Twee vroolijke geschiedenissen

Chapter 17

Chapter 173,950 wordsPublic domain

Zoodra zij nu alléén aan de tafel en bij het licht zaten, las de raadsheer met zeer duidelijke stem een geschrift voor, waarin de jood verklaarde, dat hij, onder borgtocht van den raadsheer Herse, tot paschen wachten wilde; en toen hij dit gelezen had, legde hij het papier naast zich en zag den molenaar aan, met eene uitdrukking op het gelaat, alsof hij zeggen wilde: "Wat zegt ge nu, kameraad?"--De molenaar begint nu zoo wat te pruttelen van "hm" en "nu ja!" en "maar" en krabt zijn hoofd.--"Vrind Voss," zeide mijn oom, die knorrig werd, "wat beduidt dat pruttelen? Hier staat mijn zegel onder,--kijk maar, hier!--een gierststengel, omdat ik "Herse" heet; 'k had er ook een valpoort op kunnen laten graveeren, omdat dit in 't Fransch "herse" beteekent; maar 'k ben niet voor de Fransozen,--en hier, er om heen, staat mijne authorisatie: not: pub: im: caes: en hier staat de onderteekening van den jood: Itzig; en wat geschreven is, is geschreven." "Dat zegt mijnheer de baljuw ook," zeide de molenaar en hij begon er heel wat vroolijker uit te zien: "wat geschreven is, is geschreven." "Wat die zegt, is mij egaal; ik, molenaar Voss, ik ben er toe aangesteld, door mijn ambt, om geschreven geschriften met mijn zegel te bekrachtigen. En door dit geschrift zijt gij tot paschen uit alle verlegenheid." "Ja, mijnheer, en ik bedank u ook wel, maar wat dan?"--Nu was de beurt om te pruttelen aan mijn oom. "Hm! Wat dan?--Ja!--Nu!--Nu, vriend Voss,"--en zijn goedhartig aangezicht zette zijne geheele ambtsdeftigheid van notarius publicus ter zijde en plaatste de menschlievendheid als bril op zijn neus en zag den ouden molenaar en de gansche wereld vriendelijk aan,--"nu, vriend Voss, heb ik tot paschen raad geschaft, dan kan ik immers ook verder raad schaffen; ik ben hier gekomen, en wil de zaak geheel in orde brengen. Maar, daartoe is 't noodig, dat gij mij al uwe omstandigheden vertelt en al uwe papieren toont." Dat zag de molenaar dan ook in en hij vertelde en vertelde, zoodat een ander hoofd, dan dat van mijn oom Herse, geheel en al duizelig zou geworden zijn; en hij haalde zoovele papieren voor den dag, dat een ander er angstig van had moeten worden; mijn oom Herse was echter zeer uitpluizerig in zijne zaken; hij mocht gaarne raadsels oplossen, en touw uit de war maken; hij hoorde en las alles met geduld, maar niet met voordeel voor zijne plannen. "Vriend Voss!" vroeg hij eindelijk, "is dat alles?" "Ja, mijnheer," sprak de molenaar, en liet zijne ooren hangen, gelijk een aardappelenland, als de nachtvorst er over heengegaan is, "en dit is nog mijn kontrakt met het Stemhager rechtsgebied."--Mijn oom nam het kontrakt, las het zoo ter loops door, en zag er ook uit, alsof de zaak hem tegenviel; maar, eensklaps sprong hij op, uitroepende: "Wat is dat? Daar zijn we meê geholpen, Voss! In den tijd van een paar jaar zijt gij een millionnair! 't Gansche Stemhager gebied moet de rechten op 't gemaal betalen, en de stad Stemhagen er bij; hier staat het, in paragraaf vier, en wat zegt paragraaf vijf: "voor elk schepel, dat de molenaar maalt, kan gij wettelijk een schepel als maalloon eischen."--"Een maat, mijnheer Herse!" riep de oude molenaar, terwijl hij overeind sprong, "van elk schepel eene maat!"--"Neen! Een schepel!--Hier staat: voor ieder schepel een schepel als maalloon; en wat geschreven is, is geschreven. En hier heeft mijnheer de baljuw het gemeentezegel onder gezet." "Mijnheer Herse, mijnheer Herse, mijn hoofd draait: dat is toch maar eene vergissing." "Vergist is ook verspeeld, en wat geschreven is, is geschreven: dat heeft de oude baljuw u immers zelf gezegd. "Dat heeft hij, mijnheer," zeide de molenaar, "ja, dat heeft hij; daar kan ik op zweren."

Thans opende zich voor den molenaar een uitzicht op verlossing uit de handen der joden, en een uitzicht op vele, vele schepels koren, en op vele, vele blanke daalders, want het geheele rechtsgebied moest de rechten op 't gemaal betalen en dat moest hem dus toekomen. "Mijnheer," riep hij, "dat zal helpen!--Maar... maar..." "Voss," zeide mijn oom knorrig, "wat hebt ge nu weêr voor bezwaren! Die zaak is klaar en duidelijk."--"Ja, mijnheer, maar ik meen maar, hoe moet dat dan met de zakken gaan?" "Met de zakken? Met wat voor zakken?" "Met de zakken, waarin mij het koren gebracht wordt. Al dat koren krijg ik, maar wie krijgt de zakken?" "Hm," zeide mijn oom, "dat is eene moeilijke rechtsvraag, Voss! daaraan heb ik nog niet gedacht, en in 't kontrakt staat niets daarvan; als ik u echter raden moet, behoud ze dan voorloopig maar, want, wat zegt de rechtsregel: beati possidentes; dat beteekent: hebben is hebben!--Vriend Voss, nu heb ik u uit alles geholpen, maar ik heb ééne voorwaarde: mond gehouden! Er wordt over die zaak met niemand hoegenaamd gesproken; verstaat gij!--met niemand hoegenaamd!--Ik zal met Itzig spreken; die moet koren in plaats van geld aannemen, en met paschen zal dan alles in orde zijn en dan, Voss...." "En dan, mijnheer Herse?"--"Dan komt het surplus. Maar, Voss, de zaak blijft geheim!"

De molenaar beloofde zulks, en mijnheer de raadsheer vertrok, en Hendrik en Fieken zagen nog, hoe hij uit het rijtuig den ouden man toeknikte en de vinger op den mond legde.

"Fieken," zeide Hendrik, "mij is 't niet gegeven, om geheimen te hebben; ik moet ronduit spreken, ik ga naar uwen vader en zeg hem hoe 't alles is." "Doe dat," zeide Fieken. Had zij echter geweten, hoe 't met haren vader gesteld was, zoo zou zij hem misschien gezegd hebben, dat hij nog wat moest wachten.

Met den ouden molenaar was 't al heel wonderlijk gesteld. Heden morgen was hij een bedelaar, en wilde zijn eenig kind niet zonder bruidschat weggeven; heden avond was hij een rijk man en zijn eenig kind behoefde niet iedereen zoo maar te nemen; zij kon eene dame worden, zoo goed als iemand anders. Voor zijn hoofd was de overgang te schielijk gekomen; hij wist niet recht, wat met hem gebeurd was; daarbij kwam nu nog een heimelijke angst, dat het niet alles zóó was, als het hoorde, en eene groote ongerustheid, dat hetgeen geschieden zou, niet recht en billijk was. "Maar" zeide hij dan weder bij zich zelven: "de baljuw heeft zelf gezegd, wat geschreven is, is geschreven; en wat recht is, dat moet de raadsheer toch beter weten, dan ik."

Was hij in rustige, gewone tijden reeds moeilijk tot een besluit te krijgen, zoo was 't in dit oogenblik in 't geheel niet mogelijk. Toen Hendrik zijn aanzoek had voorgedragen, begon hij van het proces te spreken en zeide: Hendrik moest volstrekt niet meenen, dat hij een geruïneerd man was; velen hadden hem reeds onder handen gehad, die hem hadden willen doen zinken; maar nog dreef hij boven. Hendrik antwoordde nu, dat hij 't goed genoeg meende: hij had zóó gedacht, dat de beide schoonouders in rust en vrede, tot aan hun zalig einde, bij hem wonen zouden, en dat de molenaar hem zijn Fieken moest geven, en hem zijn pachtkontrakt verkoopen. Maar toen stoof de molenaar woedend op: dat wou hij wel gelooven! Daar had Hendrik wel lust aan! Maar niemand moest "hei!" roepen, eer hij over de brug was; hij liet zich ook niet door iederen wijsneus beet nemen, en allerminst, door zoo'n jongen knaap, als Hendrik was. Zijn kontrakt! Zijn kontrakt wou hij behouden, al zou ook een koning met zijn Fieken willen gaan trouwen!--Zulk eene taal was Hendrik verre van te vermoeden na al hetgeen voorafgegaan was; ook hem steeg nu het bloed naar het hoofd en hij zeide op driftigen toon, dat de molenaar "ja!" of "neen!" zeggen moest, of hij hem zijne dochter wilde geven of niet. De molenaar keerde zich eensklaps om, keek uit het venster en zeide: "neen!" Hendrik keerde zich ook om en ging de kamer uit, en een half uur later hield Frederik met het rijtuig van Hendrik op de plaats voor den molen stil, en toen hij Hendrik riep, kwam die met Fieken juist in den tuin. Fieken zag er heel bleek, maar ook heel kalm uit, en zeide: "Hendrik, het woord, dat ik je gegeven heb, dat houd ik, en gij houdt het uwe ook!" Hij knikte met het hoofd en drukte haar de hand, ging naar de molenaarsvrouw, die aan de deur stond, sprak een paar woorden tot afscheid, klom op den wagen en reed zachtjes weg.

Toen hij nog niet ver van den molen af was, hoorde hij iemand roepen, en omziende, kwam Frederik dwars over een roggeveld naar hem toe, en vroeg: "Hendrik, waar rijdt gij heen?" "Naar Stemhagen." "Blijft gij daar van nacht?" "Ja, ik denk, dat ik van nacht bij den bakker Witt zal blijven, want ik wou eerst nog met mijnheer den baljuw spreken." "Dat moet ik een verstandigen inval noemen, Hendrik, ik heb van avond ook nog wat in Stemhagen op het slot te doen, en mogelijk heb ik met u ook nog te spreken, en daarom, Hendrik, rijd niet af, vóór dat ik gekomen ben; maar ik kom eerst laat, als alles in orde is." Hendrik beloofde, op hem te zullen wachten, en reed op Stemhagen aan.

Onderweg ontmoette hij bakker Witt, die met een' vracht koren naar den molen reed en zeide: "Wel Hendrik, rijd maar bij mij aan; met den avond ben ik weêr t'huis, dan praten we een beetje samen."

Wel ja! wel ja! 't Was al lang avond, en de bakker was al lang t'huis; maar Hendrik was nog altijd bij den ouden heer op het slot. Frederik was ook al gekomen en op het slot gegaan, en de oude Witt zeide tot zijne dochter: "Je zult zien, er is op den molen wat voorgevallen. Dat de oude vrouw zit te schreien, dat heeft juist niet veel te beteekenen, want die heeft de tranen gauw bij de hand; maar, dat Fieken, bij al het schelden en bij al de dwaasheden van haren vader, stil haren gang gaat en niks niemendal zegt, kijk! dat bevalt me niet; en de oude man heeft vandaag weer zijn malle grillen, daar kan geen mensch uit wijs worden! Toen ik hem vroeg: "Wel Voss, wanneer kan ik het meel komen halen?" zeide hij: "Daar moet ik eerst mijn kontrakt op nazien." En toen ik zei, dat ik het meel toekomende week hoog noodig had, zeî hij, dat was hem egaal; hij ging naar zijn kontrakt te werk. En toen ik wegreed, riep hij mij na: als mij, met het meel, een wonderlijk ding mocht overkomen, dan moest ik maar naar den raadsheer Herse gaan, die zou mij de zaak wel uitleggen, als hij 't goedvond. "Wel, dat 's toch gek," zeide vrouw Strüwing.

Toen kwam Hendrik Voss binnen; hij zag er zeer stil en afgetrokken uit. En toen de bakker van den molen begon te praten, en dat hij daar zoo zonderling bejegend was, viel Hendrik hem eensklaps in de rede en vroeg: "Baas Witt, zoudt gij mij een genoegen willen doen?" "Waarom niet?" hernam de bakker. "Bij u komen veel menschen, en gij hebt ook plaats in uw' stal; ik wou mijn paard en mijn' wagen verkoopen; zoudt gij mij daarin behulpzaam willen wezen?" "Waarom niet?" vroeg Witt. "Maar Hendrik," liet hij er na een poos op volgen, en 't was hem bijna van buiten aan te zien, hoe hij van binnen zijne gedachten verzamelde en tot een draad aan elkaâr knoopte, waaraan hij het gesprek wilde voortzetten, "maar, Hendrik, dat heeft immers tijd.--De paarden--de paarden--zijn nu zoo goedkoop; waarom?--Wel, wat weet ik 't! Denkelijk wel, omdat geen mensch er zeker van is, dat de Fransoos ze hem 's nachts niet uit den stal haalt; maar, de paarden,--ge zult zien,--zij worden duur,--want--ge zult zien:--in den tijd van een paar weken marcheert alles tegen den Fransoos." "Dat heb ik ook van een man gehoord, die dat beter weten kan, dan wij beiden, baas Witt, maar daarom wil ik ze juist kwijt zijn. "Ja," viel Frederik hierop in, die bij de woorden van den bakker de kamer ingekomen was; "ja, de paarden worden duur en de vrouwlui goedkoop. Naar de paarden zal veel gevraag zijn, als 't aan den gang gaat, en naar de vrouwlui weinig en als 't voorbij is en de helft der jongelieden doodgeschoten zijn, dan nog minder. En er op los gaat het! Gisteren in Bramborg nam iemand mij ter zijde, die er uitzag, alsof hij al kruid had geroken; die zeide tot mij: naar mijn voorkomen had ik ook de wapens al gedragen, en zoo ik lust had, wist hij een plaats voor mij.--Ik zei, dat ik mij bedenken wou, maar gisteren is niet van daag; van daag behoef ik mij niet te bedenken. Ik ben van de Pruisen gedeserteerd: maar, dat was alleen, omdat ik de kinderen van mijn kapitein moest wiegen; en gisteren bedacht ik mij maar, omdat ik meende, dat ik eenmaal mijne eigene kinderen wiegen zou, en van daag bedenk ik mij niet meer, en ik ruk op tegen den Fransoos. En, baas Witt, ik heb niemand op de wereld, die naar het mijne omziet; als gij hoort, dat ik van den molen weg ben, zie dan eens naar mijne kist met mijn goed. En nu, adjuus! 'k moet van avond weer op den molen zijn."

Daarop vertrok hij.--Hendrik ging hem na. "Frederik, wat beteekent dit?" vroeg hij. "Wat dit beteekent?" hernam Frederik. "Dat zal ik u zeggen: zooals de één heet, ziet de ander er uit. Ons beiden is hetzelfde gebeurd, behalve dat uw Fieken schreit, en mijn Fieken lacht. Ik ben haar niet jong genoeg. Nu, 't komt er ook niet op aan! Dien man in Bramborg was ik niet te oud, en wat voor den één een uil is, is voor den ander een nachtegaal." "Frederik," gaf Hendrik hem zacht ten antwoord, "spreek zoo hard niet. Gij wilt soldaat worden, en ik ook." "Wat, gij?" "Stil!--Ja, ik ook. Ik heb geene familie en ik sta alleen in de wereld; nu, ik heb met den ouden baljuw gesproken en hij heeft mij beloofd, op mijn eigendom een oog te houden; mijn molen in de buurt van Parchen kan ik ieder oogenblik verpachten en mijn paard en wagen verkoop ik." "Hoera!" riep Frederik. "Geef mij de hand, kameraad! Dumouriez! Ik zag je 't al dadelijk den eersten morgen aan, dat er een soldaat in je stak."--"Ja?" zeî Hendrik, "dat is alles heel goed. Den wil heb ik, maar, waar blijft het volbrengen?" "Broeder! als iemand wat slechts in den zin heeft, dan is de duivel dadelijk bij de hand, om hem den weg te wijzen; de Heer onze God zal toch voor den duivel niet onderdoen, hij zal ons de rechte paden wel aanwijzen, want het gaat voor 't vaderland. Zie, ik kan niet; tot paschen moet ik blijven; maar rijdt gij morgen dadelijk naar Bramborg en vraag in de herberg, waar wij geweest zijn, naar een deftigen man met een grijzen snorbaard en een litteeken op de rechterwang,--ge zult hem wel vinden--en meld u en mij bij hem aan: "Frederik Schult," en 'k had al gediend, maar ge behoeft niet te zeggen, dat ik eens van 't kinderwiegen gedeserteerd ben. En als ge 't in orde hebt, geef mij dan bericht, dan kom ik." "Dat zal gebeuren!" riep Hendrik. "En Frederik, groet jelui Fieken nog van mij en zeg haar, dat zij den moed maar niet moet verliezen; wat ik haar gezegd heb, daarin zal ik woord houden." "Dat zal ik waarnemen, en nu goeden nacht!" "Goeden nacht!"--En toen Hendrik zoo bleef staan en naar Frederiks voetstappen luisterde, toen hoorde hij van den hoek, bij de apotheek, nog: "Dumouriez! Vervloekte patriotten!"

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat het in de wereld, in Stavenhagen en in 't molenaarshuis bont toegaat. Waarom de molenaar en Frederik naar Stavenhagen rijden en waarom Fieken hen volgt.

De Franschen kwamen niet weder in onze streken; doch daarom werd het er niet rustiger. De landstorm rukte uit. Mijnheer de baljuw had het opperbevel, en onder hem kapitein Grischow. Maar hunne manschappen hadden slechts pieken,--alleen de rektor Schäfer had door den smid Tröpner een hellebaard laten maken,--mijn oom Herse richtte een korps scherpschutters op, van één-en-twintig jachtgeweren, en de jonge landlieden zaten te paard met groote sabels op zijde. Dat is om te lachen, zeggen de hoogwijze heeren; ik zeg, het is om te schreien, dat zóó'n tijd zoo zelden in de Duitsche landen terugkomt, dat zóó'n tijd geene andere gevolgen gehad heeft, dan de laatste veertig jaren hebben aan te wijzen. Een enkel regiment Franschen zou dien geheelen troep uit elkaâr gejaagd hebben, zeggen de hoogwijzen: 't Is mogelijk, zeg ik; maar den geest zouden ze niet verjaagd hebben; over enkele kleinigheden kon men lachen, maar om het geheel lachte toen ter tijd niemand, zelfs Bonaparte niet.

Op één en denzelfden dag klonk door geheel Nederduitschland, van den Weichsel tot aan de Elbe, van de Oostzee tot Berlijn, de kreet: "de Franschen komen!"--Men zegt thans, dat zulks opzettelijk werd gedaan, om te zien, wat Nederduitschland doen zou. Indien het waarheid is, dan hebben zij 't te zien gekregen: Nederduitschland stond de proef door. Allerwegen, wijd en zijd, luidden de stormklokken, geen dorp bleef terug; allerwegen trok men op, herwaarts en derwaarts; en dat ééne Fransche regiment had lange beenen moeten hebben, zoo 't overal te gelijk den storm had willen stillen.

De Stavenhagers marcheerden naar Ankershagen; in Nieuw-Strelitz zouden de Franschen zijn; de Malchiners marcheerden naar Stavenhagen; in Stavenhagen zouden de Franschen zijn. Ja, 't was een verward huishouden. Op de markt werden de piekeniers in gelederen en kompagniën ingedeeld; mijnheer Droi en Frederik van den molenaar zouden de zaak besturen, daar zij alleen iets daarvan verstonden; maar de burgers wilden hun niet gehoorzamen, omdat de één een Franschman was en de ander een knecht. In het tweede gelid wilde niemand staan: de schoenmaker Deichert niet, omdat de schoenmaker Bank in 't eerste stond; de ontvanger Groth niet, omdat de wever Stahl, vóór hem, bij 't vellen van de bajonet hem altijd met het achtereinde van 't geweer in de korte ribben duwde, en dat kon hij niet verdragen. Mijn oom Herse was steeds in de paardenkoppels aan 't exerceeren in 't volle vuur, met de één-en-twintig jachtgeweren, altijd allen te gelijk. Zijn hoofdkommando was: "roef! roef!"--dan moesten zij allen op ééns afvuren: eerst met los kruit, naderhand met scherpe patronen; toen echter bij den eersten keer de witbonte koe van dokter Lukow werd doodgeschoten, moest het ophouden. Zij zeiden later allen, dat Zachow, de snijder, het gedaan had, maar 't is niet bewezen geworden. Eindelijk waren zij allen in gelederen geschikt, en toen de kapitein Grischow kommandeerde: "links zwenken!" kwamen zij ook werkelijk allen de Brandenburger straat in, en marcheerden er in een mooien hoop uit; en toen zij buiten waren zocht ieder een droog voetpad, en zij marcheerden één voor één achter elkaâr, zooals de ganzen in de gerst.

Bij den Uilenberg werd halt gehouden; zij wachtten op hunnen kommandant, op mijnheer den baljuw. De baljuw was te oud om te loopen, en paardrijden kon hij niet; hij toog dus ten strijde in een wagen. Hij zat daar zeer statig in, en zijn degen lag bij hem op de bank. Toen hij aankwam, werd hij met "Vivat!" door zijne troepen ontvangen; hij hield daarop eene aanspraak en zeide: "Kinderen! Soldaten zijn wij niet en dwaasheden zullen wij uitrichten, maar, dat komt er niet op aan; wie daarom lachen wil, kan het doen. Wij willen slechts onzen plicht volbrengen, dat is: wij willen den Franschman laten zien, dat wij op onzen post zijn. Doch 't is erg, dat ik niets van de krijgskunde versta, en daarom wil ik in tijds naar een man omzien, die daarin ervaren is.--Mijnheer Droz, klim bij mij op den wagen, en wanneer de vijand komt, help mij dan terecht en zeg mij wat er gedaan moet worden.--Verlaten, kinderen, doe ik u niet; en nu, voorwaarts, voor 't vaderland!" "Hoera!" riep zijn volk, en voorwaarts ging het, den vijand te gemoet.

De pribbenowsche boeren en de daglooners uit Jurnsdorp en Kittendorp kwamen met hooivorken en allerlei ander gereedschap en sloten zich aan. "Johan Heinz," zeide mijn oom Herse tot zijn' adjudant, "dit zijn onze ongeregelde troepen. Op sommige tijden is die soort goed te gebruiken, zooals wij 't bij de kozakken gezien hebben, maar zij brengen licht verwarring in de geregelde troepen; houdt jelui je daarom goed op een hoop, en, als 't er op losgaat, dan maar altijd "roef!""

De kavalerie werd op verkenning uitgezonden en reed vóórop, en de oude inspektor Bräsig en de klerk van den rentmeester op Ivenack hadden pistolen: zij schoten nu en dan, waarschijnlijk om de Franschen bang te maken, en zoo kwamen zij tot bij Ankershagen, doch zij troffen geen Franschen aan. Toen zij dit den baljuw berichtten, zeide hij: "Kinderen! mij dunkt, 't is voor vandaag genoeg, en als wij nu omkeeren, komen wij nog met den dag thuis."--De inval was goed; kapitein Grischow kommandeerde in dien geest en alles ging naar huis, uitgezonderd eene halve kompagnie pieken en twee jachtgeweren, die in de kroeg bij Kittendorp aanlegden en daar wonderen deden.

Toen zij terugmarcheerden, kwam de wever Stahl bij den baljuw en vroeg: "Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, mag ik mijne piek wel een beetje in uw' wagen leggen?" "Zeer gaarne, mijn vriend." En nu kwamen de schoenmaker Deichert en de kleêrmaker Zutow, en nog velen kwamen, allen met hetzelfde verzoek, en toen mijnheer de baljuw de poort te Stavenhagen inreed, zag zijn oude, eerwaardige mandenwagen er uit als eene oorlogsmachine of een sikkelwagen uit den tijd der Perzen.

De raadsheer Herse liet nog driemaal "roef, roef!" op de markt schieten, en iedereen ging tevreden huiswaarts. Mijn oom alleen was verdrietig. "Johan Heinz!" sprak hij tot zijn adjudant: "daar kon niets van komen; waarom liet de oude baljuw mij niet eerst den windmolen in brand steken?"

Ging het in de wereld bont door elkander toe, zoo ging 't op den Gielowschen molen niet anders. De lieden brachten koren en kregen geen meel; de molen stond stil en het koren werd op den zolder neêrgelegd. Itzig, de jood, kwam en haalde zak op zak, en telkens als hij van den molen wegreed, zeide de molenaar: "Gode zij dank, al weder dertig of veertig daalders afbetaald!" al naar dat het was. Maar, vergenoegd was hij er niet bij; hij werd veeleer moedeloos, en slechts, wanneer de raadsheer bij hem was geweest en hem frisschen moed had ingesproken, dan nam hij een hoogen toon aan en had allemanspraats. Wanneer zijne vrouw stil zat te schreien, en Fieken met haar bedrukt gelaat langs hem heenliep, dan werd hij weder zeer onrustig gestemd, en hij moest dan door luid spreken de vrees verdrijven, en wanneer Fieken, hetgeen dikwerf geschiedde, hem bij de hand nam, of hem om den hals viel, en zoo recht nadrukkelijk, met tranen in de oogen, hem vroeg: "Vader, wat scheelt u eigenlijk? Wat heeft uwe handelwijze toch te beteekenen?" dan was 't verschillend, wat hij antwoordde, al naar dat hij gestemd was. Had hij zijn waan van rijk te zijn, dan kuste hij zijn kind en zeide, dat zij maar moest wachten, want dat alles voor haar heel mooi uitkomen zou; had hij zijne grillen van angst, dan schoof hij haar van zich af en zei hard en norsch, dat zijne zaken geene vrouwenzaken waren, en dat hij moest weten, wat hij te doen had.