Twee vroolijke geschiedenissen
Chapter 14
Nu, die namen 't blijkbaar ook niet kwalijk en aten recht vergenoegd van de worst en de broodjes, zoodat den raadsheer van kwaadheid en afgunst de gal in de ledige maag kwam, en hun allen hun treurige toestand weder duidelijk werd, dien zij bij het gemakkelijk en warm zitten in den wagen, voor een poos hadden vergeten. Zij reden dus in den donkeren avond op Brandenburg aan, en waar eerst de broodmand gestaan had, in het achterdeel van den wagen, waren nu de bezwaren en zorgen en de treurigheid ingekomen, en die fluisterden hun allerlei angstwekkende verhalen in de ooren, en toen er een zwerm kraaien over hen heenvloog, zeide mijn oom Herse: "Ja, wat weet jelui van nood? jelui kunt lachen!" En de bakker zeî: "Dat volkje betaalt huur, noch belasting!" En de oude molenaar zuchtte en zeî: "'k Woû, dat ik een kraai was!"
Maar in twee harten vond de zorg geene plaats; daar had de liefde haren intrek genomen, met haren ganschen hofstoet van geheime wenschen, en van hoop en vertrouwen; en die geheime wenschen liepen als flinke bruidsjuffers door 't gansche huis en al zijn' kamers, ruimden op, wat in den weg stond, en wischten het stof van de tafel en van de banken af, en maakten de vensterruiten schoon, zoodat men ver uitzien kon in 't schoonste landschap; en zij dekten de tafel in de helder verlichte zaal en spreidden het bed in de stille kamer en hingen frissche kransen van loof en bloemen over deuren en vensters en om de lijsten van de keurigste schilderijen. En de hoop stak hare duizend lichten aan en ging toen, heimelijk, stil in een' hoek zitten, alsof zij 't volstrekt niet geweest was; alsof hare zuster het gedaan had, de werkelijkheid;--en het vertrouwen stond aan de deur en liet niemand binnen, die geen bruiloftskleed aanhad, en zeide tot de zorg, toen die naar Fieken vroeg: "Ga uwen weg; de oude molenaar danst nog op onze bruiloft." En ze zeide tot het bezwaar, toen dat naar Hendrik vroeg: "Ga uwen weg; 't is alles in orde."
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Waarom ik Frederik van den molenaar en geene prinses door het Gulzowsche bosch zend; waarom Frederik tot den schout Besserdich "schoonvader" zegt; waarom hij den hond uit den oven lokt en waarom de politiedienaar Luth om zijn' eigen burgemeester lacht.
Indien eene der jonge dames, die dit boek lezen, zich wellicht ergert, omdat dit hoofdstuk met een' molenaarsknecht begint en niet met eene prinses, zoo gelieve zij te bedenken, dat er in 't geheel geene prinsessen voorhanden konden zijn, zoo er geen molenaarsknechts waren, en dat op sommige plaatsen een molenaarsknecht meer waard is dan eene prinses, bij voorbeeld op dit oogenblik voor mij. Want, als ik den Franschen "chasseur" weêr wil vangen, kan ik hem toch geene prinses met eene crinoline en satijnen schoentjes bij dezen weg en door dit weder door het Gulzowsche bosch nazenden;--daartoe is een molenaarsknecht beter geschikt, en bovenal Frederik van den ouden Voss.
"Dumouriez!" zeide Frederik, terwijl hij het voetspoor van den Franschman volgde; "als de Fransoos tusschen hier en Greifswald zich ophoudt, voor den dag komen zal hij!"
Frederik gaat dus den Franschen jager door het Stavenhager bosch en door het Gulzowsche bosch na en komt zóó op den Gulzowschen weg; maar daar was 't uit; 't was misgeschoten: er was daar geen spoor meer te vinden. Was de kerel links of rechts gegaan? Een tijd lang stond hij daar, alsof hij zijn zondagsoortje versnoept had, doch weldra werden zijne denkbeelden weder helder, en hij zeide bij zichzelven: "Zoo die kerel naar Stemhagen gegaan was, moest ik hem dat toch voor puur onverstand toerekenen. Neen, de rakker is naar Gulzow gegaan." En hij ging hem na.
In Gulzow stond de boer Freier bij zijne heg en wierp steenen, zoo groot als de bol van een hoed, in een gat op den weg,--iets, wat ze op enkele plaatsen in Mekklenburg noemen: den weg verbeteren. "Goeden morgen, Freier! Hebt ge hier van morgen ook een Fransoos zien loopen?" vraagt Frederik.--"Een Fransoos?" vraagt Freier.--"Ja," zegt Frederik, "een Fransche chasseur."--"Een chasseur?" vraagt Freier.--"Ja, in eene groene monteering," zegt Frederik.--"Te paard?" vraagt Freier.--"Neen, te voet," zegt Frederik.--"Wat moet die?" vraagt Freier. "Wat hij moet?" vraagt Frederik. "Niks moet hij; ik wil maar eens met hem praten."--"Wat heb jij met een Fransoos te praten?"--"Dumouriez!" zegt Frederik. "Wat heb jij, domkop, daarnaar te vragen? Ik vraag immers maar of je den kerel gezien hebt?"--"In eene groene monteering?" vraagt Freier.--"Ja," zegt Frederik.--"Met eene schako?" vraagt Freier.--"Neen, blootshoofds."--"Blootshoofds? En dan van morgen in zoo'n regen?"--"Ja, dat hoor je immers!" roept Frederik knorrig uit. "Antwoord dan toch, of je dien kerel gezien hebt?"--"Wacht eens! Hebben we van daag geen donderdag?"--"Ja," zegt Frederik.--"Neen, van daag niet, maar Maandag," zegt Freier, "toen zijn er hier een stuk of wat geweest, maar met blauwe monteering, en dan te paard; en van daag is mijn Samuel met voorspan naar Stemhagen." "Freier," zegt Frederik, "dat voorspan had je niet naar Stemhagen moeten sturen, dat kan je zelf beter gebruiken, vooral als je de menschen antwoord moet geven."--"Hoe zóó?" vraagt Freier.--"En dan, Freier," zegt Frederik, "dan weet ik nog een mooi baantje voor je; je zoudt kreeften naar Berlijn kunnen drijven; zoo'n kerel als jij, die komt daarmeê vooruit." "Hoe meen je dat?" vraagt Freier verwonderd.--"Och, dat zeg ik zóó maar," zegt Frederik.--"Nu, goeden morgen, Freier.--En als de Fransoos komt, dien ik zoek, zeg hem dan dat ik gezegd heb, dat jij gezegd hebt, dat jou grootmoeder je verteld had: als hij zei, wat hij zei, moest gij hem zeggen, had ik gezegd, dat hij tegen jou niet moest zeggen schaapskop.--En nu adjuus, Freier."--"Wat?" zegt Freier en kijkt hem na, terwijl hij het dorp doorgaat, en hij draait een steen van een pond of dertig in zijn' handen rond: "Wat? hij had gezegd, ik had gezegd?--Wat?--jij hadt gezegd, moest ik zeggen, hij moest tegen mij geen schaapskop zeggen? Wat?" En hij neemt den steen en gooit hem met alle geweld tusschen de anderen. "Entfaamte pruisische gauwdief! Zoo doet hij altijd."
Frederik gaat verder. De oude schout Besserdich kijkt over de onderdeur. "Schout, hebt gij hier van morgen geen Fransoos zien loopen?--"Een Fransoos?" vraagt de schout. "Wel, dat volk is hier tegenwoordig juist zoo vreemd niet; maar, van morgen, zeg je?"--Nu, begint gij nu ook al te vragen?" zegt Frederik. "'k Wil u liever de historie vertellen, dat zal beter wezen."--Hij vertelde nu zóó--en zóó. "En,"--zoo besloot hij zijn verhaal, "voor den dag komen moet hij!"--"Dat moet hij, Frederik," zegt de schout. "En ik wil met je gaan, want ik ben er toch immers eenmaal voor aangesteld, en onze baljuw zeî laatst nog tegen mij: "Schout," zei hij, "op u rust het alles in Gulzow;" en toen gaf hij me een vel pampier en zeî: "deze zaak is pressant." Nu, ik liet mij dat door den veldwachter voorlezen, en toen hij dat klaar gekregen had, zei hij: "Schout, bij die zaak is haast."--"Neen, zeg ik, dat weet ik beter, mijnheer de baljuw heeft mij gezegd, die zaak is pressant, en als hij dat te voren gezegd heeft, dan heb ik nog altijd goed vier weken gedacht en 'k ben altijd nog bij tijds gekomen." En zoo kwam 't ook ditmaal uit. Maar, Frederik! jou zaak is niet pressant, maar die heeft haast; 'k zal nog maar eventjes mijn hoed halen, en dan kunnen we er op losgaan."
Dit gebeurde, en zij gingen. Toen zij het dorp uitkwamen, sprak de schout: "Frederik, mijn Hannes,--je kent dien jongen toch wel; hij is nu in zijn zestiende, en ik dacht zoo, dat ik hem nog zoo'n jaar zonder vast werk woû laten rondloopen; hij hoedt hier de schapen op 't roggeveld; want, zie je! ik dacht ook zóó, 't voêr is toch krap, en in dit jaargetij vertrappen ze wel een' maaltijd op 't veld en dus joeg ik ze er uit,--zie je? die jongen kan mogelijk den kerel wel gezien hebben." Zij vragen 't nu aan Hannes, en de jongen heeft den kerel werkelijk gezien; hij is den weg naar Pinnow opgegaan. In Pinnow gaan zij bij den schoolmeester aan en vragen hem of hij geen Franschman gezien heeft.
De schoolmeester heet Mosch, maar ze noemen hem altijd Vink; sommigen zeiden, omdat hij zoo mooi kon zingen, anderen, omdat hij zoo vlug en wakker was en met iedereen allerlei grappen maakte. De oude schout liet zich ook nu inderdaad door den vink bij den neus nemen; maar Frederik zag spoedig, hoe de vork in den steel zat; en, toen hij bemerkte, dat de vink zijne vrouw een knipoogje gaf, dat zij met hem uit één vaatje tappen zou, dacht hij: "Wacht, nu zal ik je wel beet hebben!"--Hij stond op en zeide, dat hij in de keuken een kooltje voor zijn pijp wou gaan halen.
De vink praatte nu den ouden schout allerlei dwaze verhalen voor en toen de schout aan 't woord kwam en vroeg of hij den Franschman niet gezien had, zeide de vink: "Neen," en zijne vrouw zeide ook "neen!"--Terwijl zij nu den ouden schout zoo fopten, kwam Frederik weêr binnen en sprak: "Juffrouw! er is in uw' keuken zeker wat voorgevallen, want de ééne lat met worsten ligt op den grond."--De schoolmeestersvrouw loopt nu de kamer uit en komt met de lat weêr binnen, uitroepende: "Zie zóó! Dat hebben we daarvan; die vervloekte kerel heeft ons een worst gestolen."--"Wat voor een kerel?" vraagt Frederik.--"De Fransoos, daar jelui naar gevraagd hebt."--"Zoo! dus hij is toch hier geweest," zegt Frederik. "Wel zeker is hij dat! En Mosch heeft hem nog een borrel en een boterham gegeven, en heeft hem den weg gewezen naar Demzin." "Nu, adjuus dan!" zegt Frederik. "Kom schout! Verder willen we immers niks weten."
"Schout," zegt Frederik, toen zij een eind weegs van Pinnow en van den vink af zijn; "gij zijt toch een soort van een gerechtspersoon en moet het weten; welke straf staat eigenlijk op 't stelen van eene worst?"--"Wel, Frederik," zegt de schout, "met worst ben ik in dat opzicht niet bekend; wat er op eene zijde spek staat, dat weet ik wel; want toen de oude manke schoenmaker er mij laatst een uit het rookhok had gehaald, liet de baljuw hem veertien dagen zitten, en dan kreeg hij er nog een stuk of twaalf op zijn baaitje."--"Dan zou 't juist niet zoo gevaarlijk wezen," zegt Frederik, "want als ik het daar naar bereken, hoeveel er op eene worst komt, dan is 't weêrgaasch weinig."--"Hoe zoo?"--"Wel, schout, zeg eens, als gij zeven varkens slacht, hoeveel zijden spek krijgt ge dan?"--"Veertien," zegt de schout.--"Dat's niet waar," zegt Frederik. "Gij krijgt er maar dertien; ééne komt in de worst."--"Daar heb je gelijk aan!" zegt de schout.--"En hoeveel worsten maakt uwe vrouw dan wel van zeven varkens? Toch zeker wel een stuk of dertig; dus komen er dertig worsten op ééne zijde spek, en op ééne worst zou dus, als men 't mooi uitrekent, op zijn hoogst een halve dag en een halve slag komen, en dat estemeer ik voor een rechtvaardig en genadig recht;--nu kunt gij mij hier dadelijk op heeterdaad den halven slag in mijn nek geven, en den halven dag wil ik toekomenden zondagmiddag, in uw huis achter de kachel komen zitten,--want, kijk eens hier! Ik heb de worst van den vink weggenomen."--"Wat! Plaagt jou de duivel?" vraagt de schout.--"Die niet, maar de honger," zegt Frederik; en hij haalt de worst uit zijn' zak en snijdt er een stuk af. "Hier, schout! Die worst is goed, die kan men zonder brood eten."--"Neen," zegt de schout, "met gestolen goed wil ik niets te doen hebben."--"Hoe zoo, gestolen?" vraagt Frederik. "Dit is eene fourageering, zooals wij bij den hertog van Brunswijk zeiden, of een mondroof, zooals jelui 't noemt. En schout, ge zijt toch zeker ook dikwijls in den appelboom van den domeneer geklommen?"--"De drommel weet, wat jou van daag bezielt;--ja, dat ben ik, toen ik nog een kwâjongen was, maar nu heb ik groote kinderen, die ik met een goed voorbeeld moet voorgaan."--"'t Is waar," zegt Frederik, "en wat voor den een past, dat past niet voor den ander."--"Schout," zegt hij, na eene poos, "hoe oud is je Fieken?"--"Wel," zegt de schout, en zijne oogen begonnen te schitteren, "Frederik, die deern, ik zeg je, die deern,--oud is ze niet, zij wordt pas achttien; maar, ik zeg je, wakker is ze als een honigbij." "Dat weet ik," zegt Frederik, "ik heb gisterenavond nog op 't Stemhager slot bij haar gezeten, en ik kan wel zeggen, ze is me zoo goed bevallen, dat ik in staat zou wezen, om ten haren gevalle te gaan trouwen."--"Nou! hoor eens aan, die is niet kwaad!" zegt de schout, en kijkt Frederik van boven tot onder aan.--"Ja," zegt Frederik, "en ik dacht, voor uw Frits is er wel wat anders te vinden, en gij wordt al oud, en als gij dan uwe rust woudt gaan nemen, dan zoudt ge ons de hofsteê kunnen geven, dan hadden Fieken en ik een mooi bestaan, en gij zoudt veel pleizier aan ons kunnen beleven."--"De hemel zal me bewaren!" roept de schout uit. "Dat meen je toch niet in ernst?"--"Waarom niet?" zegt Frederik, en richt zich in zijne geheele lengte op. "Zie ik er uit of ik gekheid maak?"--"Wat!" roept de oude schout, en gaat op hem af, "zoo'n oude bedelaar als gij zijt, die wou naar eene schoutsdochter vrijen? Mijne dochter, een jonge deern van achttien jaar?"--"Schout!" zegt Frederik, "pas op uwe woorden!--Oud, zegt gij? Kijk mij eens aan; ik ben in mijn beste jaren, tusschen de twintig en vijftig.--Bedelaar, zegt gij? Ik heb u nog om geen pijp tabak gevraagd. Maar, 't is waar, uw Fieken is heel wat jonger dan ik, doch daar geef ik niets om; ik neem haar toch, want zij is verstandig en weet dat zoo'n kerel als ik, die de wereld gezien heeft, meer waard is dan zoo'n boerenjongen met een' dikken rooden kop en vlashaar, die een dienaar maakt als een knipmes, en bij de menschen in den kamer spuwt."--"Hebt ge mijne dochter al gekheden in 't hoofd gepraat?" schreeuwt de oude schout hem toe en licht zijn stok tegen hem op.--"Halt, schout!" zegt Frederik. "Dien stok weg! Wat zouden de menschen zeggen als er verteld werd dat ik met mijn schoonvader al vóór de bruiloft, op den landweg gevochten had."--De schout liet den stok vallen.--"Schout," sprak Frederik, "'k ben wel in staat om van zoo'n Vink eene worst weg te kapen, maar, nooit van mijn leven daartoe, om zoo'n jong, lief schepsel tot haar ongeluk te bedriegen; ik heb uw Fieken geen gekheden in 't hoofd gezet."--De oude schout zag hem zoo van ter zijde aan, alsof hij zeggen wilde: de drommel mag jou vertrouwen!--maar hij zeide niets. Zij gingen nu verder, maar zij waren 't niet meer recht ééns.
Toen zij dicht bij Demzin kwamen, stond daar een jonge klerk van den rentmeester en Frederik ging naar hem toe en vroeg: "Neem mij niet kwalijk, hebt gij hier geen Franschman gezien? en zóó--en zóó." De jonge man zegt: "ja; een klein uur geleden, is hier zoo'n kerel voorbijgekomen." Zij gaan het dorp door, en aan het andere einde heeft ook eene oude vrouw den "chasseur" gezien. "Nu hebben we hem gauw," zegt Frederik. Doch, toen zij een weinig verder op het veld een ouden man aantroffen, die bezig was, om op den weg de toppen der wilgeboomen af te slaan, wilde die niets van den Franschman weten en zei dat die kerel hier sedert klokke zes 's morgens niet voorbijgekomen was.
Wat nu? In die richting voortgaan? Dat zou eene ware ganzenjacht geworden zijn. Uit het dorp was de kerel toch gegaan; waar was hij gebleven? De schout krabde zijn hoofd; Frederik keek overal rond, bezag de gelegenheid en zeide eindelijk: "Schout, verder kunnen wij niet gaan, hier houdt het spoor op; wij willen dus de zaak overleggen; maar 't blaast hier drommelsch koud over 't open veld; laten we daarachter den bakoven [7] gaan zitten."--Nu, zij doen dat. "Wat ben ik toch een dwaas," zegt de schout, "om hier in zoo'n weêr en over zoo'n weg een Fransoos achterna te loopen!"--"Schoonvader, laat den Fransoos maar rusten," zegt Frederik, "hem krijgen we toch nog."--"Begint ge alweêr met je "schoonvader", jij, pruisische gauwdief?"--"Schout, wat ge niet zijt, kunt ge nog worden. Ik heb menschen genoeg gekend, die hebben voor dien naam hunne dochters en daarbij nog veel geld gegeven."--"Dan hebben ze daarvoor ook andere schoonzoons gekregen, dan gij zijt."--"Kijk me eens goed aan, schout," zegt Frederik, en hij gaat voor den schout recht overeind staan; "een avekaat ben ik niet en een dokter ook niet; maar ik heb gezonde kneukels, en kijk mijne handen eens, die kunnen van werken meêpraten. En zoo gij uwe eigene oogen niet vertrouwt, dan kunt ge 't immers aan mijn baas, den molenaar, vragen."--"Ei, weet je, wat die zegt? Die zegt, dat je wel een flinke kerel bent en dat je wel wat durft aan te pakken; maar dat je uitdrukkingen over je hebt, dwaze uitdrukkingen, waar geen hond om achter den oven vandaan zou komen." "'k Zal u straks bewijzen, dat dit onjuist gezien is. Maar nu, zeg eens schout, wilt ge mij uw Fieken geven?"--"Wat drommel!" zegt de schout, "ik dacht eerst dat het eene grap moest verbeelden, en nu geloof ik, jou rakker, dat je hier ernst van wilt maken."--"Schout," zegt Frederik, "met de hofsteê en dat gij uwe rust moest nemen, dat was gekheid; want uw Frits moet de hofsteê hebben, en gij zijt ook zoo oud nog niet; maar, met uw Fieken, dat is ernst, en eene hofsteê zal 'k gemakkelijk krijgen."--"Jou snoever," zegt de schout. "Kijk, dat is weêr zoo'n spreekmanier, zooals ik gezegd heb, waarmeê je geen hond achter den oven vandaan krijgt." "Dat wil ik u toonen!" roept Frederik.--"Pocher!" zegt de schout, terwijl hij opstaat. "Ik ga naar huis, en ga jij aan 't honden lokken, of vang jij den Fransoos." "Dien heb ik," zegt Frederik.--"Praalhans!" roept de schout.--"Schout," zegt Frederik, "wanneer in drie minuten de Fransoos voor u staat, en ik met mijn spreekwijzen een hond uit den oven lok, wilt gij mij dan uw Fieken geven?" En hij hield hem zijne hand tegen, "sla dan toe!"--"Jou, leugenaar!" roept de schout, "alleen, om 't je met een' langen neus te bewijzen, dat je een praalhans bent.--Ja!" en hij slaat toe.
Frederik lacht zoo'n beetje in zich zelven; hij bukt naar de opening van den oven en roept: "Monsieur, allons, ici!--Allons, ici!"--En wat kroop er te voorschijn? De fransche chasseur. "Hemelsche goedheid!..." roept de schout.--"Pardon, monsieur!" roept de Franschman.--"Schout, wie heeft de weddingschap gewonnen?" vraagt Frederik. "Hier is de Fransoos en hier is ook de hond! Wie krijgt nu uw Fieken?"--"Pruisische schurk!" roept de schout, en licht den stok weder op. "Je wilt mij hier voor den gek houden, niet waar? Jij, mijn Fieken! Dan wil ik toch liever...."--"Schout," zegt Frederik, "laat uw stok rusten; de Fransoos wordt bang; kom liever hier, en help mij bij 't arresteeren; over de weddingschap spreken wij nader." "Pardon!" roept de Franschman er tusschen in. "Wat, hier en ginder! Pardon!" roept Frederik. "Waarom loop je onder den beuk vandaan, waar ik je had neêrgelegd? Dezen keer zal ik je op mijn' manier trakteeren; mamsel Westphalen is hier niet bij," en dit zeggende sneed hij hem de knoopen van zijne kleêren af; "en nu, allons, en avant!" En zoo gaat het dan nu voorwaarts door Demzin naar Pinnow heen.
De oude schout loopt er, in den zwaren regen, stil naast, en is knorrig, 't meeste op zich zelven; en als hij de schuld op Frederik schuiven wil, dan moet hij telkens weêr zeggen: "Een schelm is hij, maar een drommelsche wakkere kerel is hij toch! Hoe hij dat toch wist, dat de Fransoos in den oven zat? En dan dat knoopen afsnijden! Nu, dat zal 'k dan toch onthouden!"
Toen zij Gulzow naderden, zei Frederik: "Schout, wie drommel komt daar, dwars over uw bouwland, aandraven? Wat heeft die daar te jagen? Den regen kan hij toch niet ontkomen."--"Wel, sakkerloot!" zegt de schout, "dat is immers de bruine van den inspektor Bräsig, en die er op zit is zoo waar, de Stemhager burgemeester."
En zoo was 't.
Mijn vader kwam nader, en toen hij den Franschman zag en Frederik, zeide hij, dat de zaak nu wel zou schikken. "Maar," voegde hij erbij, "schout, nu naar uw huis, want ik ril in mijn binnenste van de koû en ben doornat."--"Dat zeg ik ook, mijnheer, wij zijn ook al mooi doorgeweekt."
Toen zij bij den schout in huis gekomen waren, haalde zijne vrouw allerlei afgelegde kleêren voor den dag, doch het was ter nauwernood genoeg, want de slechte tijden hadden ook de kleêrkast van den schout erg uitgeplunderd, en ieder van hen dankte den hemel zoo hij maar iets vond, wat hem half en half paste! De oude schout kon geene andere huisvesting vinden dan in zijne eigene broek, Frederik zat heel deftig in den kerkjas van Frits, en mijn vader, die de kleinste was, moest zich met het korte buis van Hannes vergenoegen, 't geen de schout natuurlijk eerst niet toestond, en waar hij veel komplimenten over maakte. Maar, wanneer iemand uit een benarden toestand in veiligheid, en uit den regen op het droge gekomen is, dan laat de vroolijkheid zich lichtelijk vinden, en mijn vader lachte over zijne kleedij, dat de tranen hem over 't aangezicht liepen.--"Goede hemel!" zeide hij op eens en werd heel ernstig, "wij lachen hier, en onder ons zit een menschenkind, dat rilt niet alleen van koû, dat rilt ook van angst: wij zullen hem ten minste zooveel goed doen, als wij kunnen. Vrouw Besserdich, gij moet ook den Fransoos aan het een of ander helpen."--Dat ging nu slecht, en toen alles aangewend was, wat slechts eenigszins er voor paste, moest toch de dikke wollen rok van de oude schoutsvrouw nog het meeste te hulp komen.
"Broêrtje, eet maar ferm!" zeide Frederik, toen zij bij het ruim voorziene avondeten zaten, en schoof den Franschman zoo'n stuk pekelvleesch toe van een pond of drie. "Eet, broer! Zoolang de mensch eet, zoo lang leeft hij nog."--En mijn vader kreeg medelijden met den kerel, hij sprak een paar woorden in 't Fransch tot hem: op deelnemenden toon, om hem te troosten, en de arme zondaar antwoordde zoo onderworpen, zoo weemoedig en bedrukt, dat het den ouden schout, ofschoon hij er niets van verstond, toch ter harte ging. Hij boog zich naar mijn vader toe en vroeg: "Mijnheer de burgemeester, willen we den kerel maar weêr laten loopen?"--"Neen," was het antwoord van mijn vader; "zoo gaat dat niet. De molenaar en de bakker zitten in bitter leed en zij hebben eene rechtvaardige zaak; en de Franschman zit ook in nood, maar hij heeft eene onrechtvaardige zaak, en het recht moet zijn loop hebben."
Later komt Frits, de zoon van den schout, met de paarden den hof oprijden. Hij treedt binnen en zegt: "Goê'n avond, vader! Ik ben van de Fransozen weggeloopen."--Hij geeft zijn' vader de hand, gaat naar mijn' vader toe, die met den rug naar hem toegekeerd zit, en geeft hem een recht aardigen stomp in den nek, zeggende: "Goê'n avond, Hannes! Kan je ook je broêr niet eerst goê'n avond zeggen?"--Mijn vader springt overeind en keert zich om, en Frits staat daar als Loth's huisvrouw.--"Heere, bewaar me," roept de schout. "Dat komt hier binnen en slaat me den Stemhager burgemeester in mijn eigen huis! En zoo'n lummel wil eenmaal schout worden!"--"Laat hem met rust!" zegt mijn vader. "Doch, daarvoor zal hij van avond nog geene rust hebben; hij zal ons voor zijn straf van avond nog allen naar Stemhagen rijden."--"Door de heele wereld, burgemeester!" zegt Frits.--"Maar, hoe komt ge zoo laat t'huis?" vraagt de schout.--"Wel, vader, ik dacht zóó: als ze je krijgen, zal 't er slecht uitzien, en daarom trok ik de paarden in het bosch en ging op de loer staan, en woû wachten tot het avond werd, en toen ik zoo stond, kwam de politiedienaar Luth aanloopen; hij zei dat de Fransozen al lang weg waren, en dat de burgemeester ook aan den haal gegaan was, en hij hem nu zocht."--"Waar is hij dan gebleven?" vraagt mijn vader.--"Hij zal dadelijk komen," zegt Frits, "hij ging nog maar eens bij den schoolmeester aan."