het riet te verstoppen?"--"Mijnheer Herse," zegt mamsel Westphalen en zij grijpt weêr naar haar boezelaar en droogt hare oogen af, "zie, 'k ben nu al in de vijftig en 'k heb verleden najaar die zware ziekte gehad..." "Dan gaat dat ook niet," valt de raadsheer Herse haar in de rede, "dan zijn er nog maar twee wegen; een naar boven en een naar beneden. Vluchten moet gij, 't zij op den zolder, of in den kelder."--"Mijnheer de raadsheer!" roept Frits Sahlmann uit, en kruipt van achter den keukenhaard te voorschijn, "ik weet het."--"Jongen," zegt mijn oom, "zijt gij hier?"--"Ja;" zegt Frits, heel benauwd.--"Dan is 't met de heele heimelijkheid niets waard: want wat drie weten, weet de heele wereld."--"Mijnheer Herse," zegt Frits, "ik zeg waarachtig niks er van! En, mamselletje, ik weet een plekje voor u. Op den rookzolder is de ééne plank los; die kan er afgedaan worden, en als gij u dan een beetje dun maakt, dan kunt gij u daar tusschen dringen, en daarachter is, bij de vliering, een klein hoekje, daar vindt u geen duivel." "Entfaamte lummel!" zegt mamsel Westphalen, en zij vergeet al haren angst en nood; "dan ben jij 't geweest, die altijd de metworst van den rookzolder gestolen hebt en, mijnheer Herse, ik heb altijd de onschuldige ratten verdacht." Mijn oom houdt nu Frits Sahlmann vrij van een duchtig pak slaag en zegt, dat het nu hoog tijd was, en dat zij vluchten moest, en dat dàt de juiste plek was.

Zij spoedden zich nu alle drie naar boven, naar het rookzoldertje, en nadat Frits Sahlmann de losse plank en de gelegenheid daar achter had aangewezen, sprak mijn oom Herse: "Zóó, mamselletje! ga hier nu op den rookzolder zitten, want zitten moet gij nu; ik zal achter u toesluiten, en wanneer gij hoort, dat hier iemand aan de deur komt, dan kruipt gij zachtjes door de plank in het kleine hoekje, maar pas vooral op, dat gij niet hoest of niest." "Dat is gemakkelijk zeggen, mijnheer de raadsheer; maar in zoo'n rook!" antwoordt zij.--"Dat zullen wij verhelpen!" zegt hij en stoot het luik open. Zij willen nu weggaan, maar zij roept: "Frits Sahlmann, mijn zoon, verlaat mij niet, en breng mij bericht, hoe 't met de zaak staat."--"Hij mag, wat er ook gebeurt, niet naar den zolder gaan," zegt de raadsheer Herse, "dat zou de een of ander kunnen zien, en dan is alles verraden."--"Wees maar gerust, mamselletje," zegt Frits, "ik zal 't wel gedaan krijgen," en hij knipoogt haar listig toe.--Zij gaan heen, en mamsel Westphalen zit vol treurigheid onder hare zijden spek en hammen en worsten en zegt: "Wat helpt al die schoone zegen van God als iemand van mijne jaren moet vluchten."

Zoodra oom Herse wist dat mamsel Westphalen in veiligheid was, ging hij weder naar de keuken en prentte Frits Sahlmann nog eens ter deeg, met een' kleinen handgreep aan de ooren, het zwijgen in. In de keuken trok hij den kraag van zijn' grijzen mantel weder over den geborduurden uniformkraag en den driekanten hoed, en sloop heimelijk, gelijk de kat van den duiventil, de achterdeur uit.

Doch nauwelijks had hij zijn bovenlijf uit de deur gestoken, of er werd geschreeuwd en gegild, en Fieken en Carolien, die gemeend hadden, dat nu alles weêr in orde was, en dus de keuken in wilden, stoven uit elkaar als een paar bonte duiven, wanneer de havik tusschen haar invliegt.--"Houdt uw' mond!" riep oom Herse, "ik zal u geen kwaad doen!"--Doch, wat hielp dat? De boeren, die nog met hunne paarden in den tuin gebleven waren, keken bij dat geschreeuw om, en toen zij achter zich den gewaanden Franschen officier zagen, maar die eigenlijk mijn oom Herse was,--toen gingen zij op den loop, allen op de groene poort af; en het duurde niet lang, of er was geen hoef en geen juk van kanonnen-voorspan te zien. De raadsheer sloeg nu zijdelings af, tusschen het struikgewas, en toen hij zoo'n klein, half verborgen pad langs ging, wie kwam daar aan?--De oude molenaar Voss met zijn' mantelzak onder den arm. "Goeden morgen, raadsheer!"--"Daar speelt de drommel meê!" zegt de raadsheer Herse.--"Molenaar Voss, ziet gij 't niet? Ik wil immers niet bekend wezen."--"Wel, dat begeer ik ook niet," zegt de molenaar. "Maar, mijnheer Herse, gij kunt mij een genoegen doen: aan de groene poort heb ik mijn wagen vastgebonden: breng die voor mij in veiligheid! Ik doe u gaarne weder eens een genoegen; zoodra de baars in den molenvijver aanbijt, laat ik het u weten."--"'k Zal er voor zorgen," zegt de raadsheer, en hij gaat naar de groene poort en toen hij daar het voertuig van den molenaar vond, maakte hij het los, klom op den wagen, en wilde juist afrijden, toen hem een troep Fransozen in den weg kwam; vooraan de overste zelf, op wiens bevel al dat voorspan was geordonneerd, en die nu zag, dat de meerderheid zich uit de voeten gemaakt had.

Mijn oom Herse werd dan ook dadelijk gearresteerd en van den wagen gerukt, en toen de overste zijne uniform zag en hij voortdurend riep, dat hij conseiller d'état was,--want hij wist in dat oogenblik geen beteren naam voor een Stavenhager raadsheer te vinden, toen dachten de Franschen, dat zij eene mooie vangst gedaan hadden en zij hielden hem voor den opperste van de geheele zaak. De overste vloekte en zwoer op de onchristelijkste Fransche manier, dat hij aan hem een exempel zou statueeren; vier man moesten hem in het midden nemen. En zóó werd mijn oom Herse, die met de uiterste geheimzinnigheid gekomen was, om een goed werk ten uitvoer te brengen, tot een openlijk schouwspel in de stad terug geleid, en moest de laagste behandeling ondervinden.

Terwijl dit geschiedde, stond de oude bakker Witt daar dicht bij, achter een' grooten kastanjeboom; want hij was ook gekomen om den wagen van den molenaar in veiligheid te brengen. "Kwaad kan 't den raadsheer niet," zeide hij bij zich zelven; "hij koopt zijn wittebrood bij Guhl, waarom niet bij mij? Nu, hij moet zelf maar raad weten en dat kan hij ook, want hij is heel wijs; maar dat onnoozele, onverstandige vee kan 't niet, daarvoor moeten wij zorgen." En dit zeggende, klom hij op den wagen en reed zachtjes achter de Franschen, naar zijne schuur, en trok de paarden er in.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Waarom mijnheer de baljuw in Marcus Aurelius lezen moest en zijn aangezicht niet mocht wasschen, en waarom Fieken van den molenaar Voss hem niet meer te teemachtig voorkwam.