Twee vroolijke geschiedenissen
Chapter 2
Daar zat ik nu in 't donker en ergerde mij inwendig. Toen ging de deur open, en mijn oom kwam binnen. "Goeden avond!" zeide hij. "Hoe zit gij hier zoo in de duisternis?--Steek licht aan!"--Dit is de eenige keer in mijn leven geweest, dat ik mijn moeders broeder niet gegroet heb; ik stond echter op en stak licht aan, en zag er zoo zuur uit, als een zoute haring, die veertien dagen in azijn gelegen heeft.--"Wat scheelt u?" vroeg hij.--"Niets!" zeg ik kortaf, ik dacht echter: 't is mijn moeders broeder! en liet er op volgen: "Ik ben niet in mijn schik!"--"Ik zeer," zeide hij, en daarbij zag hij er zoo vroolijk uit, als een oude ezel, die veertien dagen bij gladde haver op stal gestaan heeft.--"'k Heb weêr met haar gesproken," zeide hij.--"Wat gaat het mij aan," zeg ik.--"Hoe moet ik dat verstaan?" vroeg hij en legde zijne beide armen op de leuningen van den leuningstoel en keek met den neus daarover heen, mij strak in 't gezicht: "Ik heb de zaak zoo fijn bewerkt, zoo fijn! dat een hond er om zou jammeren, wanneer daar niets van kwam, en nu wilt gij niet?"--"Neen," zeg ik. "Oom, ik wil niet! Meent gij, dat ik u den room zal laten afscheppen en ik mij met de zure melk zal tevreden stellen? Want daarover zijn ze 't allen eens,--zie maar hier! Amalia Schoppe, geboren Weise, en Elize von Hohenhausen, geboren von Ochs, en al de anderen, die over dit onderwerp geschreven hebben--"het schoonste bij het trouwen is het verkeer van verloofden vóór de bruiloft," en dat pleizier eigent gij u toe, en ik zal toezien hoe ge mijne liefste op punch en koeken tracteert?"--Mijn oom neemt de geboren "Weise" en de geboren "von Ochs" en smijt ze in den hoek van de canapé en gaat voor mij staan en zegt: "Ik vraag je voor het laatst, of gij het meisje trouwen wilt of niet?"--"Neen," zeg ik.--"Nu," zegt hij en keek mij lang aan met zulk een ernstig gezicht, alsof hij zoo even zijn testament gemaakt had en nu nog zijn' naam wilde teekenen, "nu het meisje zal door mij geene schade te lijden hebben, want ik zal ze trouwen." En daarmede ging hij met een fieren tred de deur uit.
Dat was me nu een geschiedenis!--In 't eerst stond ik geheel verbluft, vervolgens viel ik in den hoek van de canapé op de geboren "Weise" neder en lachte overluid. Mijn oom, die ruim twintig jaar ouder was dan ik, durfde eene zaak ondernemen, waartoe mij op mijne jaren de courage bijna begon te ontzinken!--Ik wilde nu weder in lachen uitbarsten, maar 't wilde niet meer vlotten, want mijn hart was niet zonder zorg: en hoezeer ik mijn gezicht breed genoeg vertrok, het kwam tot geen lachen, toen ik mij nu met het domste gelaat van de wereld in den spiegel te zien kreeg, sprong ik overeind en ging met groote schreden de kamer op en neêr, en maakte mij niet weinig boos en sloeg op de tafel en sprak: "Hij doet het, hij is er toe in staat."
Toen vrouw Bütow kwam, werd zij natuurlijk om onderscheidene redenen beknord, en toen ik haar behoorlijk had terecht gewezen, ging ik naar de club, en speelde omber en zeide steeds tot mij zelven: "Dat kunt ge zoo toch maar niet laten gaan," en speelde solo's, die hoegenaamd niet op de wereld bestonden, en verloor ze, en zeide dan weder: "Gij zult u dien harten toch niet laten ontnemen!" en nam de schoppen en werd codille.
Ik ging verdrietig naar huis, begaf mij te bed en wilde slapen, maar ik kon niet. Ik kwelde mij den ganschen nacht, want ik kon mij dat lieve kind niet meer uit de gedachten zetten,--zij had mij betooverd,--en de kerstavond viel mij in, en de vrees, dat ik in mijn leven geen kerstboom zou versieren. Wanneer ik dan tot mij zelven zeide: "zet het maar door!" dan vlogen mij al mijne bedenkingen als een bijenzwerm door het hoofd, en voor mijne oogen stond altijd een groot vraagteeken, en wanneer ik mij dat wilde verklaren, dan beteekende het steeds: "Ja, maar wil zij ook?"
Dit kon niemand beter beantwoorden, dan zij zelve,--zooveel zag ik in,--en toen nu de grauwe wintermorgen in mijne koude kamer begon aan te breken, en ik van koude rilde, terwijl ik koffie zette, zeide ik: "Nu weet ik, wat ik te doen heb! Wat zijn moet, moet zijn!" En ik zeg aan vrouw Bütow: "vrouw Bütow," zeg ik, "ga eens naar den koopman Bohnsacken en koop voor mij een paar fijne gele handschoenen, zooals de jonge heeren advokaten steeds dragen, als zij eens heel veel willen beteekenen.--Maar mooie gele!"
Tegen elf uren had ik nu mijn zwarten rok, zwarte broek en glimmende laarzen en de nieuwe gele handschoenen aan, en eer ik mijn hoed opzette, ging ik voor den spiegel staan en zeide met recht: "Hoe is 't mogelijk! Dat had ik zelf niet meer kunnen denken!" Ik wierp nog een blik in mijne kamer rond en zeide: "Zóó zal 't dan nu hier niet blijven!" Ik keek eens in mijne oude pantoffels, die voor het bed stonden, en zeide: "Jelui zult ook raar staan kijken, als het gelukt, en binnen kort een paar kleine, nette pantoffeltjes bij je komen logeeren."
Ik ga nu de straat af en kom het huis van mijn oom Matthijs voorbij en denk: "Eerst met de gansche wereld vrede gemaakt, alvorens iemand zulk een' gang doet!" Want het was mij om 't hart, alsof ik mijn laatsten gang ging volbrengen. Ik klop alzoo aan zijn' deur en treed binnen.
Nu, ik heb al veel in de wereld gezien; ik heb eens gezien, dat een kerel vuur vrat; ik heb eens gezien, dat iemand vlas vrat en een mooi zijden lint uit zijn keel haspelde; maar zoo iets wonderlijks is mij nog nooit onder de oogen gekomen, als in het oogenblik, toen ik op dien morgen mijn oom Matthijs te zien kreeg.
Daar stond hij in zijne kamer, even mooi opgeschikt als ik, behalve dat zijn zwarte rok een groen jachtbuis was, en dat zijne gele handschoenen van hertsleder waren, en de mijne van schapeleder, en dat zijne witte knevels links en rechts, als een paar heldere ijskegels, langs zijn mond afhingen, en de mijne naar boven opgedraaid waren en zich in alle mogelijke nuances vertoonden.
"Oom!" riep ik, toen ik binnenkwam, en mijn hoed rolde voor mij uit de kamer in, zoo was ik ontsteld.--"Jongen," riep hij, "wat wilt gij?"--"Wat wilt gij?" riep ik.--"Ik wil dat, wat gij niet wilt!" zegt hij.--"Neen, ik wil weêr!" riep ik. "En ik ben maar eens even," voegde ik er bij, "hier in dezen opschik naar u toegekomen, om u te zeggen, dat ik nu mijn besluit genomen heb, en om u te vragen, of gij weder mijn lieve oude oom wilt blijven."--"Wilt gij dat?" zeide hij, en zette zich in zijn leuningstoel neder, en zag mij met een veelbeteekenenden blik aan. "Nu, dan wil ik u maar zeggen, dat ik ook in dezen opschik bij u wilde komen, om u een weinig schrik aan te jagen. Ik weet dat uit den tijd toen ik soldaat was: zoo een weinigje schrik, dat schudt den mensch goed wakker en doet hem zijne krachten inspannen; want dan komt het eergevoel mede in 't spel.--"En, jongen," zeide hij en stond op en legde mij de hand op den arm, "ik wil je niet in den weg staan en ik wil den helderen hemel van je geluk niet verduisteren, want dat lieve kind is voor jou geboren, en dat meisje is goed!" En daarbij kneep hij mij in den arm met zijne oude breede vuist, dat ik dacht: "Als zij zóó is, dan is zij meer dan goed."
Mijn oom ging nu heen en haalde een glas van zijn ouden portwijn en zeide: "Kom hier mijn jongen, eerst iets ter versterking!--En, hoe zult gij de zaak nu aanleggen?"--"Ja," zeg ik, "als ik dat wist!"--"Zet eens je voet hier op den stoel," zegt hij. "Wat moet dat?" vroeg ik. "Niets, niemendal," zegt hij, en knipt de souspieds van mijn broek af: "met een voetval moet gij toch beginnen, en die dingen konden u daarin hinderen." "Nu," zeg ik, "gij maakt een mooi begin."--"Zooals 't behoort, behoort het ook," zegt hij. "Ik heb het van mijn leven niet zelf ondervonden, maar ik heb het altijd zoo op afbeeldingen gezien. Wat zegt gij er van?--Wacht! Ik wil je helpen!" en daarbij maakte hij haastig zijne ouderwetsche commode open, en frommelde in de lade rond, waarin hij zijn heiligste schatten had. En--al zijn leven! Daar kwam hij met zijn album te voorschijn.--Dat kreeg men zelden te zien, en wanneer hij het in handen nam, gebeurde dit alleen 's avonds, als alles heel stil was. Dan trok hij eerst schoon linnen en zijn beste kleêren aan en zette rechts en links een paar lichten op de tafel, sloeg, diep in gedachten verzonken, blad voor blad om, las de verzen en hield met zwarte kruisjes het dooden-register in orde. Den anderen morgen was hij dan zeer weemoedig gestemd. Onlangs kwam hij naar mij toe, en zeide: "Zoo veel ik weet, is er nog maar één in leven, dat is Christiaan Bunger, de zoon van den ouden snijder Bunger, die vlak naast mijne ouders woonde. Gij zegt, niet waar? Dat hij kommies te Parchen moet zijn, en als God mij het leven laat, dan wil ik hem dezen zomer eens bezoeken."
"Hier!" zeide hij, toen hij het album voor den dag gehaald en op de tafel gelegd had, "ga hier zitten en zoek een vers uit en leer dat van buiten. Daar staan er in, die voor gebeden zouden kunnen dienen; dus zal er ook wel één voor het beste meisje op aarde in te vinden zijn."--"Oom," zeide ik en nam het album in de hand en bladerde er in, "ik weet, wat ik doe: ik spreek zóó, als mijn hart het mij zal ingeven, en het is mij dezen morgen zoo bijzonder wèl om het hart."--"Ook goed, mijn jongen," zeide mijn oom, "en wellicht nog beter. Doch maak dan nu voort! Maar wacht eens even!" liet hij er op volgen, toen ik mij omdraaide om te gaan, "het witte bandje van je voorhemdje hangt je een halve el langs den rug!" En hij stopte dat eind band onder mijn das en gaf mij zijnen zegen: "Zie zoo! Ga met God!"
Ik ging dus, maar toen ik de huisdeur uitkwam, werd er boven mij gehoest, en toen ik naar boven keek, lag mijn oom Matthijs uit het venster, en knikte en wenkte mij toe, en telkens, als ik in de lange straat omkeek, dan knikte hij en wuifde met zijn roodbonten zakdoek uit het venster, zoodat angst en vrees mij bekroop, dat de menschen merken zouden, wat er tusschen ons beiden aan de hand was.
Nu zou ik hier eene treffende geschiedenis kunnen vertellen; maar ik zal mij wel in acht nemen.--Zoo gemakkelijk, als dit in romans beschreven wordt, gelukt zulk eene zaak in de werkelijkheid niet. Onder honderd begaan negen en negentig, op dezen gang, de kluchtigste dwaasheden, en wanneer er ook al honderd als de gelukkigste minnaars terugkeeren, zullen toch negen en negentig tot zich zelven zeggen: "Geve de lieve hemel, dat wij niet weder in het geval komen; als wij echter voor de tweede maal die zaak moesten ondernemen, dan zouden wij het verstandiger aanleggen."
Na anderhalf uur kwam ik dan weder terug, tot over de ooren toe gelukkig, en ik zal er ook wel naar uitgezien hebben; en daar ik mij in mijn eenzaam leven als jonggezel de dwaze gewoonte had aangewend, in mij zelven te praten, zoo kon ik bij bedaard nadenken het de menschen niet kwalijk nemen, dat zij voor mij, toen ik de straat kwam afgaan, een weinig uit den weg gingen en mij strak nakeken, of mijne beenen wellicht ook zóó gestikuleerden als mijne handen.--Toen ik nu niet ver meer van het huis van mijn oom was, ijlde hij mij al te gemoet en viel mij om den hals, want hij had gedurende die anderhalf uur achter de huisdeur op de loer gestaan, en riep: "Zwijg maar stil! Vertel mij maar niets! Ik weet alles! En wanneer is de bruiloft?"--Ik zocht hem te bedaren en zeide: "Zwijg toch! Ten minste op straat!" nam hem onder den arm en trok hem mede naar mijn huis. Maar toen wij daar binnen kwamen en vrouw Bütow juist de tafel dekte, toen kon hij zich niet langer goed houden, toen speelde zijn gansche hart solo in de kleur, en toen de vrouw hem aankeek, straalden uit zijne oogen niets dan troeven, en hij wees met den duim over de schouders naar mij heen en zeide: "Ziet ge hem daar, vrouw Bütow? Daar staat hij,--mijn zusters zoon! Die is nu ook al aan 't vrijen, zoo goed als de besten!" en toen vrouw Bütow kwam en mij feliciteerde en weten wilde, wie de gelukkige was, had ik al weder genoeg te doen om haar tot zwijgen te brengen; en toen zij weg was, zeide hij, terwijl hij zeer van ter zijde mij aankeek, dat ik een huichelaar, een verstokte was en een slecht hart moest hebben, dat ik zulk een geluk zoo lang verzwijgen kon.
Ik moest nu gaan zitten en hem vertellen hoe het gegaan was. Hij werd dan nu ook vriendelijker en knikte met het hoofd en zeide: "mooi!"--en weder schudde hij met het hoofd en zeide, dat dit niet geheel naar zijn zin was, en toen ik uitverteld had, stond hij op, en zette een gezicht gelijk de hemel in den hooitijd, als hij niet recht weet, of hij de zon zal laten schijnen of het zal laten regenen; hij schudde en knikte, en knikte en schudde, en eindelijk zeide hij: "wat hem betrof, hij zou het toch vrij wat beter gemaakt hebben;" en vroeg toen, bij welk vers van dit hoofdstuk ik den voetval had gedaan. Ik moest nu bekennen, dat die in het geheel niet te voorschijn was gekomen. Toen nam mijn oom Matthijs zijn' hoed en zeide: "Nu, dan wensch ik je smakelijk eten! En houd u aan 't geen gij hebt; wat daarna komt, daar valt niet veel op te rekenen.--Gij hebt veel te vroeg koning gekraaid; de zaak is nog lang niet in orde; een voetval behoort bij iedere verloving en de zaak gelukt niet, wanneer ze niet met de beide knieën bezegeld is. Het zal mij ten minste in het geheel niet verwonderen, als de koop eerstdaags komt te vervallen.--Volg een ander maal beter mijn raad!"--En zoo vertrok hij.
Niettemin begon nu voor mij een heerlijk mooie tijd, een heerlijk mooie tijd! Ik zou ook hiervan weder veel kunnen vertellen, maar zal er liever niet aan beginnen. De hoogste vreugde en het diepste leed moet men niet iedereen aan den neus hangen; en hoewel ik nu gaarne geloof, dat allen, die dit lezen, fatsoenlijke en bezadigde menschen zijn, de een of andere hansworst kon er toch onder gevonden worden, die te mijnen koste er den gek mede stak; en dat zou mij dan toch zeer hinderen.
Maar bij iederen degelijken honigkoek behoort een weinig peper, en daaraan zou het mij nu en dan ook niet ontbreken. Eerst strooide mijn oom Matthijs af en aan eenige korreltjes er bij; doch toen hij zag, dat de zaak stand hield, en toen hij zelf bij de familie mijner aanstaande bruid op visite geweest was, en zich bij die gelegenheid tot zijne tevredenheid van het vischkoken overtuigd had, spaarde hij zijne specerijen en greep diep in zijn' honigpot--te diep! zeg ik--want nu schilderde hij aan alle menschen, die hem wilden aanhooren, mijn geluk zoo zoet af, dat in mijn honigkorf weldra eene menigte vliegen gonsden, zoodat ik mij niet wist te bergen, en er spoedig zoo vele kluchten van mij verteld werden, als ware ik alleen ten genoegen van iedereen niet slechts een Brüjam, maar ook een Brüdjam geworden [1]. Ik werd geplaagd, waar ik mij liet zien. Op vijf pas grijnsde mij iedere kwast op straat na, en als ik dan vroeg, wat dat grijnzen te beduiden had, dan zeiden zij allen, alsof zij het afgesproken hadden: "O, niets, niemendal!"--Wanneer ik nu en dan 's avonds in mijne oude damclub kwam,--want dit had ik mij dadelijk voorgenomen, dat ik onder geenerlei omstandigheden dit gezelschap er aan geven wilde, vooreerst, omdat het zeer met mijne neiging overeenstemde; en ten tweede, omdat ik het voor mijne vorming zeer voordeelig achtte;--nu, wanneer ik er dus eens heenging, was het me daar een gefluister en gesis, en dan stieten ze elkander aan; de een maakte heel bedekt fijne, en de ander heel onbewimpeld grove zinspelingen, en zij vertelden elkander allerlei geschiedenissen, wat deze vóór de bruiloft gezegd, en wat gene na de bruiloft gezegd had, en wat de herder tot zijn hond gezegd had; en als ik er mij dan boos over maakte, en vroeg, wat zij daarmede bedoelden, en of dat hekelen op mij zag, dan zeiden zij allen: "De hemel beware ons! We meenen dat maar zoo."--En wanneer ik nu 's avonds deswege niet naar de damclub ging, dan begon vrouw Bütow, die wauwelaarster, en strooide mij steeds heel kleine, fijne snuifjes in den neus en in de oogen: of dat zóó moest? of dat het zóó moest? Zij wist immers niet, hoe ik dat nu hebben wilde. En zij was eene oude vrouw en had in haar leven al bij veel heeren gediend, maar nog bij geen, die op het punt van trouwen stond; ik moest daarom geduld met haar hebben, want de zaak werd nu immers toch spoedig anders. En wat het schoonmaken aanging, daarin gaf zij mij volkomen gelijk, dat was voor mijne aanstaande bruid niet goed genoeg, want zooals zij gehoord had, was die als eene prinses opgevoed en had in haar leven geen vinger in koud water gestoken; maar haar oogen waren al te oud voor ieder vlokje stof. En als de juffrouw mij eerstdaags bezoeken wilde, kon zij dat immers doen; zij voor haar persoon had daar hoegenaamd niets tegen, en over het spinrag aan de zoldering en het stof op de commode zou zij immers niet vallen, en over den kleinen afzonderlijken hoop vuil, dien zij gemakshalve in den eenen hoek van mijne kamer had verzameld, zou zij zich juist ook de beenen niet breken. En als ik 's avonds vuur wilde hebben, dan moest ik dat maar zeggen,--zij kon dat toch immers niet weten,--ik was immers altijd naar de damkroeg gegaan, waarom dan nu ook niet? En daarop ging zij vóór de opening van de kachel zitten blazen, en de kolen gloeiden tegen hare dikke bolle wangen, zoodat ik haar niet kon aanzien, of ik moest steeds denken: "'t Is zonde! ik weet zeer goed, dat dit mijne vrouw Bütow is, eene christelijke weversweduwe; waarom moet ik dan bij haar altijd aan de hooge personages denken, die diep, zeer diep beneden ons wonen op een plek, waar het zeer heet moet zijn? En waarom valt mij bij haar blazen altijd in, dat mogelijker wijze op die plek ook iemand zit, die kolen aanblaast, om mijn schoon huwelijksgeluk een weinigje op te stoken!"
Hieruit kan iedereen nu opmaken, dat bij mij nog niet alle bezwaren uit den weg geruimd waren, en ze zouden nog erger worden.
Toen ik namelijk op zekeren namiddag van mijne verloofde kwam, hoorde ik op straat al in de verte een groot rumoer; de menschen zagen uit de vensters, en voor eene huisdeur stonden er al eene heele hoop bijeen, die naar de stoep keken. Toen ik nu juist de deur wilde voorbijgaan, vloog de bontwerker Obst over zijn onderdeur heen, zoo als een biljartbal soms over den band komt gesprongen, en komt op handen en voeten in de goot terecht.--"Mijn hemel! broertje," zegt zijn buurman Gräun, "hoe komt gij daar beland!"--"Ja, dat moogt ge wel zeggen!" zegt de bontwerker, "mijne vrouwlui hebben er mij uitgegooid."--"Waarom dat?" vraagt de ander--"Ja, broêr," zegt de bontwerker, terwijl hij overeind krabbelt, "dat zal ik je zeggen: mijne vrouw wil, wat ik wil, en dat wil ik niet."
Daar mij nu dit geval niets aanging, ging ik maar verder en dacht zoo bij mij zelven: het is toch een koddig gezegde! Wat zou de kerel daarmeê toch bedoeld hebben? "Mijne vrouw wil, wat ik wil, en dat wil ik niet." 'k Zal er oom Matthijs eens naar vragen.
Ik ga dus naar hem toe en vertel hem de zaak en deel hem het gezegde mede en vraag: "Oom, wat meent de kerel daarmeê?"--"Hm!" zegt hij en stapt nadenkend de kamer op en neêr, "en de kerel was van zijn vrouwvolk er uit gegooid, zegt gij?" "Ja," zeg ik, "hij zeide het althans zelf."--"En hij zat in de goot?" vroeg hij verder.--"Ja," zeg ik, "daar zat hij in."--"Nu," sprak mijn oom, nadat hij zich eene wijle bedacht had, "dan zal dat ook wel de waarheid zijn, en zijne vrouw heeft hem er dan stellig wel uitgesmeten, en dan is het gezegde aldus te verstaan: Mijne vrouw wil baas in huis zijn, en ik wil ook baas in huis zijn, en aan den wil van mijn vrouw wil ik niet toegeven.--Maar," liet hij er op volgen, "wanneer zij in het huis is blijven staan en hij heeft vóór het huis in de goot gelegen, dan zal zij wel baas in huis zijn."
Ik weet het niet, maar het werd mij na dit gesprek zeer verdrietig en angstig te moede. Uit dit oogpunt had ik mijn voornemen nog niet bekeken. "Oom," zeide ik, "gij kent mij toch en kent haar immers ook; wat meent gij dan wel, wie van ons beiden baas in zijn huis zijn zal?"--"Ja," zegt hij, "zij ziet er mij in het geheel niet naar uit, alsof zij gaarne vóór de huisdeur in de goot zou zitten; ik geloof, dat zij liever binnen blijft."--"Wel verduiveld!" zeg ik.--"Nu, zoo erg," zegt oom Matthijs, "zal zij het nu wel niet maken, maar zoo'n beminnelijk vrouwelijk bewind,--gelijk de menschen dat noemen,--zal zij wel over u uitoefenen, gij zult wel een beetje aan haar leiband moeten loopen, en hoe klein de hakken van haar pantoffeltjes zijn, zal men later op uw rug wel kunnen lezen."
"Bang maken beduidt niets!" zeg ik, "ik zal haar na de bruiloft bij het eerste schepel rogge wel wennen."--"Verlaat u daar niet op!" zegt mijn oom. "Kent gij het spreekwoord niet:
"Vóór de bruiloft wen je bruid: Na de bruiloft is het uit."
"Neen," zeg ik, "dat is mij geheel onbekend!" En ik zette een gezicht daarbij, alsof mijn oom mij verteld had dat zij mij tot Paus gemaakt hadden.--"Nu, ga dan zitten," zegt hij, ik zal je eene historie vertellen."--"Vertel op!" zeg ik. "Doch laat de toepassing maar weg! Daar ben ik al te oud toe."--Wees maar niet bang!" zegt hij. "De toepassing zal je lieve vrouw wel op zich nemen, als gij mijn raad niet zult volgen."
Ik zette mij dus naast mijn oom neder, en hij begon te vertellen.
"Te Rümpelmanshagen, waar ik mijne eerste leerjaren als kluitentrapper [2] heb doorgebracht, woonden toenmaals twee jonge flinke kerels, de een heette Wolf en was smid in het dorp, en de ander heette Kieviet en was molenaar. De smid was een slimme vos en verstond zijn ambacht; de molenaar was minder bij de hand, maar hij had geld.--Nu ging met der tijd in het dorp het praatje: "Jongens, hebt ge 't al gehoord? De smid en de molenaar gaan beiden om Fieken en Marieken uit, de dochters van den schout en ze praten al van de bruiloft tegen St. Maarten."--En dat kwam ook zoo uit, zij trouwden beiden op St. Maarten, en de oude schout richtte eene bruiloft aan van stavast; en wij, jongelieden van het landgoed waren ook daarop verzocht, en ik weet het nog als den dag van heden, hoe vroolijk het er toeging, want onze boekhouder Lodewijk Brookman goot mij 's morgens eene houten kan vol bier over mijn hoofd uit en zeide, toen ik boos werd: "'t Is maar een grap!"
Na de bruiloft ging het dan nu ook alles in liefde en vrede; maar dat duurde slechts korten tijd. Toen werd er in het dorp gemompeld: "Jongens, hebt ge 't al gehoord? De molenaarsvrouw slaat haren man."--En dat was ook zoo.--Eens op een zondag-namiddag kwam de molenaar bij den smid, die in de herberg zat en solo speelde, en de molenaar zei: "Nu, wat je van avond zal overkomen, dat weet ik al."--"Hoe zoo?" vraagt de smid en staat op en gaat met zijn zwager naar buiten.--"Och kom," zegt de molenaar, "hou je maar niet zoo onnoozel! We zijn er beiden mooi ingeloopen."--"Als gij mijne vrouw bedoelt," zegt de smid, "dan moet ik je zeggen, ik heb een goeden huurder."--"Ja," zegt de molenaar, "als ze niet te huis is."--"Ga met mij mede!" zegt de smid. "Ik heb gisteren een varken geslacht en gij weet, dat mijn vrouw veel van "swartsur" [3] houdt.--Ik zal het bewijs leveren." Zij gaan daarop naar de woning van den smid, en toen zij daarvóór staan, roept de smid! "Fieken!"--Zijne vrouw kijkt uit het venster en vraagt: "Wat wilt ge van mij?"--"Fieken!" zegt de smid, "neem eens den grooten schotel met "swartsur" en smijt dien het raam uit, hier op straat."--"Wat?" vroeg zijne vrouw. "Smijt den schotel met "swartsur" op de straat neêr."--"Dadelijk!" zegt Fieken, en in een ommezien vliegt de schotel de deur uit, juist zóó als dezen morgen de bontwerker. "Goed zoo!" zegt de smid Wolf. "En nu, Fieken, smijt nu ook den pot met het andere "swartsur" er uit.--Dat gebeurde nu ook, en de smid zegt: "Mooi, Fieken! en laat je den tijd niet lang vallen, als ik van avond wat laat te huis kom."