Twee vroolijke geschiedenissen
Chapter 16
Toen zij een eind weegs gereden hadden, begon oom Herse te spreken. "Zie zoo!" zeide hij: "uit die val zijn wij gelukkig ontkomen." "Ja wel, raadsheer," antwoordde de oude bakker Witt, "en dat hebben we toch aan onzen baljuw en aan onzen burgemeester, maar vooral wel aan Frederik van den molenaar te danken. "Al naar dat men het aanziet, baas Witt," hernam oom. "Ik, voor mijn persoon, heb niets tegen die drie, en dat de "chasseur" terecht gekomen is, heeft ons veel goed gedaan, maar vrijgemaakt heeft het ons niet. Hebt gij niet gezien, dat de Fransche overste met mij onder vier oogen voor de deur heeft gesproken?" "Ja, mijnheer." "Nu, laat mij u dan zeggen, indien de Franschman mij niet tot eene geheime zending had noodig gehad, dan zou men ons uit Bramborg wel door eene andere poort dan deze weggebracht hebben." "Dat mag de drommel weten!" riep de oude bakker, en keek den raadsheer zoo'n beetje van ter zijde aan.--Mijn oom zeide niets; hij knipoogde slechts zeer ernstig en zag toen op zijde uit naar de kale velden, alsof hij zijne woorden eerst bij den bakker behoorlijk wilde laten werken.--Dit mislukte echter; het hoofd van den goeden bakker Witt was als de maat, waarmede hij de sterke dranken gewoon was te meten, die hij verkocht; was die eens tot aan den rand toe vol, dan nam ze niets meer op, en wat nog achterna kwam, druppelde op den vloer; en op dit oogenblik was zijn hoofd tot aan den rand toe vol, door al de zaken, die hij doorleefd had, zoodat des raadsheers woorden er eenvoudig maar langs druppelden; hij zeide niets.--"Baas Witt," hernam de raadsheer, na een poosje, "'k wou dat ik in Stemhagen was."--Dit droppeltje ging nog in de pint van den bakker; hij zeide dus: "Dat wou ik ook, want dat zal nog drommelsch lang aanhouden." "Zoo meen ik het niet," sprak mijnheer de raadsheer, "ik meen wegens onze ontvangst." Nu liep de pint bij den bakker weêr over. "Hoe zoo?" vroeg hij. "Ik meen wegens onze ontvangst met eene eerepoort." Nu druipt het uit de maat tappelings op den grond. "Ontvangst?--Eerepoort?--Hoe zoo?--Komt onze hertog dan?"--"Baas Witt, die komt niet; maar wij komen."--Doch nu was 't bij den ouden Witt juist alsof iemand hem, terwijl hij aan het inmeten was, aan den arm stiet; en alsof de helft uit de pint op den grond vloog, en het andere wat er in bleef alles door elkaâr draaide. Dit was een geluk, want nu kon de uitlegging van den raadsheer eene plaats krijgen. "Baas Witt, ik zeg: wij komen. Zullen de burgers uit eene stad, gelijk onze stad is, niet even zoo goed voor hunne medeburgers en magistraatspersonen, die voor het vaderland geleden hebben, eene eerepoort oprichten, als voor een hertog? Maar, wie zal het doen? De oude baljuw? De burgemeester? Die denken er niet aan!--Of zoudt ge meenen, de oude rector, omdat hij eens zoo'n ding van een transparant gemaakt heeft? Nu, dat was er ook naar! Of de oude Metz? Die heeft zijn kracht alleen maar in woorden, baas Witt, zooals het eekhorentje in den staart. Of de oude Zoch? Van den toren blazen kan hij; verder niets.--Ja, als ik er was!"--"Maar, mijnheer Herse," zeide de bakker, bij wien de draaikolk allengskens bedaard werd, "in dit jaargetijde! Waar moeten ze bloemen en groen vandaan halen?"--"Bloemen? Waartoe handelt de oude Hijmann en de oude Lijp en de andere joden in rood en geel lint? Groen? Waartoe heeft de stad Stemhagen dan de denneboompjes in het stadsbosch doen zetten?"--"'t Is waar," sprak de oude Witt, want de maat was nu geheel en al vol. "Wat zegt gij, molenaar Voss?" vroeg de raadsheer.--"Ik zeg volstrekt niets, mijnheer de raadsheer," zeide de molenaar, terwijl hij zijn hoofd omdraaide, met een gezicht zoo vol rimpels, alsof er een toegetrokken tabakszak over zijn' schouder keek; "ik zeg volstrekt niets; ik denk maar, toen ik gisteren naar Bramborg heenreed, was ik niet best te moede; en vandaag, nu ik weêr van Bramborg terugrijd, heb ik weêr maagpijn in mijn hoofd."--"Hoe dat zoo?" vroeg mijn oom. En de oude molenaar vertelde zijne verlegenheid met Itzig.--"Hm," zeide mijn oom en hij streek zachtjes met zijne hand van boven af, zijn aangezicht langs, tot aan de kin; verder kwam de hand niet, daar bleef zij haken ten gevolge van den harden baard; de kin zakte naar beneden, de mond opende zich en zoo keek hij eene poos stijf in de lucht rond. Hij probeerde dit kunststuk een paar malen, maar 't was steeds hetzelfde: over den baard kwam hij niet heen.
Nu had mijn oom Herse wel een harden baard, maar hij had een zacht gemoed; en ging zijn mond wijd open, zoo ging zijn hart ook wijd open; en toen hij nog eens weder met zijne vriendelijke oogen den grauwen hemel aanzag, trof hij juist een blauw plekje, en een stukske van den blauwen hemel viel door zijne oogen in zijn geopend hart; hij moest een goed werk tot stand brengen. "Baas Witt," sprak hij, "ga gij op den voorsten zak zitten en laat den molenaar bij mij hier komen; ik heb wat met hem te praten."
Dit gebeurde, en bakker Witt sprak op den voorsten zak zeer luid met den kamerdienaar en de raadsheer sprak op den achtersten zak zeer zacht met den molenaar. "Molenaar Voss," zeide mijn oom, "ik help u uit de verlegenheid. Morgen laat ik Itzig komen; en let maar eens op, hoe gedwee hij wezen zal; want, ik weet iets van hem, een geheim, waar niemand verder meê te maken heeft; maar, wat moois is 't niet. De kerel moet u tot paschen tijd laten en ik wil borg voor u blijven, en morgen kom ik buiten bij u, en zie al uwe papieren na en neem de zaak in handen, want, ziet gij"--en, dit zeggende haalde hij het cachet van zijn horlogeketting te voorschijn,--"ik ben er toe gemachtigd en aangesteld. Hier staat het. Kunt gij wel latijnsche letters verkeerd lezen?"--De oude molenaar antwoordde, dat hij ze noch recht, noch verkeerd lezen kon.--"Nu, het komt er ook niet op aan. Hier staat: Not. Pub. Im. Caes. dat beteekent, ik ben Notarius publicus, en Im. Caes. beduidt zooveel dat ik in ieder proces om raad kan gevraagd worden. Alzoo, molenaar, ik help u! Maar ik heb eene voorwaarde; gij zegt aan niemand, dat ik borg wil blijven, en aan niemand vertelt gij iets van onze afspraak; vooral niet aan den ouden baljuw. De zaak blijft geheim."--Dat beloofde de molenaar dan ook.
Op den tweeden wagen ging het, in zeker opzicht, juist zooals op den eersten; op den voorsten zak werd zeer luid gesproken en op den achtersten, waar Fieken en Hendrik op zaten, zeer zacht; en ik behoef niet te vertellen, wat zij met elkaâr spraken; want, Frederik lag immers achter in 't afgescheiden gedeelte van den wagen en hoorde woord voor woord; en die zal er wel ter goeder ure meê voor den dag komen.
Een uur of drie nadat dit alles gesproken was, liep Frits Sahlmann, die bengel, door de straten der goede stad Stavenhagen en riep: "Zij komen, zij komen!" Hij had op den molenberg al twee uren op post gestaan, en mijnheer de baljuw had in dien tijd wel zeven maal hem gescheld en was op 't laatst van knorrigheid naar mijne moeder gegaan.
"Zij komen!" riep de bengel.--"Is 't waar, jongen?" vroeg de oude Rickert, die klokluider was.--"Ja, vader Rickert, ze zijn al op de weide."--En de oude Rickert zeide bij zich zelven: "Dan is 't niet anders, dan moet ik er het mijne aan doen!"--Hij ging naar den toren en, daar hij het gansche gelui toch niet alleen meester worden kon, trok hij aan de brandklok. Nu kwam alles op de been, en de deuren uitloopen. "Zij komen!--Zij komen!"--"Wie komt?"--"De raadsheer Herse, en de bakker Witt en de molenaar Voss en al de anderen!"--"Hoera!" riep Bank, de schoenmaker en zwaaide zijn' arm in de lucht, maar hij had vergeten, dat hij er eene laars overgetrokken had.--"Hoera!" riep Tröpner, de smid en stoof met zijn schootsvel de straat op. "Maar, kinderen, alles in orde en fatsoenlijkheid!" en hij stiet de vrouw van den wever Stahl den pot met eten uit de hand, dien zij juist bij mamsel Westphalen gehaald had.--"Oera!" riep mijnheer Droi, die met de berenmuts op de straat kwam, maar anders "in negligé," en achter hem stonden zijne kleine Fransche kindertjes en schreeuwden: "Vive l'empereur!" toen juist de raadsheer, op den eersten wagen, door den volkshoop kwam aanrijden.
Hij zat echter op zijn' zak, en hield de geheele straat langs, de hand aan zijn hoed en draaide zijn eerwaardig gelaat naar de rechter- en naar de linkerzijde; in zijne deftigheid mengde zich de aandoenlijkheid, en hij fluisterde den molenaar toe: "Voss, dit doet mij de eerepoort vergeten."--En de oude molenaar keek den raadsheer aan, om te zien, hoe die het deed, en toen deed hij 't ook zoo, en hij antwoordde mijn' oom: "Ja, mijnheer, en ik denk ook niet meer aan Itzig."--De kamerdienaar groette steeds, naar den kant van den wagen, waar hij zat, en mishandelde zijn hoed op eene onmenschelijke wijze; en aan den anderen kant riep de oude Witt recht gemeenzaam van den wagen af: "Goeden dag, oude!--Goeden dag, Bank; hoe maakt het je bochel?--Goeden dag, Johan!--Goeden dag, Strüwing!--Wel?--Alles wel?--Hoe is 't met de varkens?"
Doch, toen zij op de markt kwamen, wuifde tante Herse met de kleine witte gordijnen uit het venster, en deed hierdoor in 't hart van oom Herse een stormwind opkomen, zoodat zijn gevoel in groote golven overstroomde en het water hem tot in de oogen spatte. "Tante," zeide hij, half overluid;--"tante!"--want hij noemt zijne eigene vrouw altijd "tante," en zij noemt hem daarom "oom,"--"tante, ik kan uwen wenk niet opvolgen, want deze beide dagen hebben met mij als openbaar persoon en niet als huiselijk, hebben met mij als raadsheer en niet als oom te doen gehad, en zóó moeten ze ook ten einde gebracht worden.--Bakker Witt," riep hij, en daarbij drukte hij zijn' driekanten hoed dieper in de oogen; "naar 't raadhuis!" De raadsheer had over den huisvader en oom de zege behaald.
Och, wat was dat een schoone avond op het raadhuis! Alles, wat in keuken en kelder voor de Franschen verborgen was geworden, werd voor den dag gehaald, en wat nog ontbrak, kwam van het slot. Marieken Wienk dekte eene lange, lange tafel, en aan die tafel werden steeds stukken, om ze te vergrooten, ingeschoven; en toen de groote tafels niet voldoende waren, kwamen de kleine, en toen ook die nog niet genoegzaam hielpen, werd voor ons, kinderen, op stoelen gedekt.--Mamsel Westphalen stond aan de hoekkast en perste citroenen uit, op suiker; daar werd uit allerlei flesschen van alles opgegoten, en de theeketel ging steeds van de keuken naar de kamer, en uit de kamer naar de keuken, en mijnheer de baljuw stond daarbij en was altijd aan 't proeven, en schudde het hoofd en goot er dan ook wel eens wat bij en ten laatste knikte hij en zeide: "Mamsel Westphalen, zóó is 't goed!" En hij keert zich om en zegt tot mijne moeder: "Kindlief, in ééne zaak moet gij mij nu mijn zin eens laten: de punch geef ik." Mijn vader was met den kurketrekker aan 't werk, en Luth zorgde voor 't schenken, en de kamerdienaar stond bij de kachel en schudde bij al die toebereidselen altijd met het hoofd en wilde Luth wijzen, hoe hij presenteeren moest; en toen Luth het zóó doen wilde, goot hij mamsel Westphalen een glas punch in haren schoot.--Ja, 't was een schoone avond. Frederik stond aan de deur, paalrecht en stokstijf, als een grenadier; hij verroerde en bewoog zich niet, behalve als hij dronk; en Frits Besserdich stond bij hem en verroerde en bewoog zich ook niet, behalve als hij ook dronk, of als hij even naar buiten ging en op de gang zijn' neus snoot. En Fieken Voss zat bij mijne moeder, en mijne moeder drukte haar de handen en streelde haar over haar zacht gelaat; en toen ik nader bij haar kwam, streelde zij mij ook en vroeg: "Zult ge ook zooveel van mij houden?"--Mijnheer de baljuw riep Hendrik Voss in den hoek, en sprak met hem in 't geheim.--Wat had mijnheer de baljuw met Hendrik Voss in 't geheim te spreken?--De oude molenaar Voss vroeg dat in stilte zich zelven ook af, en toen hij begreep, dat het over 't proces was, zeide hij tot Witt: "Zoo! met het princes heb ik het nu in orde; nu blijft de jood mij nog maar over; en dien zal 'k van avond in de punch soppen." "Daar brengt ge mij op een denkbeeld, Voss," zegt de bakker. Hij ging de deur uit en kwam na eene poos terug. In de ééne hand had hij een hengelmand en aan de andere zijne dochter. "Met uwe permissie, mijnheer de burgemeester, 'k woû graag mijn deel aan het traktement dragen, en hier breng ik dus wat suikerkransjes, en hier, mevrouw, is mijne dochter; neem 't mij niet kwalijk, zij had zoo'n grooten lust, om bij dit gezelschap te wezen."
Maar, wat beteekende dit alles bij den roem en de eer, die mijn' oom Herse te beurt viel. Hij had zijn mantel afgedaan en stond daar nu in volle uniform, en allen stonden om hem heen, en bedankten hem. Mijn vader bedankte hem, omdat hij hem door zijn' mantel beveiligd had; mijne moeder, omdat hij daardoor mijn' vader had helpen ontvluchten; mamsel Westphalen dook driemaal onder en zeide, dat zij 't nooit zou vergeten, wat hij voor haar gedaan had; en de molenaar Voss zeide, dat zij eigenlijk alleen slechts door mijnheer Herse vrijgekomen waren; en toen de oude Witt dat ook bevestigde, beloofde vrouw Strüwing hem in haar hart, hem een grooten koek te zullen bakken. Zijn frisch, rood aangezicht blonk en schitterde van genoegen en welbehagen; hij boog zich naar mijne moeder, en zeide: "Ik weet waarlijk niet, waar mijne goede tante blijft."--Bij de woorden van den molenaar kwam hem in de gedachte wat de Franschman hem had opgedragen en hij wendt zich tot den baljuw en zegt: "Mijnheer de baljuw, ik heb met u een paar woorden onder vier oogen te spreken in eene bijzonder geheime aangelegenheid." En daarop trok hij den baljuw in een' hoek.--Wij, mijne lezers, weten waarvan er gesproken zou worden; maar, als die hoek praten kon, en ons vertelde, wat de raadsheer daar vertelde, dan moesten wij zeggen, dat wij van niets wisten. Eindelijk moest mijn vader den baljuw maar verlossen; hij nam mijn oom en zette hem boven aan de tafel, op de eereplaats, en nooit is eenig menschenkind zoo recht bij tijds op zijne rechte plaats gezet, als toen mijn oom; want nauwelijks zat hij, of de deur werd geopend en mijne tante Herse kwam binnen in een zwart zijden kleed, en achter dit zijden kleed stonden de dokter Metz, die de vader was van den tegenwoordigen ouden Metz, en de tegenwoordige rijke Jozef Casper, die toen een kleine jodenjongen was. En tante Herse had een' krans van groene laurierbladen in de hand; die had de oude Metz van zijn boom geplukt, waarvan hij anders alleen eenige bladeren afplukte, als zijne lieve vrouw brasem kookte; en de krans was met een lang, rood zijden lint toegebonden; dat had Jozef Kasper bezorgd, en daarom nam tante hem meê. Tante ging naar oom toe, en gaf hem een kus en plaatste hem den krans op het hoofd, zoodat de roode linten langs zijn' rug hingen, en zij sprak eenige zeer mooie woorden, die niemand verstaan kon, want bakker Witt viel te vroeg met zijn: "hoerah!" in, en de molenaar met zijn: "vivat, de raadsheer leve!" En allen stemden daarmede in en klonken met de glazen.
Ja, 't was een schoone avond! En langen tijd daarna, wanneer ik eene beeltenis van Julius Cesar zag, kwam mijn oom Herse mij in de gedachte, want juist zóó stond de lauwerkrans, behalve dat mijn oom heel wat vriendelijker en voller in 't aangezicht was, dan die stuursche, uitgedroogde romein. En ook nog langen tijd daarna, als ik den mooisten koek voor mij had, dacht ik aan de suikerkransjes van bakker Witt, en ik prijs ze ook nu nog; men kon er zeer veel van eten en kreeg er nooit maagpijn van.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Waarom de molenaar weder in zijne laars kijkt. Hoe uit eene maat een schepel wordt. Waarom Hendrik afscheid neemt en, waarom Frederik van meening is, dat de vrouwlui goedkoop worden.
Den volgenden morgen, toen de molenaar Voss op zijn Gielowschen molen uit het bed was gekropen, zat hij weder met het hoofd in de hand, en keek mijmerend in zijne laars. "Moeder," vroeg hij eindelijk, "heb ik gisteren met Hendrik ongenoegen gehad, of heb ik dat gedroomd?" "Och, kom, vader!" antwoordde zijne vrouw: "ge hebt hem immers gedurig omhelsd en hem "je lieve zoon" genoemd, en Frederik hebt ge veel geld beloofd, zoodra je eerst een rijk man zoudt wezen, en dat zou niet heel lang meer duren." "Moeder, dan heb ik al heel gekke praat gepraat."--"Dat heb ik je gisteren avond al gezegd; maar toen wou je dat niet bekennen." "De hemel zal me bewaren!" riep de molenaar, "ik kom, geloof ik, nooit van mijne dwaasheden af!"
Frederik kwam binnen. "Goeden morgen, baas; goeden morgen, vrouw! Ik kwam maar eens binnen, baas, om u te zeggen, dat ik over de zaak nagedacht heb; ik wil het geld, dat gij mij gisteren avond hebt beloofd, nog een tijdlang bij u op renten laten staan, totdat ik het noodig zal hebben."--"Hm!" roept de oude molenaar, op zijn' stoel heen en weêr schuivende. "Ja," zeide Frederik; "maar ik had nog een ander verzoek: zoudt gij mij wel met paschen willen laten vertrekken, ofschoon het buitenstijds is?" "Waarom? Wat ben je van plan?" "Ik wou gaan trouwen!" "Wat, jij, trouwen?" "Ja, baas; ik wou gaan trouwen met Fieken, de dochter van schout Besserdich, die nu op het slot dient; en als Hendrik Voss met onze Fieken gaat trouwen, en als onze beide schoonouders er niets tegen hebben, dan heb ik zoo al eens gedacht, konden wij wel op éénen dag bruiloft houden."--Dit was den ouden molenaar dan toch al te kras. "Jou, bedelaar..." riep hij opspringende en greep naar de ééne laars. "Bedaar, baas!" zeide Frederik, zich hoog oprichtende; "die uitdrukking past niet op mij, en past niet voor u. Hoe 't met mij gesteld is, weet ik sedert drie dagen; en hoe 't met Hendrik en ons Fieken gesteld is, weet ik sedert gisteren middag; ik lag achter hen in den wagen en 'k heb alles aangehoord."--"Vader," riep de molenaarsvrouw, "dat zou nog zoo kwaad niet wezen!" "Daar heb jij geen verstand van!" riep de oude man en liep vreeselijk driftig door de kamer. "Nu, baas," zeide Frederik, de deur uitgaande, "overleg de zaak maar eens; mijn schoonvader loopt ook sedert eergisterenavond rond, om te overleggen." "Je kunt je getuigschrift krijgen," riep de molenaar hem achterna, "maar eerst tegen St. Jan."
Waarom was de oude molenaar zóó boos? Hij mocht toch Hendrik gaarne lijden, hij zelf had er in de laatste dagen dikwijls aan gedacht, dat Hendrik en zijn Fieken voor elkander wel geschikt waren; hij zelf had hem gisteren "zijn lieven zoon" genoemd,--maar, dat was 't juist! Gisterenavond had de punch hem tot een' rijk man gemaakt, en vandaag keek hij, als een bedelaar, in zijne laars, en al liet Itzig zich ook bepraten, om tot paschen te wachten, zoo was dit eenvoudig uitstel van executie. "Vader," sprak de molenaarsvrouw, "'t is het beste, waarlijk! wat onze Fieken en ons kan overkomen." "Moeder," hernam de oude man, en 't was een geluk, dat hij nog geene laarzen aanhad; hij zou anders van kwaadheid gestamptvoet hebben; "ik zeg je, dat jij daar geen verstand van hebt!--Wat?--'k Zou den zoon van Jochem Voss, die met mij in princes ligt, en die met een' grooten zak geld in 't land rondreist, mijn kind geven,--mijn beste, liefste kind!--en 'k zou tot hem zeggen: daar hebt ge haar, maar, meêgeven kan ik haar niets, want ik ben een bedelaar!--Neen, moeder, neen! 'k Zou de vodden moeten borgen, waarin mijn eenig kind, mijn kleine, lieve Fieken, voor 't altaar zou staan!--Neen, neen! Eerst moet ik weêr in goeden doen wezen!"
Zoo gaat het dikwijls in de wereld, een groot geluk hangt vlak voor iemand, zoodat hij 't maar te grijpen heeft; maar als de mensch dan zijne hand wil uitstrekken en het grijpen wil, dan is die hand met ketenen gebonden, en die ketenen zijn in lang verloopen tijden gesmeed, zonder dat iemand het gewaar geworden is, en zij zijn ver achter hem vastgemaakt, zoodat hij ze niet kan bereiken. De keten van den molenaar was zijn proces, en ook wel zijn slechte beheer in vroegere tijden; en, toen hij nu naar het geluk wilde grijpen, toen hield die keten hem terug en hij verzette en vertoornde zich te vergeefs. Hij had ze nu wel in eens af kunnen doorhakken; maar dan moest hij zijn leven lang het eind der ketenen door de wereld meêslepen, gelijk een weggeloopen tuchthuisboef, en dat duldde zijn eergevoel niet.
't Was om medelijden te hebben met den ouden man; hij ontweek iedereen, en was geheel alleen aan 't werk, in den molen en in den stal, als wilde hij op dezen dag alles inhalen, wat hij sedert vele jaren verzuimd had. Endelijk werd hij verlost; mijn oom Herse kwam aan, doch heden in burgerkleeding. "Goeden dag, Voss!" riep hij hem toe. "Nu, onze zaak is in orde!"--Maar de oude molenaar was heden niet lichtgeloovig gestemd en hij zeide kortaf: "Ja, als 't maar waar was, mijnheer Herse."--"Als ik het zeg, vriend Voss," hernam de raadsheer en haalde een pak papieren uit zijn rijtuig en ging toen met den molenaar in de kamer, "dan moet gij 't gelooven, want ik ben van daag hier als notarius publicus."--"Moeder," zeide de molenaar, laat ons alleen, en jij Fieken, steek jij eens eene kaars aan." Dat was nu juist niet noodig, want het was klaarlichte dag; maar de oude man had gezien, dat mijnheer de baljuw bij een gerechtsdag altijd een waskaarsje had branden, en hij wilde 't ook zóó hebben. Daarop ging hij naar zijne kast, kreeg zijn bril en zette dien op; wat ook niet noodig was, daar hij geen geschreven schrift kon lezen; maar 't kwam hem toch zóó voor, dat hij, met zijn bril op, beter inzicht in de dingen had; en vervolgens zette hij eene tafel midden in de kamer en twee stoelen er bij.