Twee vroolijke geschiedenissen

Chapter 3

Chapter 34,330 wordsPublic domain

Hiermede gaat hij met den molenaar naar de herberg terug en vraagt hem: "Wel nu? Heb je het gezien?"--"Ja," zegt de molenaar, "die is naar den aard.--Hoe heb je dat aangevangen?"--"Op eene zeer eenvoudige manier," zegt de smid.--"Heb je ze opgesloten?"--"Neen!"--"Heb je ze geranseld?"--"Neen, ook niet!"--"Nu, wat heb je dan gedaan?"--"Dat zal ik je zeggen," antwoordt de smid. "Al in onze vrijage zocht ik er achter te komen, van welk stuk goed zij het meeste hield, en toen werd ik gewaar, dat het eene kleine mooie roode zijden doek was, en eens bij gelegenheid, dat wij ontbeten hadden, en de tafel een beetje heel erg met ganzenvet besmeerd was, veegde ik met haren mooien doek de tafel af. Nu, kan je wel denken, hoe zij tegen mij uitvoer! Ik sloeg echter mijn arm om haar midden, kuste haar en zeide: "Fieken, ge hebt mij immers! Wat is aan zoo'n doek gelegen? Zoo'n doek krijgt ge wel weder; maar iemand, die zoo veel van u. houdt, als ik, dien vindt ge van uw leven niet meer."--Nu, zij berustte er dan ook in, en toen wij naar het Tetterowsch schuttersfeest gingen, won zij eene vaas, eene mooie vaas; en toen zij zich daarover zeer verheugde, nam ik de vaas en ging er wat onachtzaam mede om,--paf!--liet ik die op de steenen vallen. Nu begon zij een weinig te schreien; maar ik kuste haar en zeide: "Houd daarmede op, Fieken, 't is beter, dat de vaas in stukken is gevallen, dan dat ik een arm of een been had gebroken, want ik moet ons leven lang voor ons het brood verdienen." En eindelijk brak ik haar nog drie tanden uit haren kam; toen begon zij al te lachen en zeide: "Ik ben benieuwd, of ge mij met de Tetterowsche najaarsmarkt weder een nieuwen zult schenken. Nu dat gebeurde dan ook, en zoo is het dan ook gebleven; zij is met alles tevreden.--Maar ik moet naar binnen en mijn solo spelen."

De smid ging alzoo in de herberg en speelde solo; maar na verloop van een half uur kwam de kastelein binnen en zeide: "Smid, kom eens naar buiten! De molenaar Kieviet staat voor de deur en ziet er erg toegetakeld uit."--De smid Wolf gaat alzoo naar buiten! en ziet dan ook zijn zwager met een opengereten gezicht en een dik oog, en is niet weinig verbaasd en vraagt: "Zwager Kieviet, wat scheelt er nu aan?"--"Ja dat mag je wel zeggen!" zegt de molenaar, "dat komt van de vervloekte histories die jij me verteld hebt."--"Hoe zoo?" vroeg de smid.--"Wel, vraag je dat nog!" zegt de molenaar. "Ik had je malle geschiedenis goed genoeg onthouden, en denk zoo bij mij zelven: wat bij de ééne zuster geholpen heeft, kan immers ook bij de andere helpen; het is altijd eens te probeeren. Ik ga dus naar huis, en mijne vrouw staat voor den spiegel hare haren op te maken om naar de pachtersvrouw op koffievisite te gaan, en op de tafel ligt hare beste muts, en ik dacht bij mij zelven: "dat tref ik gelukkig!" en neem de muts en denk: als ik die nu in het vuile zeepwater in de waschkom doop, dan kan zij goed worden. Nu, ik doe dat, en zij ziet zeker in den spiegel wat ik voornemens ben, en eer ik er nog het minste erg in heb, krabbelt ze mij in het gezicht, en toen ik zeg: "Marieken, ge hebt mij immers, en eene muts krijgt ge gemakkelijk weder!" toen roept zij: "Ja, ik heb jou! En de muts zal ik je behoorlijk inpeperen!"--"En zie eens!" zegt de molenaar en trekt zijn hand van voor het blauwe oog weg, zóó heeft ze me toegetakeld, en dat door jou vervloekte vertelsel."--"Jou domoor zegt de smid, "heb ik je niet gezegd, dat ik dat stukje vóór de bruiloft heb uitgevoerd? Wat vóór de bruiloft helpt, helpt niet na de bruiloft."

"En dat is nu de geschiedenis, mijn zoon," zeide mijn oom Matthijs, en stond op:--"als ge verstandig zijt, dan kunt ge er een voorbeeld aan nemen."

Ik stond ook op en ging naar het venster, en liet mij de geschiedenis door het hoofd gaan, en keerde mij eindelijk om en zeide: "Eene dwaze geschiedenis, oom! Gij hebt anders wel betere geschiedenissen verteld."--"Ja," zeide de oude lachende, "omdat ik je anders de toepassing er dadelijk bij gaf, en hier moet je die zoeken."--"Gij zult toch niet gelooven," zeg ik, "dat ik de muts van mijn meisje in een waschkom zal doopen en met haren zijden doek de tafel zal afvegen?"--"Gij kunt het toch eens probeeren," zeide de oude snaak lachende.--"Nu," zeg ik, "dat ontbreekt er nog aan, dan zou ik er eerst mooi inzitten."--De oude glimlacht nu steeds bij zich zelven, en terwijl ik zoo denk: oude lieden zijn wonderlijk; als 't regent gaan ze op het hooien uit, zegt hij: "Jongen, hoe oud zijt ge dan nu wel?"--Van mijn ouderdom hoorde ik, nu ik aan 't vrijen was, niet gaarne praten, en ik denk bij mij zelven: "Ha, ha! Begint gij al weder met de peper? en ik vroeg: "Waarom vraagt gij dat?" "O," zegt hij, "ik meen maar zoo."--"Dan wil ik je zeggen," zeg ik een weinig kort af, "dat ik den zevenden November laatstleden een en veertig jaar geweest ben."--"Alzoo," zegt hij, "hebt ge de vier kruisjes achter den rug?"--"Ja," zeg ik, "is u dit niet naar den zin?"--"Wat mij betreft!" zegt hij.--"Mij valt daarbij het spreekwoord in: "wie in de twintig jaren niet mooi is, in de dertig niet sterk, in de veertig niet wijs, en in de vijftig niet rijk, die kan het maar laten blijven; van zoo iemand komt niets terecht. En gij schijnt mij in de veertig nog niet wijs te zijn."--"Oom Matthijs," zeide ik, en richtte mij trotsch overeind, "die mij voor dom aanziet, die bedriegt zich," en daarbij moet ik wel een zeer dom gezicht gezet hebben, want mijn oom lachte en zeide: "En ge kunt niet te min voor u zelven geene toepassing uit de geschiedenis maken!--Jongen, dat is ook maar eene gelijkenis!--Wat de smid met den doek en de vaas en den kam heeft uitgericht, dat past niet voor u, dat weet ik wel. Gij moet het natuurlijk anders aanleggen. Bij voorbeeld: gevoelt ge u wel in staat, op uwe jaren nog vóór de bruiloft een stuk of drie mooie gekke streken uit te voeren?"--"Gekke streken?" vroeg ik.--"Gekke streken!" zegt mijn oom. En ik ga de kamer op en neêr en overleg de zaak en draai mij eindelijk om en zeg: "Ja; ik geloof, oom, dat ik er in allerijl nog een paar kan klaar krijgen."--"Voer ze dan uit," zegt mijn oom.--"En gij meent dat ik daardoor baas in huis zal blijven?"--"Ik geloof het, mijn jongen.--Gekke streken--geen slechte!--Zie, als zij dan knorrig begint te worden, dan valt gij haar om den hals en kust haar recht hartelijk en zegt: "Houd maar op! Zie die grap maar over het hoofd, zie liever op mijn hart, dat behoort u en slaat voor u van nu af tot in alle eeuwigheid.--En dan, jongen," liet hij er op volgen, "dan kunt gij ook nog den voetval te pas brengen, want,--je moogt zeggen, wat ge wilt,--die behoort er nu eenmaal bij."

Ik overlegde nu de zaak van alle kanten en zeide eindelijk tot mij zelven: "Hij is uw moeders broeder, en ge moet daarin zijn zin eens doen en er eens een paar proefjes van nemen!" En ik deed het ook werkelijk.

Ik zou nu hier de grappen kunnen vertellen, die ik uitgericht heb, maar ik zal 't liever laten. Het kon ongelukkigerwijze gebeuren, dat de vertelling mijne vrouw ter oore kwam, en zij kon er dan wellicht achter komen, dat al deze grappen met overleg geschied waren, en dat zij in hare goedheid was beet genomen, en zij kon zeggen: "Halt! dit spel gold niet; gij hebt niet eerlijk gespeeld. Ik zal de kaarten eens schudden.--Zie zoo! ik heb de vóórhand, en nu speel ik uit! Beken deze en beken die! en nu willen we eens zien, of gij aan het hoogste bod zijt!"

Maar menigmaal, wanneer zij nu als mijne vrouw zoo stil en vlijtig om mij heen bezig is en voor mij allerlei zorgen heeft, en mij met vriendelijke toegevendheid behandelt, dan denk ik toch zoo bij mij zelven: "Schaam u, dat gij bedriegelijk zijt te werk gegaan!" En ik zeide onlangs tot mijn oom: "Weet ge wat? Ik vertel haar, hoe het met die gekke streken vóór de bruiloft gegaan is."--"Plaagt je de drommel?" vroeg mijn oom. Ieder rechtschapen man moet af en toe een goeden gekken streek en een goeden kwinkslag maken; maar hij mag ze zelf niet weder vertellen, want dan verliezen ze alle beide hunne kracht.--Ge leeft immers te zamen gelukkig; wees daarmeê tevreden."--"Ja," zeg ik, "dat zegt gij wel; maar het is mij menigmaal te moede, alsof wij nog gelukkiger konden zijn, indien zij in alles de baas was."-"Mijn zoon," zeide mijn oude oom Matthijs en legde zijne hand op mijn schouder: Al het geluk, wat op deze aarde bestaanbaar is, valt nimmer aan één enkel mensch te beurt; vergenoeg u met dat, wat gij hebt. En wat den echtelijken staat betreft, hebt gij den ouden Jochem Smit nog gekend?--Den ouden Jochem Smit meen ik, die met zijne oude vrouw tachtig jaar oud werd, en kort daarna met haar te zamen op eenen schoonen zomer-zondagmorgen werd begraven.--Nu, die zeide eens tot mij,--want ik versta niets van die zaken:--"heer wachtmeester," zeide hij, "de echtelijke staat is als een appelboom; daar zit iemand in en plukt en plukt; maar de mooiste en roodste appelen zitten in den top, zoodat haast niemand er bij kan. Wanneer nu iemand onverstandig is, en met geweld de appelen krijgen wil, dan neemt hij een stok en slaat de mooie appelen er af, maar soms ook slaat hij te gelijk de takken af, waaraan de beste knoppen zitten, die de meeste vruchten voor de toekomst beloven; de verstandige man laat ze rustig zitten en wacht tot den laten herfst, dan vallen ze hem van zelf in den schoot en dan smaken ze veel zoeter.--En daarom, jongen," voegde mijn oom er bij, en zijn oud ernstig gezicht zag er daarbij bijzonder trouwhartig uit, "stoot dien rooden appel niet vóór den tijd van den boom en wacht tot den herfst,--dat duurt toch zoo lang niet meer,--en wanneer gij uwe vrouw den laatsten mooien appel brengt, vertel haar dan ook de historie van uwe gekke streken vóór de bruiloft; gij zult zien, dat zij er zich dan vroolijk over maakt."

UIT DEN FRANSCHEN TIJD.

EERSTE HOOFDSTUK.

Waarom de molenaar Voss geen bankroet kan maken, en hoe hij mijnheer den baljuw in grooten nood bijstaat.

Gedoopt ben ik, en ik heb ook peetooms gehad, vier stuks. En als mijne vier peetooms nog leefden en met mij over de straat gingen, dan zouden de menschen stil blijven staan en zeggen: "Kijk, wat zijn dat stevige kerels! Naar zoo'n soort kan men tegenwoordig lang zoeken; dat zijn nog degelijke peetooms!" En één was er onder hen, die was een hoofd langer dan de anderen en stak boven hen uit, zooals Saul boven zijne broeders; dat was de oude baljuw Weber. Hij had een netten blauwen rok aan, en eene geelachtige broek en hooge glimmend gepoetste laarzen. En al was zijn aangezicht ook van de pokken geschonden, zoodat hij er uitzag, alsof hij met zijn gezicht op een' manden stoel had gezeten,--op zijn hoog voorhoofd stond geschreven, en ook uit zijne blauwe oogen kon men 't lezen: "Geen menschenvrees, maar wel vrees voor God!" En hij was een kerel van stavast.

's Morgens tegen elf uren zat hij midden in de kamer op een stoel, en zijne lieve vrouw bond hem dan een' witten, ouden mantel om den hals, wat ze toen een purgeermantel noemden, en bepoederde hem en bond zijn haar van achteren bij elkander en draaide er een net staartje van.

Dat was nu juist niets bijzonders, en onze vrouwen draaien ons achter onzen rug ook nog dikwijls een aardig staartje;--maar zóó een, als de vrouw van den baljuw draaide, dat krijgt het tegenwoordige geslacht niet meer gedaan. Want, als de oude heer 's middags, onder de kastanjeboomen, in de schaduw ging wandelen, dan keek het aardige kleine ondeugende staartje zoo fideel en kittig boven den kraag van den blauwen rok uit en 't zeide tot elk, die het hooren wilde: "Ja, kijk maar goed! Wat denkt ge wel? Ik ben maar 't uiterste puntje van zijn hoofd en ik wip al zoo vroolijk de wereld in, nu kunt ge u voorstellen, hoe vroolijk 't er van binnen uitziet."

Wanneer ik soms eene boodschap van mijn' vader te bezorgen had, en het er goed had uitgekregen, dan tikte hij mij op het hoofd en zeide: "Fiks, jongen! als een geweerslot! Dat moet niet lang haken en knarsen en kraken; als je 't afdrukt, moeten er de vonken ook uitspringen.--Ga nu naar mamsel Westphalen en laat die je een appel geven." Tot mijn vader zeide hij dan: "Kindlief! gij zijt zeker ook blij, dat ge een' jongen hebt. Jongens zijn beter dan meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig. Goddank, ik heb ook een' jongen; ik meen mijn' Jochem."

Mijn vader zeide tot mijne moeder: "Weet ge, wat de oude baljuw zegt? Jongens zijn beter dan meisjes." Ik stond in de kamer en hoorde dat, en zeide natuurlijk: "Ja wel," zeide ik, "mijn peetoom heeft altijd gelijk; jongens zijn beter dan meisjes, en alles moet gaan naar verdienste en waardigheid." En ik nam het grootste stuk ketelkoek en gaf mijne zuster het kleinste, en ik had niet weinig verbeelding van mij zelven, want ik wist nu immers, dat ik een groot stuk van een' kleinen appel was.--Maar dat zou niet zoo blijven; de zaak nam eene andere wending.

Op zekeren dag,--'t was in den tijd, toen dat gemeene gespuis, die Franschen, uit Rusland terug gekomen waren, en toen er bij ons al wat beweging begon te komen,--klopte iemand aan de kamer van mijnheer den Baljuw. "Binnen!" riep de oude heer en binnen kwam de oude molenaar Voss uit Gielow, met den verkeerden kant het eerst, en hij maakte eene buiging, die drommelsch scheef uitviel, alsof hij den baljuw, vóór alle dingen, eerst moest laten zien, van welke soort van goed het kruis van zijne broek gemaakt was. "Goeden dag, mijnheer de baljuw!" zeide hij. "Goeden morgen, molenaar!" zeide de oude heer.--Nu, al gebruikten zij ook verschillende tijden van den dag bij hun groeten, ze hadden toch beiden, ieder op zijne manier, gelijk: want de molenaar stond 's morgens klokke vier op, en bij hem was 't na den middag, en bij den baljuw was 't vroeg in den morgen, want hij stond te elf uren op. "Wat wil je, molenaar?"--Want de molenaars werden toen nog jij en jou genoemd.--"Wel, mijnheer de baljuw, ik kom tot u wegens eene zaak van belang.--Ik woû u maar kennis geven, dat ik nu ook bankroet wou gaan."--"Wat wou je, vriendlief?"--"Bankroet gaan, heer baljuw."--"Hm, hm!" bromde de oude heer, "dat is immers eene desperate zaak." En hij krabt zijn hoofd en gaat in de kamer op en neder. "Hoe lang woon je al in 't Stemhager [4] rechtsgebied?"--"Dat wordt met toekomenden Sint-Jan drie en dertig jaar."--"Hm, hm," bromt de baljuw verder, "en hoe oud ben je, molenaar?"--"Met den erwtenoogst word ik vijf en zestig jaar; 't kan ook mogelijk wezen, dat het zes en zestig is; want onze oude domeneer Hammersmid, die was niet zeer voor de kerkboeken en de domeneersjuffrouw, die 't schrijfwerk overnam, liet dat altijd een jaar of drie oploopen, omdat dan de schrijverij eerst de moeite waard was, en dan ging zij eens op een namiddag door het dorp en schreef de kinderen op:--maar dat ging dan altijd meer naar de lengte en naar de dikte, dan naar den ouderdom, en mijne moeder zei altijd, dat zij mij een jaar te kort gedaan had, omdat ik een achterlijk kind was. Maar, van vijf en zestig behoef ik mij niets te laten afnemen, daar ben ik wis en zeker van."--De oude baljuw heeft ondertusschen op en neêr loopende met een half oor geluisterd en staat nu voor den molenaar stil, kijkt hem scherp in de oogen en zegt barsch: "Molenaar Voss, dan ben je veel te oud voor je plan."--"Hoezoo dat?" vraagt de molenaar geheel ontsteld."--"Bankroet maken is eene moeielijke zaak; dat krijg jij op jou jaren niet meer gedaan."--"Denkt gij dat, heer baljuw?"--"Ja, dat denk ik. Wij zijn daarvoor beiden te oud, dat moeten we aan jongelieden overlaten.--Denk eens na, wat zouden de menschen zeggen, als ik bankroet woû maken? Ze zouden zeggen: de oude baljuw op het slot is gek geworden," en hij legde hem vertrouwelijk de hand op zijn schouder, "en zij zouden gelijk hebben, vrind Voss! Nu, wat dan?"--De molenaar kijkt naar de punten zijner laarzen en krabt achter zijne ooren: "De waarheid is 't, mijnheer!"--"Wel," vraagt de oude heer, en hij schudt den molenaar zoo'n beetje aan de schouders: "Waar drukt de schoen je dan? Wat kwelt je dan voornamelijk?"--"Kwellen? zegt gij, mijnheer de baljuw!" riep de molenaar uit, en 't was, als had hem eene bij achter 't oor gestoken, zóó krabde hij: "Villen, mijnheer, moet gij zeggen, villen!--De jood! de vervloekte jood! En dan de prinses, mijnheer de baljuw! de vervloekte prinses!"--"Zie je wel, molenaar? dat is ook een hansworstestreek van je, dat je, op jou jaren, je met een proces ophoudt."--"Och, mijnheer, toen ik dat begon, was ik nog in de goede jaren, en ik dacht ook, dat ik 't nog bij mijn leven zou klaar krijgen; maar ik merk wel, dat zoo'n prinses één langeren adem heeft, dan een eerlijke molenaarslong kan uithouden."--"'t Loopt nu toch, als ik het wel heb, haast ten einde."--"Ja, mijnheer de baljuw! maar dan loopt het mij dood, want mijne zaak zal wel slecht staan, en de avekaten hebben ze verbroddeld, en de zoon van mijn vaders broeder, den ouden Jochem Voss, de jongen, die nu alles erven zal, dat moet een listige knaap zijn, en de menschen zeggen immers, dat hij er op gezworen heeft, mij van het goed van Borchert te Malchin af te zullen smijten.--En, mijnheer de baljuw! ik heb toch eene rechtvaardige zaak voor, en hoe ik aan een prinses gekomen ben, dat weet ik op 't oogenblik nog niet, want de oude vrouw Borchert, toen zij nog leefde, was de tante van de dochter van de zuster van mijne moeder, en Jochem Voss, die mijn neef was..."--"Ik weet het geval," sprak mijnheer de baljuw, "en, als ik je een raad mag geven, tracht dan tot eene schikking te komen."--"Dat kan ik niet, mijnheer! Onder de helft doet Jochem's lummel het niet, en als ik die betalen moet, dan ben ik een bedelaar.--Neen, mijnheer de baljuw, 't mag gaan zoo 't wil, toegeven doe ik niet, dan zoek ik het tot bij den hertog.--Zoo'n lummel, zoo'n kwast, die met zijn vaders geld in den zak kan gaan en trekken, waarheen hij wil, en den toestand niet begrijpt van een mensch, die een huisgezin moet onderhouden in deze slechte tijden; hij, wien de verdoemde schurken, de Fransozen, zijn vee niet hebben afgenomen en zijne paarden niet uit den stal gehaald en zijn huis niet geplunderd hebben, die wil zich op mij wreken?--Mijnheer de baljuw, gij vergunt mij wel, dat ik niet buig voor zoo'n bengel, en neem 't mij niet kwalijk, als ik onbescheiden ben."--"Molenaar Voss," zegt de oude heer, "wees bedaard, molenaar Voss! Het proces komt immers ook eens ten einde! want het is in vollen gang."--"In gang, mijnheer de baljuw? Neen, 't is in den zwaai, zooals de duivel zei, toen hij den bijbel aan de zweep gebonden had en om zijn kop rondslingerde."--"'t Is waar, vrind Voss, 't is waar! Maar dit kan u intusschen op 't oogenblik toch niet zoo drukken."--"Drukken?--Zeg liever klemmen, mijnheer!--klemmen, dat een mensch het bloed onder de nagels uitkomt.--Die jood, mijnheer de baljuw, die driemaal overgehaalde jood!"--"Welke jood is dat?" vraagt de baljuw. En de molenaar draait zijn' hoed in zijne hand rond, en hij ziet zoo halverwege om, of hem ook iemand hoort en gaat zóó met slependen tred dichter naar den ouden heer toe, legt de hand aan zijn' mond en fluistert half overluid: "'t Is Itzig, mijnheer de baljuw." "Foei!" zegt de oude heer, "hoe komt gij aan dien kerel?"--"Mijnheer de baljuw, hoe komt de ezel aan zijne lange ooren? Sommigen gaan om aardbeien te plukken en bezeeren zich aan een' brandnetel, en de koster van Gagelow meende, dat hij zijn kruiwagen vol heilige engelen had, en toen hij boven op den berg kwam, en dacht, dat ze nu zouden gaan vliegen, toen zat er het grootje van den duivel in, en grijnsde hem aan, en zei: "Vader, wij spreken elkaâr wel nader!"--In mijn grootsten nood, toen de vijand mij alles afgenomen had, heb ik twee honderd daalders van hem geleend, en nu heb ik sinds twee jaar van termijn tot termijn altijd moeten onderteekenen, en de schuld is opgeloopen tot vijfhonderd daalders, en overmorgen moet ik ze betalen.--"Molenaar, heb je dat onderteekend?"--"Ja, mijnheer de baljuw."--"Dan moet je 't ook betalen. Wat geschreven is, is geschreven." "Wel, mijnheer de baljuw, ik dacht...."--"'t Helpt je niets: wat geschreven is, is geschreven."--"Maar, de jood...."--"Molenaar, wat geschreven is, is geschreven."--"Ja maar, mijnheer de baljuw, wat moet ik dan daaraan doen."--De oude heer ging in de kamer rond en wreef zich het hoofd en zag den molenaar dan weder zoo recht ernstig aan, en de molenaar keek hem weder evenzoo aan, en eindelijk zeide hij: "Molenaar, jongelieden kunnen zich uit zulke ongelegenheden beter helpen dan oude; stuur één van je jongens eens bij mij."--De oude molenaar keek weder naar de punten van zijne laarzen en keerde zich zoo wat half om. Toen zeide hij met een stem, die den ouden baljuw door merg en been ging: "Och, mijnheer, wien zal ik sturen? Mijn Jochem heeft zich dood gemalen, en Karel hebben de Franschen verleden jaar meêgenomen naar Rusland, en hij is niet teruggekomen."--"Molenaar," zegt de oude baljuw, en hij strijkt den ouden molenaar hierbij langs zijn rug: "Heb je dan in 't geheel geen kinderen?"--"Ja, mijnheer de baljuw," zegt hij, terwijl hij zijne oogen afwischt, "nog zoo'n klein deerntje."--"Ja," antwoordt de oude heer, "vrind Voss, ik heb het niet erg op de meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig."--"Dat zijn ze, mijnheer! ze zijn teemachtig!" "En in zulke omstandigheden kunnen zij je niets helpen, molenaar!"--"Wat zal er dan van mijne zaak worden?"--"Executie, oude vriend; de jood zal alles wat je hebt, laten wegdragen."--"Nu, mijnheer de baljuw, dat heeft de Fransoos al tweemaal gedaan, dan kan de jood 't nou ook eens probeeren. De molensteenen zal hij wel laten liggen. En om bankroet te maken, denkt gij, dat ik te oud ben?"--"Ja, mijn goede vrind."--"Nu adjuus dan, mijnheer de baljuw." Daarop ging hij heen.

De oude heer blijft nog eene poos staan en ziet den molenaar na, terwijl hij het slotplein overgaat, en hij zegt bij zich zelven: "'t Is eene harde zaak voor den éénen ouden man, om den anderen zoo van lieverlede door de slechte tijden en door de nog slechtere menschen te gronde te zien gaan. Maar wie kan hem helpen? Het eenige is, hem tijd te laten winnen.--Vijfhonderd daalders!--Wie heeft tegenwoordig vijfhonderd daalders? Ik geloof, als ik den ouden Roggeboom, te Scharpzow, niet medereken, dat ik dan het gansche Stemhager rechtsgebied wel 't onderste boven zou kunnen keeren en de stad er bij, en dan kwamen er nog geen vijfhonderd daalders uit; en Roggeboom doet het niet. Met paschen zou 't mogelijk gaan, maar zoo lang zal de jood niet wachten. Ja, ja! Voor oude lieden is 't een slechte tijd!"

Terwijl hij nog zoo uit het venster ziet, wordt het buiten, op het plein, zeer levendig, en Fransche jagers rijden de poort in, en de een stijgt van zijn paard en bindt het aan de klink van mamsel Westphalen's kippenhok en gaat terstond daarop naar binnen, naar de kamer van den ouden heer, en begint hem daar wat voor te sakkerbleuen en met de armen te zwaaien, terwijl de oude heer heel bedaard blijft staan en hem aankijkt.--Toen dit echter erger werd en de Franschman de blanke sabel uithaalde, ging de baljuw naar de schel en riep om Frits Sahlmann, die zijn calefactor was en de loopende zaken moest bezorgen, en zeide: "Frits, loop eens naar den burgemeester en vraag, of hij niet eens gauw bij mij zou willen komen, want dat ik weêr uitgepraat ben."

Frits Sahlmann komt nu bij mijn' vader en zegt: "Mijnheer de burgemeester, kom toch eens gauw meê naar 't slot; 't loopt anders van mijn leven niet goed af!"--"Wat is er dan te doen?" vraagt mijn oude.--"Op het slotplein houden zes entfaamte Fransche gauwdieven stil, en die de overste van hen is, die is binnen bij den ouden heer en heeft alle respect vergeten en de blanke sabel getrokken en zwaait hem daarmeê voor de oogen en de oude heer staat vóór hem, recht overeind en hij verroert of beweegt zich niet, want hij verstaat net zooveel van 't Fransch, als een koe van den zondag."--