Twee vroolijke geschiedenissen

Chapter 19

Chapter 192,139 wordsPublic domain

En wat was 't een gejuich, en wat was 't eene heerlijkheid, wanneer de eene moeder aan de andere vertelde: "Zeg eens, nicht! mijn Jochem is er ook bij geweest, en hij heeft geschreven, dat hij er gelukkig afgekomen is." En Hendrik had ook geschreven, en Frederik had zijne groeten laten doen. En toen dat in Stavenhagen bekend werd, ging het van mond tot mond: "Wel, die goede Frederik! Laat hem maar loopen! Dat is een oud gediende!" En iedereen sprak van den ouden Frederik en zóó heeft zich, van lieverlede, in mijne vaderstad Stavenhagen, de overlevering verbreid, dat de oude onderofficier Frederik Schult eigenlijk den slag bij Leipzig gewonnen had; hij had aan zijn' overste, Warburg, gezegd, hoe 't gedaan moest worden, en die had het aan den adjudant van den ouden Blücher gezegd, en de oude Blücher had gezegd: "Frederik Schult heeft gelijk!" Dat had hij gezegd!

Maar ook deze tijd vol gejubel en vol twijfel, vol vrees en vol hoop, was voorbij, en het schoone voorjaar was gekomen, van 't welk ik hierboven gesproken heb. En op zekeren dag was eene mooie koets den weg naar het slot opgereden en de menschen zeiden, dat het op het slot feestelijk toeging. Frits Sahlmann kwam den eenen dag in de stad en vertelde, dat het met mamsel Westphalen wel spoedig gedaan zou wezen; want als dat acht dagen zoo voortging, dan zou zij zeker nog maar in de graten hangen, en de gasten zouden, naar hij zeide, acht dagen blijven. Den anderen dag kwam hij weder en vertelde, dat mijnheer de baljuw al klokke negen was opgestaan en het venster had opengemaakt en gezongen had, met zijne natuurlijke stem gezongen!--en de vrouw van den baljuw had achter hem gestaan en had hare handen ineengeslagen; en hij,--Frits Sahlmann,--moest vele komplimenten doen aan mijn' vader en mijne moeder, en, zoo het mogelijk was, moesten zij van middag komen eten. Op den derden dag werd ik netjes aangekleed en naar het slot gezonden: vele komplimenten aan mijnheer den baljuw en aan mevrouw, en aan de logeergasten en zij werden verzocht op thee en een avondbroodje, mamsel Westphalen ook, en mijne moeder stampte het mij behoorlijk in, dat ik tot de jonge dame altijd "genadige vrouw" moest zeggen.

Toen ik binnenkwam en mijne boodschap overbracht, zat mijnheer de baljuw op de kanapé en naast hem zat een oud heer, die er zeer ernstig uitzag, en de baljuw zeide tot hem: "Dat is mijn peetekind, dat is burgemeesters Frits." En de vreemde heer werd vriendelijker en ik moest hem de hand geven en hij vroeg mij naar 't een en ander. Terwijl ik nog bij hem stond, werd de deur geopend en binnenkwam--de Fransche overste Von Toll, en hij had zijn arm om eene jonge, beeldschoone vrouw geslagen; dat was zijne "genadige vrouw." Ik keek den overste aan en 't was mij, alsof ik hem al meer gezien had, en daar de mensch, als hij in 't onzekere is, juist niet het verstandigste gezicht vertoont, is mij dit toen zeker ook wel zoo gegaan, want zij lachten beiden en toen ik de komplimenten van vader en moeder had uitgestameld, zeiden zij, dat zij komen zouden; de vreemde dame streek met hare hand over mijn hoofd en zeide, dat ik stug haar had, en misschien ook wel een stuggen aard, en de baljuw zeide: "Daar kunt gij wel gelijk in hebben, kindlief, maar wat hij met zijn onbuigzaam hoofd misdoet, daar zal hij dan maar met een' weeken rug voor moeten boeten."

Dien avond ging het weêr heel feestelijk toe bij ons, maar 't was niet zoo vroolijk, als toen mijn oom Herse Julius Caesar voorstelde; en punch werd er ook niet geschonken, maar Marieken Wienk moest langkurk brengen; dat was toen de beste wijn, want geen mensch wist toen wat van grand vin château of champagne. De mannen spraken over den oorlog, en de vrouwen van de bruiloft, die morgen op den Gielowschen molen zou plaats hebben, en toen de gasten weggingen, keerde de overste zich naar mijn' vader toe en sprak: "Maar, mijnheer de burgemeester, niemand mag ontbreken van al degenen, die in dit stuk hebben medegespeeld!" Mijn vader beloofde hem, dat niemand ontbreken zou.

Den anderen middag gebeurde het weder eens, dat de oorlogs- en bagagewagen van den baljuw gesmeerd werd, en hij en zijn vriend Renatus Von Toll zaten er naderhand in en reden de Malchinsche poort uit. "Juffrouw Stahl," zeide mamsel Westphalen later: daar zaten zij beiden te zamen in het rijtuig en keken zoo vriendelijk en onschuldig in de wereld rond als een paar pasgeboren tweelingen. En, juffrouw Stahl, in de mooie koets der logeergasten had de genadige vrouw Von Toll, en de vrouw van den baljuw en de vrouw van den burgemeester en ik de eer te rijden; en de vrouw van den burgemeester had haar jongen, haar Frits, medegenomen en die bengel hing mij den heelen weg over, op 't lijf, zoodat mijne voeten begonnen te slapen, en als de huzaar-onderofficier Frederik Schult er niet geweest was, dan zou ik, bij 't uitklimmen, van de treê gevallen zijn. Dat komt van die kinderen, dat zeg ik."--En op een' grooten korenwagen zaten de bakker Witt en zijne dochter, en Luth en Fiek Besserdich en Frits Sahlmann, en mijnheer Droi, en van achteren in den wagen lag een hoop armen en beenen: dat waren de kleine Fransche kindertjes van mijnheer Droi. Mijn vader en de overste reden te paard. "Maar, waar blijft de raadsheer?" vroeg de overste. "Hij komt," antwoordde mijn vader, "maar wanneer en waar, dat mag de hemel weten, want toen hij 't mij verzekerde dat hij komen zou, knipte hij met één oog en trok een gezicht, wat ik van hem ken, en dat ik zijn "heimelijk gezicht" noem."

Toen mijnheer de baljuw aankwam, stond de molenaar Voss met eene zwarte manchestersche muts op het hoofd voor de deur, en zijne vrouw stond bij hem in een zwart kalaminken rok, en hij boog, en zij neeg, en de baljuw vroeg: "Wel, vriend Voss, hoe gaat het?" "Opperbest;" zeide de oude molenaar, terwijl hij de treê neêrsloeg.--Mijnheer de baljuw boog zich naar zijn vriend Renatus toe, en zeide: "Kindlief, de oude molenaar is tegenwoordig weder in goeden doen; hij is wijs geworden, en heeft er van afgezien, om zelf het bestuur te hebben en laat nu zijne Fieken huishouden."

Thans kwam de staatsiekoets. De dames klommen er uit; en Frederik droeg mijne moeder de kamer in; hij heeft haar naderhand nog dikwijls gedragen. De korenwagen hield stil; alles sprong eraf, alles ging in huis, ik meê, slechts de kleine Droi's liepen eerst naar den tuin en vielen op de onrijpe kruisbessen aan.

In de kamer stond de dominé; hij had al gewacht, en bij hem stond Hendrik met zijne Fieken. Wat was Fieken schoon! Wat is eene bruid toch schoon!--De dominé hield zijne trouwrede, zijne beste; hij kende er drie, en de eene was steeds mooier dan de andere, en daarnaar was ook de prijs ingericht. Die van "de kroon" was de mooiste en de duurste; ze kostte "een daalder en zestien groschen,"--dan kwam die van "het hert," tegen "een daalder," en eindelijk kwam die van "jammerlijk, ellendig ding,"--die kostte maar "acht groschen" en was voor den gemeenen man. Heden trok hij het groote register van "de kroon," uit; dat wilde de molenaar zoo hebben. "Domeneer," had de molenaar gezegd, "mijn Fieken wil absoluut dat het eene stille bruiloft wezen zal, en haar zin mag ze ook hebben, maar alles wat toch bij eene bruiloft behoort, dat moet van 't beste soort zijn."

En zóó geschiedde het ook. Toen de toespraak geëindigd was, ging de schoone genadige vrouw naar Fieken toe en gaf haar een kus, en deed haar een gouden ketting om den hals, waaraan een net plaatje hing en daarop stond de datum van den dag, waarop Fieken aan den overste verlof gevraagd had, bij haren vader te mogen gaan. De overste was bij Hendrik gaan staan, en toen hij hem de hand drukte, toen waren de oogen van den ouden vreemden heer zoo vriendelijk op hem gericht, dat de baljuw zijne hand vatte en tot hem sprak: "Kindlief, nu, wat dan?"--Hij wist misschien wel meer van de zaak dan iemand anders onder ons.

Nu ging men aan tafel. De bakkersdochter zorgde voor 't opscheppen der soep, en Luth diende het gebraad voor, terwijl Fiek Besserdich met de beide molenaars-deerntjes bedienden. Nauwelijks had de molenaar het eerste bord vol kippesoep gebruikt, of hij stond op, en hield eene indrukwekkende aanspraak tot zijne gasten, doch hij keek daarbij altijd slechts den baljuw aan. Hij had, zeide hij, het geheele gezelschap maar op eene bruiloft zonder muziek, zoo maar, dood eenvoudig, zonder komplimenten, uitgenoodigd; zijn Fieken had het zoo gewild, en de heeren en dames moesten 't niet kwalijk nemen, maar, al hadden zij ook geen muziek...--hier was 't gedaan met zijne aanspraak, want buiten barstte het eensklaps los: "Gisteren was neef Michel hier; neef Michel, die was gisteren hier," en toen de deur opengerukt werd, stond daar mijn oom Herse met zijne gansche kapel; hij had den dikken stok van den molenaar in de hand en sloeg de maat op een meelzak, zoodat de fluiters en trompetters hunne tonen als door eene mooie, witte zomerwolk heenbliezen.

Dat was een pret, dat was een leven! De overste sprong op, begroette mijn' oom vriendelijk en trok hem aan zijne zijde aan tafel, en mijnheer de baljuw fluisterde zijn' vriend Renatus toe, zoodat het geheele gezelschap het hooren kon: "Dat is de raadsheer, lief kind, van wien ik van morgen die zotte historie vertelde, van het kontrakt;--'t is anders een goede pleizierige man." En de oude molenaar trok de geheele kapel de kamer binnen, en de heilige Cecilia werd in den hoek gezet, en de kippesoep loste haar af, en vervolgens kwam "neef Michel" weêr, en die werd door 't gebraad afgelost, en zóó ging het steeds beurt om beurt. En toen het avond werd, was oom Herse weder met geheimen aan den gang; hij en zijn adjudant, Johan Heinz, waren in den donker, achter in den tuin, aan 't werk; eindelijk echter werden wij allen verzocht naar buiten te komen en er werd een vuurwerk afgestoken en 't had heel mooi kunnen worden; maar--'t was jammer, och, zoo jammer!--'t was wat te zwak, er moest bij geblazen worden, en dat was wat te sterk; 't vloog in de lucht, en 't was nog een zegen van den hemel, dat Frederik juist bij den mesthoop stond, toen die begon te branden, want anders had het slecht kunnen afloopen. Mijn oom Herse wilde echter zijne kunststukken doorzetten en had al weder een nieuw rolletje kruit genomen, doch de baljuw ging naar hem toe en zeide, dat het nu genoeg was; 't was heel mooi geweest, en hij bedankte hem zeer. Maar den volgenden dag zond hij den veldwachter door 't geheele Stavenhager rechtsgebied, en liet bekend maken, dat een iegelijk, die het zou durven wagen een vuurwerk in 't hertogelijke gebied af te steken, het zwaar te verantwoorden zou hebben.

Zoo eindigde de dag, en zoo eindigt ook mijn verhaal. De dag was vroolijk en iedereen was daarmede tevreden,--ik wenschte dat mijn verhaal ook vroolijk was en dat iedereen ook daarmede tevreden mocht wezen.

Maar, waar zijn zij gebleven, al de vroolijke en trouwe lieden, die in dit verhaal voorkomen? Allen dood. Allen dood! Allen slapen zij den langen slaap. Bakker Witt was de eerste, en de politiedienaar Luth is de laatste geweest; en wie is overgebleven? Wel, wij beide jongens, Frits Sahlmann en ik; en Fieken Besserdich.--Fieken Besserdich is werkelijk met den vlaskoppigen jongen van den ouden boer Freier getrouwd, en zit nu in goeden doen in Gulzow, op de eerste boerenhofstede aan de linkerhand. Frits Sahlmann is een flinke kerel geworden, en wij zijn altijd goede vrienden gebleven en indien hij 't mij kwalijk mocht nemen, dat ik guitenstreken van hem verteld heb, dan zal ik hem de hand toereiken en zeggen: "Kindlief, wat geschreven is, is geschreven; dat is niet meer te veranderen; maar, daarom moet ge toch niet boos blijven, hoor!"

AANTEEKENINGEN

[1] Hier is moeilijk het eigenaardige van het origineel terug te geven. Brüjam beteekent bruidegom en Brüdjam een geplaagde.

[2] Een scheldnaam voor landlieden.

[3] "Swartsur." Een in Pommeren en Mekklenbürg geliefkoosd gevecht van varkensvleesch, varkensbloed, gestoofde peren of pruimen, en zoogenaamde Klösse, eene meelspijs.--Vert.

[4] Stavenhager.

[5] Eene bepaalde soort van studentenstok.

[6] Buckmahl is het oorspronkelijke woord.--'t Is een windmolen op schragen,--waaronder men dus schuilen kan.--Vert.

[7] In die streken staat niet zelden een bakoven van het dorp op het open veld.--Vert.

End of Project Gutenberg's Twee vroolijke geschiedenissen, by Fritz Reuter