Twee vroolijke geschiedenissen

Chapter 5

Chapter 53,791 wordsPublic domain

Fieken keek, zoo wat half van haar werk op en zeide: "Vader laat dat toch rusten, ten minste van avond!"--"Best, lief dochtertje! Je hebt gelijk, kindlief! Zie gij zijt immers mijn eenig kind, want, waar is Karel en waar is Jochem? Ach, goede God!--Maar, dat zeg ik je: gooi je niet weg! en verder zeg ik niets.--En onze geldzaak, moeder?--Wat zegt de oude baljuw?--Vrind Voss, zegt hij, ik zal er in dank aan gedenken.--En dan de Fransoos! Moeder, de Fransoos!--Waar, duivel, is de Fransoos! Hij lag toch achter in den wagen; dat moet Frederik toch weten." Hij rukt het venster open en roept: "Frederik! Frederik! hoort ge dan niet?"

Frederik hoorde hem heel goed, maar hij pinkte eens met het oog en zeide: "Ja, schreeuw maar! Wat zal ik daar veel van zeggen? de molenaarsvrouw kan er zelve genoeg van zien; ik zal mijne handen niet branden." Daarop bond hij het paard van den Franschman aan de ruif en nam er den zadel af, en toen hij er den mantelzak afnam, zeide hij: "Verduiveld was is die zwaar!" en legde hem in zijne haverkist, schudde het laatste voeder voor zijne paarden uit, en ging naar bed en sliep, alsof er niets bijzonders was voorgevallen.

Toen de molenaar nu wilde beginnen te schelden, omdat Frederik niet kwam, zeide zijne lieve vrouw, "Vader, laat hem maar blijven; ge zijt moê, ge hebt den heelen dag op den wagen rondgesukkeld, en zwaar gewerkt;--ga naar bed; Fieken zal je een beetje bier warm maken, dat de nachtlucht je geen kwaad doet."--"Moedertje," antwoordde hij, "ge hebt altijd gelijk, ik heb mij vreeselijk afgetobd, want geldzaken grijpen een mensch steeds zeer aan. Nu, de mijnen zijn in orde, zoo goed als in orde, want mijnheer de baljuw zeide: Vrind Voss, ik zal er in dank aan denken. En morgen bij tijds moet ik weêr naar Stemhagen." Daarop ging hij in het slaapvertrek, legde zich neder, en dadelijk sliep hij in.

De moeder en Fieken zaten nog een tijd lang op; Fieken was in gedachten verdiept en naaide onophoudelijk door.--"Ja," zegt de moeder eindelijk: "Fieken, gij zijt vlijtig, en ik leg mijne handen ook niet in den schoot, en je vader heeft zijn leven lang gewerkt en gedaan, wat hij kon; maar wat helpt dat alles? De slechte tijden brengen er ons onder, en wat de Franschen ons hebben laten houden, dat nemen de avekaten en de joden ons af; overmorgen moeten we vijfhonderd daalders aan Itzig betalen, en wij hebben geen schelling." "Vader doet toch net alsof alles in orde is."--"Stoor je van avond aan hem niet; avondpraat en morgenpraat kunnen verschillen; maar in ééne zaak heeft hij van avond gelijk gehad; hadt je den koopman van Malchin toch maar genomen."--"Moedertje," zegt Fieken, terwijl zij hare hand zachtkens op die harer moeder legde, en haar kalm in de oogen zag: "Moedertje, dat was de rechte niet."--"Mijn dochtertje, zoo geheel naar hare volle keus trouwen tegenwoordig weinigen op de wereld; daar mankeert al licht zoo wat aan. Kijk! de koopman krijgt eene goede broodwinning, en als je vader en ik wisten, dat jij goed geborgen waart, dat zou ons een pak van 't hart wezen."

"Moeder, moeder, spreek zóó niet! Ik zou u verlaten, als gij en vader in nood waart? En dat dan nog wel op eene oneerlijke wijze?"--"Oneerlijk, Fieken?"--"Ja, oneerlijk, moederlief!" zeide Fieken en 't was haar aan te zien, dat het haar hinderde, "want toen de koopman om mijne hand vroeg, dacht hij, dat er bij ons veel te halen was, en daarom woû hij mij hebben; maar ik woû hem niet bedriegen; want al hebt gij en vader het mij, uit goedheid, niet gezegd, hoe 't met ons gesteld is, en dat wij arme menschen zijn geworden, zoo heb ik dat toch al lang gemerkt. Nu weten de menschen 't al zoo tamelijk, en als er nu een komt, die mij hebben wil, dan wil hij mij hebben en niet het geld, en dan is 't immers mogelijk, dat hij de rechte is." Dit zeggende stond zij op, pakte haar naaiwerk bij elkaâr en kuste hare moeder. "Goeden nacht moederlief!" sprak zij, en zij ging naar hare slaapkamer.--De molenaarsvrouw zat nog een poos in gedachten verzonken en zuchtte: "Gelijk heeft ze, en de goede God moge alles nog ten goede besturen!"

Zij ging ook te bed, en alles lag in diepe rust; slechts de molen draaide zonder rust of duur voort en klapperde en joeg, en de wieken grepen links en rechts in wilde haast, gelijk een mensch die in grooten nood verkeert en die zich inspant en zwoegt, om bevrijd te worden uit het stof van het dagelijksche bedrijf; en van het molenrad druppelde het water af, alsof het bittere zweetdroppelen waren,--en diep onder in den grond, daar ruischte de beek met dezelfde taal en met denzelfden zang: "het helpt u niet, het helpt u niet; ik ben uw hart; zoo lang ik vliet, met golf op golf, met wensch op wensch, zoo lang hebt gij geen rust; maar, als de oogsttijd komt, en het koren rijpt, dan zal mijn stroom zachter vlieten, dan maakt de molenaar de valdeur toe, dan staat alles stil, en dan is 't zondag."

DERDE HOOFDSTUK.

Waarom Frits Sahlmann een' oorveeg krijgt, en de horlogemaker den ganschen nacht met mamsel Westphalen's ledekant in de kamer rondscharrelt, en waarom de Fransche overste in een roode deken bij den horlogemaker te visite komt.

Toen de molenaar den weg naar het slot was afgereden, ging mijnheer de baljuw naar zijne kamer, maar hij keerde weder om, ging naar den heer Droz toe en vroeg: "Wat ben ik u schuldig, mijn lieve Droz?"--Nu, die zeide, zoo goed het hem mogelijk was, dat hij het met genoegen gedaan had, want de "Allemange was nu zijne patrie, en hij was tout pour la patrie."--"Dat meen ik niet," zeide de oude heer, "ik meen voor mijn horloge, dat gij in orde gemaakt hebt?"--De heer Droz antwoordde, dat dit alles betaald was; "de kleine garçon, Frits Sahlmann had alles bezorgd."--"Ja, dat weet ik wel," sprak de oude heer, "maar, mijn lieve Droz, een horlogemaker moet men niet enkel daarvoor betalen, dat hij aan een horloge wat gemaakt heeft, maar ook daarvoor, dat hij er niets aan gemaakt heeft, en omdat dit hier het geval is, daarom, mijn lieve Droz, neem dit van mij aan." En hij drukte hem twee daalders in de hand en ging het huis in.

"Welnu," zeide mamsel Westphalen, "laat hem begaan! Hij is een wonderlijke oude man, maar hij meent het goed. Maar, Mijnheer Droi, kom nu binnen, en ontdooi een beetje in mijne kamer, want bij dit nare, griezelige weêr kan een mensch het hart in zijn lijf bevriezen." Mijnheer Droi ging dan ook mede, en toen zij nauwelijks gezeten waren, kwam Frits Sahlmann binnen. Hij had den paardestaart van den Franschman op zijn hoofd en de blanke sabel in de hand en had zich in aller ijl een snorbaard van kaarsesnuitsel gemaakt. Klets! daar kreeg hij er een, van die soort, die mamsel Westphalen gewoon was uit te deelen, om de ooren. "Jou uilenspiegel!" riep zij en zij rukte hem den helm van het hoofd en de sabel uit de hand, en zette die achter haar bed. "Uilenspiegel! Op zoo'n avond, als wij allen in angst en nood zitten, wil jij jou hansworstestreken uitvoeren?--Ga liever eens naar de lieve vrouw van mijnheer Droi, en doe 't komplement van mij, dat zij niet ongerust moet wezen; en dat mijnheer Droi bij mij in mijne kamer is, en dat hier in 't geheel geen gevaar is."

Frits Sahlmann gaat, en nu zitten zij daar en vertellen elkaâr van den ouden en van den nieuwen tijd. Intusschen, wat mijnheer Droi vertelt, dat verstaat mamsel Westphalen maar heel slecht, en wat mamsel Westphalen vertelt, daar verstaat mijnheer Droi bijzonder weinig van. "Hij zijn bon!" zegt Droi en rammelt met de beide daalders in zijne hand. "Ja wel," zegt mamsel Westphalen, "zeker zijn ze goed. Meent gij, dat mijnheer de baljuw u valsch geld zou geven?"--"Ah! 't niks valsch geld! Ik meenen hem lui-même," zegt mijnheer Droi en wijst met zijn vinger naar boven.--"O, zoo! gij meent mijnheer den baljuw! Ja, wel is hij bon, maar, hoe ouder hij wordt, des te wonderlijker wordt hij, want hij maakt den nacht tot den dag, mijnheer Droi. Zie! daar moet ik nu zitten en ik moet bakken en braden tot in den nacht; want hij eet zijn avondeten eerst 's nachts, klokke elf, en 't wordt soms wel twaalf ook, en als 't lieve eten uitgedroogd of te hard gebraden is, dan gaat hij aan 't knorren en onze mevrouw is zeer weekhartig en dan begint zij te schreien. Dan zeg ik: Och mevrouw! waarom huilt gij? Kunnen wij 't helpen, dat hij leeft als een onchristen? Laat dat huilen: wij hebben een goed geweten! Maar, mijnheer Droi, 't is een zwaar stuk voor mij, om hier te zitten als eene eenzame persoon en aan te hooren, hoe de stormwind om het slot heenloeit, de regen tegen de vensters aanslaat, de uilen schreeuwen en de tochtwind door de gang huilt, alsof de geesten losgelaten waren. Hoor nu maar eens, wat is 't weer boos weder!--Mijnheer Droi, gij zijt zeker in 't geheel niet bang!" "Eh, non!" zegt mijnheer Droi, maar hij zit stil en luistert naar het weder en zegt eindelijk: "Attendez, du tonnerre!" "Wat meent gij?"--vraagt mamsel Westphalen.--"Ik meenen," antwoordde hij,--en hij zwaait met zijn vinger rechts en links door de lucht, "ik meenen de lichte zig-zag met rompel, pompel, retteteta,"--"Dan hebt gij gelijk, mijnheer Droi," zegt mamsel Westphalen, "want daar buiten gaat het werkelijk zoo: rompel, pompel, ratteteta!"--"Ah!" zegt mijnheer Droi, "dat zijn de tamboers, dat zijn mijne kameraden de grenadiers."--Hij sprong op en marcheerde op en neder, met de beeremuts op het hoofd, want hier was het daartoe hoog genoeg en dan stond hij weêr stil en riep: "Luister! Zij marcheer op de marché, op de markt!" en: "Luister!" Dat zijn de "grand canons, de zware geschut!" En mamsel Westphalen zit daar met de handen in haren schoot en zij kijkt hem aan en schudt het hoofd, zeggende: "Waar dat toch eenmaal inzit! Hij is anders een fatsoenlijk mensch; waarom stelt hij zich dan nu zoo wild aan? 't Is als met de oude voerlui; als ze niet meer kunnen rijden, klappen ze toch nog altijd graag met de zweep!"

En niet lang daarna kwam de vrouw van den wever Stahl de deur in. Dat was de dagelijksche aanbrengster voor mamsel Westphalen; zij kwam haar het nieuws uit de stad vertellen, en voor iederen mondvol nieuwstijdingen, die zij het slot inbracht, droeg zij een pot vol eten er uit.--Zij had haren rok over 't hoofd geslagen en droop als een dakgoot, schudde zich eerst een paar maal af en zeide toen: "Br.... wat is 't een weêr!" "Dat is 't wel, juffrouw Stahl," zeide de mamsel,--zij noemt haar altijd juffrouw Stahl,"--"niet om harentwil," zeide zij, "neen, om mijnentwil, want, wat zouden de menschen er wel van zeggen, als ik mij met eene vrouw uit het volk inliet?--neen! ik heb ook mijn trots!" "Mamselletje," zeide de weversvrouw, "ik kwam hier heen; op de markt wemelt het van Franschen, en ze hebben een grooten hoop kanonnen meêgebracht, en de burgemeester heeft om mijn man gestuurd; die moet in dit weêr en in den stikdonker op de dorpen rondloopen en de boeren en de hofjongens met wagens bestellen tegen morgen middag, en, pas maar eens op, gij krijgt ook inkwartiering."--"Dat weet de goede hemel!" zegt mamsel Westphalen, en zij gaat naar de deur en roept Caroline en Fieken, dat zij vuur zouden aanleggen in de blauwe kamer, naast de hare, en twee bedden gereed maken, want de duivel zou spoedig zoo'n pochhans van een Franschen overste en zoo'n misselijken krates van een adjudant den berg naar het slot opkarren."--Daarna keert zij zich om naar het gezelschap, en zegt: "Dáár kunnen zij liggen, en als het spook in de blauwe kamer een christelijk spook is, dan zullen zij juist niet veel rust vinden in dezen nacht, en dat gun ik hun, want, mijnheer Droi," gaat zij voort, "hiernaast in de kamer spookt het; gelooft gij ook aan spoken?"--Mijnheer Droi zegt: "Neen!" en inmiddels komt er buiten beweging, en toen mamsel Westphalen eens uitkeek, kwam werkelijk een Fransch overste met zijn adjudant de huisdeur uit, en een paar ordonnansen volgden hen. Zij werden in de blauwe kamer gebracht, waar zij droge kleeren aantrokken, en gingen vervolgens naar boven, naar mijnheer den baljuw om aldaar te soupeeren.

De heer Droi zit ondertusschen diep in gedachten en zegt om den anderen: "Diable!" en "Diantre!" En toen hem naar de reden gevraagd werd, kwam hij er eindelijk voor uit, dat hij in groote verlegenheid was, en 't kon zijn ongeluk wezen, want, als hij in zijne monteering en met de beeremuts, en met geweer en sabel de kamer uit en door de straten ging, kon de ordonnans hem zien, of een van de Fransche wachtposten, of zoo'n strooper van een Fransoos, en ze konden hem vragen: "Van waar? en waarom? En als hij dan niet wist wat hij zeggen moest, dan kon de drommel er meê spelen en de geschiedenis van dezen middag kon uitkomen, en wat dan?"--"Mijnheer Droi," zegt mamsel Westphalen, "dat is een erg geval! De kleêren van dien lummel, van Frits Sahlmann, kunt gij niet aantrekken, want al moogt ge er ook uw lief middelstuk in persen, waar bleeft gij met de einden?--Dan de kleêren van mijnheer den baljuw? Neen, mijnheer Droi, verlang zulk eene slechte daad niet van mij, want, dat was immers juist, alsof ik met eigene hand het slot in brand steken woû. En andere manspersonen hebben we, Goddank, hier niet.--Maar, mijnheer Droi, gij hebt ons van middag uit grooten nood gered, en daarom wil ik u weder redden. Uwe vrouw weet dat gij hier onder christenmenschen zijt; gij zult van nacht in mijn ledekant slapen, ik zal er schoone lakens opleggen, en dan slaap ik bij het kamermeisje, juffrouw Stahl, kom!"--Dit zeggende gaat zij de kamer uit, en niet lang daarna komt zij weder binnen en legt schoone lakens op het bed en vraagt weder: "Mijnheer Droi, zijt gij ook bang?"--Mijnheer Droi zegt weder: "neen!" en zij zegt: "Dat is best! want het gaat hier naast menigmaal wonderlijk toe en dan hoort men: "trap! trap! trap! maar 't komt hier niet binnen; ik heb een hoefijzer op mijne deur laten spijkeren.--Hoor nu toch eens! Hoor nu toch eens! Nu gaan de Fransozen hier naast ook naar bed. Hoor nu toch dat gesnater eens aan! Mijnheer Droi," vraagt zij zachtjes, "kunt gij dat alles verstaan?"--"Oui," zegt mijnheer Droi.--"Ik geloof het," zegt zij, "want de muur is heel dun. Dit was eerst ééne groote kamer, maar nu zijn er twee van gemaakt. Nu, mijnheer Droi, goeden nacht! Kom, juffrouw Stahl!"--Mijnheer Droi wenschte ook goeden nacht, in 't Fransch, maar hij zag er uit, alsof hij nog iets op het hart had, dat hij niet zeggen kon, of niet durfde zeggen, en mamsel Westphalen zeide zachtjes tot de weversvrouw: "Juffrouw Stahl, gij zijt eene getrouwde vrouw: voor mij past dat niet, help gij den man terecht." En zij gaat heen. Nu gaat de horlogemaker met de weversvrouw ook de kamer uit.

Zoodra zij er allen uit zijn, sluipt iemand over de gang, waar de nachtlamp brandt, de kamer van mamsel Westphalen binnen; 't is de goddelooze jongen, Frits Sahlmann, en hij heeft een klomp ijs onder den arm, zoo groot als de bol van een hoed. Als een kat springt hij op de planken van het groote ledekant met gordijnen van mamsel Westphalen en legt den ijsklomp boven op het bedverhemelte, terwijl hij bij zich zelven zegt: "Wacht jou oude plaaggeest! Dit is voor de oorvegen, die ik gekregen heb; nu zal de opstijgende hitte wel bekoelen." En daarop sluipt hij de deur weder uit.

Mijnheer Droi komt nu weder binnen; kleedt zich uit, legt "la grande nation" vóór het bed, op den stoel, snuit het licht uit en legt zich neder; hij rekt zich in dat schoone zachte bed lang uit, en zegt: "Ah! c'est bon!"--Nu luistert hij naar den storm daar buiten en naar den regen, hoe die nederstroomt, en naar 't redeneeren van de beide Franschen in de kamer naast hem, doch eindelijk houdt het gesnater op, en Mijnheer Droi is juist zoo tusschen slapen en waken, toen begint het: trap--trap--trap. "Ha, ha!" denkt mijnheer Droi in 't Fransch, "dat is het spook, hier naast!" En hij luistert nu wat zijne landslieden daar wel van zeggen zullen. Die liggen heel stil; maar trap--trap--trap gaat het bedaard voort, en nu komt het mijnheer Droi voor, dat het in zijne kamer is. Ja, in zijne kamer is 't en als 't in zijne kamer is, dan is het door de deur ingekomen; hoe zou 't anders binnengekomen zijn? Hij grijpt dus eene van zijne schoenen op en gooit dien naar de deur toe; bons! vliegt de schoen tegen de deur aan, en 't is een geraas op de gang, alsof het onweder was ingeslagen. De Franschen in de andere kamer beginnen zich te bewegen en praten met elkaar. Doch weldra is het daar weder stil; maar trap--trap--trap gaat het weer, dicht bij het bed van mijnheer Droi. Mijnheer Droi gaat overeind zitten en buigt zich voorover om beter te kunnen hooren,--klets! daar valt hem een droppel op zijn kaal hoofd--en, klets!--nog een op zijn krommen neus, en terwijl hij vóór zich uit tast, voelt hij, dat zijn dekbed zoo zachtjes aan begint te doorweeken. "Diable!" zegt hij, "het dak is niet dicht en dat lekt door den zolder. Wat nu?" Hij komt natuurlijk nu op den verstandigsten inval, dien een mensch in zulke omstandigheden hebben kan; hij wil met zijn bed verhuizen; hij staat alzoo op en begint met het oude, zware ledekant, aan het hoofdeneinde voort te schuiven; maar hij denkt niet aan den helm en den sabel van den Franschman, die in den hoek staan, en,--al zijn leven!--dat glijdt langs den muur naar beneden, en rammelt en klettert op den grond neder. Mijnheer Droi is niet weinig ontsteld; hij blijft staan en luistert: ja, waarlijk!--de beide Franschen zijn door het spektakel wakker geworden en schelden en razen. Hij denkt echter: wie weet, of dat niet geholpen heeft, en kruipt in het bed. Maar nu was de ijsklomp al aardig ontdooid, en het droop natuurlijk het bed in; hij wordt zoo koud, het water dringt overal door, en hij denkt--natuurlijk in 't Fransch:--"Nu slapen ze zeker wel. Als ik nu het voeteneinde loskrijgen kon, dan zou 'k misschien van het lek bevrijd wezen."--Hij staat op, en rukt het voeteneinde los--paf!--daar valt zijn geweer langs den muur op den vloer, en zoo dat eerst niet geknald heeft, zoo knalt het nu.

Daar stond nu de arme horlogemaker; hij beet zich op de lippen en hield met geweld zijn' adem in, alsof door dat inhouden van zijne ademhaling de Franschen weêr zouden gaan slapen, die naast hem al luidkeels raasden en scholden en "silence!" riepen, en tegen den muur sloegen. "Que faire?" zegt hij tot zichzelven. "De eerste nood moet afgewend worden, zooals de oude vrouw zei; en ze sloeg den baktrog stuk en stookte daarvan vuur onder 't water." Toen kroop hij weêr in 't bed en zeide: "Goddank! nu ben ik van het lekken bevrijd."--Hij was echter uit den regen in den drop gekomen, want, als een straal liep het van den zolder naar beneden, als een straal liep het in 't bed. Hij werd door en door koud en zoo nat als een kikvorsch in 't voorjaar.--'t Hielp alles niet, hij moest er weder uit en weder verhuizen; maar hij zou 't zachtjes doen, dat hij niets omver stootte. Hij trok het bed in den eenen hoek: daar was het toch te voren droog geweest; hij trok het in den anderen hoek: daar was het toch ook droog geweest, en zoo scharrelde hij den ganschen langen nacht met het ledekant door de kamer rond, zachtjes, heel zachtjes; maar, waar hij heenkwam, daar lekte het ook.

Zoo stond hij dan in zijn hemd midden in de kamer en peinsde en peinsde, hoe dit toch was, en hoe dat toch was, en sloeg zich eindelijk met de hand voor 't hoofd, en zeide: "Ik domkop!" Want er was hem een licht opgegaan. Dat wil zeggen in zijn hoofd, want in de kamer was het duister; en licht moest hij toch hebben. Hij sloop dus zachtjes naar buiten op de gang en,--ja, waarlijk!--daar brandde ook de lamp nog. Hij stak zijne kaars aan, ging terug, hield het licht in de hoogte, en zag iets boven op het ledekant liggen, en riep: "Ah, canaille!" Hij klom tegen het ledekant op, maar kon er toch niet bijkomen. Hij rekte zich zooveel mogelijk uit en grabbelde naar den ijsklomp rond, maar die was te glibberig en liet zich niet vatten, Parbleu! Een halve duim langer! Hij spant met geweld al zijne krachten in,--krak!--zegt de hemel,--en hemel, en ijsklomp, en Droi, 't valt alles tegen den muur van de Franschen aan; en daar ligt mijnheer Droi onder de onschuldige witte gordijnen en zwaait met zijne bloote beenen in de lucht rond alsof die vertellen moesten, wat hun heer was weêrvaren.

Eensklaps wordt de deur geopend, en binnen komt--de Fransche overste. Hij heeft, om geen koude te vatten, een roode wollen deken over 't beddelaken omgeslagen, en houdt een pistool met dubbelen loop voor zich uit; en achter hem staat met den blooten degen, en met bloote beenen, zijn adjudant.--Mijnheer Droi haspelt onder de gordijnen van het ledekant uit, zegt de beeremuts op het hoofd, gaat rechtop staan, slaat zijne hand aan de muts en zegt: "Bonsoir, mon colonel!" De overste kijkt hem aan; de adjudant kijkt den overste aan; zij hooren, dat zij met een Franschman te doen hebben; zij zien de zwarte slobkousen en de geheele "grande nation" vóór het bed liggen, zij zien geweer en sabel; en--wat erger is dan erg,--zij zien de sabel en den paardestaart van den chasseur. Wat beteekent dat en wat moet dat?--Mijnheer Droi stamelt op zijne manier wat bij elkaar; mijnheer Droi begint te liegen, en mijnheer Droi liegt verwonderlijk mooi; jammer maar, dat zij hem niet willen gelooven.