Twee vroolijke geschiedenissen
Chapter 15
Luth kwam dan ook weldra, en toen hij naar mijn' vader vroeg en hij dien in 't korte buis van Hannes in 't oog kreeg, was 't uit met zijne boodschap; hij vergat alles, wat hij moest en wilde zeggen, en begon te schateren van lachen; mijn vader werd boos, want hij dacht niet meer aan zijne kleeding, maar aan mijne moeder en aan t'huis; hij pakt den politiedienaar bij den kraag en roept: "Luth, zijt gij gek geworden? Hoe maakt het mijne vrouw en mijne kinderen?"--"Kostelijk in orde, burgemeester! Ha, ha, ha!--En mijnheer de baljuw leest uwe vrouw wat uit de boeken voor, en mamsel Westphalen stopt Frits op met appelen en lekkers, maar,--ha, ha, ha!--neem 't mij niet kwalijk, ik moet lachen."--En Frederik begon ook te lachen, en de oude schout ook, en Frits, en de vrouw van den schout zeiden dat mijnheer de burgemeester er toch ook heel kluchtig uitzag.--Mijn vader was nu lichter om 't hart geworden en lachte dapper mede. "Luth, lach maar goed uit," zeide hij, "maar lach wat vlug ook! want 'k heb wat voor je te doen, daar haast bij is.--De Fransozen hebben immers den mantelzak met het geld en het zilverwerk meêgenomen, niet waar?"--"Ja, mijnheer, 'k heb gezien, dat zij 't wegdroegen."--"Haast je dan wat. In den stal staat de bruine van den inspektor Bräsig, neem dien en draaf, wat ge kunt, naar Kittendorp, naar mijnheer den landraad von Urtzen,--want, van dáár zijn gisteren de Fransche jagers gekomen, en daar zullen de lepels ook wel van afkomstig zijn;--en vertel gij dan aan den landraad, hoe 't ons in Stemhagen gegaan is, en verzoek hem u een vertrouwd persoon mede te geven, die omtrent de lepels een eed doen kan. Op die wijze kon hij mogelijk zijn eigendom nog terugkrijgen.--En maak nu dat ge weg komt. En, Frits, span gij nu dadelijk in!"
Het duurde ook heel kort, of zij zaten allen op den wagen; slechts den schout wilde moederlief niet laten meêgaan.--"Je hebt daar niks te maken, je kunt t'huis blijven," zeide zij.--"Moeder," zeide de schout, en hij zette zijn' éénen voet in het rad en den anderen op de as, en keek van boven af om; "dit is tegen onze afspraak. Jij bent baas in huis en ik ben baas in mijne schoutszaken, en een' gevangene te transpireeren is eene schoutszaak." En, met die woorden klemt hij zich met Frederik en den Franschman op éénen zak. "Zoo, Frits, nu maar voort, ju, ju!"
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Waarom Frederik eigenlijk geen gauwdief was; waarom keizer Napoleon niets met den raadsheer te doen wil hebben, en waarom de overste met den raadsheer geheimen heeft.
Voor het raadhuis te Stavenhagen hield de wagen stil, en met één sprong was mijn vader van zijn' zak af, en zeide tot de anderen, dat zij nog eene poos stil zouden blijven zitten, totdat hij hen roepen zou.--Toen hij op de gang kwam, ontmoette hem Marieken Wienk, met een licht, want het was inmiddels donker geworden. Marieken, ons dienstmeisje, had bijna het licht laten vallen en wilde juist gaan schreeuwen, toen zij mijn' vader in de kleêren van Hannes herkende; hij trok haar echter schielijk in zijne kamer en zeide: "Hou je stil, Marieken, ge zijt immers een verstandig meisje!"--Marieken was vrij droomerig, maar niets helpt de domheid beter voort dan dat zij wijsheid wordt genoemd; 't werd in Marieken's hoofd ook heel wat helderder.--"Is mijnheer de baljuw nog hier?" vroeg mijn vader.--"Ja, mijnheer."--"Zet dan dat licht neêr en ga naar binnen, in de kamer, en laat mijne vrouw niets merken, maar zeg aan den baljuw dat er iemand is, die hem verlangt te spreken, en breng hem dan bij mij."
Nu, dat gebeurde, en de oude heer kwam binnen en zeide: "Goeden avond, mijn jongen; wat wilt gij, en wat doet ge hier in de kamer van den burgemeester?"--"Mijnheer de baljuw, hoe maken het mijne vrouw en mijne kinderen?"--"Wel jongske, wat weet ik van jou vrouw en kinderen? Hoe kom jij aan vrouw en kinderen?"--"Wel, heere, bewaar me!" roept mijn vader uit, "kent gij mij dan niet? Ik ben immers de burgemeester!"--"O, zoo, dan is 't eene andere zaak!" roept de oude heer. "Dat is toch eene geheel buitengewone zaak! De consul Stavenhageniënsis in een kort buisje!--Maar, wat zegt Horatius? Nil mirari, zegt hij. Vooral in deze tijden, kindlief."--"Mijnheer de baljuw, mijne vrouw!"--"Zij weet dat gij ontkomen zijt, kindlief, en zal zich zeer verheugen."--"Maar....?"--"Neen, 't zal haar geen kwaad doen, ook niet als ze u in dat korte buis ziet. Kom maar mede!"
Alle verrassingen deugen geen zier, zelfs niet de goede. Wanneer de blijdschap ons plotseling in de ooren dreunt, alsof twee dozijn muziekanten tegelijk, dicht bij ons, achter de struiken, zoo luid mogelijk beginnen te spelen, dan schokt het ons door hart en hoofd, en het schoonste lied wekt niets dan smart. Neen, ik houd meer van de blijdschap, die tot mij komt als een zangvogel in een boschje, altijd nader en nader, van tak tot tak, totdat hij ten laatste van den dichtst bij zijnden boom zijn liedje mij heel duidelijk in de ooren zingt.
De blijdschap kwam bij mijne moeder in 't eerst wel een weinig haastig, maar dat was doorgestaan; nu kwam zij van tak tot tak, en toen mijn vader de kamer inkwam, zong zij haar lied haar heel duidelijk in de ooren; en toen de vogel eindelijk zelf in een kort buisje kwam, toen was 't haar alsof hij haar allerlei zwaaien en sprongen in 't boschje voordeed, zoodat zij er hartelijk om lachen moest.--De herinnering aan dezen dag is in ons huis levendig gebleven tot in veel lateren tijd; wanneer mijn vader, onder werk en zorgen, eens recht vroolijk t'huis kwam, dan zeiden wij onder ons: "Vader heeft van daag 't korte buisje aan!"
Toen de blijdschap ten halve bedaard was, begon de oude heer: "En de Franschman hebt gij dus ook medegebracht, jongenlief!"--"Ik niet," zeide mijn vader; "Frederik van den molenaar heeft wel het meest daaraan gedaan, en de Gulowsche schout heeft hem geholpen."--"Zoo? Die Frederik moet een drommelsche wakkere vent wezen, een uitgeslapen kerel; wij zullen hem eens binnen laten komen."
Frederik kwam en de schout ook. "Zeg eens, mijn zoon, zijt gij het, die den Franschman van den wagen gesmeten hebt?" Frederik dacht bij zich zelven: Wat? Dit schijnt wel weêr een gerechtsdag te worden, en daar hij die vraag met "ja" beantwoorden moest, zette hij zich dadelijk in postuur en wachtte af wat er van komen zou. "Ja, mijnheer," zeide hij.--"Weet ge dan ook wel, dat gij den molenaar in groote verlegenheid gebracht hebt?"--"Verlegenheid? Hij is aan verlegenheden gewend, en ééne verlegenheid meer zal hem geen kwaad doen."--"Zijt gij het, die den mantelzak van het paard van den Franschman hebt genomen?"--"Ja, mijnheer."--"Hebt ge u daarbij niet, door het nemen van een achtgroschen, aan het eigendom van den Franschman vergrepen?"--"Ik heb mijn' eigen achtgroschen maar weêrom genomen," zeide Frederik en vertelde het geval.--"Gij hebt die tegen wet en recht genomen: en hoe wordt zoo iemand genoemd, die dat doet?"--Frederik zag den ouden heer vrijmoedig aan, maar sprak geen woord. "Schout Besserdich, hoe wordt zoo'n mensch genoemd?"--"Met uw permissie, mijnheer de baljuw, een gauwdief," zei de oude schout. "En dat is hij, mijnheer; hij heeft vandaag nog van den ouden Vink eene worst uit het rookhok gestolen, en zoo'n kerel wil met mijn Fieken trouwen?"--"Wat wil hij?"--"Mijn Fieken, mijnheer, die bij u dient, mijnheer, daar wil hij meê trouwen, mijnheer."--"Zóó, zóó?" zeide de baljuw en keek Frederik van boven tot beneden aan, "dat is dan eene andere zaak!--Mijn zoon, dan kunt gij heengaan, maar ik zal er aan denken, wat gij gisteren en heden gedaan hebt."
Frederik ging en was in zijn hart boos op den schout en op den baljuw. "Waar wil hij aan denken?" vroeg hij zich zelven af, toen hij op de gang stond. Had hij echter geweten wat die woorden bij den ouden heer beteekenden, dan zou hij er wel niet zóó naar gevraagd hebben, want ten kwade dacht de baljuw nooit ergens meer aan; het kwade ging bij hem spoedig voorbij, dat liet geen indruk bij hem na, en hij schrapte het door; maar ontmoette hij het goede op zijn weg, dan was hij bang, dat het hem soms door 't hoofd mocht gaan, dan zeide hij: "Netje, Frits Sahlmann, Westphalen, kinderen! helpt er mij toch aan denken."
Toen Frederik de deur uit was, keerde de oude heer zich om en lachte van ganscher harte. "Netje," zeide hij, "de worst van Frits Sahlmann, van dezen morgen, krijg je niet weêrom, die moet de Vink in Pinnow hebben, want als deze bengel, die Frederik, met Fieken van den schout wil trouwen, dan moeten we toch eerst weêr een eerlijk man van hem maken."--"Ja," riep mijn vader, terwijl hij een achtgroschenstuk op de tafel legde, "en hier is het geld, dat hij den Franschman ontnomen heeft."--"Wel nu, schout, zeg, wanneer wordt nu de bruiloft gehouden?" vroeg lachende de oude heer.--De oude schout stond daar en trok een gezicht, alsof iemand hem van achteren een bril van voetzolen had opgezet; hij wist niet wat om hem heen gebeurde. "Mijnheer de baljuw," zeide hij ten laatste, "die kerel is toch maar een bedelaar." "Schout," hernam de oude heer; "die zaak kan veranderen. Er zijn in deze tijden in ons rechtsgebied boerenhofsteden open gekomen, en wie weet, hoe de hooge hertogelijke kamer daarover denkt."--"Ja, maar hij is toch ook een gauwdief, mijnheer."--"Schout, dat wou 'k toch nog wel eens van je hooren. Toen de kerel van morgen die acht groschen uit het valies genomen heeft, had hij toen het geheele ding niet kunnen houden? Wie zou daar iets van geweten hebben? En, als hij het op zijn nek had genomen, en daarmede over de pruisische grenzen gegaan was, zou daar dan een haan naar gekraaid hebben? Derhalve."--"Ja, mijnheer, maar toch die acht groschen en die worst?"--"Het eene heeft hij in zijn onverstand voor zijn recht aangezien, en het andere voor een grap." "Ja, mijnheer," zegt de schout, zijn hoofd krabbende, "al is dat alles ook zoo, mijn Fiek is toch te jong voor dien ouden knaap."--"Met uw verlof, mijnheer de baljuw," viel mamsel Westphalen hierop in, "dat ik in gerechtszaken en boerenaangelegenheden meêspreek.--Schout Besserdich! dat 's een flauwe bedenking van je; want als je Fiek nog eene jonge, onervarene deern is, dan is 't goed, dat zij een ervaren man krijgt, want dat is altijd goed uitgekomen. En, mijnheer de baljuw, neem het mij niet kwalijk, hij is een geresolveerde kerel en goed in dezen tijd te gebruiken en gisterenavond,--ik wil niks niemendal tegen mijnheer Droi zeggen, want hij moet weten wanneer het tijd is met geweer en sabel op een mensch af te gaan,--maar gisteren ging Frederik geheel alleen op den Fransoos aan, en al waren ook zijne redeneeringen voor uwe kamer en voor mijne ooren niet fatsoenlijk genoeg, zoo zeî ik toch in mij zelve: dat is een kerel, die durft. En, schout Besserdich, die twee passen voor malkaâr, want, wat hij met daden heeft, heeft zij met woorden; en, mijnheer de baljuw, zij kan zich een kerel van 't lijf houden, want zij heeft een gezegend mondwerk, dat zeg ik."
De oude schout keek mamsel Westphalen aan en dan weêr mijnheer den baljuw; hij was geheel ontsteld; al de tegenwerpingen, die hij gemaakt had, waren wederlegd; hij zocht naar nieuwe en vond die niet, totdat hem ten laatste datgene inviel, wat hem op 't laatst altijd inviel; hij krabde zich dus achter de ooren en zeide: "Ja, mijnheer de baljuw, ik moest eerst hooren wat moeder ervan zegt."--"Best, mijn lieve schout! Maar in de allereerste plaats moest gij hooren wat uw Fieken ervan zegt. Wat mij betreft, 'k heb u maar willen aantoonen, dat deze Frederik geen gauwdief is."
Hiermede was dan deze zaak voorloopig tot op Sint Nimmermeer uitgesteld. De vrouw van den baljuw was met mamsel Westphalen reeds weder naar het slot gegaan, en bij het overige gezelschap liet zich de vermoeidheid gevoelen, toen de politiedienaar Luth van zijn rit naar Kittendorp terugkwam en mededeelde dat mijnheer de landraad vele groeten liet doen en zijn eigen kamerdienaar had meêgegeven, ter zake van het zilverwerk.
Daardoor was alles dan nu mooi in orde gekomen; de baljuw schreef nu nog een brief aan den Franschen overste; mijn vader gaf Luth nauwkeurige inlichting, wat hij te doen en te zeggen had; Frederik en Luth namen den "chasseur" tusschen zich in, op den wagen; de kamerdienaar en Frits Besserdich gingen voorop zitten, en zoo ging het voort, in den donkeren nacht en door den zwaren weg, naar Brandenburg.
"Ja," zeide de oude schout, toen hij alleen, in de duisternis naar Gulzow terugging, "jelui hebt goed praten! Zoo'n baljuw en zoo'n burgemeester, en mamsel Westphalen op het slot, dat zijn voorname lui, die hebben niemand boven zich; maar zoo'n schout wordt van iedereen gekommandeerd. Ja, als moeder er niet was! En als die kerel geen gauwdief was, en hij was een jaar of tien jonger, en hij had een boerenplaats, en mijn Fieken woû hem hebben, ja, dan--dan--kreeg hij haar toch niet, want moeder zou 't niet toestaan."
Geen mensch kan het mij nu ten kwade duiden, dat ik bij het vertellen van eene vroolijke historie, geen lust heb vreeselijke verhalen er tusschen te voegen, en daarom spreek ik niet meer dan noodig is van den Franschen "chasseur;" ik zeg er niets van, hoe hij te moede was, toen hij in Brandenburg kwam, en toen hij voor den krijgsraad stond; niets daarvan, hoe de angst, de doodsangst steeds nader kwam, toen hij het loon voor zijne booze daad zou ontvangen. En indien ik het ook wilde, zoo zou ik het niet kunnen doen, want ik schrijf maar van zaken die ik ken, en deze zaak ken ik niet; ik heb 't van mijn leven niet over mijn hart kunnen krijgen, om een armen zondaar nieuwsgierig te gaan bekijken op zijn' laatsten gang en toe te zien, hoe de eene zondaar den ander door een menschelijk oordeel, voorbarig voor den rechterstoel van den Heer onzen God brengt.--Maar, dat was nu eenmaal zoo, en dat geschiedde ook zoo; en toen zijn bloedig lichaam op het zand lag, heeft wel niemand er aan gedacht, dat de kogels, ver weg in Frankrijk, veel dieper in een ander hart gedrongen waren, dan in het zijne,--ik meen in het hart zijner oude moeder.
Ik wil dan alleen vertellen, dat door de uitlevering van den levenden Franschman de molenaar en de bakker van de verdenking dat zij een moord zouden gepleegd hebben, vrij kwamen; en dat door zijne bekentenis en door de getuigenis van den inspektor Bräsig en den kamerdienaar, de landraad Von Urtzen zijn eigendom wederkreeg, en dat de overste Von Toll, toen de auditeur het geld wilde terughouden, als onbeheerd goed, op strengen toon zeide dat zijn regiment niet met roof en diefstal zou bezoedeld worden. Hij stond op, nam het valies, en sprak tot Luth: "Mijn goede vriend, gij schijnt mij toe, een verstandig man te wezen; neem dezen verzegelden mantelzak en geef dien aan den baljuw, den heer Weber, opdat hij daarmede handele, zoo als 't hier te lande als recht geacht wordt." Luth ontving een geschrift daarbij, en aldus was die zaak afgedaan.
Maar nu ontstond er eene zwarigheid, waaraan niemand gedacht had; wat moest er van mijn oom Herse worden? Toen de molenaar en de bakker en al de anderen de gerechtszaal uit, en van hem weggegaan waren, stond daar mijn oom Herse nog, als een statige, eenzame eikeboom in eene houtvelling, dien de houtvester alleen om zijne statigheid verschoond had.--De overste zag hem verwonderd aan en vroeg hem: "Waarom staat gij hier nog?"--Oom Herse bewoog zijne takken en aan zijn donkerrood gelaat was het te zien, dat in zijn' top de stormwind begon te ruischen. "Dat wilde ik u vragen," was zijn antwoord. Zoo in dit oogenblik een vreemdeling de deur was binnengekomen, zou hij 't wel gelaten hebben, te beslissen wie de overste en wie de raadsheer was. Zij hadden beiden een deftigen uniform aan; en beiden hadden een voornaam, trotsch voorkomen, doordien zij beiden gewoon waren te bevelen;--was de overste een paar duim langer, zoo was mijn oom een halven voet dikker; kon men bij den overste den krijgsman onder zijn neus zien, zoo had mijn oom dien over 't gansche gezicht, want hij had zich in een paar dagen niet kunnen scheren; de oude dokter Metz had eergisteren overgeslagen, en wat den dag te voren en gisteren en vandaag gegroeid was woog rijkelijk op tegen den knevel van den Franschman.
"Wie zijt gij?" vroeg de Franschman.--"Ik ben een raadsheer, een Stavenhager raadsheer," zeide mijn oom. Dat scheen den Franschman nu toch eenigszins te treffen; hij liep op en neder en bleef eindelijk voor mijn oom staan, zeggende: "Ik zie er geen voordeel voor keizer Napoleon in, om nog langer met u in het land rond te trekken. Gij kunt henengaan."--Zoo iets was mijn oom nu toch niet gewoon. "Mijnheer," riep hij uit, "deze behandeling..."--"Het doet mij oprecht leed," viel de overste hem in de rede, "dat men u in 't geheel geïncommodeerd heeft. Gij moet wezenlijk bij vergissing medegenomen zijn."--Dat was dan nu toch voor mijn oom al te erg! Hij had zich den geheelen weg langs, in den barren winternacht, daarmede getroost, dat hij een uitverkoren slachtoffer was van den korsikaanschen draak, en nu zou dat alles eene eenvoudige vergissing wezen? Hij had in zijne onschuld ten minste op eene openlijke verklaring tot herstel zijner eer, voor het front van een geheel Fransch regiment, gerekend, en thans schopte hem,--met permissie gesproken,--de Fransche overste met den voet voor het allerdierbaarste en zeide, dat hij kon vertrekken.--"Een man, gelijk ik ben," riep hij uit, "uit vergissing medegenomen!" "Gij moogt nog van geluk spreken," zeide de overste en klopte hem, vriendelijk lachende, op den schouder; "in den oorlog komt menigmaal wat ergers voor; daar wordt menigeen uit vergissing doodgeschoten. Zie de zaak als eene beproeving van den hemel aan."--"Als dit eene beproeving wezen moet," zegt mijn oom, "dan is 't wel een zeer domme."--De overste lacht en neemt mijn oom onder den arm.--"Kom, mijnheer de raadsheer" zegt hij, "ik ben recht vergenoegd gestemd, dat die zaak zóó afgeloopen is en dat ik den baljuw heb kunnen tevreden stellen. En ik zou gaarne nog een paar woorden in 't geheim en onder vier oogen met u willen spreken." In 't geheim en onder vier oogen, dat waren woorden, waaraan mijn oom Herse geen weêrstand kon bieden; hij volgde dus den overste.
"Mijnheer Herse," sprak de overste, toen zij buiten, op de markt, voor het logement "In den gouden knoop," stonden, waar het hoofdkwartier was;--"mijnheer Herse, wees zoo goed den ouden, braven baljuw te zeggen, dat ik hem nog hartelijk laat groeten, en nu ik gelukkig aan zijn verzoek heb kunnen voldoen, moge hij ook trachten het mijne te vervullen; mijn verzoek is dat hij, indien zulks met recht kan geschieden, het onbeheerde geld aan het lieve meisje doe toekomen, dat mij gisteren onderweg den brief van hem heeft gebracht. En, mijnheer Herse, gij zult wel inzien dat dit geheim gehouden moet worden, want anders kon de baljuw daardoor in verdenking komen."--Nu was mijn oom Herse weder recht in zijn element. "Gij meent immers Fieken?" vroeg hij schielijk. "Fieken, de dochter van den molenaar Voss, die daar staat?" En hij wees op Fieken, die, een weinig ter zijde, bij haren vader stond en haren arm om zijn hals geslagen had en van blijdschap schreide.--"Ja, die meen ik," antwoordde de overste, naar het paar toegaande.
Fieken liet haren arm van haars vaders hals los, maar hare tranen kon zij niet terughouden, en toen de overste naderbij kwam, was 't haar, alsof ze nog meer moest schreien, en toen hij haar de hand gaf, maakte zij stilzwijgend eene dienaresse; zij kon geen woord uitbrengen. Zoo lang de nood, gelijk een sombere nacht, haar had bezwaard, zoolang was zij kalm en stil, zonder rechts of links om te zien, haren weg gegaan, en het vertrouwen op God alleen had haar, als eene heldere ster, licht geschonken; thans, nu de zon was opgegaan, stond zij stil, haar hart bloeide als eene schoone roos opwaarts naar het licht, de frissche morgenwind speelde in hare bladeren, zoodat zij kon uitzien naar alle zijden, en de morgendauw viel op de aarde neder.
De oude molenaar stond ook zwijgend voor den overste; toen die hem echter vroeg of hij de vader van dat meisje was, kon hij geene woorden genoeg vinden. "Ja, mijnheer," zeide hij: "en hoewel het waar is misschien, wat mijnheer onze baljuw zegt, dat jongens beter, en meisjes te week zijn, want, dat zijn ze, mijnheer, zooals gij aan Fieken zien kunt,"--en daarbij wischte hij zelf de tranen uit zijne oogen,--"zoo weet ik u toch voor uwe goedheid niets beters te wenschen, dan dat onze goede God u eenmaal zoo'n lief deerntje moge schenken, als mijn kleine Fieken is." De overste dacht er misschien ook wel zoo over, doch hij zeide het niet; hij keerde zich schielijk naar Fieken toe en vroeg haar: "Zeg eens, lief meisje, kunt ge schrijven?"--"Ja, mijnheer," zeide Fieken, nijgende. "Zij kan alles," zeide de molenaar; "zij kan geschreven schrift lezen en zij kan schrijven als een schoolmeester; want zij moet voor al mijn schrijfwerk zorgen." "Welnu, lief kind," sprak de overste, "schrijf mij dan hier je naam eens in, en de plaats, waar ge t'huis behoort; maar in 't platduitsch."
En Fieken schreef in het zakboekje van den overste: "Fieken Voss, op den Gielowschen molen, onder Stemhagen."--De overste las het, maakte zijn zakboekje dicht, gaf haar en haren vader de hand en ging weg, met de woorden: "Vaartwel; wij zullen elkaâr misschien nog wel eens ontmoeten!"
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Waarom de maat van bakker Witt overloopt, waarom de stad Stavenhagen de denneboompjes heeft doen planten; waarom vader Bickert de brandklok luidt; en waarom ik altijd, als ik van Julius Cesar hoor, aan mijn oom Herse denken moet.
Een klein half uur later reden uit de Treptowsche poort te Brandenburg twee wagens naar Stavenhagen. Op den eersten wagen zaten de oude heeren: de raadsheer, de bakker en de molenaar en, als tot sieraad, ook mijnheer de kamerdienaar; op den tweeden zat Frits Besserdich met Luth op den voorsten zak, en op den anderen zak Hendrik en Fieken, terwijl Frederik achterin lag, in het afgeschoten gedeelte van den wagen.