Twee vroolijke geschiedenissen

Chapter 7

Chapter 74,223 wordsPublic domain

Zij reden nu zachtjes verder en Frederik vroeg na eenigen tijd: "Baas! wat was dat voor een knappe kerel die van morgen den molen inging?" Dat was de zoon van Jochem Voss, met wien ik 't prinses heb.--Bevalt hij je?"--Ik heb hem maar van achteren gezien. Maar hij is goed voor grenadier."--"Hij zegt, dat hij eene schikking met mij wil maken."--"Dan bevalt hij me al een portie beter. Een mager vergelijk is beter dan een vet proces."--"Hij wil op mij wachten, tot ik terugkom."--"Zóó?" vraagt Frederik en keert zich weêr zoo half om en zegt: "Baas, weet gij wat? hij moest liever eene schikking met onze Fieken maken: dat zou 't beste wezen."--"Hoe meent ge dat?" vraagt de molenaar. "Dat zeg ik zoo maar," zegt Frederik. En toen hij zich weder omgekeerd had, boog hij zich voorover en zag scherp den weg langs; hij geeft den molenaar de teugels in de hand, springt van den wagen, maakt het paard van den Franschen jager van achteren van den wagen los; en eer de molenaar nog recht weet, wat hij losgemaakt heeft, is hij met het paard in de groote Kölpiner grenssloot, slaat den hoek om en bindt dat kreatuur aan een' doornstruik, die op den slootrand staat, vast, zoodat de molenaar niets van hem zien kon.--"Wat heb je?" vraagt de molenaar, toen hij wederkomt.--"Wat ik heb?--Ik heb niets goeds gezien. Daar ginder op de Stemhager stadsweide komen er twee aanrijden; en ze glinsteren zoo; dat zijn zeker Fransozen; en als die hier het paard van een Franschen jager met zadel en toom hadden aangetroffen, zouden ze niet vriendelijk met ons gepraat hebben."--"Gij hebt gelijk," zegt de molenaar.

Zoo naderden zij het Stavenhager bosch, en Frederik wees met de zweep naar een' beuk, waar nog stroo onder lag, en sprak: "Dáár heb 'k hem neergelegd."--"Och of hij er nog maar lag," zegt de molenaar Voss.--"Is niet te verwachten, baas! Want het heeft van nacht baksteenen geregend en in dit jaargetijde houdt zoo'n beuk niet veel tegen."--En terwijl zij nog daarover aan 't redeneeren zijn, komen er twee Franschen aanrijden en vragen op hun manier naar den Gielowschen molen, want hier was een kruisweg. En nog eer de molenaar antwoorden kon, wees Frederik hen rechts af, naar 't Cummrosische bosch toe, en toen zij vroegen: "Hoe ver nog?" zeide hij: "Eene kleine lieu," en de Franschen reden verder.

"Hoe? Plaagt je de booze?" vraagt de molenaar, het hoofd schuddende; als die zóó ver rijden, dan kunnen zij hun leven lang den Gielowschen molen met den staart aankijken.--Maar, waartoe dat?"--"Baas," zegt Frederik, "die soort brengt een' mensch niets in 't huis, en ik heb geen lust om alle morgens bij 't eerste ontbijt gehakte opgewarmde kool te eten."--"Hoe meen je dat?" "Och, dat zeg ik zoo maar.--Zie, baas Voss! wie weet, of die twee, als ze naar den molen waren gekomen, niet verliefd waren geworden op onze Stina. En 't kon dan immers ook mogelijk zijn, dat zij haar in den koestal nageloopen waren, en dat het hun in den stal een beetje te vol was voorgekomen en zij onze beide laatste melkkoeien er uit geleid hadden; en, als zij die dan buiten hadden gehad, zouden zij ze misschien in gedachten voor zich uitgedreven hebben, en dan was 't met de melkpap 's morgens gedaan geweest, en de groene kool had weêr eene beurt gekregen, en ik lust geen' kool."--"Mogelijk zou 't wezen," zeide de molenaar.--"'t Is ook mogelijk, dat het niet om de koeien te doen is, zegt Frederik. "Dit zijn een paar van hun arméegendarmes; die zoeken zeker wat anders, en ik geloof, dat het een geluk van onzen lieven Heer is, dat wij den molen uit zijn, want, molenaar, molenaar! pas op--zij zoeken den Fransoos of misschien wel u. Wie weet wat er in Stemhagen voorgevallen is! Daar kan wat ruchtbaar geworden zijn, en wie weet, of Fieken geen gelijk heeft gehad. Nu woû 'k zelf dat wij den Fransoos hadden."--"Dat zeg ik!" roept de molenaar. "Dat zeg ik!"--"Hm," zegt Frederik; "gelegen heeft hij hier, en opgestaan is hij, en hier is hij naar beneden gegaan; dit zijn zijne sporen in de diepe klei; en kijk eens! hij heeft het stroo nog een eind meêgesleept, en naar Gulzow is hij heengegaan. Nu wil ik u het paard halen, en gij rijdt naar het slot en levert paard en mantelzak af, en ik ga den Fransoos achterna, of ik hem nog kan krijgen."

Zóó gezegd, zóó gedaan. Het paard werd vastgebonden, en Frederik ging door het bosch den weg op naar Gulzow en zei bij zich zelven: "Dumouriez! Ik heb den ouden molenaar wat moois op den hals gehaald, en onze Fieken is toch een verduiveld slimme deern; maar als de Franschman nog tusschen hier en Greifswald te vinden is, voor den dag komen zal hij!"

De molenaar zat op den wagen en reed op Stavenhagen aan, en hij krabde zijn hoofd en prakkezeerde, en er waren allerlei dingen, die 't hem benauwd maakten. "Heer in den hemel," zeide hij, "als mijn kleine Fieken er niet geweest was, zat ik misschien al in ketenen en banden, en er uit ben ik nog lang niet, want de drommel speelt er nu eerst recht meê, en 't regent nu ook al, en dat geen klein beetje."

Zóó komt hij tusschen de Stavenhager schuren, en de eerste, die hem ontmoet, is de bakker Witt; die staat met een stroowagen voor zijne schuur en zegt: "Goeden morgen, vrind. Wat donder! Hoe komt ge aan een Fransozenpaard?"--"Ja, dat moogt ge wel zeggen," antwoordt de molenaar Voss en vertelt hem de zaak kortweg.--"Dat is een erg geval," zegt de bakker Witt; "want de heele stad ligt vol Fransozen, en dat paard kunt ge niet binnenbrengen, zonder dat ze 't merken; ik raad u, zet het hier in dat leêge zijvak van mijne schuur."

Nu, dit geschiedt en de oude bakker Witt trekt zijn' krommen, koperen haarkam van voren naar achteren door het grijze haar, schudt het hoofd en zegt: "Vadertje, ge hebt u daar met eene zaak ingelaten, waar ge veel last van hebben kunt; en op het slot schijnt mij alles ook niet zoo recht pluis te wezen, want mijnheer de baljuw heeft van morgen zijn fijn brood voor 't ontbijt al klokke acht laten halen, in plaats van, zoo als anders, klokke elf, en Frits Sahlmann zegt, dat mamsel Westphalen op den loop gegaan is, en dat geen mensch weet, waar zij gestoven of gevlogen is; en dat de horlogemaker in de burgergevangenis gebracht is, heb ik zelf gezien, en de menschen praten al van standrecht en van doodschieten."

"God zal me bewaren!" roept de oude molenaar uit. "'t Is een bijenzwerm, waarin ik mij neêrgezet heb! Maar dat helpt niet, den mantelzak moet ik den ouden heer op 't slot brengen. En, vader! ik zal om de stad heenrijden, tot dicht bij de groene poort van den slottuin, en daar zal ik mijne paarden vastbinden; kom mij achterna en breng den wagen in veiligheid; en mochten ze mij in de prison brengen, rijd dan naar buiten, naar den molen, en deel dat mijne vrouw en Fieken voorzichtig meê, en zeg aan den jongen man, dien ge daar zult aantreffen, dat hij zijn neef het genoegen moest doen van op den molen en op het goed te passen en de vrouwen niet te verlaten."--Bakker Witt belooft hem dat, en hij rijdt om den slottuin henen, bindt den wagen vast en wil den mantelzak naar het slot dragen. Toen jaagt de koetsier van den ouden pachter Roggenboom, Johan Brummer, door de poort, en klapt achter de vier lichte bruinen, dat ze achteruit schoppen en hem het slijk in de oogen smijten, en hij roept: "Beter mij wat in 't gezicht, dan jelui striemen op het vel!"--Daar achter komt de oude Zanner uit Gulzow met zijne beide geeltjes en zegt: "Nu dat mankeerde er nog aan!--Rooversgespuis!" En hij jaagt in galop over het slotplein. "Ja," zegt de oude landbouwer Adler uit Stavenhagen;--hij heeft een' zak over zijne schouders gehangen, want dat waren de toenmalige regenjassen,--en hij stoot zijn oud zwart rijpaard in de ribben.--"Kanonnenrijden? Niet waar, oudje, dat zou een werkje voor ons wezen?--Neen, 'k breng je in 't Stemhager bosch, en bind je in den zandkuil vast. 't Is alles egaal; te vreten heb je t'huis ook niks, maar regenen doet het vervloekt erg."--En toen de molenaar in den tuin komt, trekken en hokken ze daar allen met de paarden achter de struiken rond en achter den muur, en ieder wil de zijnen in veiligheid brengen.--"Molenaar Voss," zegt de zoon van den schout Besserdich uit Gulzow, "breng uwe paarden uit den weg! Wie maar eenigszins bij de hand is, maakt zich den mooien regen ten nutte, want de Fransozen hebben gezorgd, dat ze onder dak kwamen."

De oude molenaar gaat echter bedaard verder en brengt den mantelzak op het slot.

ZESDE HOOFDSTUK.

Welk een aanblik van haar bed mamsel Westphalen kreeg, en waarom zij zich door Caroline een paar klappen in den nek liet geven. Waarom Frits Sahlmann de pijpen van den baljuw breekt, en de Fransche overste bijna den degen had getrokken.

Als iemand eene geschiedenis behoorlijk wil vertellen, moet hij 't juist zóó aanleggen als de eggers en de ploegers, wanneer zij een akker beploegen; hij moet altijd rechtuit ploegen, alles raken en niets overslaan. Maar, al volgt hij dezen regel, zoo blijft er toch hier en daar wel eens een eind liggen, waarheen hij weêr terug moet keeren, om er de voren nog eens over te halen. Zoo gaat het mij nu ook: ik moet eene poos teruggaan en den afloop der zaak van mijnheer Droi en van mamsel Westphalen vermelden, om weêr in ééns door te kunnen ploegen.

Denzelfden morgen, toen de molenaar met zijne zware hoofdpijn in zijne laars keek, kleedde mamsel Westphalen zich geheel naar behooren aan, want zij was zeer ordelijk, en toen zij hare muts wilde opzetten scheen die haar niet meer in 't rechte fatsoen te zijn, want zij was zeer zindelijk; zij ging dus naar hare kamer om eene schoone muts te halen, maar zij klopte eerst aan, en vroeg: "Mijnheer Droi, zijt gij reeds in uw volstandig kostuum?"--"Oui!" zeide de horlogemaker.--Zij maakt de kamerdeur open. Groote hemel!--wat zag het er dáár uit! zóó iets had zij van haar leven nog niet gezien; want 's nachts was zij maar tot op de gang gekomen en had geen oog in hare kamer geslagen. Het geheele bedverhemelte was afgebroken, en dwars vóór de kamerdeur lag een der Franschen in de witte, wolkachtige gordijnen, en rookte uit eene steenen pijp, met de mooie rood en witgestreepte peluw onder zijn hoofd; de andere zat in haar leuningstoel en had zijnen beenen met haar nieuw gingang morgenjasje toegedekt. Mijnheer Droi zat op het voeteneinde van het bed, en onder zijne beeremuts keek een gezicht uit, waarop niets anders te lezen stond dan jammer en ellende.--Wat zag het er in haar lief kamertje uit!--'t Was altijd haar trots geweest; haar porseleinkastje;--hier had zij steeds op hare eigene hand geregeerd; hier had zij steeds in keurige orde en zindelijkheid zich verlustigd, alles had zij eigenhandig afgeveegd en afgestoft. Niemand mocht hier iets van haar aanvatten of 't onderste boven keeren, zelfs de weversvrouw niet.--"Neen," zeide zij; "de weversvrouw is heel goed; maar, sedert zij mij eens mijne barnsteenkralen op den grond heeft laten vallen, sedert dien tijd vertrouw ik haar niet."--En nu!--Alles was omvergehaald en van zijne plaats, de kamer was blauw van tabakswalm; hare kleederen waren van den kapstok afgerukt en lagen bij het geweer van mijnheer Droi en den paardestaart van den Franschman, en haar bed, haar mooi bed, stond midden in de kamer.--Dat bed was haar eigendom. Haar peetoom, de schrijnwerker Reuss,--de oude Reuss, niet de jonge,--had haar ledekant uit hetzelfde stuk hout gemaakt, waaruit hij hare doodkist voor haar had moeten maken; zij had het garen voor het bekleedsel zelve besponnen; meester Stohl had het geweven, "tamelijk goed," zei ze, "maar elke baan twee vingerbreed te smal, en dat is eene domheid, want ik ben een min of meer volkomen vrouwspersoon, en dat moest hij weten." De veeren had de vrouw van den baljuw haar ten geschenke willen geven, doch zij had die niet aangenomen en had ze haar betaald, want zeide ze, "juffrouw Stahl, mijn tijdelijke en mijne eeuwige rust wil ik zelve verdiend hebben, want daar ben ik trotsch op." En toen nu het ledikant zoo ver gereed was, kocht zij twee stellen sneeuwwitte gordijnen van den dooven Hirsch en maakte ze aan het verhemelte vast; daarop ging zij in de kamer drie schreden er van af staan en zeide: "Juffrouw Stahl, het einde kroont het werk!"--Nu lagen de stukken van het bed in wanorde in 't rond en de kroon lag op den vloer.

In 't eerste oogenblik staat zij als aan den grond genageld en zij kijkt door den tabakswalm heen, als de volle maan door de avonddauw; daarop gaat zij een paar schreden dichter naar den heer Droi toe, haar aangezicht wordt zoo rood als de bodem van den grooten koperen waschketel in hare keuken; hare nachtmuts beeft haar op het hoofd van ergernis; maar zij zegt niets verder dan: "Wat is dit?"--Mijnheer Droi stamelt zoo wat bij elkaar van dit en van dat, maar zij ziet hem scherp in 't aangezicht en zegt: "Leugens, mijnheer Droi! Gij hebt van nacht gelogen, gij liegt dezen morgen ook. Ik heb u uit barmhartigheid mijne slaapsteê, mijn eigen bed ingeruimd, en dit is mijn dank!"--Dit zeggende gaat zij naar hare commode, haalt eene schoone ochtendmuts uit de lade en wil nu de kamer uitgaan, zonder mijnheer Droi aan te zien; nu ziet zij echter haar kostbaar onderbed uit het ledekant hangen, half op den grond; dat gaat haar nu toch al te zeer aan 't harte, en zij wil het opbeuren; doch vat het ongelukkig juist aan op de natte plek, waar het water ingeloopen was; zij werpt het mijnheer Droi naar 't hoofd, zeggende: "Foei! Ook dat nog!" En zij zeilde de deur uit en zag er van achteren zoo eerwaardig en standvastig uit als de onschuld, als ze naar de gerechtsplaats geleid wordt.

De beide Franschen lachen en snateren, maar zij stoort zich daar niet aan, en toen zij de gang afgaat, treedt de Fransche overste met zijn adjudant in volle uniform uit de blauwe kamer en maakt eene beleefde buiging voor haar. Zij is, wel is waar, volstrekt niet voor beleefdheden gestemd; doch, zoo als iemand vraagt, moet hij toch ook antwoord hebben; en zooals de man is, moet de worst toch ook voor hem gebraden worden; zij duikt dus weder met eene nijging naar beneden en zegt: "Goeden morgen, mijnheer de overste Von Toll," en wil voorbijgaan.--De overste houdt haar echter tegen en zegt; "Mag ik u vragen, waar ik mijnheer den baljuw zou kunnen vinden; ik moet hem spreken?"--Mamsel Westphalen denkt, dat zij van eene beroerte getroffen zal worden. "Wat wilt gij?" vraagt zij, geheel onthutst.--De Franschman geeft zijn verlangen nogmaals te kennen.--"Hoe zou dat mogelijk zijn!" zegt mamsel Westphalen. "Onzen mijnheer den baljuw wilt gij 's morgens om half acht spreken?" En daar de Franschman er bij blijft, zegt zij: "Mijnheer de overste Von Toll; in mijne kamer is van nacht alles 't onderste boven gekeerd,--ik moet mij dat helaas! laten welgevallen,--maar niemand zal van mij zeggen, dat ik de hand geleend heb, om de orde van het heelal te helpen omkeeren. En al is 't ook geen christelijk slapen met den ouden heer, zoo is hij toch heer en kan slapen als een heer en doen wat hem behaagt. Geen koning en geen keizer, en al kwam onze hertog Frederik Frans zelf, zullen er mij toe bewegen, mij met eene rebellie tegen het huiselijk gebruik in te laten."--De overste antwoordde, dat hij het dan zelf doen zou; hij schoof mamsel Westphalen beleefd op zijde, en ging de trap op naar boven. "De hemel zal mij bewaren!" zeide de goede dame, en liet hare handen langs het lichaam zakken: "ik geloof waarlijk dat die kerel het doet!" En toen zij den Franschman de kamer van den ouden heer hoorde binnengaan, riep zij uit: "Hij doet het!" En toen de adjudant naar hare kamer, bij mijnheer Droi, ging, sprak zij: "Scheefbeenige, misselijke kerel, gij mankeert er nog aan." Nu gaat zij naar de keuken en zegt tot de beide dienstmeisjes: "Fieken en Carolien, de dag begint van daag slecht, en als dat zóó blijft voortgaan, dan mag de hemel weten, waarmeê het zal eindigen.--Morgen moeten we aan 't wasschen; daar heb ik mijne redenen voor; vandaag gaat ieder van ons aan zijn werk, en doet alsof er niets gebeurd was." En met die woorden nam zij den koffiemolen en draaide, en draaide, en de koffiemolen ratelde en ratelde, en toen zij het laadje van onderen wilde uitschudden, was er niets in, want zij had er geene koffieboonen boven in gedaan.

Boven bij den ouden heer begon 't nu zeer levendig te worden en er werd zeer luid gesproken, en Frits Sahlmann, die onverstandige bengel, die juist bezig was de steenen pijpen voor den baljuw te stoppen, wilde nu toch vertellen, hoe 't boven toeging, en stoof, met het gansche pijpen-huishouden in de hand naar de keukendeur, waar Fieken juist heel aandachtig haar oor tegen aangelegd had, om er ook een beetje van te profiteeren, en--bons!--vliegt hij tegen Fieken aan, en--klets!--liggen al de pijpen op den grond, en 't rammelt door de keuken rond. Mamsel Westphalen raakt hem echter niet aan; hare handen liggen in haren schoot en zij zegt heel zachtmoedig: "'t Is geheel in de orde!--Als alles moet ondergaan en breken, breekt zoo'n pijp wel het eerste, en, als de hemel invalt, vallen alle musschen dood.--'t Zou mij volstrekt niet verwonderen, wanneer er nu iemand inkwam, die al ons porcelein door de vensterruiten gooide."

De strijd boven werd luider; de woordenwisseling klonk over het portaal heen, en mijnheer de baljuw kwam met den overste de trappen af naar de gang. De oude heer zeide met barsche, korte woorden, dat de ander maar doen moest, wat hij niet laten kon, want hij had toch de macht. De overste zeide, dat hij dit wist. Eer hij echter van die macht gebruik maakte, wilde hij vooraf onderzoeken, hoe 't met de zaak gesteld was, want het kon niet anders zijn: hier hadden dingen plaats gehad, die naar 't scheen, verduisterd zouden worden.--Hij had niets te verduisteren; zeide de baljuw. Indien hier iets te verduisteren was, dan hadden de Franschen wat te verduisteren; of, zou wellicht zoo'n schurk, als de "chasseur" geweest was, bij hen in eer en achting staan? Wat hem betrof, hij wist verder niets, dan dat die kerel als een roover bij hem gekomen was, en zich als een zwijn had gedragen, en dat zijne lieden en de horlogemaker Droi hem gezegd hadden, dat de Gielowsche molenaar hem op zijn wagen meêgenomen had; want gezien had hij hem niet.--De overste vroeg nu, hoe toch de horlogemaker Droi in Fransche uniform kwam.--Daar bekommerde hij zich niet over, zeide de oude heer, en hij behoefde daarvoor niet aansprakelijk te zijn; hij had slechts gehoord, dat die man menigmaal voor zijn genoegen de uniform aantrok.--"Dat zijn uitvluchten," zeide de overste. Maar toen vloog de oude heer driftig op en hij richtte zich in zijne gansche lengte overeind en zag den Franschman met een voornamen blik aan en zeide: "Uitvluchten zijn na verwant met leugens. Gij vergeet mijne jaren en mijnen stand!"--De overste wordt nog driftiger en zegt: "Kort en goed, die zaak komt mij onwaarschijnlijk voor." "Zóó?" vraagt de oude heer, en onder zijne grijze wenkbrauwen fonkelt een blik vol haat en wrok, gelijk als wanneer uit eene grauwe donderwolk een bliksemstraal over een bekoorlijk landschap heenschiet. "Komt dat u onwaarschijnlijk voor?" En hij keert zich half om en ziet den overste zoo over den schouder aan. "Waarom mag een Franschman niet voor zijn genoegen eene Fransche uniform aantrekken, wanneer daarin zooveel Duitschers voor hun genoegen rond loopen?"

De overste werd bloedrood in het aangezicht,--één oogenblik slechts,--en, zoo bleek als de dood trad hij toen een paar schreden achteruit, greep naar zijn degen, en 't was alsof eene vreeselijke daad van geweld als een spook achter hem stond en zijne hand wilde besturen,--ook maar één oogenblik;--haastig keert hij zich om en gaat met groote schreden de gang af; en Fieken, die in de keuken, door eene reet in de deur alles had aangezien, zeide naderhand altijd, dat ze zóó iets van haar leven niet gezien had; "hij was immers een knap man en had een vriendelijk gezicht," voegde zij er bij; "maar, toen hij zoo de gang afkwam, toen weet ik niet, hoe 't mij op eens zoo inviel, dat ik eens, toen ik nog ganzen hoedde, midden in den zomer, bij helderen zonneschijn een dwarrelwind heb beleefd, die, eer 'k mijne hand omdraaien kon, van den mooien eikeboom achter den pastorietuin al de takken afbrak, zoodat alles door malkaar vloog; en zóó vloog 't ook over zijn gezicht."

De overste keerde zich weder om, ging naar mijnheer den baljuw toe, en zeide op koelen en bedaarden toon, dat zij elkander over dat punt wel eens nader zouden spreken; zijn plicht eischte van hem, de zaak grondig te onderzoeken.--"Waarom heeft de horlogemaker van nacht op het slot geslapen?" vroeg hij verder.--"Hij heeft hier niet geslapen!" hernam de oude heer. "Ja wel," zeide de overste, "hij heeft hier geslapen, in die kamer heeft hij geslapen,"--en hij wijst op de kamer van mamsel Westphalen.--"Onmogelijk!" riep de oude heer, zijne stem verheffende, als wilde hij voor de geheele wereld als verdediger der onschuld optreden;--"dat is mamsel Westphalen's kamer. Dat goede meisje is meer dan twintig jaar in mijn huis en zij zou 's nachts manspersonen bij zich herbergen?"--"Carolien," zeide mamsel Westphalen in de keuken, "sla me eens driemaal flink in den nek, want ik krijg eene flauwte, en alles draait met me in 't rond!"

Intusschen rukt de overste de deur open, en daar ziet dan mijnheer de baljuw den horlogemaker vóór zich staan, wien de adjudant juist gedurende dien tijd onder handen had genomen, en die al het mogelijke verteld had,--slechts niet de waarheid, dat mijn vader hem als vogelverschrikker tegen de Franschen had gebruikt,--en die ook bij kris en kras had gezworen dat de Gielowsche molenaar den jager meêgenomen had.--De oude baljuw verschrikt niet weinig, als hij den horlogemaker daar ziet. "Dat is mij onverklaarbaar!" roept hij uit. De overste lacht schamper in zich zelven en zegt dat het, naar hij hoopt, niet lang onverklaarbaar zal blijven; hij spreekt daarop een paar woorden heimelijk met den adjudant en verlangt den sleutel van de slot-gevangenis.--"Dien geef ik niet af voor den gevangene," zegt mijnheer de baljuw,--"want voor dien man is de slot-gevangenis niet, hij is een burger en hij behoort in de burgergevangenis."--De overste zeide, dat zulks best was, en zóó had hij 't zelfs nog liever, want hij wist dan, dat er niet zoo gemakkelijk knoeierijen konden plaats hebben.

Mijnheer Droi werd dus tusschen een paar soldaten in genomen, want het wemelde en krioelde middelerwijl al van allerlei Fransch volk op het slotplein,--en werd naar het raadhuis getransporteerd. De overste ging ook weg; doch toen hij aan de deur was, keerde hij zich om en zeide: zoo hij streng naar zijn plicht te werk ging moest hij den baljuw ook laten arresteeren; maar, omdat hij een oud man was, en vooral, omdat hij hem in persoon hier zulk een gruwelijk bitter woord had gezegd, wilde hij hem in vrede laten, want hij wilde in deze zaak niet den allerminsten schijn op zich laden, alsof hij zich over dat woord wilde wreken. Dat moest hij hem evenwel zeggen, indien zijne tegenwoordigheid, of die van mamsel Westphalen, bij het onderzoek noodig werd, dan kon hij hem daarvan niet ontslaan, en mijnheer de baljuw moest voor zich zelven en mamsel Westphalen instaan. Dit beloofde de oude heer op bedaarden en koelen toon, en de overste vertrok, maar kommandeerde terstond een paar gendarmes om naar den Gielowschen molen te gaan, waarbij hij den ouden heer scherp aanzag.

De oude heer ging eerst op de keuken aan, en Fieken ging al uit den weg van de reet in de deur, daar zij dacht dat mijnheer zou binnenkomen; doch hij bleef eensklaps stilstaan en keerde zich om, bij zich zelven zeggende: "Wat zeide die kerel van knoeierij en van den schijn op zich te laden?--Wat zoo'n Fransche overste slechts zeggen kan, dat kan mijnheer de baljuw Weber doen; ik wil ook den schijn niet op mij laden, alsof ik voornemens was, mij met knoeierijen op te houden." En hij ging naar zijne kamer.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Wat mijn oom Herse zeide, en wat mijn oom Herse was; en waarom Frits Sahlmann fluiten moest.