Twee vroolijke geschiedenissen

Chapter 6

Chapter 64,259 wordsPublic domain

In de kamer en op de gang begint nu een vreeselijk spektakel. De overste scheldt mijnheer Droi voor deserteur en maraudeur; de adjudant roept de ordonnansen; de ordonnansen komen van de ééne zijde van de gang haastig en half gekleed aanloopen, alsof iemand in 't water gevallen was, en zij hem wilden naspringen zonder hun pantalon nat te maken;--van den anderen kant rukt mamsel Westphalen met het kamermeisje en de keukenmeid aan; zij heeft eene groote stallantaarn in de hand, maar is zeer karig van kleeren voorzien. Zij houdt de hand voor hare oogen, alsof ze door de stallantaarn geheel verblind wordt, en over haar schouder heen kijkt het kamermeisje en zegt tot de keukenmeid: "Wel, heere jeminé! kijk eens Karlien!..." "Schaam je toch!" zegt mamsel Westphalen, "wat heeft zij te kijken? Wat hebt gij te kijken? En wat is hier te kijken? Wij zijn hier wegens het onchristelijke leven, dat hier gehouden wordt terwijl het tijd is van slapen, en omdat de angstkreten van mijnheer Droi tot ons zijn doorgedrongen. En draait je nu om!" De beide dienstmeisjes en mamsel Westphalen keeren zich nu om, en laten de Franschen haren rug zien, en de mamsel zegt: "Mijnheer de Fransche overste, wat moet dat, wat is dat, en wat beduidt dat? Waarom laat gij mijnheer Droi niet rustig in mijne kamer slapen? 't Is hier een christelijk huis en een stil huis, en zoo'n beweging zijn we hier niet gewend." En zij voegt er half overluid, in zich zelve, bij: "Eén van dat kanaljepak zal mij toch wel verstaan."--De Fransche overste beziet zich zelven, zooals hij daar staat, in zijn roode deken, en mijnheer Droi met de beeremuts op het hoofd, en zijn' spillebeenigen adjudant, die in zijn ijver al maar rondtrippelt en mamsel Westphalen, met hare breede achterzijde; en het geheel komt hem zoo kluchtig voor, dat hij luidkeels begint te lachen, en hij zegt in goed hoogduitsch, dat zij maar verder zou spreken: hij kon haar goed verstaan, want hij was een Duitscher, hij was een Westphaler.--"Zoo heet ik ook!" zegt mamsel Westphalen.--De overste lacht en zegt dat hij niet Westphalen heet, maar uit Westphalen is; hij heette "Von Toll."--Mamsel Westphalen maakt eene diepe nijging van achteren en vraagt: "Neem 't mij niet kwalijk, zijt gij dan soms familie van mijnheer den postmeester en kastelein Toll, hier in de stad?" "Dat niet!" antwoordde de overste, doch hij begon koud te worden; hij zeide dus, dat de ordonnansen bij mijnheer Droi moesten blijven; hij zou zeker een deserteur zijn, en zij moesten ook onderzoeken waar de Fransche jager gebleven was, wien de sabel en de helm toebehoorde. Mijnheer Droi begon nu weder te liegen en mamsel Westphalen schaamde zich in hare ziel over hem. Zij keerde zich in drift om en zeide: "Foei, mijnheer Droi; die zich op zijn' ouden dag met slechtigheden inlaat, om gemakkelijk te rusten, die krijgt een hard kussen onder 't geweten. En, schaam u, mijnheer Droi! Welk fatsoenlijk manspersoon zet eerst zijne muts op en bekleedt dan pas zijne beenen!"--Zij keert zich om, en toen zij gewaar werd, dat het dienstmeisje zich ook had omgekeerd, gaf zij haar een kleinen stomp in de korte ribben en sprak: "domme deern!"--Daarop maakt zij nogmaals eene diepe nijging, van achteren, en zegt: "Uwe dienaresse, mijnheer de overste von Toll!" En zij gaat heen, met de beide dienstmeisjes.--De anderen gingen ook weg, en weldra werd toen alles stil, en mijnheer de baljuw vermoedde volstrekt niet, wat er in zijn huis was voorgevallen, want hij sliep den slaap des rechtvaardigen.

VIERDE HOOFDSTUK.

Hoe het den volgenden morgen met den molenaar was; en waarom Frederik aan de molenaarsvrouw als de slang van het Paradijs voorkwam en waarom Fieken van meening is, dat de zoon van Jochem Voss door den hemel wordt gezonden.

Den volgenden morgen was 't den molenaar Voss alsof hij een half dozijn musschen in zijn hoofd had, die daar naar bromvliegen hapten. En zoo was het hem niet alleen tengevolge van het vele drinken van den vorigen avond, neen! hoofdzakelijk van wege den Franschman. "Moeder," zei hij, en hij wiegde zijn hoofd zoo heen en weêr en keek strak in zijne laars: "roode wijn is 's avonds een kostelijk ding, maar 's morgens komt hij mij ook al niet beter voor, dan brandewijn of bruin bier. Ondertusschen, kom ik over den hond, dan kom ik over den staart; 't gekste is maar, met den Fransoos!--achter in den wagen heeft hij gelegen, en Frederik moest weten waar hij gebleven is."--"Welnu vader," zegt zijne vrouw, "Frederik moet aanstonds komen, want het is tijd voor 't ontbijt." De molenaar gaat naar binnen in zijne kamer, zet zich achter de tafel, waar de schotel met meelpap op staat, en hij tast met zijn lepel het eerst in de pap; daarop tast de moeder toe en Fieken, en 't laatst de beide dienstmeiden, want zóó was het toen gebruik, en koffie drinken was nog bij geen molenaar bekend.

De molenaar eet en legt vervolgens zijn lepel neder en zegt: "Waar blijft Frederik toch?" Hij eet weder, en gaat naar 't venster en roept den hof over: "Frederik!"--Frederik komt niet.--De schotel is eindelijk ledig; de dienstmeisjes ruimen alles weg, en de molenaar zegt: "Als 'k een knecht gehuurd heb, wil 'k geen heer in mijn huis hebben!" En hij wil juist de kamer uitgaan, om den knecht eens terecht te zetten, toen Frederik de deur inkomt en iets onder den arm draagt. "Waar blijft ge, schelm?" vraagt de molenaar.--"Baas," zegt Frederik, terwijl hij zijn knipmes uit den zak haalt en dat onder de deurklink inklemt, "wen u zulke uitdrukkingen af, dat past niet voor u, en niet voor mij.--Als er wilde ganzen in de lucht zijn, is 't slecht erwten zaaien, en als er babbelachtige deerns in de kamer zijn, is 't slecht geschiedenissen vertellen. Daarom heb ik zoo lang gewacht, totdat de deerns er uit waren. En hier," zegt hij, en hij gooit wat op de tafel, zoodat het van binnen rammelt en klinkt, "en hier, molenaar Voss, is wel is waar niet de vos zelf en ook niet zijne huid, maar zijn valies!" "Wat moet dat?" vraagt de molenaar, en hij valt in allerijl op den mantelzak aan en gespt de riemen los.--"Wat dat moet?" zegt Frederik, "dat moogt gij zeggen, dat is mijne zaak niet. Mijn deel heb ik er uitgenomen."

De molenaar schudt den mantelzak over de tafel leêg, en er vallen zilveren lepels uit, en groot zilvergeld, en mooi, rond, geel geld; en er kwam eene kleine doos te voorschijn, en toen de molenaarsvrouw die opendeed, lag daar ring bij ring in, en de gouden kettingen kronkelden daartusschen, als slangen onder bonte bloemen. "Heere! bewaar ons!" schreeuwde zij uit, en liet de doos vallen.

Fieken had er bijgestaan en alles mede aangezien, en zij vouwde hare handen over hare borst, en hare oogen werden al grooter en grooter, en zoo bleek als de dood wierp zij zich over de tafel en over de gouden en zilveren schatten, en dekte er hare armen over heen, uitroepende: "Dat behoort den Franschman toe! Dat behoort den Franschman toe! Dat is het onze niet!"--Zij hief het hoofd op en zag haren vader aan; zij zag er uit, alsof iemand haar een mes in de borst had gestooten, en de doodsangst lag op haar aangezicht en zij riep: "Vader, vader!"--En de oude molenaar zat daar en schoof zijne slaapmuts op het hoofd heen en weêr, en zag zijn kind aan in haren angst en dan weder het blanke geld, en op ééns sprong hij overeind, zoodat hij bijna de tafel had omgestooten en riep uit: "Heer in den hemel! ik weet nergens van, ik weet niet waar hij gebleven is; hij lag achter in mijn wagen, dat weet ik!" En heel flauw liet hij er op volgen: "Frederik moet het overige weten."--Fieken liet het geld liggen, en vloog naar Frederik heen, en schreeuwde hem toe: "Waar is de Franschman gebleven?"--Frederik bleef bedaard staan en zag haar met zijn oud, strak aangezicht aan en zeide: "Heere, bewaar ons; dat wordt hier zoo waar een echte gerechtsdag!--Fieken! Fieken! Wat? Zie ik er dan uit als een roover en moordenaar?--Den Fransoos heb ik met mijn eigen handen in 't Stemhager bosch, onder een' beuk, gelegd, en als de nacht hem niet te koel geworden is, dan ligt hij daar nog als een rot, want hij was sekuur dronken." "Dat was hij," zegt de molenaar, en Fieken kijkt Frederik aan en haar ouden vader, die ook naar Frederik's woorden geluisterd heeft, en zegt: "Frederik! Frederik! Wat kan ik het helpen? Je hebt altijd al zoo geredeneerd van ombrengen, en Fransozen doodslaan!" En zij hield haar boezelaar voor de oogen, viel op de bank achter de kachel neêr en begon bitter te schreien.--"Dumouriez!" zegt Frederik, "dat heb ik! En als ik dat vervloekte patriotten-gespuis met mijne hand den nek kon omdraaien, dan deed ik het,--maar, een mensch, die zich niet verweren kan, en dan nog wel om geld en goed!" Hij bromde nog zoo wat in zijn' baard, en ging naar de deur, trok zijn knipmes onder de klink uit, en sprak: "Baas, de lucht is nu zuiver, want de beide deerns gaan aan 't mest-strooien. Ik heb u nu den boel gegeven; overleg de zaak goed. Wilt gij 't behouden,--goed! Wat mij betreft, ik heb er niets tegen; want, naar mijn dom verstand hebt gij er het recht toe. De Fransozen hebben u veel meer afgenomen, dan dit is, en wilt ge niet, dat daarover gepraat wordt, ik, voor mijn part, kan zwijgen. Maar, wilt ge 't eerst aan den baljuw afleveren, en moet ge 't bezweren, dat er niets van verloren geraakt is, zeg dan maar, dat ik er mijn deel afgenomen heb."--"Frederik, Frederik," zegt de molenaarsvrouw, "breng je zelven toch niet in ongelegenheid en ons ook niet; want je komt me op dit oogenblik voor, als de slang uit het paradijs." "Vrouw," zegt Frederik, "iedereen moet weten, wat hij te doen heeft. Voor twee jaar reed ik voor den raadsheer Krüger te Malchin met zout langs de Klaukowsche kroeg, en toen ik daar mijne vertering wou betalen, en een achtgroschen-stuk op de tafel legde, sprong zoo'n infame gauwdief, zoo'n chasseur, er op toe en pakte 't weg; en toen ik mij daartegen verzette, kwamen zij zelfs met hun drieën op mij af, en sloegen mij de huid zoo murw, dat ik meende aan 't behoud van mijn leven te moeten wanhopen. Die acht groschen heb ik teruggenomen; maar de slagen hebben ze nog te goed. En, al heeft deze kerel dat ook niet gedaan dan heeft mogelijk zijn broeder het gedaan, of zijn kameraad, en 't blijft dan toch in de familie. De acht groschen behoud ik." En daarop ging hij de deur uit.

De oude molenaar was intusschen in de kamer op en neêr gegaan, en had zijn hoofd gewreven en zijne haren gekruld. Nu en dan bleef hij weêr eens stilstaan, om het geld aan te zien, en toen Frederik weggegaan was, ging hij naar zijne kast, haalde daar den almanak van den erven Adlers, in Rostock, uit en keek, waar hij al honderd maal naar gekeken had, terwijl hij zuchtende, bij zich zelven zeide: "Ja, morgen is het de dag."--Zijne vrouw stond met den rug tegen de huisklok aan, sloeg gedurig hare handen in elkander en verwonderde zich in stilte.--"Ja," zegt de molenaar, "als we 't houden, dan zij wij gered." "Ach God, vader!" zegt de vrouw, en zij ziet zoo angstig tot hem op.--"En gestolen heeft de kerel," zegt hij verder; "op de zilveren lepels staat een groot wapen, en al zou 't ook wel uit te vinden zijn, aan wien die behoord hebben, het geld is van verschillende soort, en ieder stuk zal wel bezwaarlijk in den rechten zak terugkomen."--"Vader!" zegt zijne vrouw, "gij waagt er uw hals aan, als de kerel het aanklaagt, dat gij 't hem afgenomen hebt."--"Die zal zijn mond wel houden, want als hij vertellen moet, hoe hij aan dat geld gekomen is, dan zullen ze hem juist ook niet levenslang met rozijnen en amandelen vetmesten.--En hebben wij 't hem dan ook afgenomen?--Het paard hebben ze ons, op het slot, achter aan den wagen gebonden; het paard heeft gisteren den mantelzak bij Frederik in den stal gebracht; wie kan dan nu zeggen, dat ik het genomen heb." En dit zeggende begon hij de geldstukken uit te zoeken, en hij telde ze in rijen af.--"Ja, maar 't hoort ons toch niet toe," zegt zijne vrouw.--"Wien hoort het dan?" vraagt de molenaar. "Den Fransoos hoort het ook niet, en als wij 't hem weder geven willen waar is hij?"--"Frederik zegt immers, in 't bosch." "Zoo?" vraagt de oude man. "Denkt ge, dat die bij dit weêr, van 's avonds klokke acht, tot 's morgens klokke negen, daar zal blijven liggen? Die zal al lang zijns weegs gegaan zijn; en wie kan mij bevelen, dat ik hem achterna zal karren om hem zijn geld terugtebrengen?" Daarop telt hij verder, en de vrouw gaat zitten en legt de handen in den schoot, terwijl zij voor zich ziet en zuchtende zegt: "Gij moet het weten."--En Fieken zit nog op de bank te schreien.

De molenaar telt al het geld af en kijkt nu en dan zoo twijfelachtig naar Fieken, en dan is 't altijd alsof hij zich vertellen moest. Eindelijk is hij er meê gereed en leunt met beide handen op de tafel; hij overziet het geld nogmaals en zegt: "Als ik de halve florijnen en het goud naar pruisisch courant reken, dan bedraagt het meer dan zeven honderd daalders. Nu zijn we geheel uit den nood."--Toen staat Fieken op; zij droogt hare tranen af, en haar aangezicht is bleek en kalm, en zij zegt zachtkens: "Neen! nu begint onze nood eerst." "Fieken, spreek zóó niet," zegt haar vader. "Van nu af," zegt ze, "eten we ongezegend brood en slapen een ongezegenden slaap, en gij kunt het geld begraven, maar begraaft dan tegelijk uwen eerlijken naam."--"Van begraven is geen sprake," zegt de molenaar. "Neen, ik betaal daarmeê eerlijk mijne schulden."--"Eerlijk, vader? En al was 't ook alles zoo, als 't niet is, zal de oude baljuw niet vragen, met welk geld gij den jood betaald hebt, en zullen de Fransozen niet vragen, hoe gij aan dat paard komt, en wie staat er voor in, dat Frederik zwijgen zal?" De oude man zette een gezicht, half verbaasd en half verdrietig, en wilde losbulderen, zoo als de mensch doet, wanneer een ander hem op eene domheid of eene oneerlijkheid betrapt. Hij wil dan de inwendige stem van zijn geweten wegredeneeren, gelijk de kinderen in de duisternis zingen en fluiten om zich het spook van 't lijf te houden.

Maar Fieken liet het niet zoo ver komen; zij wierp zich haastig aan de borst van haren vader, sloeg hare armen om hem heen, zag hem vast in de oogen en riep: "Vader, vader! breng dat geld op het slot, geef het aan den ouden baljuw; hij heeft gezegd, dat hij in dank aan u zou gedenken; hij zal hieraan ook gedenken.--Hoe dikwijls hebt gij mij verteld van uw' ouden vader, hoe dikwijls hebt gij mij gesproken van uwe moeder, hoe zij er zich met spinnen eerlijk doorgeholpen heeft tot aan haren dood; hoe dikwijls hebt gij mij verteld, hoe gij, toen ge op uw handwerksreis waart, dien anderen handwerksgezel zijne geldbeurs hebt teruggegeven, die gij gevonden hadt; hoe die man zich verblijd heeft, en hoe wel het u daarbij te moede was."--"Ja, maar dat was heel wat anders," zegt de molenaar, "'k wist immers, wien dat geld behoorde, en hier weet ik 't niet, en 'k heb het ook niet gestolen. 'k Heb een goed geweten."

Eensklaps springt de molenaarsvrouw van haren stoel op en roept uit: "De hemel beware ons! daar gaat een vreemde man het venster voorbij en komt naar de deur toe!"--"Houdt de deur dicht!" roept de molenaar en loopt ijlings naar het geld, maar stoot aan de tafel, zoodat eenige stapels omvallen, en het geld door de kamer rolt.--"Is dat uw goed geweten?" vraagt Fieken en zij ziet haren vader en hare moeder aan en zegt: "Moeder, laat de deur open! Dien mensch zendt ons onze lieve Heer; die brengt ons zegen in huis."--De molenaarsvrouw laat de deur open en ziet zwijgend voor zich; doch de molenaar wordt door en door rood en keert zich schielijk om en kijkt uit het venster.

Er wordt aangeklopt. "Binnen!" roept Fieken. En binnen komt een jonge, slanke kerel, van zoo'n jaar of twintig en nog een paar; hij kijkt een beetje nieuwsgierig rond, zoo als iemand pleegt te doen, die al lang gaarne eens had willen weten, hoe het er wel bij deze en gene lieden uitzag, en hij maakt eene fatsoenlijke buiging en zegt: "Goeden morgen!"--"Ik dank je wel!" zegt Fieken;--de molenaar verroert zich niet, en de vrouw bukt en raapt de daalders op, die door de kamer gerold zijn. Toen de beide oude lieden zijn groet niet beantwoordden, en hij het geld op de tafel gewaar werd, zei de jonge man: "Neem 't mij niet kwalijk! Ik kom u, geloof ik hier niet heel gelegen."--"O, ja wel," zegt Fieken, een' stoel bij de kachel zettende; "ga zitten; vader is dadelijk met zijn zaken klaar." "Ja, dadelijk!" zegt nu de molenaar, en hij rukt het venster open en roept: "Frederik span de paarden voor den kleinen wagen en bind het paard van den Franschman achteraan; wij rijden naar het slot." Hij maakt het venster dicht, keert zich om, en zegt tot moeder en Fieken: "Zoo! met die zaak is 't in orde. Pakt nu die voddenkraam bij elkaâr in den mantelzak, en dan kan Frederik hem op den wagen gooien." Hij gaat nu naar den vreemdeling toe, reikt hem de hand en zegt: "'k Heet u welkom!"--"Molenaar Voss," zegt de jonge man, terwijl hij hem de hand geeft en opstaat: "laat ik u niet hinderen in uwe bezigheden; mijne zaak heeft tijd, en hoewel ik ook om een bijzondere aangelegenheid gekomen ben, zoo heeft die toch geen haast, en de hoofdzaak is, dat ik mijne familie eens woû komen opzoeken."--"Familie?" vraagt de molenaar, en ziet hem twijfelend aan.--"Ja," zegt de ander, "want ik ben de zoon van Jochem Voss, en uw achterneef." En daar nu de oude man niets antwoordt en zijne hand terug trekt, voegt hij er nog bij, "en voor veertien dagen hebben ze mij meerderjarig verklaard, en toen dacht ik zoo bij mij zelven: zusters of broeders heb ik niet, en ook geene familie hier in den omtrek; 'k wil eens naar 't Stemhager gebied rijden en daar eens kijken, of ze er nog wel wat van den zoon van Jochem Voss willen weten." En met die woorden gaat hij naar de molenaarsvrouw toe en geeft haar de hand en Fieken ook, en daar de molenaar nog steeds zoo weifelend blijft staan en er uitziet alsof de muizen hem de boter van 't brood hadden gestolen, zegt de bezoeker: "Neef, gij denkt aan ons proces; laat dat maar rusten; wij kunnen daarom toch goede vrienden wezen." "Zóó?" zegt de molenaar, "en ge hebt toch voor de menschen gepocht, dat ge mij van 't Borchertsche goed af zoudt gooien?"--"Wat voor menschen?" vraagt Hendrik Voss. "De menschen praten. Wat kan ik 't helpen? Mijn vader heeft den strijd begonnen en meende ook dat hij gelijk had, en mijn voogd heeft verder gevochten en ik heb toegekeken. Maar, dat wil ik eerlijk bekennen, een mooi stuk geld heeft het mij al gekost en als wij tot eene schikking kunnen komen, zal 't aan mij niet liggen."--"Gij wilt het hazenpad kiezen; dat heeft zeker uw avekaat u aangeraden."--"Ik raad mij zelven, neef," antwoordt de jonge man, zijn hoed opnemende, "want, als ik nog lang naar den raad der avekaten hooren wilde, zou 't water kunnen opraken, en mijn molen zou moeten stilstaan. Bij u is dat echter wat anders. Wie zijn ransel zoo vet kan maken, die kan nog lang braden, eer hij aanbrandt." En hij wees op den mantelzak, dien moeder en Fieken juist ingepakt hadden.--"Daar heb je niet over te schimpen!" roept de molenaar driftig uit, en hij keert zich schielijk om, geheel bruin in 't aangezicht. "Dat geld... dat geld, dat hoort mij niet toe!" Fieken nadert nu tot haren vader en liefkoost hem en zegt: "Vader, het was immers niet boos gemeend." "Neen," zegt Hendrik, "ik ben uit vriendschap gekomen, en 'k wil ook in vriendschap weggaan. Mijn wagen staat buiten vóór de hofsteê vastgebonden, en 'k heb maar een paar stappen te doen, om daar te komen." "Houd op!" zegt Fieken, "neef Hendrik, niet zoo driftig! Vader heeft van morgen zijn hoofd vol van eene zaak, die in orde gemaakt moet worden., 't Zou hem erg spijten, als gij in onmin van hem woudt weggaan."--"Fieken," zegt de molenaar, en hij keert zich om en kust zijne dochter op 't voorhoofd, "je hebt van morgen al tweemaal gelijk gehad, en ik twee maal ongelijk; ge zijt mijn lief kind." En hij reikt den jongen man de hand toe. "En, Hendrik! niemand zal van mij zeggen, dat ik den zoon van Jochem Voss met harde woorden uit mijn huis heb verdreven.--Zoudt ge hier willen heengaan, zonder nat of droog? Neen, mijn zoon; gij blijft hier bij mij tot ik terugkom, want ik moet naar mijnheer den baljuw, om eene dringende zaak.--Kijk, Frederik staat daar al. Nu, adjuus, mijn zoon, en als ge 't met eene schikking eerlijk meent, dan kan daar wel wat van komen.--Adjuus moeder, adjuus Fieken!" Daarop gaat hij de deur uit en klimt op den wagen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Waarin Frederik voor den molenaar de pruisische zinspreuk "suum cuique" vertaalt, en achter den "chasseur" op de ganzenjacht gaat; en waarin 't den molenaar duidelijk wordt, dat hij zich midden in een bijenzwerm heeft neergezet.

"Baas!" zei Frederik, toen zij de hofsteê af waren, en op den lagen weg kwamen, "hebt gij wel eens eene oude vrouw gezien, als zij een' pot aan stuk heeft gegooid, en dan de stukken aan malkaâr past en zegt: Zóó heeft het gezeten?"--"Waarom vraagt ge dat?" zegt de oude Voss.--"Och, dat zeg ik zoo maar," antwoordt Frederik; en hij speelt zoo zachtjes met de zweep over de paarden, alsof 't in den vliegentijd was. De molenaar zit in gedachten.--Na eene poos vraagt Frederik weder: "Baas, hebt gij wel eens een jongen gezien, wien een musch uit de hand is gevlogen, en die dan in zijn leege hand kijkt en zegt: "O!"--"Wat meent ge daarmeê?" vraagt de molenaar, en Frederik zegt: "Och, dat zeg ik zoo maar!" De molenaar zit weder stil. Er ging hem van alles door de gedachten: hij zette juist eene mooie som met den regel van drieën in zijn hoofd op: "wat hem tegen paschen het schepel rogge zou kosten, als hij morgen den jood het geld niet gaf," en daarbij kwam hij erg in de breuken.--Zij reden steeds voort. Eindelijk keert Frederik zich zoo half op den zak om en vraagt: "Baas! kent gij het spreekwoord wel: "Gaat geen vuil water uit, eer gij weêr schoon water hebt?"--Dat begon nu den molenaar te hinderen, en toen hij zich eenigen tijd bedacht had, wat de vragen van Frederik eigenlijk wel beduiden moesten, trok hij de onderlip omhoog en zeide: "Hoe is 't? Moeten dit steken onder water zijn?"--"Steken onder water?" vroeg Frederik, "bewaar ons!--Dat zeg ik zoo maar,--Maar, ik weet nog een ander spreekwoord, dat luidt: wat een mensch heeft, dat heeft hij; en wij Pruisen hebben eenen arend in ons wapen, en daar staat een latijnsch vers onder, dat klinkt haast zóó, alsof iemand een varken in zijn' staart knijpt; en, die onze sergeant bij de kompagnie was, was een weggeloopen student, en die verstond het vers en vertaalde het zóó: "houdt vast, wat je hebt, en neem, wat je krijgen kunt." Die spreuk is op alle plaatsen te gebruiken, vooral in oorlogstijden.--Zie, molenaar Voss, vervloekt moge iedere schelling zijn, dien ik in mijn leven van mijne kameraads genomen of gestolen heb, en vervloekt moge het koren, de haver of de rogge wezen, die ik ooit mijn meester heb ontvreemd; maar, in den oorlog is dat anders; de Turk en de Fransoos is de rijksvijand, en een rijksvijand is geen haar beter dan de aartsvijand, en onze lieve Heer lacht er om, als iemand den duivel eens behoorlijk op zijne likdoorns trapt. Hoe zeî de oude kapitein Van Restorp? Den vijand moet op alle mogelijke wijzen afbreuk gedaan worden.--Baas Voss,"--en hij wees hem op den mantelzak,--"dit zou nu wel zoo'n afbreuk wezen."--"Laat dat!" zegt de molenaar kortaf,--"die zaak is afgedaan; ik wil niets met die historie te maken hebben; ik breng het geld op het slot en ik woû, dat ik er den Fransoos meê heenbrengen kon; Fieken meent ook, dat het een erg ding kon worden." "'k Heb er niets tegen," zegt Frederik.--"Ju!" en hij klapt met de zweep;--"sommigen luisteren naar manluî, en sommigen naar vrouwluî; ik ben niet erg voor den raad van vrouwluî."--"Ik anders ook niet," zegt de molenaar.