Twee vroolijke geschiedenissen

Chapter 18

Chapter 184,198 wordsPublic domain

't Was eene heimelijke kwelling en een heimelijke angst van alle kanten; doch eindelijk moest het openlijk aan den dag komen, toen de bakker Witt zijn tarwemeel hebben wilde. Hij had er om gezonden, hij had er om geschreven, nu kwam hij zelf en er ontstond veel getwist, en toen de bakker wegreed, sprak hij van gauwdieven en dreigde met aanklacht. Elke dag bracht nieuwe onaangenaamheden. Het paaschfeest naderde. Van de pachthoeven en uit de boerendorpen kwam veel koren, om meel te hebben op de feestdagen, de molenaar had voordeelige dagen, maar er was veel, veel onkruid onder de tarwe. De veldwachter kwam op den hof rijden om de zaak te onderzoeken; de molenaar vertelde allerlei dwaasheden van zijn kontrakt en van zijn recht. Daags vóór paschen kwam Itzig en haalde het laatste voer koren en de molenaar zeide bij 't middageten tot zijne vrouw en Fieken: "Zie zoo! van hem zijn wij af; hij heeft zijn geld."--Zijne vrouw en Fieken zwegen stil, en de molenaar vierde geen recht paaschfeest in zijn hart, want een blijmoedig geloof aan eene zekere toekomst wilde niet in hem verrijzen. En des daags na paschen kwam de veldwachter weder en ontbood den molenaar tegen den volgenden dag bij den baljuw en hij vroeg ook naar Frederik, en toen die kwam, zeide hij tot hem, dat hij ook bij den baljuw moest komen. "Als 'k wil," antwoordde Frederik en keerde zich eensklaps om, want het gezegde van den baljuw kwam hem in de gedachte: "dat zal ik niet vergeten, wat ge gedaan hebt."--"Als gij niet komt," zeide de veldwachter, "dan is dat voor uwe eigene verantwoording."--"Die heeren denken altijd," hernam Frederik, lachende, "dat als hunne pruimen rijp zijn, wij ze moeten plukken. Maar, ik wil in elk geval morgen naar Stavenhagen gaan, want mijn tijd bij den molenaar is om."--"Je zult je wel bedenken!" bromde de molenaar; "tot Sint-Jan heb ik je gehuurd."

Des anderen daags reed de molenaar met Frederik naar Stemhagen. Geen van beiden sprak een woord. Toen zij op de markt kwamen, wilde Frederik naar bakker Witt heendraaien.--"Halt," riep de molenaar, "daar wil ik niet heen; ik rijd bij Guhl aan."--"Wel, baas," zeide Frederik, terwijl hij van den wagen sprong en hem de teugels toewierp, "rijd er dan zelf naar toe, want ik ga bij Witt." En dit zeggende, ging hij weg. In zijne goede dagen zou de molenaar dit zeker niet geduldig hebben opgenomen; hij zou zijn knecht mooi terecht gezet hebben, zelfs, hoewel 't Frederik was; heden zeide hij niets: hij was de oude molenaar niet meer, hij zuchtte diep, reed bij Guhl voor de deur, stapte af zonder binnen te treden en ging naar het huis van den raadsheer aan den overkant.

Nauwelijks was de wagen van den molenaar den hof af, toen Fieken, in hare beste kleêren, bij hare moeder binnenkwam, die achter de kachel zat te schreien. "Moeder," sprak zij, "ik kan 't niet helpen, ik kan de gedachte niet verzetten, dat er vandaag veel gebeuren zal, ja! dat vandaag beslist zal worden, of wij op den molen blijven of niet. Vader heeft wat uitgericht, en, wat dat ook is...."--"Hij heeft het in zijn onverstand gedaan!" riep de molenaarsvrouw haar toe. "En daarom wil ik hem achterna gaan; ik wil mijnheer den baljuw bidden, of zijne vrouw, of iemand anders,--ik weet het ook nog niet,--de goede God zal mij immers wel den weg wijzen en de woorden ingeven." "Ga, mijn Fieken," sprak hare moeder.

Fieken ging. Zij kon den wagen nog vóór zich uit zien rijden; zij kwam in Stemhagen en ging, als altijd, naar het huis van Witt; zij vroeg naar den bakker; die was al naar den baljuw; toen liep zij de kamer in; daar zat Frederik en sprak met een soldaat, die een rood buis aanhad en met den rug naar haar toe zat. Frederik sprong op: "Dumouriez! Fieken, waar komt gij vandaan?"--De soldaat sprong ook op. Lieve hemel! Wat was dat? Dat was immers, zoo waar, haar Hendrik?--Ja, hij was 't, hij legde zijn arm om haar heen en zeide: "Fieken, mijne lieve, kleine Fieken! Kent ge mij niet meer?"--O, zeker kende zij hem nog; luidkeels riep zij uit: "Hendrik, Hendrik; jij onder de soldaten?" "Nu," riep Frederik haar toe; "Fieken, gij houdt u goed! Waar hoort eene flinke kerel tegenwoordig anders, dan onder de soldaten?" Fieken luisterde niet naar 't geen hij sprak, zij had te veel met hare gedachten te doen, en als in mijmering sprak zij de woorden: "Ach, God! en ook daaraan is mijn oude vader schuld! Wat is er toch met hem aan de hand? Wat beteekent dat alles toch?"

"Fieken," zeide Hendrik, "om mijnent wille behoeft hij zich geene verwijtingen te doen, en indien ik in 't eerst ook maar weg wilde,--'t was mij 't zelfde waarheen of waartoe;--nu is dat anders, nu weet ik eerst, waarvoor ik soldaat geworden ben, en waarvoor ik te velde trek; nu weet ik eerst, wat het zeggen wil, dat een kamerraad>kameraad zijn kameraad bijstaat, en dat een heel regiment, op leven en dood, voor 't vaderland te velde trekt. Zie! je weet, hoe ik over je denk, maar, als je me vandaag je hand zoudt willen reiken, dan kon ik ze niet nemen; ik moet meê; maar je hart neem ik met mij." "Zoo spreekt een kerel!" riep Frederik uit. "Goed, Hendrik!" zeide Fieken, "je hebt gelijk, en ga dus; maar als je terugkomt, mag je ons hier niet meer zoeken; het ongeluk hangt ons boven 't hoofd, en wie weet, hoe kort de molen ons nog huisvesting geven zal." "Och, kom Fieken!" zeide Frederik; "je vader heeft zich zelf onaangenaamheden berokkend; hij is, tot aan den hals toe, in 't water gegaan, maar daarom is 't nog niet noodig, dat de golven hem over 't hoofd klotsen; hij heeft nog goede vrienden, die hem de hand kunnen reiken." "Wie kan hem helpen?" zeide Fieken. Zij ging zitten, en liet de handen in haren schoot zinken. Niemand weet wat hij zich in het hoofd gezet heeft." "O," hernam Frederik, "Hendrik weet er wat van, hij heeft er van morgen zoo wat van hooren praten; en laat hij u dat maar eens vertellen, want ik moet nu ook naar den baljuw."

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarom de molenaar er bij blijft, dat geschreven is, wat geschreven is. Waarom mijnheer de baljuw Frits Sahlmann aan zijn oorlapje trekt, en mijn oom Herse steeds van zijn stuk geraakt. En hoe de geschiedenis heel mooi ten einde komt.

Hij ging, en Hendrik en Fieken bleven alleen.--Op het slot zat de oude baljuw met den poedermantel op den poederstoel; hij was verdrietig. "Netje," zeide hij, "de mantel zit mij te stijf om de keel." "Wel Weber, hoe kan die te stijf zitten?" "Netje, hij trekt me, en ik ben geen turksche pacha, die vooraf probeert, of 't pijn doet, als iemand zich met een' zijden koord verworgt."--"Nu, is 't zoo goed?"--"Hm, ja; maar dat is een verdrietige zaak." "Wat dan toch, Weber?" "Met den Gielowschen molenaar; de oude man is zeker gek geworden, wil ik maar zeggen, ofschoon zijne zaak zeer veel van misdrijf heeft." "Wat heeft hij gedaan?" "Wel, wat hij gedaan heeft? Al het koren heeft hij gehouden, wat de menschen hem gebracht hebben, om te malen, en naderhand moet hij 't aan Itzig verkocht hebben. Waar kijk je naar, Netje?" "Och, ik zie hem daar juist met den raadsheer Herse aankomen." "Met den raadsheer Herse?" riep de oude heer; hij stond op, en keek ook uit het venster. "Wat wil de raadsheer Herse, Netje?" "Hij praat immers met den molenaar." "En heel druk praat hij met hem, Netje!" sprak de oude heer, en zijn gelaat helderde geheel op, en een vroolijke glimlach speelde om zijn mond; "Goddank! nu zal ik den molenaar van slechtheid kunnen vrijspreken; het zal op eene dwaasheid neêrkomen, want de raadsheer is meê in 't spel." "De raadsheer is toch zoo'n goede, eerlijke man." "Dat is hij, Netje, maar, hij doet ook soms dwaze dingen; dwaze dingen doet hij soms!" Dit zeggende ging mijnheer de baljuw naar de gerechtszaal.

Vóór de gerechtszaal stonden de pachter Roggeboom, de bakker Witt, de schout Besserdich, en nog wel een dozijn anderen, die allen den molenaar aangeklaagd hadden. Toen deze nu, met den raadsheer, tusschen hen door ging en zijne beste vrienden tegen zich zag optreden, zakte hem het hart in de schoenen; en toen zij hem allen ontweken en hij zijne beschimping in hunne oogen kon lezen, werd hij angstig te moede; hij moest zich aan den arm van den raadsheer vasthouden en zeide zacht: "Mijn lieve mijnheer Herse, mijn lieve mijnheer Herse, ik ben zoo akelig." Zoo iets is aanstekelijk; mijn oom Herse werd ook akelig. Voor de eerste maal, gedurende al den tijd, dat die zaak aan den gang was, begon er een duister voorgevoel in hem op te rijzen, dat hij zich waarschijnlijk in ongelegenheid brengen zou. Alles, wat hij, ten voordeele van den molenaar spreken wilde, draaide verward door zijn hoofd, en toen de oude Voss in de gerechtszaal werd binnengeroepen en hij medeging was hij geheel en al den tekst kwijt en zelfs zijn deftig voorkomen begon hem bijna te begeven, toen de oude baljuw zeer ernstig de vraag tot hem richtte: "Wat verschaft mij de eer u hier te zien, mijnheer de raadsheer?"

Mijn oom Herse was bijzonder ver in juiste antwoorden; doch, men moest hem tijd laten; hij moest altijd eerst een grooten omweg maken, eer hij tot de zaak zelve kwam; deze vraag was hem al te veel op den man af, en de oude heer zag er hem te strak uit; hij mompelde dus zoo wat tusschen de tanden van notarius publicus en gerechtelijken bijstand voor den molenaar. "Bijstand?" vroeg de oude heer, en eene kluchtige uitdrukking kwam op zijn gelaat. "'t Is goed mijnheer Herse, ga zitten, als ik u verzoeken mag, en hoor toe."--Mijn oom Herse ging dus zitten, en dat was een geluk voor hem, want hij kon, onder 't zitten, beter nadenken en ook beter tot zich zelven komen. En zoo dacht hij dan na, en kwam tot zich zelven. "Molenaar Voss," vroeg de oude heer, "hebt ge van dien--en dien--en dien--koren om te malen gekregen?" "Ja mijnheer de baljuw." "Waar is dat koren gebleven?" "Dat heb ik aan Itzig verkocht; maar de zakken liggen bij mij in huis, die zal ik aan 't gerecht afleveren." "Zoo? Wel, dat is alleraardigst. Maar, weet ge wel, dat ge u met groote ongerechtigheden hebt afgegeven, en dat het zeer veel van bedriegerij heeft?" "Mijnheer de baljuw," antwoordde de molenaar; "ik ben in mijn recht," en hij wischte zich met de vlakke hand het klamme zweet van 't voorhoofd. "Ja," zeide mijn oom Herse, opstaande, "wij zijn....."--"Mijnheer Herse," zeide de baljuw, "ik heb in mijne gerechtszaal mijne eigene manieren; ik verzoek u te gaan zitten en toe te hooren." Waarom was mijn oom Herse ook opgestaan? Nu was hij weêr van zijn stuk geraakt en moest weêr gaan zitten, om opnieuw tot zich zelven te komen. "Molenaar Voss, wat praat ge van uw recht?" "Wel, mijnheer, gij hebt mij zelf gezegd: wat geschreven is, dat is geschreven; en in mijn nieuw kontrakt van verleden jaar staat het geschreven dat ik van elk schepel een schepel maalloon zal hebben." "Waar is je kontrakt?" "Hier," antwoordde de molenaar en gaf het hem.--De oude heer las het kontrakt, schudde het hoofd en zeide: "Hm, hm! Dat is toch eene wonderlijke zaak!" Hij nam de schel en schelde: "Frits Sahlmann moet eens binnenkomen!" Frits kwam. "Frits, kom eens hier, wat dichter bij!" Frits kwam dichter bij; mijnheer de baljuw trok hem aan zijn oorlapje en bracht hem bij de tafel, waar het kontrakt op opengeslagen lag. "Frits, wat heb ik je altijd gezegd? je zult nog eens in je onbedachtzaamheid allerlei onheil aanrichten, en nu is 't waarlijk zóó uitgekomen, je hebt nu een paar oude lieden tot dwaasheden verleid, die hun duur te staan konden komen, wanneer ik niet wist, dat het enkel dwaasheden waren. Neem de pen en schrap hier: "schepel" uit; en schrijf: "maat" er boven." Frits deed zulks; mijnheer de baljuw nam het kontrakt en gaf het aan den molenaar, zeggende: "Zie zóó, molenaar Voss, nu is alles in orde!"--"Maar, mijnheer de baljuw...." riep de molenaar uit.--"Voss," viel de oude heer hem in de rede, "ik zal met de beschuldigers spreken, dat zij je acht dagen uitstel geven, maar dan moet je hun het koren of het geld er voor verschaffen, anders loopt het niet goed af."--"Maar, mijnheer de baljuw...." riep oom Herse, en hij stond op. De baljuw zag hem aan: oom Herse was blijkbaar van zijn stuk. "Mijnheer Herse, ik verzoek u te gaan zitten en toe te hooren," sprak de oude heer op hoogst ernstigen toon. "Mijnheer Herse, gij hebt kind noch kraai, en gij hebt zooveel, dat gij toch goed kunt leven; laat dan den notarius publicus varen, en kunt gij daar niet toe besluiten, blijf er dan mede uit ons rechtsgebied. Iets goeds komt er voor ons nooit uit voort." Daarop keert hij den raadsheer zijn rug toe, schelt en zegt: "Frederik Schult, de knecht van den molenaar, moet binnenkomen."

De oude molenaar was geheel verslagen en ternedergedrukt naar de deur gegaan; mijn oom was hem gevolgd; maar men kon 't hem aanzien, dat het in zijn hoofd bruiste en kookte. In de deur bleef hij staan; hij strekte beide armen vóór zich uit; nog sprak hij geen woord; maar nu--nu kwam Frederik binnen en schoof hem een goed eind op zeide en de deur uit;--hij wierp een knorrigen blik op Frederik,--de oude gerechtsdienaar Ferge deed de deur dicht, en dat was de laatste blik, dien hij in rechtszaken gedaan heeft, want sedert dien tijd liet hij den notaris geheel en al varen.

"Mijn zoon," zeide mijnheer de baljuw tot Frederik, "kom een beetje dichter bij! Gij zijt het immers, die met mijne Fieken Besserdich wilt gaan trouwen?" "Neen mijnheer," sprak Frederik. "Ei," zeide de oude heer, en keek hem nauwkeuriger aan, "dient ge dan niet bij den molenaar?" "Neen," zeide Frederik weder en verroerde zich niet. "Wat?" vroeg de oude heer, "zijt ge dan niet de molenaarsknecht, Frederik Schult, tot wien ik eens gezegd heb, dat ik aan hem denken zou?" "Die Frederik Schult ben ik, mijnheer, maar ik dien niet meer bij den molenaar; daar ben ik vandaan gegaan; en de deern wil ik niet meer hebben, want zij liet mij loopen, en de molenaarsknecht ben ik ook niet meer, want sinds een half uur ben ik onder de soldaten gegaan." "Wel, ga daar maar onder! Ik geloof, dat je daar op de rechte plaats zult wezen. Maar, mijn zoon, er ligt bij mij nog wat voor je in 't zout. Zijt gij 't niet geweest, die 't eerst den mantelzak van het paard des "chasseurs" afgenomen hebt?" "Ja," "En ge hebt den mantelzak open gemaakt, en er geld uitgenomen en dus geweten, dat er geld in was?" "Dat heb ik," antwoordde Frederik, en hij zag er onverschrokken uit, "en ik spreek het ook niet tegen." "Welnu, luister dan eens heel goed naar 't geen ik je zeggen zal. Dat geld is onbeheerd goed, want de Franschen hebben het laten varen; gij hebt het gevonden en hebt het je ook al toegeëigend, want ge hebt er van genomen; nu is er evenwel nog een kerel, dien noemen ze "fiscus;" dat is een brutale kerel, die alles inslokt, wat hij krijgen kan, en bovenal is hij verzot op onbeheerd goed, en dit heeft hij, om zóó te spreken, ook al in zijne kaken. Maar somtijds krijgt hij ook aanvallen van zachtmoedigheid, wanneer hij eene oprechte, ware eerlijkheid aantreft, en iemand hem die recht duidelijk voor de oogen stelt. Dat laatste heb ik nu naar mijn vermogen beproefd en mijnheer de "fiscus" heeft ten uwen gevalle afstand van het geld gedaan. En, zie hier, mijn zoon, dit is 't, wat er bij mij voor je in 't zout ligt!" Dit zeggende, nam hij een doek weg, en de mantelzak van den Franschman kwam te voorschijn. "Frederik Schult, de mantelzak en het geld behooren u toe!"

Daar stond Frederik en zag mijnheer den baljuw en den mantelzak aan, en dan weêr den mantelzak en mijnheer den baljuw, en begon zich eindelijk heel hard achter de ooren te krabben. "Wel," vroeg de oude heer en legde hem de hand op den schouder. "Nu, wat dan, Frederik?"--"Hm" zeide Frederik, "ja, mijnheer de baljuw, en ik bedank u ook zeer, maar 't komt me niet recht gelegen." "Komt het geld je niet gelegen?" "Nu ja, het geld komt me wel gelegen, maar 'k heb er op dit oogenblik maar niet veel aan. De deern wil me niet hebben, en ik ben onder de soldaten, en daar kan ik het toch niet meênemen." "Hm," zeide de oude heer, terwijl hij met groote stappen in de kamer op en neder ging; "dat is toch eene wonderlijke zaak." Eindelijk bleef hij voor Frederik staan en zag hem met een beteekenisvollen blik in de oogen, zeggende: "Frederik Schult, kontant geld is tegenwoordig schaarsch, en ik weet plaatsen, waar de huisvader zich daarom de handen aan stuk wringt, en vrouw en kind in tranen nederzitten."--De molenaarsknecht Frederik Schult keek op; hij zag in de oogen van den ouden baljuw, en 't was hem, alsof hem vandáár een straal tegenblonk, die zijn hart verwarmde. "Dumouriez!" riep hij uit, greep naar den mantelzak, nam dien onder den arm, en zeide: "Ik weet waar ik wezen moet, mijnheer de baljuw. Adjuus, mijnheer!"--Hij wilde weggaan; de oude heer ging hem na tot aan de deur. "Frederik Schult," zeide hij en nam zijne hand, "mijn zoon, als ge uit den oorlog terugkomt, moet ge eens bij mij aankomen, en mij vertellen hoe 't je gegaan is."

De gerechtszaal was ledig; mijnheer de baljuw zat bij zijne vrouw in hare kamer en zeide: "Netje, die molenaarsknecht, die Frederik, als die eens bij mij terugkomt, dan zal ik mij, geloof ik, meer verblijden, dan wanneer eene prinses mij kwam bezoeken."

Toen de molenaar en mijn oom Herse den slotberg afgingen, spraken zij geen woord, maar uit geheel verschillende oorzaken; de molenaar zweeg, omdat hij geheel in zich zelven gekeerd was,--mijn oom, omdat hij geheel buiten zich zelven was; hij kon de woorden niet vinden. Ten laatste barstte hij uit: "Dat moet een gerechtsdag verbeelden? Dat moet een vonnis verbeelden! Die oude baljuw, die oude lompe kerel, laat die een mensch aan het woord komen? Molenaar Voss, wij gaan verder, wij gaan ter tweeder instantie." "Mijnheer Herse," zeide de oude molenaar, geheel verslagen; "ik ga niet verder, ik ben ver genoeg, ik ben al tot den grond gegaan." "Vader," sprak de oude bakker Witt, die achter hen aan was gekomen, en de woorden van den molenaar gehoord had, "trek u dat niet te zeer aan, 't kan alles beter worden. En gaat nu meê naar mijn huis; uw Fieken is er ook." "Mijn Fieken?" Maar de bakker liet hem niet verder aan 't woord komen, en de oude molenaar volgde hem in 't huis als een lam. 't Was niet de armoede, maar de schande, die hem nederdrukte.

Mijn oom Herse ging niet mede het huis in; hij liep vóór de deur op en neder, en allerlei gedachten kwamen bij hem op. Mijn oom had altijd veel gedachten, en gewoonlijk gingen die in zijne hersenkast rond, als kleine, aardige, nette kinderen met heldere, blauwe oogen, en al verjoegen ze elkaâr ook menigmaal, of al duikelden ze over elkander, of al speelden ze dikwijls blindemannetje en al richtten ze allerlei dwaasheden uit, zoo waren ze toch altijd in zondagskleêren, en in zijn oog, netjes en sierlijk om aan te zien;--doch, de gedachten, die voor de deur van Witt bij hem opkwamen, waren als eene bende havelooze bedelkinderen, die zich niet lieten afwijzen maar de handen uitstrekten en uit éénen mond riepen: "Raadsheer, raadsheer Herse, help gij den molenaar! Gij hebt hem in de knoei gebracht, help er hem nu ook weêr uit!"--"Goede hemel," zeide mijn oom, "laat mij toch met rust! Ik wil immers; ik wil eene hypotheek op mijn huis nemen, maar waar zal 't geld vandaan komen?" En de kleine bedeljongens brachten hem zóó in 't nauw, dat hij bij bakker Witt, in de oprijpoort moest gaan staan, om van hen bevrijd te worden.

Hier stond Hendrik, bezig om zijne beide bruintjes, die nog niet verkocht waren, te zadelen en op te toomen; en toen mijn oom hem in het roode buis, en met den krijgsman onder den neus, ter nauwernood herkende, kwam Frederik juist de poort in en gooide zijn' mantelzak in de kribbe, zoodat het rammelde en klonk. "Hendrik," riep hij hem toe, in den beginne is alles moeilijk, zeî de duivel en hij droeg molensteenen, maar..."--hier werd hij den raadsheer gewaar en bleef in zijne rede steken;--"goeden morgen, mijnheer Herse, en neem 't mij niet kwalijk, maar, gij kunt mij een groot genoegen doen. Zie, de molenaar heeft mij nog tot Sint-Jan gehuurd, en blijven moest ik eigenlijk zoo lang; maar, 'k heb toch zoo'n grooten lust om te trekken; en zeg gij hem nu, als hij mij laat gaan, dan woû 'k hem het Fransozengeld leenen, totdat ik terugkom, want dat hebben ze mij vandaag op het slot toegewezen, en 't ligt hier in de kribbe."

Weg waren uit de verstandskast van mijn' oom de kleine bedeljongens,--de aardige, zondagsch-aangekleede kinderen sprongen er in rond en duikelden, en hij zelf begon bijna te duikelen, over een' halsterketting, toen hij naar Frederik toesprong en uitriep: "Frederik, Frederik! Je bent een--je bent een--een engel!"--"Ja, een oude, mooie engel!" zeide Frederik.--"Frederik," riep mijn oom, "dat willen we dadelijk op schrift brengen."--"Neen, mijnheer Herse," zeide Frederik, "dat willen we niet doen; daar zou weêr een schrijffout kunnen insluipen, en dan kon daar weêr ellende door ontstaan. Wat van mond tot mond gesproken is, dat zal gelden."--"Hendrik," zoo wendde hij zich nu tot dezen; "hebt ge alles, ook met Fieken, in orde?" Hendrik stond achter zijn paard, hij had beide zijne armen op den zadel gelegd, zag daarover heen en knikte met het hoofd, want spreken kon hij niet.--"Nu dan!" riep Frederik en reikte naar den teugel van het spattige rijpaard; maar Hendrik trok hem den teugel uit de hand, sprong in den zadel, en, hem den toom van den fraaien, bruinen ruin toewerpende, riep hij uit: "Broeder! het beste is voor jou nog te slecht!"--"Maar," riep mijn oom, "wilt gij dan den molenaar en Fieken niet...?"--"'t Is alles al in orde!" riep Frederik. "Adjuus, mijnheer de raadsheer!" En weg draafden zij, de Brandenburgsche poort uit.

Wij, kinderen, stonden bij de poort en keken hen na. "Dat zijn geen' Fransozen!" zeî Johan Bank.--"Dat zijn een paar van de onzen!" zei Frits Risch. En 't was alsof een eigenaardige trots over ons gekomen was.

"God geve, dat zij wederkomen!" sprak de oude vader Rickert.

En zij kwamen weder. Na jaar en dag en nogmaals na jaar en dag was een voorjaar voor Duitschland aangebroken. Veldslagen hadden plaats gehad, bloed had gestroomd op de bergen en in de dalen, maar de regen had het weggespoeld en de zon had het opgedroogd, en de aarde liet gras daarover groeien en de wonden van 't menschenhart waren door de hoop verbonden met een' balsem, dien zij vrijheid heeten. Vele zijn naderhand weder opengegaan, want het scheen wel, dat het niet de echte, van den hemel afkomstige, balsem was.

Doch daaraan dacht in dit schoone voorjaar niemand, en in mijne kleine vaderstad groeide en bloeide het in tuinen en velden, en de bezwaarde menschenborst haalde ruim adem; want vrede met God en menschen lag over de wereld verspreid. Het scherpschutterskorps van oom Herse had zijne een-en-twintig jachtgeweren in de kast gezet; en mijn oom had er een muziekkorps uit bijeengebracht, wat hij eene kapel noemde; 't kwam hem daarbij zeer te stade, dat hij hun in den oorlogstijd geleerd had, om allen tegelijk af te vuren, want nu vielen zij van zelf met violen en fluiten en klarinetten gelijktijdig in. Des avonds brachten zij serenades, en ik kan nog heden de melodie zingen, daar zij altijd hetzelfde stuk speelden; mijn oom heeft mij later gezegd, dat het variaties waren op het mooie thema: "Gisteren was neef Michel hier."--Toen de slag bij Leipzig gewonnen was, brandden er vreugdevuren op den Uilenberg en op den Molenberg en de stad was geïllumineerd; geschoten werd er wel is waar niet, want wij hadden geene kanonnen; maar kanongebulder hadden wij toch; de adjudant van den raadsheer, Johann Heinz, en de oude dokter Metz waren namelijk op den gelukkigen inval gekomen, om eenige zeer zware steenen op eene mestkar te leggen, en gooiden die met alle geweld tegen de groote poort van den ouden podagreusen Kasper aan, zoodat er een echt kanongebulder ontstond en de poort in stukken viel.