Twee vroolijke geschiedenissen
Chapter 13
Nu ging men aan 't pakken; het was spoedig in orde, en toen alles op den wagen lag, kwam vrouw Strüwing nog met een groote mand vol boterbroodjes en metworst aandragen. Fieken zat al op den wagen; de baljuw had den brief gereed, en toen hij dien aan Fieken gegeven had, riep hij Hendrik ter zijde en zeide: "Gij zijt dus de zoon van Jochem Voss, die zoo lang met den molenaar in proces geweest is?" "Ja, mijnheer de baljuw, neem het niet kwalijk; maar, mijn vader was ook wat stijfhoofdig, en was daar niet van terug te brengen; maar ik ben daarom hier gekomen en 'k heb ook al met den molenaar gesproken en naderhand ook met Fieken, en als 't naar mijn zin gaat, dan komt die zaak in orde." "Mijn zoon," zeide de oude heer en gaf hem de hand en drukte de zijne: "vooreerst wil ik je wat zeggen: gij bevalt mij; maar, ten tweede wil ik je ook wat zeggen: gij hebt Fieken van den molenaar uwe bescherming aangeboden: als dat meisje een haar gekrenkt wordt, kom mij dan niet weêr onder de oogen!"--Dit zeggende, keerde hij zich om, ging naar de kamer mijner moeder en zeide: "'t Is een prachtig meisje, kindlief!"--
"Wat heeft de baljuw je gezegd?" vroeg Fieken, toen Hendrik aan hare zijde zat, en de wagen afreed. "Och, hij zeî maar zoo wat," sprak Hendrik. "Maar, je zult koû vatten!" voegde hij er bij en wikkelde haar in den mantel van den ouden heer en reed schielijk de straat af.
Toen zij nauwelijks de poort uit waren, kwamen de Stavenhager lieden hen te gemoet, die nog een poos met de Franschen en de gevangenen medegegaan waren; vooraan natuurlijk Frits Sahlmann. Wat zag die jongen er uit! Alsof hij den geheelen dag in eene tegelbakkerij in de klei had gewerkt. "De burgemeester heeft de plaat gepoetst!" riep hij langs de straat. "De burgemeester is op den bruine van den ouden Bräsig aan den haal gegaan. Ik heb hem een' wenk gegeven, en, roef! was hij weg."--"Jongen, wat praat je?" zeide de vrouw van den schoenmaker Bank, die, over de onderdeur, naar haren man uitkeek.--"Ja, buurvrouw," zeide de brandspuitmeester Tröpner, die nu nader kwam; "de burgemeester is aan den haal gegaan; maar je man hebben ze een aandenken gegeven: kook hem maar een beetje saffraan en roggemeel en leg hem dat tusschen de schouders, op het plekje, waar de Fransoos hem met zijn' geweerkolf gekitteld heeft."
Als een loopend vuur verspreidde zich het gerucht door de stad: "de burgemeester is op den bruine van Bräsig de Franschen ontvlucht!" en de politiedienaar Luth stoof de kamer mijner moeder binnen met een gezicht alsof pinksteren en paschen op één dag waren gevallen, en hij er toe bestemd was, om al het genoegen, dat op die dagen de gansche Stavenhager burgerij te beurt viel, alleen te genieten. "Mevrouw Reuter!" riep hij. "Schrik niet!--Mijnheer de baljuw! 't Is wat goeds!--'t Is wat goeds, mevrouw Weber!--Mamsel Westphalen, hoe is 't mogelijk!--Onze burgemeester is de Fransozen ontloopen!"--Och, goede hemel, wat gaf dat eene beweging! Mijne moeder beefde aan handen en voeten; mijnheer de baljuw vergat zijn ouderdom en zijne betrekking; hij pakte den politiedienaar bij den kraag en schudde hem uit alle macht: "Luth," riep hij, "man, bedenk u toch! Wij zijn hier niet gestemd voor grappen."--De vrouw van den baljuw ging vol bezorgdheid nader bij mijne moeder staan, en mamsel Westphalen zat stijf en strak en zeide: "Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, hij is een hansworst!"--"Mijnheer de baljuw," riep Luth en liet zich schudden, "geloof mij toch, dat het zóó is. Frits Sahlmann heeft het zelf gezien, en heeft het mij gezegd."
"Frits Sahlmann? Mijn Frits Sahlmann?" vroeg de oude heer, den politiedienaar loslatende.--"Mijnheer de baljuw," zeide mamsel Westphalen heel bedaard: "zooals de een heet, ziet de ander er uit. Frits Sahlmann en de waarheid zijn even dicht bij elkaâr, als zijn neus en de maan." "Waar is de jongen?" vroeg de baljuw.--"Hij staat hier buiten, op de gang," antwoordde Luth.
Met groote schreden ging de oude heer naar de deur en riep naar buiten: "Frits! Frits Sahlmann, kom hier eens binnen!"--Frits Sahlmann kwam; in zijne borst waren twee strijdende partijen: de lust om zijne heldendaden te vertellen, en de vrees voor een' onweêrsbui, omdat hij er zoo smerig uitzag; de ééne dreef hem voorwaarts en de andere hield hem terug, en 't scheen wel, alsof de ééne links, en de andere rechts werkte; althans, hij kwam de deur schuins in; met den goeden kant het eerst, maar hij had toch eene verkeerde rekening gemaakt, en er niet op gelet, dat op deze wijze zijn natuurlijk zwaartepunt, waarmede hij in den hollen weg was neêrgekomen, dus dadelijk aan de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen in 't oog vallen moest.--"Frits Sahlmann," vroeg de oude heer, "wat is dat alles?"--Frits Sahlmann, die in 't geheel genomen, met eene soort van trots was binnengerukt, liet het hoofd hangen, en keek naar zijn onderdeel. "O, 't is niks, mijnheer de baljuw! Niks als een beetje droge klei."--"De hemel beware ons!" riep de vrouw van den baljuw, "wat ziet die jongen er uit. Wie zal hem weêr schoon krijgen?"--"Daar moeten Fiek en Carolien, ieder met een' stompen bezem over heen," zeide mamsel Westphalen heel bedaard.--"Jongen," sprak de baljuw; "zeg mij nu eens terstond de zuivere waarheid; is de burgemeester gevlucht of niet?"--"Ja, mijnheer de baljuw," zeide Frits en keek weder op, "hij is hun ontsnapt!"--"Leugens!" riep mamsel Westphalen er tegen in. "Hoe kan uit zulk een onrein vat de zuivere waarheid komen?"--"Vertel het, Frits!" zeide de oude man, en Frits vertelt.
't Komt vaak in de wereld voor, dat iemand al te veel eer wil inoogsten en dat hij daardoor ook die verloren ziet gaan, die hem met recht toekomt. Zoo ging het Frits ook. Toen hij bij zijn aandeel aan de geschiedenis gekomen was, vertelde hij 't zoo omstandig; hij beschreef zijn natuurlijken val zoo nauwkeurig en gebruikte zoovele woorden, om zijne daad in een helder daglicht te plaatsen, dat hij nog lang niet met zijn verhaal ten einde was, toen Luth met den brandspuitmeester Tröpner binnenkwam, en de baljuw zich tot dezen wendde, met de vraag: "Waarde vriend Tröpner, wat is u van de zaak bekend?" Baas Tröpner, gevoelde uit deze deftige vraag, dat hij door den ouden heer als een beschaafd man behandeld werd, en hij besloot zich ook als een beschaafd man te gedragen; hij zeide dus, in deftige uitdrukkingen: "Ik kan zeggen, dat ik van den aanvang af, tot aan het einde, alles heb aangezien." Nu vertelde hij dan de zaak weêr van voren af aan, liet het aandeel, dat Frits Sahlmann er bij had, geheel en al weg, en besloot zijne vertelling met deze woorden: "En aldus sprong de burgemeester achter den mantel van den raadsheer uit; liep om de ekklipage rond, krabbelde fiks tegen de hoogte op, sprong achter den hollen wilgeboom, rukte Frits met geweld den teugel uit de handen, sprong in den zadel, en toen hij maar eerst het gevoel van den bruine onder zich had, joeg hij, pardoes, den berg af, altijd maar naar de Pribbenowsche dennen toe, zoo hard hij kon."--"En de Franschen?" vroeg de oude heer.--"O, mijnheer de baljuw, die waren half verkleumd, en toen zij schieten wilden, ging er niks, niemendal af vanwege de nattigheid; zij smeten zich dus in hunne toornigheid op ons, onschuldige wormen van bloote toeschouwers, en hebben den schoenmakersbaas Bank uit de Bramborgerstraat met de kolf tusschen de schouderbladen getramponeerd, waarop wij allen ons exkuseerden, doordien wij den berg afliepen." "Kindlief," riep de oude baljuw, "die kleine burgemeester is een kerel als een oorworm! Dat is een kerel, flink als een geweerslot, kindlief!"--Maar zij, voor wie deze woorden bestemd waren, hoorde hem niet. Mijne moeder lag in haren stoel en schreide bitter. Toen er van schieten gesproken werd, drukte zij den arm van de goede mevrouw Weber heel vast tegen zich aan, want eene duizeling overviel haar; maar, toen eindelijk met zekerheid bleek, dat mijn vader ongedeerd weggekomen was, vloeiden de tranen uit hare oogen; zij bedekte haar aangezicht met haren zakdoek en weende in stilte.
Waren dat vreugdetranen? Wie weet het? Wie kan zeggen, waar vreugde en leed zich scheiden? Zij strengelen zich wonderlijk in het menschenhart dooreen; zij zijn als schering en inslag, en wel hem, bij wien uit het beiden een duurzaam weefsel ontstaat! De traan, uit het leed geboren, heeft zoo goed zijn inslag van hoop, als de vreugdetraan zijn inslag van vrees. De doorgestane angst om mijn' vader en de vrees voor zijne toekomst, waren ingeweven in het blijde dankgevoel mijner moeder, en de traan, die op de aarde viel, was niet louter een vreugdetraan. Valt er in 't geheel op deze aarde ooit eene loutere vreugdetraan?
't Was geheel stil geworden: een engel scheen door de kamer te zweven, een korten tijd slechts; de engelen vertoeven niet lang bij ons;--ik weet alles nog, want ik stond met mijn hoofd tegen onze groote bruine klok aan, en luisterde naar den slinger,--een korten tijd! Ik zag op: de oude baljuw keek uit het bovenvenster naar den grauwen hemel; mijne moeder en de vrouw van den baljuw weenden; mamsel Westphalen ook; zij had Frits Sahlmann bij de hand gevat, en bij 't laatste ruischen der engelenvleugels, zeide zij: "Frits, mijn jongen, ga naar het slot en trek droog goed aan; Fieken zal je wel je zondagsche kleêren geven."--"En ik, mijnheer de baljuw," sprak Luth, "wil naar Gulzow gaan, en Tröpner kan naar Pribbenow gaan, dat wij den burgemeester niet misloopen."--De oude heer knikte met het hoofd; hij ging naar mijne moeder, tegen wier knie ik leunde: en zeide: "Gij, en hier, uw jongen, hebt heden alle reden, om den goeden God te danken."
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Waarom de overste zich bij Fieken's woorden moest afwenden, en waarom Fieken zich bij Hendrik's woorden afwenden moest. Waarom de raadsheer op de kleine menschen schold, en de molenaar wenschte, dat hij een kraai was.
Zoodra Fieken met Hendrik bij den molenberg kwam, vlogen hare oogen naar alle zijden rond, en het duurde ook niet lang, of zij had haren vader en zijn gezelschap herkend, zooals zij daar onder den molen zaten.--"Daar is mijn vader," zeide zij tot Hendrik. "Wel," zeide Hendrik, "dan willen we hier rechts van den hollen weg, naar den geploegden akker, den kant naar den molen inslaan. 't Zal wel slecht gaan; maar door den hollen weg is niet door te komen, en ge kunt dan toch ook met uw' vader spreken."--"Halt," riep Fieken, "niet rechts, naar den molen toe; neen, links, van den molen af; ik wil niet met hem spreken.--Goede hemel, nu heeft hij ons al gezien en hij wenkt ons."--"Fieken," zeide Hendrik, toen hij volgens hare aanwijzing reed, "wat beteekent dit? Waarom zoekt gij uwen vader te ontwijken?" "Omdat ik niets voor hem doen kan, eer ik den brief bezorgd heb. Wie weet, hoe de Franschen 't zouden opnemen, als ik met hem sprak? Daar kon beweging en twist uit ontstaan; en als wij op die manier voor den overste gebracht werden, zou hij ons juist niet vriendelijk aanzien. En dan, waartoe zal ik mijn' ouden vader met uitzichten vleien, die nog onzeker zijn? Voor 't oogenblik is het hem genoeg te weten, dat wij dicht bij hem zijn."
Middelerwijl waren nu ook de kanonnen uit den hollen weg opgetild en uitgegraven, en de stoet zette zich weder in beweging. De gevangenen werden langs de ééne zijde van den hollen weg gekommandeerd en Hendrik reed aan den anderen kant, zoo schielijk hij door het bouwland van den ouden Nahmaker kon voortkomen. Fieken keek naar den overste uit. "Wanneer ik hem maar zie, zal ik hem wel herkennen," zeî ze tot Hendrik. "Hij heeft een goed gezicht, al zag het er ook streng uit, toen hij den burgemeester liet wegbrengen."--Zoo kwamen zij voorbij de kanonnen en langs menigen troep Franschen, die in den diepen weg zachtjes voortsukkelden. Eindelijk, dicht bij de kroeg "In de bromvlieg," zagen zij den overste, terwijl hij met eenigen zijner officieren stapvoets voortreed.--"Hendrik," zeide Fieken, "draaf hier zoo hard ge kunt en houd op de hoogte stil; dan wil ik er afklimmen."
Dit geschiedde. Toen de overste nader kwam, stond Fieken op het voetpad in den weg, zij ging hem een paar schreden te gemoet, reikte hem den brief toe en zeide: "Mijnheer, ik heb een brief voor u."--De overste hield stil, nam den brief, zag Fieken een weinig verwonderd aan en vroeg: "Van wien, mijn kind?"--"Van onzen baljuw, mijnheer Weber."--De overste brak den brief open en las; zijn aangezicht begon er deelnemend uit te zien, en toen hij ten einde toe gelezen had, schudde hij zacht met het hoofd. Fieken had hem met den grootsten angst aangezien; zij las het antwoord op den brief in de trekken van den overste, en toen hij zoo droevig het hoofd schudde, liepen haar de tranen uit de oogen. "Mijnheer, 't is mijn oude vader, en ik ben zijn eenig kind!" riep zij uit.
Zij had alles in de wereld kunnen zeggen, de schoonste aanspraak en de krachtigste bijbelspreuk,--niets zou zulk een indruk op dien sterken man gemaakt hebben, als deze weinige woorden, in de platduitsche spraak.--Hij had ook een' ouden vader en was diens eenig kind; zijn vader zat op een aanzienlijk kasteel in het Westphaalsche land, maar in eenzaamheid, ontevreden met zijn volk en zijn vaderland; de tijdsomstandigheden hadden vele steenen tusschen hem en den eenigen zoon opgestapeld, totdat het een breede muur was geworden, over welken zij zich slechts moeielijk konden doen verstaan. Misverstand en oneenigheid waren daaruit ontsproten, en waar die zijn, daar doet zich ook, in stille uren, het geweten gelden. Hoe vaak had zijn hart tot hem gesproken: "'t Is uw oude vader, en gij zijt zijn eenig kind!" Blijdschap en lijden, kanongebulder en veldslag hadden die stem wel van tijd tot tijd doen zwijgen; maar altijd kwam de gewonde plek van zijn hart weder te voorschijn, gelijk een bloedige plek op den vloer. Voor de eerste maal hoorde hij dit woord uitspreken van vreemde lippen, voor de eerste maal in de spraak zijner kindsheid; 't was hem, alsof er geen verwijt meer in dat woord lag, zóó zacht werd het uitgesproken, 't klonk hem zacht in de ooren, als een woord van vergeving, en toen hij het arme kind voor zich zag staan, met haar angstig, bekommerd gelaat, toen werd het hem te benauwd; hij moest zich afwenden, en het duurde eenigen tijd, eer hij weder met haar spreken kon. Eindelijk had hij zich hersteld en zeide tot haar, met al de hartelijkheid, die uit zulk een oogenblik geboren wordt: "Mijn lief kind, vrij laten kan ik uw vader nu niet; maar dat zal wel komen; gij, en uwe liefde voor uwen vader, zult niet te vergeefs bij mij aangeklopt hebben, gij zult in zijne nabijheid blijven, en hij zal op uwen wagen met u rijden.--En als wij in Brandenburg komen, meld u dan bij mij aan." Hij gaf daarop de noodige bevelen en reed met zijne officieren verder.
Hendrik kwam nu met zijn wagen naderbij, sprong er af en vroeg: "Fieken, hoe is 't?--Maar, wat vraag ik nog lang? Je ziet er immers uit, alsof het hart je op de tong ligt; niet waar, hij heeft je vader vrij gegeven?" En hij sloeg zijn arm om haar heen; "kom Fieken, klim op den wagen: daar komt weêr zoo'n hoop volk, we willen op zij gaan." "Die doen ons niets," sprak Fieken, en zij klom hooger naar den slootrand op en zag den weg langs. "Vrijgelaten heeft hij hem niet; maar hij heeft het mij beloofd. Ik mag bij hem blijven, en zij mogen met mij rijden, en, Hendrik, nu zoudt gij wel naar huis kunnen gaan en op den molen acht geven en moeder bijstaan."
Hendrik bond den teugel om een' wilgeboom vast en bukte, gespte aan het tuig en streek toen zijn paard met de hand langs den gladden, natten rug. "Ge hebt gelijk, Hendrik," zeide Fieken, "ge zijt bezorgd, om paard en wagen te verlaten, maar dat kan immers de oude inspektor Bräsig uit Bramborg meê terug nemen, die doet ons gaarne dezen dienst."--"Fieken," hernam Hendrik, "aan 't voertuig heb ik niet gedacht; ik dacht aan jou en aan 't geen de oude baljuw tot mij gezegd heeft."--"Wat was dat?" vroeg zij.--"Als ik er niet voor zorgde, dat je geen haar werd gekrenkt, mocht ik hem niet meer onder de oogen komen. En, Fieken, ik heb hem beloofd, je ten allen tijde bij te staan, en toen ik hem dat beloofde,"--en nu ging hij naar haar toe, nam hare hand en zag haar zoo recht eerlijk in de oogen,--toen waren er nog twee bij tegenwoordig, die dat meê aangehoord hebben, en daar wist niemand wat van, dan ik alleen; dat was de goede God, Fieken, en mijn eigen hart."--Fieken werd zoo rood als eene roos, en toen hij zijn arm om haar heensloeg, wond zij zich los en riep: "Daarover hier verder niets, Hendrik! Van daag niet, Hendrik! Heer in den hemel! Daar komt mijn goede vader aan!" En dit zeggende, ging zij van hem weg, haren vader te gemoet, en Hendrik stond stil gelijk een boom in den wintertijd, als de groene bladeren afgevallen zijn en de vogels niet meer van liefde en vroolijkheid in de takken zingen. Doch toen zij zich omkeerde, en weder tot hem terugkwam, zeggende: "Hendrik! Hendrik!" en de tranen uit hare oogen stroomden, en zij daarna weder schielijk naar haren vader toeging,--toen schoot blad op blad uit dien stillen boom, en liederen van lust en liefde klonken in zijne takken, en de lente ontlook in hem, de eenige lente, die door 't gansche leven, in zomerhitte, in herfststormen, en in winterkoude moet voortduren, als het de rechte lente en het rechte leven is.
"Fieken!" riep de oude molenaar Voss, "waar komt gij vandaan?" En toen Fieken hem om den hals viel, en hem met tranen in de oogen, de omstandigheden had medegedeeld, knorde de oude man en zeide, dat Hendrik alleen had kunnen komen; en dat dit aangelegenheden waren, waar vrouwen zich niet mede inlaten moeten. De raadsheer Herse verklaarde echter, dat de molenaar van zulke zaken volstrekt geen verstand had, en Fieken's inval met den wagen was zoo mooi, dat hij zelf het niet beter had kunnen bedenken; want, wat zijne postpapieren laarzen betrof, die waren door den schoenmaker Bank, opzettelijk voor de raadsvergaderingen vervaardigd, en niet, om in dit jaargetijde, vier mijlen op den Mekklenburgschen landweg meê te loopen. En de bakker Witt, van de mand met metworst en boterbroodjes hoorende, klopte zich op de maag en zeide, dat Fieken zijn beste peetekindje was, en al behoorde hij ook tot dezulken, die hun voederkist altijd bij zich hebben, zoo veranderden de omstandigheden de zaak, en bij zulk weder moest zelfs de beste bakkersoven van tijd tot tijd nog wat opgestookt worden.
De Fransche sergeant had nu aan de mannen van de wacht het bevel van den overste medegedeeld, en het gezelschap klom op den wagen, en maakte het zich zoo gemakkelijk en warm als eenigszins kon. Mijn oom Herse eigende zich de kleedingstukken toe, die voor mijn vader bestemd waren, daar hij er als collega de naaste toe was, en hij schold op de kleine, magere menschen in 't algemeen, en op mijn' vader in 't bijzonder. Van de lengte, zeî hij, wilde hij niet spreken, want die kon niemand zich zelven geven of ontnemen; maar, voor de behoorlijke breedte kon ieder verstandig mensch met den tijd zorgen. "Kijk eens hier, baas Witt, dit moet een jas voor een volwassen en doorvoed mensch verbeelden!" Dit zeggende, hield hij mijns vaders jasje tot spektakel omhoog. "Mijnheer Herse," zeide de bakker; "steek van voren uwe beide armen in de mouwen, zoodat het ruggestuk van den burgemeester op uw borststuk komt te zitten, hier is nog eene jas, die hang ik u van achteren om, zoo maken wij uit twee kleine ééne groote; een mensch moet zich weten te helpen."--Nu, dit gebeurde, en mijn oom Herse zag er uit als eene mooie vette oester, die al eenigen tijd op reis geweest is: achter en vóór had hij eene stevige schulp, maar op zijde gaapte hij van tijd tot tijd uit elkander. Bakker Witt had een zijden wintermantel van zijne overledene vrouw gevonden, en hij had dien om, met de konijnevellen naar buiten; want, zeide hij, 't was in zulk slecht weêr jammer van de zijden stof; maar de vellen konden er wel tegen, want zooveel hij wist, liepen de konijnen ook met de haren naar buiten rond.
Met deze twee ging het inpakken, over het geheel, tamelijk vlug, doch met den molenaar kwam het zeer in de war, want, toen hij hoorde, dat de mantel met de zeven kragen, die voor hem bestemd was, van rechtswege den baljuw toebehoorde, werd hij eerst door het verschuldigde respekt overvallen en maakte de eene buiging na de andere alsof de oude heer voor hem stond en hem 't eerst de deur wilde doen ingaan; en daarna kwam de aandoenlijkheid, omdat de baljuw aan hem gedacht had, en hij zeide, dat hij dit niet waardig was; en toen Fieken hem de eene mouw had aangetrokken, begon hij het bezwaar te maken, dat de menschen hem voor een voornaam man zouden houden.--"En, vader," zoo sprak hij tot Witt, "als ik nu begin te praten, en als dan de ezelsooren uit de zeven kragen komen uitkijken, wat dan?"--"Ja, oude," zegt de bakker, "daarin hebt ge gelijk; uit een varkensoor kan men nooit van zijn leven een zijden geldbeurs maken; maar je kunt immers den mond houden, of praat anders hoogduitsch; dat kunt ge toch." "Ik kan 't wel, maar 't is er ook naar," zegt de molenaar en hij gaat op den voorsten zak zitten.
Zij zaten nu allen, slechts Hendrik niet. "Hendrik," zeide de molenaar, "hoe is 't? Je zult toch wel op je eigen wagen komen zitten. Fieken, schuif wat op, en maak plaats voor je neef."--Maar Hendrik liet dat niet toe, hij sloeg Fieken de paardedeken om de voeten en zeide, dat hij zou loopen. Hij liep dus en terwijl hij nu zoo liep, en hier over een' sloot sprong, en dan weêr terug, altijd vóórop, dat hij Fieken in de oogen kon kijken, zeide de molenaar Voss: "Mijnheer Herse, dat is mijn neef, de zoon van Jochem Voss; is 't niet een flinke kerel?"--En de raadsheer Herse antwoordde: "Dat is hij, vriend Voss; een knappe kerel is hij."--En de bakker Witt zeide: "Hij is een stevige kerel."--Fieken zeide niets; maar zij dacht: "Hij is een goede kerel en een trouwe kerel." En zij zou mogelijk nog meer van hem gedacht hebben, maar Hendrik stond op eens bij haar en zag haar zoo vriendelijk aan en vroeg, of zij 't ook koud had; toen was het met het denken gedaan, en zij gaf hem de hand, zeggende: "Neen! voel maar, ik ben heel warm."
Bakker Witt tastte nu in de mand met worst en broodjes en gaf ieder zijn deel, en toen de raadsheer de broodjes zeer roemde, zeide de oude bakker bij zich zelven: "Kijk zoo'n rakker; anders koopt hij bij Guhl; maar als men niets beters heeft, dan is een uil ook een vogel."--De raadsheer Herse buigt zich naar den bakker toe en fluistert hem half overluid in: "Baas Witt, daar vóór ons ligt de kroeg "In de bromvlieg," en als de dienaars van den korsikaanschen tiran nog een zweem van menschelijk gevoel in zich hebben, dan zullen zij er niets tegen inbrengen, zoo wij ons daar, door den ouden Haker bij onze broodjes een borrel laten geven."--Hij had onder 't spreken echter geen acht geslagen op zijn brood en had het met de worst een beetje over den rand van den wagen heen gehouden. Op eens voelt hij, dat hem daar iets tusschen zijne vingers grabbelt, en toen hij omzag, bespeurde hij, dat een der korsikaansche wachters juist in zijne worst en zijn brood boet, en toen hij nu met harde woorden tegen zulk openlijk maraudeeren wilde uitvaren, reikte een andere sakkermentsche kerel van achteren over den wagen en trok de geheele mand naar zich toe.--"Heere, bewaar ons!" riep mijn oom Herse uit; "zóó slecht heb ik mij de toestanden van ons vaderland toch niet voorgesteld!"--"Entfaamte gauwdieven!"--bulderde de oude Witt weder los, en de molenaar, die reed, had in den warmen mantel van den baljuw, zijn' toestand zoo geheel en al vergeten, dat hij de zweep al oplichtte, om er de Franschen een meê toe te dienen, toen Fieken zijn arm tegenhield: "Om Gods wil, vader," zeide zij; "wat doet gij?"--"Hm!--Ja!"--zeide de molenaar, en bedacht zich; "Fieken, je hebt al weêr gelijk." En zich tot de Franschen keerende, zeide hij: "Neemt mij niet kwalijk, ik deed dat zoo maar!"