Twee vroolijke geschiedenissen

Chapter 4

Chapter 44,193 wordsPublic domain

"Wel duivels!" zegt mijn vader en hij springt op, want hij was een stevig, flink man; en vrees had hij niet zoo veel, als het zwarte onder den nagel,--en hij liep naar het slot.

Toen mijn vader binnenkwam bij mijnheer den baljuw, maakte de Franschman daar een spektakel, als een wild gedierte, en uit zijn mondwerk bruiste het alsof de tap uit een vat gehaald was. De oude heer staat echter heel bedaard en heeft zijn "dictionnaire de poche" in de hand: en als hij een woord van den Franschman half en half verstaat, dan slaat hij eens na, wat de dictionnaire er van zegt. En toen nu mijn vader naderkwam, vroeg hij hem: "Zeg, kindlief, wat wil die kerel?--Vraag dien kerel toch eens, wat hij wil."--"Mijn vader begint dus met den Fransoos te spreken, maar die stelt zich zoo onbeschoft aan, en scheldt en tiert zoo geweldig, dat de oude baljuw wederom vraagt: "Kindlief! waarom gaat die kerel toch zóó te werk?"--Nu, eindelijk krijgt mijn oude den Franschman toch zoo ver, dat hij met zijne zaak voor den dag komt. En toen hij nu den ouden heer mededeelde, dat de Franschman vijftien vette ossen, een last tarwe en zeven honderd el groen laken, en honderd louis d'or verlangde, en verder voor zich en zijne manschappen nog veel "du vin,"--toen zeide de oude baljuw: "Kindlief, zeg eens aan dien kerel, dat wij hem braaf......"--"Houd op!" roept mijn vader uit.--"Mijnheer de baljuw! Spreek dat woord niet uit; dat zal hij in den laatsten tijd al op menige plek gehoord hebben, en hij zou 't mogelijk kunnen verstaan. Neen, ik zou u raden, hem "du vin" te geven; dan zal hij 't andere denkelijk wel vergeten."--En de baljuw geeft hem gelijk en roept Frits Sahlmann, dat hij aan mamsel Westphalen glazen en wijn zou gaan vragen, maar niet van den besten wijn.

De wijn komt nu, en mijn vader schenkt den Franschman in, en de Franschman schenkt mijn vader in, en 't gaat steeds beurt om beurt, en mijn oude heer zegt: "Mijnheer de baljuw, gij moet er ook aan gelooven en mij helpen, want dit schijnt een vent, die geen bodem in 't lijf heeft."--"Kindlief," hervat de oude heer, "ik ben een oud man, en ik ben de eerste hertogelijke ambtenaar in 't Stemhager rechtsgebied; 't past dus niet voor mij, om met dien kerel te gaan drinken."--"Nu ja," zegt mijn vader, "maar, nood breekt wetten; en dit is voor 't vaderland."--De oude baljuw komt er dus bij zitten, en werkt naar zijne krachten mede. Doch na eene poos zegt mijn vader: "Mijnheer de baljuw, de kerel wordt ons de baas, 't zou een zegen van den hemel wezen, als wij op 't oogenblik iemand hadden met eene goede maag en een sterk hoofd."--En terwijl hij dit zegt, wordt er aan de deur geklopt. "Binnen!"--"Goeden dag samen!" zegt de oude molenaar Voss uit Gielow en komt de kamer in. "Goeden dag, mijnheer de baljuw!"--"Goeden dag, vriend Voss!"--"Wel, mijnheer, ik kom nog eens over mijne zaak praten."--"Daar hebben we vandaag geen tijd toe," zegt de oude heer, "want je ziet wel, in welke omstandigheden wij ons bevinden." En mijn vader roept: "Mijn lieve Voss, komt gij eens hier en doe een christelijk werk; ga eens dwars voor dien Franschman zitten en neem hem eens in 't verhoor, maar scherp."--En de molenaar Voss ziet mijn vader aan en hij ziet den baljuw aan, en hij denkt er het zijne van, zooals de kalkoensche haan zei, en bij zich zelven zegt hij: op zoo'n gerechtsdag ben ik nog nooit geweest;--maar hij schikt zich gemakkelijk in de zaak.

Mijn vader gaat nu dichter naar mijnheer den baljuw toe en zegt: "Mijnheer de baljuw, dit is onze man; die zal hem wel klaar krijgen; ik ken hem."--"Kostelijk," zegt de oude heer: "maar, kindlief, hoe komen wij met die zes kerels, hier buiten op het slotplein, nog klaar?"--"Dat is maar zoo'n maraudeurs- en strooperstroep," zegt mijn oude, "laat mij maar begaan, ik zal hen wel bang maken." En hij roept Frits Sahlmann en zegt tot hem: "Frits, mijn jongen, ga eens achter uit door den slottuin, dat niemand je ziet, en loop naar den horlogemaker Droz, en zeg dat hij oogenblikkelijk zijn uniform moet aantrekken, met de hooge zwarte slobkousen en de beeremuts, en geweer en sabel; en dan moet hij door de kleine groene poort den tuin binnensluipen, tot onder het hoekvenster, en dan moet hij hoesten."

Wat nu den horlogemaker Droz betreft, hij was van geboorte een Neufchateller; hij had vele potentaten gediend, ook de Franschen, en later was hij in mijne vaderstad blijven hangen, daar hij er met eene weduwe getrouwd is. Zijn Fransche uniform had hij bewaard, en als hij 's avonds, in de schemering niet meer zien kon, om horloges te repareeren, dan trok hij zijne monteering aan, en liep steeds in zijne kleine kamer op en neder; maar blootshoofds, want met de beeremuts, dat ging niet, die schaafde tegen den zolder aan. En dan redeneerde hij van "la grande nation," en "le grand empereur," en kommandeerde het gansche bataljon en liet rechts zwenken, en links op den vijand inhouwen, zoodat vrouw en kinderen achter 't bed wegkropen. Hij was echter een goed man en deed geen schepsel kwaad, en overdag lag "la grande nation" in een koffer, en hij repareerde horloges, en poetste en smeerde die, en hij at Mekklenburgsche aardappelen met de schil en doopte ze in Mekklenburgsch spekvet.

Terwijl dus nu de horlogemaker zijne slobkousen dichtknoopte, en zijne beeremuts opzette, zat de molenaar Voss met den Franschman te zamen, en werkte wat hij kon in den rooden wijn van den baljuw, en de Franschman klonk met den molenaar, zeggende: "A vous!" en dan nam de molenaar zijn glas op en zeide: "Praat maar toe!"--en dan klonk de molenaar weêr met den Franschman, en de Franschman bedankte en zeide: "Serviteur!" en dan dronk de molenaar ook en zeide: "Zet hem voor de deur!" En zóó praatten zij samen Fransch en zij dronken.

Zoo werden zij dan steeds vriendschappelijker met elkander: de Franschman stak de blanke sabel in de scheede, en het duurde niet lang, of zijn zwarte snorbaard krieuwelde den ouden molenaar onder zijn stompen neus, en de molenaar gaf er hem een paar in 't aangezicht, van stavast, want de molenaar had een mondwerk, alsof hij met eene wanschop opgekweekt was, en elke kus van hem kon ongeveer voor drie gelden.

Juist toen dit gebeurde, werd er onder het hoekvenster gehoest, en mijn vader sloop de kamer uit en deelde den horlogemaker mede, wat hij doen moest. Mijnheer de baljuw liep ondertusschen steeds op en neder en dacht wat de hertogelijke kamer er wel van zeggen zou, zoo zij dit alles aan kon zien, en hij zeide tot den molenaar: "Vriend Voss, verlies den moed maar niet; ik zal er je dankbaar voor zijn." En de molenaar verloor den moed ook niet, maar dronk dapper voort.

De horlogemaker ging intusschen heimelijk weder door den slottuin terug; doch toen hij op den gewonen weg kwam, die naar het slot leidde, zette hij een hooge borst en stapte dat het een aard had, want hij was nu weder "la grande nation," en hij kwam rechtop en deftig de slotpoort binnen; dat deed hij heel mooi; hij was dan ook van aangezicht en postuur een knappe kerel. De zes jagers, die bij hunne paarden stonden, keken op en fluisterden met elkander, en één van hen ging naar hem toe en vroeg: waarheen? en van waar? Droz zag hem echter heel minachtend over den schouder aan en antwoordde hem kortaf en barsch in 't Fransch, dat hij de kwartiermeester was van 't drie en zeventigste regiment, en dat zou in een half uur uit Malchin hier komen, en hij moest eerst met "Monsieur le bailli" spreken. Toen begon de jager bang te worden, en toen Droz een weinig handtastelijk op maraudeurs begon te zinspelen en vertelde, dat zijn overste er gisteren een paar had laten dood schieten, toen droop eerst de één, en daarna de ander af, en ofschoon een paar van hen nog te zamen snaterden en op het slot wezen, van wege hun' kommandant, zoo had toch niemand hunner rechten tijd tot wachten, en in een ondeelbaar oogenblik was het slotplein ledig, en in de Brandenburger poort stonden wij jongens, en keken de zes Fransche jagers na, hoe zij door den diepen kleiweg wegdraafden, want het was juist in den mooisten tijd van de toenmalige Mekklenburgsche landwegen, zoo in 't voorjaar, als 't alles pas ontdooid is.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Wat mamsel Westphalen en de horlogemaker te zamen spreken, en waarom Frederik den Franschman de knoopen van zijn broek wil snijden en hem naderhand in het Stavenhager bosch te bed brengt, en waarom Fieken den Koopman van Malchin niet genomen heeft.

Toen het slotplein ledig was, stapte de horlogemaker met geweer en sabel in de provisiekamer van mamsel Westphalen, en mamsel Westphalen droogde hare oogen af, en sprak: "Mijnheer Droi, gij zijt een reddende engel!"--Zij noemt hem namelijk altijd Droi in plaats van Droz, daar zij meent, dat Droi zuiverder Fransch is en dat de menschen het juiste accent niet aan den naam geven.--De reddende engel zet nu zijn geweer tegen de zeeptobbe, hangt zijn sabel aan den vleeschhaak, legt zijne beeremuts als deksel op het botervat en gaat zelf op de aanrechtbank zitten. Hij haalt een geruiten zakdoek uit den zak, vouwt dien netjes op zijn knie glad en veegt daarmede tweemaal heel zachtmoedig onder zijn' krommen neus; daarop brengt hij zijne groote ronde snuifdoos te voorschijn en reikt ze mamsel Westphalen toe, terwijl hij vraagt: "Plait-il?"--"Ja wel," zeide mamsel Westphalen, "zeer gaarne, want, mijnheer Droi, ik heb zeer slechte oogen, en zij zijn sedert verleden najaar nog zwakker geworden; ik had toen de zenuwkoorts, en de dokters geven er een hoogdravenden naam aan, maar mijnheer Droi, ik zeg dat het de gewone, miserabele najaarskoorts was, en daar blijf ik bij." Zoo sprak zij en zette den heer Droi een mooie, gebraden eend en eene flesch wijn voor, maar van de beste soort van mijnheer den baljuw, en zij maakte eene dienaresse, als van iemand die in 't water onderduikt, en zeide ook: "Plait-il?" Nu, den horlogemaker "plait-il-de" dit zeer en hij werd te moede, alsof hij een werkelijke engel was en de provisiekamer van mamsel Westphalen, in vergelijking tegen zijne aardappeltjes met spek er bij, een paradijs; en toen hij aan de tweede flesch wijn was, redeneerde hij veel van "vin dit en vin dat" en van "de skoone Suisse."--Middelerwijl was het donker geworden en Frits Sahlmann komt de provisiekamer in, en zegt: "Nu, 't is eene mooie historie; mijnheer de baljuw loopt blootshoofds in 't stikdonker door den tuin, en redeneert in zich zelven; Frederik, van den molenaar Voss, staat nu al een uur lang voor de poort en schelt op de vervloekte patriotten en op den gauwdief Dumouriez, en de molenaar duwt den Fransoos zijne vuist tegen den mond, en vraagt waar zijne vier paarden en zijne zes ossen gebleven zijn, die de Fransozen hem afgenomen hebben, en de Fransoos zit daar en verroert of beweegt zich niet en zijne oogen rollen door zijn hoofd."--"Frits Sahlmann," vraagt mamsel Westphalen "verroert hij zich niet?"--"Neen mammesel."--"Frits Sahlmann, ik weet, dat je somwijlen een wauwelaar bent; en je menigmaal met onwaarheden ophoudt; ik vraag het je, op je geweten af: verroert hij zich volstrekt niet?" "Neen, mammesel, volstrekt niet, in 't geheel niet."--"Nu, mijnheer Droi, ga dan mede, dan willen wij naar boven gaan en zien wat daar aan de hand is; maar, neem wat van uw gereedschap om te hakken en te steken mee, en als gij ziet dat hij mij wil aanvallen, sta mij dan bij. En jij, Frits Sahlmann, loop naar Frederik van den molenaar, en zeg hem, dat hij de paarden moet afspannen en binnenkomen, want beter is beter, en wat één mensch wel tot stand kan brengen, is voor twee nog minder moeilijk."

Frederik komt dan ook binnen en krijgt een stevigen borrel en schudt zich eens, zooals dat, na een goeden slok, mode is, en de stoet gaat nu voorwaarts naar de kamer van mijnheer den baljuw; Frederik voorop, dan mamsel Westphalen, die den horlogemaker onder den arm genomen heeft, en het laatste, Frits Sahlmann, in de achterhoede.

Als zij de kamer binnenkomen, zit de molenaar aan de tafel en heeft twee volle glazen vóór zich staan, en hij klinkt met het ééne tegen 't andere, en met het andere tegen 't ééne, en drinkt beurtelings voor twee, en een glimlach ligt over geheel zijn breed aangezicht verspreid. Zijne jas heeft hij uitgetrokken, daar hij bij het werk warm geworden is, en op het hoofd heeft hij den helm van den Franschman met den langen paardestaart, en over zijn' dikken buik had hij, zoo goed als 't gaan wilde, de sabel van den Franschman vastgegespt. De laatstgenoemde ligt, zoo lang hij is, in een hoek der canapé en heeft de witte, katoenen slaapmuts van mijnheer den baljuw op en diens chambrecloak, met de roode bloemen, aan, en de ondeugende molenaar heeft men in plaats van de sabel eene groote penneveer in de hand gegeven, waarmede hij stilzwijgend in 't rond zwaait, want spreken kan hij geen woord.

Toen mamsel Westphalen de deur inkwam en den toestand overzag, zette zij hare beide armen in de zijden, gelijk elke rechtschapene, oude juffrouw in zulke omstandigheden doet, en vroeg: "Molenaar Voss, wat moet dit? Wat beduidt dit? En wat beteekent dit?" De molenaar wil antwoorden, maar hij krijgt het op zijne lachspieren en brengt slechts met moeite er uit: "Komedie!"--"Wat?" vraagt mamsel Westphalen,--"is dat een antwoord van een' man, met vrouw en kinderen? Is dat het respect voor uw opperhoofd, om zoo'n uilenspiegelstreek in zijne; studeerkamer uit te voeren? Mijnheer Droi, kom mede!" Dit zeggende, gaat zij op den Franschman af, rukt hem de slaapmuts van het hoofd en slaat er hem tweemaal meê om de ooren, waarbij zij, tweemaal de twee woorden uitspreekt: "Jou varken!" Vervolgens keert zij zich om en roept: "En gij, Frederik! kom eens hier, en help mij om dien kerel de kamerjapon van den ouden heer uit te trekken! En gij, mijnheer Droi! want gij zult daar wel verstand van hebben, neem dien dwazen molenaar die soepterrine van zijn hoofd, en gesp die sabel los."--Nadat dit alles geschied was, zeide zij: "En jij, Frits Sahlmann, jou oude babbelaar, jou deugniet!--Jij zult het hart niet hebben, om aan mijnheer den baljuw te vertellen wat er met zijne commoditeiten hier gepasseerd is, want hij laat ze anders verbranden; en wat kan zijne kamerjapon of zijne slaapmuts het helpen, dat de menschen zich als kwajongens aanstellen."--Daarbij ziet zij den ouden, grijnzenden molenaar scherp aan, doet de kurk op de wijnflesch, zet hare armen weder in de zijden en vraagt: "Wat nu?"--

"Ik weet het," zegt Frederik; hij haalt zijn zakmes voor den dag, doet het open, gaat naar den Franschman toe, rukt zijne uniform los en begint daar op eene zeer zonderlinge manier in rond te scharrelen.

"Heer in den hemel, Frederik!" roept mamsel Westphalen uit, en springt er tusschen in; "zijt gij bezeten? Ge zult hier toch geen moord begaan?"--"Diable," zegt mijnheer Droi, en trekt den arm van Frederik terug, en Frits Sahlmann, de onverstandige bengel, rukt het venster open en schreeuwt: "Mijnheer de baljuw, mijnheer de baljuw! Nu gaat het er op los!"--Klets! krijgt hij een klap op zijn mond, die hem heel bekend voorkwam, daar hij dagelijks van die soort van mamsel Westphalen wel een stuk of drie ontving; dat wil zeggen, zoo bij benadering berekend, want geteld werden ze niet.

Frederik bleef echter heel bedaard staan en vroeg: "Hoe zóó dan? Wat meent gij? Ik wil hem eenvoudig de knoopen van zijne broek afsnijden; dat hebben wij altijd zoo gedaan, als wij er een stuk of wat gevangen hadden, toen ik nog tegen de vervloekte patriotten in Holland diende; en tegen den gauwdief "Dumouriez", onder den hertog van Brunswijk, na anno 90." En hij richt het woord tot mamsel Westphalen, zeggende: "Want, mamselletje, dan kunnen ze niet wegloopen, dan zakt hun de broek op hun knieën."

"Schaam je wat, Frederik, om mij zoo iets te zeggen! Wat heb ik met de broek en de knieën van den Franschman te maken? En van zoo'n aanblik wil ik hier niets weten, en geen mensch zal zeggen, dat hier in de studeerkamer van Mijnheer den baljuw zoo iets onfatsoenlijks te zien is geweest. Neen, we willen liever overleggen, waar wij met den kerel zullen blijven."

Toen dringt de molenaar Voss naar voren en wil zich op de borst slaan, maar hij slaat meer naar beneden op de maag en zegt: "Blijven? Wat blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger, en wie daarvan wat weten wil, die kome maar hier!" En hij kijkt hen allen beurtelings aan, en toen niemand iets daarop antwoordde, klopte hij den Franschman op den schouder, zeggende; "Broeder, ik neem je meê."--"Dat is ook het beste," zegt mamsel Westphalen, "dan zijn wij hem kwijt. Mijnheer Droi, vat eens aan!"--En de één van de "grande nation" pakte den ander van de "grande nation" aan de beenen, en Frederik vatte hem boven aan het hoofd;--Frits Sahlmann droeg het licht, mamsel Westphalen kommandeerde het geheel, en de molenaar kwam, een' kleinen boog beschrijvende, achteraan.

"Zie zoo," zegt Frederik, "nu maar achterin, in den wagen!--Zoo, lig daar nu maar stil!--Frits Sahlmann, span jij de paarden eens in! En gij, mijnheer Droi, help mij, om er den molenaar op te krijgen; maar pas goed op, dat hij de balans niet verliest, want ik ken hem, dan tuimelt hij omver."

Zoodra nu de molenaar, zit, vraagt Frederik: "Wel, is alles aan boord?"--"Alles aan boord!" zegt mamsel Westphalen.--"Nu, dan maar ju!" zegt Frederik. Doch, nauwelijks is hij een paar schreden voortgereden, of de horlogemaker roept: "Alt! alt, Frederik!--Gij hebt vergisteren dat kameraad zijn cheval; dat staan in de logis voor de kleine poules!"--"Ja," zegt Frits Sahlmann, "'t staat in 't kippenhok." "Nu, haal het dan," antwoordt Frederik, "en bind het van achteren maar aan den wagen."

Dit gebeurt dan ook, en terwijl zij nog daarmede bezig zijn, komt de oude baljuw van zijne wandeling in den tuin terug en vraagt, wat hier te doen is. "Niemendal," zegt mamsel Westphalen. "De molenaar Voss heeft den Franschman maar uitgenoodigd, om meê te rijden en van nacht op den molen te Gielow te blijven."--"Dat is eene andere zaak," zegt de oude heer.--"Adjuus, vrind Voss! Ik zal 't niet vergeten." De molenaar bromt zoo wat in zijn baard van heel mooi, vruchtbaar weder, en mamsel Westphalen fluistert Frits Sahlmann toe, dat hij vooruit moest loopen, en de sabel en den paardestaart van den Franschman uit de kamer van zijn meester gaan halen, dat hij die niet in 't oog kreeg: "Breng alles maar naar mijne kamer," zeide zij, "en leg 't achter mijn bed."

Frederik klapt nu met de zweep over de paarden en draaft den berg van het slot af, de Malchiner straat in, en hij zegt bij zich zelven: "Dit is het proefstuk: als de molenaar bij dezen weg en met zulk hard rijden op den zak blijft zitten, dan komt hij van avond ook alleen van den wagen af." Maar toen hij een eindje verder was en omkeek, lag de molenaar tusschen den voorsten en den achtersten zak in, en Frederik zeide: "Zonder hulp komt die niet weêr beneden." En hij haalde een paar zakken voor den dag en dekte hem die over 't lijf, opdat hij geen kou zou vatten.

Nu reed hij voort, en de paarden gleden stapvoets door den diepen weg, en in den duisteren avond, en allerlei gedachten kwamen bij Frederik op. Vooreerst viel hem in, wat de molenaarsvrouw vroeger eens gezegd had, toen de molenaar alleen zóó was aangekomen, en wat ze nu wel zeggen zou, als hij met nog een er bij, zoo thuis kwam; en wat molenaar's Fieken er wel van zeggen zou; en hij schudde met het hoofd en zeide: "Goed loopt het zeker niet af."--En ten tweede viel hem in, dat het ook om dezen tijd van het jaar geweest was en in zoo'n duisternis, toen hij voor zeven en een half jaar van de Pruisen uit Prenzlau gedeserteerd was, en dat hij ook toenmaals, totdat hij in 't Stavenhager rechtsgebied was doorgedrongen, onder den blooten hemel had gelegen en zich met doornstruiken had toegedekt.--En, ten derde, viel hem in,--en toen dat hem inviel, knarste hij op de tanden,--hoe hij met den hertog van Brunswijk in Frankrijk geweest was; niets aan het lijf, niets in het lijf, als den rooden loop, en hoe de Franschen hem gejaagd en gesard hadden, en hoe zoo velen zijner kameraden op den landweg waren blijven liggen, en ook zijn besten vriend, Christiaan Kräuger, en dat het volk geen medelijden had. "En de beide mooie bruinen," sprak hij bij zich zelven, "hebben ze mij ook afgenomen, en ik moet nu rijden met twee oude half kreupele knollen; en die moeten zich hier nog in dien diepen weg, met zoo'n karnalje vogel van een maraudeur aftobben, die niet eens een fatsoenlijk militair is?--Vervloekte patriotten!--Gauwdief.--Dumouriez!"--Dat waren zijne eenige vloeken als hij boos was.--"Ho! ho!" riep hij en sprong van den wagen af, en ging achterom en maakte den klinkhaak los van 't achterdeel van den wagen;--daarop pakte hij den Franschman bij de beenen; trok hem halverwege uit den wagen, bukte er met zijn schouder onder en droeg hem over een sloot naar het Stavenhager bosch waar hij hem onder een beuk nederlegde.--"Ja" zegt hij, toen de Franschman zich daar een weinig begon te bewegen, "dat is je zeker een beetje vochtig, maar je bent van binnen vochtig, waarom dan ook niet van buiten?" En hij zag naar boven, naar de lucht, en sprak: "Voor in 't laatst van Februari is 't een mooie, warme nacht, en als ook de koekoek juist niet zingt, zoo heb ik hem toch verleden zomer in dezen beuk hooren zingen, en,--zoo God wil, zingt hij hier van 't jaar weder."--En toen de Franschman min of meer rilde, alsof hij het koud had, sprak hij: "Niet waar, broertje! 't is een beetje koel en 'k zou je hier nu mooi kunnen toedekken met een geducht pak slagen en daar zou geen haan naar kraaien; maar ik wil je toonen, dat ik een christelijk hart heb." Dit zeggende, gaat hij naar den wagen, haalt een paar armen vol stroo en werpt dat over hem heen, met de woorden: "Nu, adjuus! Meênemen doe 'k je niet; waarom zouden de molenaarsvrouw en Fieken zich over je ergeren?" Hij klimt nu weêr op den wagen en rijdt zachtkens naar huis.

Niet ver van den molen maakt hij den molenaar wakker, spreekt hem moed in en zegt: "Molenaar! ga rechtop op den zak zitten, ik help er u straks af." De molenaar richt zich op en zegt: "Ik bedank u wel, mijnheer de baljuw!" En hij keek verwilderd rond, waar hij was, en vroeg, wat dat voor een paard was, dat achter den wagen hing, en toen hij een weinig tot bezinning gekomen was, voelde hij naar beneden, achter in den wagen en vroeg: "Frederik, waar is de Fransoos?"--"Ja, waar is die!" zeide Frederik en hij hield voor de huisdeur stil en sprong van den wagen en hielp er den molenaar af, eer de vrouwen met licht kwamen. Zijn meester kwam met moeite de deel op en de molenaarsvrouw liep hem te gemoet en vroeg: "Wel, vader, hoe is 't afgeloopen?"--De molenaar sukkelt over den drempel van de deur de kamer binnen, legt zijn hoed en handschoenen op de tafel en gaat een paar keeren in de kamer op en neêr: waarbij hij de reet zeer strak in 't oog houdt, en zegt: "Dat is een zware gang!"--"Dat zie ik," zegt de molenaarsvrouw.--Fieken zat aan de tafel en naaide linnengoed.--En de molenaar ging weder trotsch heen en weer en vroeg: "Ziet gij niets aan mij?"--"Genoeg," antwoordde zijne vrouw. "Ge hebt weêr bij den bakker Witt gezeten en hebt je zorgelijke omstandigheden vergeten en je vrouw en kinderen, en zijt aan 't drinken geweest."--"Zoo? Denkt ge dat? Laat mij je dan zeggen, dat de verstandigste mensch zich kan vergissen. Neen! ik heb met mijnheer den baljuw en den burgemeester en een Franschen generaal, of zoo iets, broederschap gedronken, en de baljuw heeft mij gezegd, dat hij er met dank aan zou denken, want dit was voor 't vaderland. En, Fieken, jou zeg ik, gooi je niet weg! Dat heb je niet noodig!--De koopman van Malchin had je voor mijn part kunnen trouwen; maar dat wou je immers niet!"