Twee vroolijke geschiedenissen
Chapter 12
Boven, op den rand van den hollen weg, stonden allerlei lieden, daglooners, knechts en burgers uit Stavenhagen, die in weerwil van regen en slecht weder, uit nieuwsgierigheid en deelneming achter den stoet medegegaan waren, en tusschen dien troep kroop Frits Sahlmann heen en weêr en vertelde aan dezen en genen, die 't nog niet wist, de geheele toedracht der zaak. Toen mijn vader hem gewaar werd, stond hij juist bij den ouden inspektor Bräsig uit Jurusdorf, die te paard gekomen was en met de Franschen moest rijden, opdat zij zijne paarden niet voor goed zouden medenemen.--De oude inspektor Bräsig was een zeer goed vriend van mijn' vader en toen Frits Sahlmann een poosje verteld had, kon mijn vader duidelijk zien, dat de oude Bräsig hem toeknikte en den jongen iets influisterde. Frits Sahlmann stak nu zijne handen in de zakken, en begon een beetje te fluiten; hij floot totdat hij boven aan den rand van den hollen weg was, en floot tot hij weer beneden was; en toen hij bijna beneden was, bleef hij met groote behendigheid achter een' wortel van een' ouden wilgeboom hangen en struikelde heel natuurlijk naar de gevangenen toe, en toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof 't volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind. "Let goed op dat paard!" zeide de jongen, maar hij werd dadelijk door de Franschen uit den kring weggejaagd en klauterde weder tegen den kant op.
Was mijn vader te voren al half oplettend op den inspektor en den jongen geweest, zoo werd hij dat nu nog meer. Hij zag, dat de oude Bräsig van het paard steeg, met zijne rijzweep klapte en die Frits Sahlmann in de hand gaf; hij zag, hoe de jongen nu het paard begon te leiden, steeds op en neêr, maar steeds dichter bij den rand, totdat hij eindelijk achter een' hollen wilgeboom stilhield, alsof hij daar tegen den regen een schuilplaats wilde zoeken. Van hier uit, gaf hij mijn' vader een teeken en mijn oude heer, die achter den breeden rug van mijnheer Herse schuilde, deed, alsof hij het water van zijn hoed wilde afschudden, en wuifde hem driemaal daarmeê toe.
Eene korte poos duurde het, toen kwam van den hoek waar de Ivenacker weg in den Brandenburgschen landweg uitloopt, eene groote koets aanrijden; er zat een generaal in, die den vorigen nacht bij den Ivenacker graaf in kwartier had gelegen; de koets reed nu ook den hollen weg op, en toen ze aan de plek kwam, waar het transport was blijven steken, kwam daar verwarring onder de soldaten; zij moesten voor de koets uit den weg gaan, en nauwelijks werd mijn vader dit gewaar, of hij vloog, als ware hij uit een pistool geschoten, achter des raadsheers mantel uit, naar de andere zijde van de koets, tegen den kant op, achter den ouden wilgeboom, trok Frits Sahlmann zweep en teugel uit de hand, sprong op het paard en,--heb ik van mijn leven zoo iets gezien!--holde den berg af.
"Feu, Feu!" schreeuwden de Franschen; "knak! knak!" zeiden de hanen; en "misgeschoten!" antwoordde het oude geweerslot, want het kruit was zoo nat, als het koffiedik van juffrouw Stahl, de oude weversvrouw.
Een oogenblik was het, toen de Stavenhager burgers hunnen burgemeester zoo over het veld en de slooten zagen voortjagen, alsof zij hem een vroolijk hoera wilden naroepen, en de schoenmaker Bank begon al: "Leve onze burgem...," toen hem een Fransche geweerkolf tusschen de schouders werd geduwd, zoodat hij slechts dien wenk behoefde op te volgen, om in allerijl onder aan den berg aan te komen; de anderen gingen hem na, en in een oogenblik was de rand ledig, met uitzondering van den inspektor Bräsig, die tegen een wilgeboom leunde en daar heel bedaard zijn pijp rookte. Het zij nu dat niemand had bemerkt, dat hij te paard was gekomen, of dat de Franschen duidelijk gezien hadden, dat hij niets met de zaak te maken had gehad, daar hij ver van zijn paard af stond, althans hem werd niets gezegd. De drie overige gevangenen kregen echter dubbele wachten en werden uit den hollen weg naar het vrije veld opgebracht en van dáár, omdat dit toch een weinig droger was, onder den ouden windmolen [6] naar welken de berg zijn naam heeft.
Hier zaten zij nu rug tegen rug op een molensteen en redeneerden. "Voor den burgemeester is 't goed," sprak de oude Witt, en hij kamde zijne natte haren met den koperen kam naar achteren; "dat hij op die manier vrij is gekomen, maar voor ons is 't erg, want nu zijn wij, als de bijen, zonder koningin. Hij zou ons bij slot van rekening toch nog wel vrij gekregen hebben."--"Ja, vader Witt, dat moogt ge wel zeggen," zeide de oude molenaar Voss, en hij knikte den inspektor Bräsig toe, die zich ook onder den molen had geplaatst.--"Hm!" bracht oom Herse daartegen in.--"Vriend Witt! in stedelijke aangelegenheden is hij recht t'huis, dat zal ik niet tegenspreken; maar, in oorlogszaken, wat het militaire betreft, daar heeft hij zich nooit meê bemoeid, daar weet hij even zooveel van als.... als...."--"Als gij en ik, mijnheer Herse," zeide de oude molenaar Voss, zonder daar verder iets bij te denken.--"Molenaar Voss," hernam de raadsheer, zich deftig oprichtende; "ieder spreekt voor zich zelven en niet voor de anderen. Wat gij daarvan verstaat, weet gij sedert gisteren middag; want gij en de oude baljuw en de burgemeester, hebben ons in de zaak gewikkeld; en als ik er mij niet meê bemoeid had, dan zat die goede mamsel Westphalen hier ook op den steen te klappertanden. Wat ik daarvan weet zal ik u spoedig toonen. Kent gij Jahn?" "Meent gij den ouden Jahn van de Peenhuizen, die voor mijne vrouw potten en pannen kramt?"--"Och, loop! den Turner-Jahn meen ik, die op dit oogenblik in Berlijn is; den zwager van Kolloff in Luwkow."--"Neen, die man is mij onbekend." "Nu, luister dan. Deze Jahn gaat eens met een' student in Berlijn de straat over en komt aan de Brandenburger poort,--want ze hebben in Berlijn even zoo goed een Brandenburger poort, als wij in Stemhagen,--en hij wijst naar boven, waar de godin der overwinning vroeger gestaan heeft, die de Franschen meêgenomen hebben, en nu vraagt hij dien student, wat hij daarbij wel denkt.--"Niets," antwoordt deze. Klets! krijgt hij een draai om de ooren."--"Dat was brutaal," zegt de oude molenaar.--"Ja, mijnheer Herse," zegt de bakker, "ik heb ook eene verduivelde losse hand, maar...."--"Laat mij toch uitvertellen!" zegt mijn oom Herse; "Sinjeur pronker, sprak Jahn tot den student, daar die over de oorvijg zeer verbaasd stond, "dit is een aandenken voor 't niets denken. Gij hadt daarbij behooren te denken, dat wij de godin der overwinning uit Parijs moeten terug gaan halen."--"Ja, maar...." zegt Witt.--"Maar, dat is dan toch...." zegt de molenaar. De raadsheer liet hen echter niet aan 't woord komen, en wendde zich dus tot den molenaar: "Nu vraag ik u, molenaar Voss, als gij dezen molen zoo aanziet, wat denkt gij daarbij?"--"Mijnheer Herse," zegt Voss, terwijl hij opstaat en een beetje op een' afstand blijft. "Mijnheer Herse, gij zult mij toch niet zóó trakteeren?"--"Ik vraag u alleen maar, vrind Voss, wat gij daarbij denkt?"--"Wel," zegt de molenaar en kijkt den molen van boven tot beneden aan;--"wat moet ik daarbij denken? ik denk dat het een oude kavalje is, en dat er in 't voorjaar nieuwe wieken aan moeten, en dat, als de steenen boven niet beter zijn, dan die, welke hier beneden ligt, de Stemhagers dan drommelsch veel zand met hun meel zullen moeten verteren."--"En daarin hebt ge gelijk, oude!" zegt de bakker.--"En daarin heeft hij ongelijk!" roept mijn oom Herse: "als hij juist geantwoord had, dan had hij moeten zeggen: de molen moet in brand gestoken worden. En hij zal in brand gestoken worden, al de molens in 't heele land moeten in brand gestoken worden." Dit zeggende, stond hij op en ging met groote stappen om den molensteen rond.--"De hemel moge ons bewaren!" zegt de molenaar Voss, "wie zal die schanddaad uitoefenen?"
"Ik!" zeide oom Herse en sloeg zich voor de borst en ging dichter bij de beide anderen, die volstrekt niet wisten, wat zij er van denken moesten, en fluisterde hun toe: "Wanneer de landstorm uitrukt, dan steken wij al de molens als vuurbakens aan; men noemt dat een fanaal, en 't beste bewijs, dat jelui niets van den oorlog begrijpt, is, dat jelui niet eens weet, wat een fanaal is."--"Mijnheer de raadsheer," zegt Voss, "'t is mij alles egaal of het een fanaal, of een kanaal, of eene andere aal is; maar, wie mijn' watermolen in brand steekt, die zal er niet gemakkelijk afkomen."--"Windmolens, windmolens, meen ik, molenaar Voss: wie praat toch van watermolens? Watermolens liggen in den grond en branden niet. En nu vraag ik jelui, heeft de burgemeester wel kennis en courage, om in oorlogstijden zoo te handelen, als ik?"--"Dat hij molens in brand wil steken, heeft hij niet gezegd," zeide de bakker en hij keek den raadsheer eenigszins twijfelachtig aan, alsof hij niet wist, of dat ernst of scherts moest beteekenen.--"Mijn lieve Witt, gij kijkt mij aan, zooals de koe de nieuwe poort aankeek; gij verwondert u over mij en denkt: wat wil zoo'n Stemhager raadsheer? Wat weet die van krijgskunst? Mijn lieve Witt, gij kneedt uw deeg met de vuist in een' baktrog, ik kneed het mijne met overleg in mijn hoofd. Indien ik geplaatst was, waar ik t'huis behoorde, dan stond ik voor den koning van Pruisen en 'k sprak met dien man. "Majesteit," zou 'k zeggen, "gij zijt, geloof ik, een beetje in verlegenheid."--"Hoe kan het anders, raadsheer," zegt hij--"ik ben op dit oogenblik heel slecht bij kas."--"Is 't anders niet?" zeg ik. "Dat is eene kleinigheid! Geef mij slechts eene volmacht, dat ik doen kan, wat ik wil,--licentia poetica heet dat in 't latijn, molenaar Voss,--en een regiment grenadiers van de garde." "Die zult gij hebben; mijn lieve raadsheer," zegt de koning, en ik laat het heele jodendom uit al zijne staten op het slotplein in Berlijn bij elkaâr komen, zet het slot af met mijne grenadiers en plaats mij aan 't hoofd van eene kompagnie, waarmeê ik het slotplein op marcheer. "Zijt gij nu allen hier?" vraag ik aan de joden.--"Ja," zeggen zij.--"Wilt gij nu vrijwillig," vraag ik hun, "de helft van uw vermogen op het altaar des vaderlands ten offer brengen?"--"Dat kunnen wij niet," zegt de een, "dan zijn we geruweneerd."--"Wilt gij, of wilt gij niet?" vraag ik. "Geef acht!" kommandeer ik.--"Mijnheer de raadsheer," zegt een ander, "neem een vierde part."--"Geen' groschen minder dan de helft," zeg ik. "Maakt u gereed!"--"Wij willen immers!" schreeuwden de joden.--"Mooi zoo!" zeg ik. "Gaat dan nu één voor één naar boven, naar de witte zaal; dáár zit Zijne Majesteit de koning op den troon; en legt daar één voor één uw geld voor de trappen van den troon neder."--Als zij allen boven geweest zijn, ga ik ook naar boven. "Wel!" zeg ik, "Uwe Majesteit, hoe is 't nu?"--"Opperbest, mijn lieve raadsheer!" zegt hij. "Als 't andere ook maar zóó was!" "Dat zullen wij krijgen!" zeg ik. "Geef mij maar een stuk of twintig regimenten infanterie, tien regimenten kavalerie en zooveel kanonnen, als gij op dit oogenblik kunt missen." "Die zult gij hebben," zegt de koning.--"Kostelijk!" zeg ik, en 'k marcheer met mijne soldaten af, altijd door weiden en draslanden en jonge dennebosschen, de flanken steeds gedekt. Ik ruk op Hamburg aan; en prins Eckmühl overval ik; hij wordt vóór mij gebracht. "Richt eens eene zeer hooge galg op!" zeg ik.--"Genade!" zegt hij.--"Niets komt er in van genade!" zeg ik. "Dat is daarvoor, omdat jij hertog van Mekklenburg hebt willen worden!"---"Ik smeek u, om Gods wil, mijnheer Herse," zegt Voss, "praat toch niet zoo, dat het u en ons den hals zou kosten; denk maar eens als die kerels daar wat van verstaan konden." "Dat zou verduiveld gek wezen!" hernam mijn oom Herse, en keek de Franschen langs de rij aan, doch toen hij zag, dat zij geen acht op hem sloegen, zeide hij: "gij zijt een oude bloodaard, baas Voss, die kerels verstaan geen platduitsch.--Alzoo: ik hang hem op, en ruk links op, naar 't Hannoversche en val hem zelf, den Korsikaan... nu! jelui weet het, wien 'k meen,... in den rug. Al het andere is maar gekheid; in den rug aanvallen, dat is de hoofdzaak.--Een groote slag! Vijftien duizend gevangenen! Hij zendt een trompetter naar mij toe: "Wapenstilstand!"--"Daar kan niets van komen," zeg ik; "voor de aardigheid zijn wij niet hier."--"Vrede!" laat hij mij zeggen.--"Best!" zeg ik "Rhijnland en Westphalen, de geheele Elzas en Lotharingen."--"Dat kan ik niet!" zegt hij, "mijn broeder moet daarvan leven."--Dus weder voorwaarts! Ik trek rechts op en herstel de rust in België en Holland; op ééns zwenk ik links af. "Dat mag de drommel weten!" zegt hij; "daar brengt het ongeluk dien sakkermentschen raadsheer weder in mijne achterhoede!"--"'t Eerste regiment grenadiers, velt 't geweer!" kommandeer ik, de batterij wordt genomen. "'t Tweede regiment huzaren, voorwaarts!"--Hij waagt zich met zijn generalen staf te ver, en, wip! hebben de huzaren hem bij de lurven. "Hier is mijn degen!" zegt hij. "Kostelijk!" zeg ik. "Ga gij nu maar meê. En gij, kinderen, kunt nu rustig naar huis gaan; de zaak is afgedaan."--Nu breng ik hem geboeid aan den voet van den troon: "Uwe Majesteit van Pruisen, hier is hij!"--"Mijnheer de raadsheer;" zegt de koning, "verzoek een gunstbewijs voor u."--"Uwe Majesteit," zeg ik, "kinderen heb ik niet, maar zoo gij iets voor mij doen wilt, geef dan een klein pensioen aan mijne vrouw, als ik kom te sterven. Voor 't overige wensch ik tot den nederigen stand van Stavenhager raadsheer terug te keeren."--"Zooals gij wilt," zegt de koning. "Maar onthoudt dit, wanneer gij eens in Berlijn mocht komen, er is altijd een couvert voor u gereed." Ik maak eene buiging, zeg: Adjuus! en ga weêr naar Stavenhagen."--"Dat 's braaf van u!" zegt bakker Witt. "Maar, wat helpt ons die heele, mooie krijgskunde? De zaak is ditmaal 't achterstevoor in de wereld gekomen; gij hebt hem niet; hij heeft u, en ons daarbij, en als er eenigen geboeid aan den voet van den troon gebracht worden, dan zijn wij 't. Ik geloof dat de burgemeester toch wel de wijsste van ons geweest is, want die is geborgen en zit op het droge, en ons klapperen de tanden in den mond, alsof er een zak met hazelnoten geschud wordt."--"Och, loop!" zeide oom Herse; "dat 's geen kunst, zóó voor aller oogen, openlijk weg te vliegen;--neen, mijn raad is, dat wij 't fijner aanleggen, met eene krijgslist; dus moet ieder van ons een paar krijgslisten bedenken; dan kunnen wij daarvan naderhand de beste uitzoeken."
De oude molenaar Voss had ondertusschen geen woord gesproken; hij zag, zoo goed het in den regen ging, den berg af, naar de landstraat heen. "Wat?" riep hij eindelijk uit, "dat is immers wel haast onmogelijk! Dat is immers alsof mijn Fieken en Hendrik van Jochem Voss daar komen aanrijden?"
En... zoo was het.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Waarom mijnheer de baljuw voor mijne moeder stond met eene ledige waschkom. Wat Fieken en Hendrik wilden; en waarom Frits Sahlmann van zijn verhaal niet goed afkwam.
De treurigste dag in mijne kindsheid, dien ik mij weet te herinneren, was deze. Goede hemel, wat zag het er in de kamer mijner moeder uit!
Mijne moeder had wel reeds lang gemerkt, dat er iets voorviel, wat niet was, zooals het behoorde, en ofschoon zij ook een' opgewekten geest had, en eene levendige verbeelding, die haar alles dadelijk deed begrijpen en doorzien, zoo hadden ziekte en lijden haar toch reeds gewend, bedaard te blijven, en wat komen moest met onderwerping te dragen; maar onzekerheid valt altijd zeer hard, en nog harder is het, in de onmogelijkheid te verkeeren, om zich zekerheid te verschaffen. Toen zij het luide spreken van mijn vader op de gang hoorde en de driftige woorden van den Franschman, en het haastige bevel van den overste, vermoedde zij, wat daar gebeurde, zonder dat zij de woorden verstond. De angst overmeesterde haar, en er was geen mensch om haar heen, geen mensch hoorde naar haar schellen. Haar hulpelooze toestand, en het bittere gevoel, dat zij niet helpen kon, dat zij niet dáár stond, waar zij staan moest, aan de zijde van mijnen vader, schokten haar diep; en toen de oude baljuw de kamer inkwam, was zij bewusteloos geworden en lag als dood in haren ziekestoel.
De oude heer was met het mooiste troostwoord uit Marcus Aurelius op de lippen, binnengetreden; doch toen hij haren toestand gewaar werd, dacht hij er in 't geheel niet meer aan en riep herhaalde malen: "Kindlief, wat scheelt u, wat scheelt u?" De oude baljuw, die anders niet van zijn stuk te brengen was, was met zijne gedachten geheel in de war geraakt, en hij had slechts een duister gevoel behouden, dat hier het een of ander geschieden moest; en toen ik, met groote tranen in de oogen kwam binnenstuiven, stond hij met eene waschkom, waarin geen water was, voor mijne moeder en riep: "Dit is toch eene zeer zonderlinge zaak!"--Eindelijk kwamen op mijn geschreeuw de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen te hulp. Ik had mij bij mijne moeder neêrgeworpen en riep herhaaldelijk: "Moeder, lieve moeder, hij komt terug; ik moet u zeggen, dat hij spoedig weder hier zal wezen!"--Eindelijk, eindelijk kwam zij weder tot bezinning, en, was het eerst angstig geweest, nu werd het een bitter leed.
Troosten is de gemakkelijkste zaak voor iemand, die met oppervlakkige redeneeringen, waaraan het hart geen deel heeft, een' treurende het bewijs zijner beleefdheid wil geven;--maar 't is de moeilijkste taak, wanneer zijn hart, van liefde overvloeiend, in een ander hart, dat troost behoeft, zich zou wenschen uit te storten, en daarbij gevoelt, dat al de liefde, die men kan aanbieden, niet toereikend is, om in dat arme hart nieuwe hoop te verlevendigen; en deze zware taak wordt eene onmogelijkheid, zoodra de mensch aan zijne eigene troostwoorden niet gelooft. God zij geloofd en gedankt! Dat was hier het geval niet. De trouwste harten stonden ons bij, en het gelukte den ouden heer en zijne lieve vrouw, van lieverlede, mijne moeder in haar bitter leed kalmte te verschaffen; en toen zij maar eerst voor troostgronden vatbaar was, zou het daaraan niet ontbreken, want, had één mensch op de wereld troostgronden, dan was het de oude baljuw, en hij was er heden niet karig mede.
Bij mij hadden de troostgronden minder uitwerking, en toch was ik nog veel eerder getroost dan mijne lieve moeder. Mij had mamsel Westphalen op haren schoot genomen, en terwijl haar de tranen uit de oogen vloeiden, opende zij voor mij de heerlijkste uitzichten op de mooiste appelen, en dat deed het bij mij; een kinderhart is spoedig getroost; en, waar een boom een duchtigen regen verlangt, dáár wordt een grashalm al verfrischt door een dauwdrop.
Toen de eerste schok voorbij was, kwam de politiedienaar Luth binnen en deelde den baljuw mede, dat Fieken van den molenaar Voss buiten stond en een paar woorden met hem wenschte te spreken. "Kindlief," zeide de oude heer, "dat is een braaf meisje, dit weet ik zeker; en zij zal ook bekommerd zijn over haren vader; mij dunkt, wij kunnen hier hooren, wat die arme stumperd verlangt. Hoe zegt Horatius? "Est solamen miseris socios habuisse malorum." 'k Zal dat later wel eens voor u vertalen.--Luth, mijn goede vriend, laat het meisje binnenkomen."
Fieken kwam binnen. Zij was klein en fijn gevormd, maar de gezondheid lag op hare frissche wangen, en al zagen hare oogen op dit oogenblik ook treurig voor zich heen, zoo kon men toch wel zien, dat die, op andere tijden, recht vroolijk in de wereld konden rondkijken. Haar geheele voorkomen toonde, dat zij een wakker meisje was, dat zich niet van haar voornemen liet afbrengen, en in haar open gelaat was het te lezen, dat zij geen voornemen opvatte, wat zij niet als recht en billijk beschouwde. Zij had over hare driehoekige muts, voor den regen, een rooden doek gebonden, en zij stond zóó net in haar rood en groen gestreepten halfwollen rok voor den ouden heer, dat hij zich naar zijne vrouw toekeerde en half overluid zeide: "Wel, hoe vindt gij 't, Netje?"--Toen Fieken voor hem genegen had, ging zij naar de vrouw van den baljuw en mijne moeder en mamsel Westphalen toe,--maakte ook voor haar eene dienaresse en gaf haar de hand; zóó was dat in dien ouden, eenvoudigen tijd het gebruik.
"Mijnheer de baljuw," zeide Fieken, "mijn vader en onze boeren hebben altijd veel goeds van u verteld, en daarom ben ik zoo vrijpostig, van in mijn leed eens bij u te komen."--"Wat hebt gij dan wel op uw hart, mijn dochtertje!" vroeg de oude heer vriendelijk, haar zijne hand op het hoofd leggende.--"Mijnheer, mijn vader is onschuldig," ging zij voort, en zag den ouden man zoo recht vertrouwelijk in de oogen.--"Dat hij dat is, weet ik, mijn kind," zeide de oude heer en knikte met het hoofd. "En daarom heb ik ook geen angst, dat hij niet spoedig vrijkomt," sprak Fieken.--"Hm? Ja! Dat is te zeggen, 't zou niet meer dan billijk zijn. Maar, in den tegenwoordigen tijd gaat geweld voor recht; en, is het met den besten wil, in rustige tijden reeds moeilijk voor den mensch, om den onschuldige van den schuldige te onderscheiden, zoo is zulks in oorlogstijden nog veel moeilijker; en 't is nog erger, als de goede wil ontbreekt."--"Daarvoor ben ik niet bang," viel Fieken hier schielijk op in; "vrijkomen moet hij, en dat spoedig. Maar, mijn vader is een oud man; er kan hem iets overkomen, en dan heeft hij niemand bij zich; daarom wilde ik hem nareizen."--"Lief kind," hernam de oude heer en schudde het hoofd; "gij zijt jong, en soldaten zijn ruwe gasten; 't zou geen troost voor uwen vader zijn, zoo hij wist, dat gij u in hun gezelschap ophieldt."--"Mijnheer! 'k wou ook niet alléén meêgaan; mijn neef Hendrik, die de zoon is van Jochem Voss, wou met mij gaan, en wij dachten, als gij ons een schrijven, zooveel als een brief van vrijgeleide, meê zoudt willen geven, dan kon ons niets kwaads overkomen."--"Een brief van vrijgeleide?" vroeg de oude heer, en schudde nog erger met het hoofd. "Mijn lieve kind, dat volk zal zich niet veel aan zoo'n brief van een Stemhager baljuw storen. En toch, kindlief?" en hij wendde zich om, naar mijne moeder, "als ik haar eens zoo'n brief meêgaf, aan den overste Von Toll; wat dunkt u, Netje? Hij zou niet de zoon van Renatus Von Toll moeten zijn, wanneer hij dit jonge meisje zonder bescherming liet.--En gij zegt," zoo sprak hij weder tot Fieken, "dat uw neef Hendrik met u wil gaan?"--"Ja, mijnheer, hij staat hier op de gang."--"Roep hem eens binnen!"
Hendrik kwam binnen. Hij was een flinke, knappe kerel, breed in de schouders en slank in de heupen, met blauwe oogen en blond haar, van die soort, die men bij ons in den oogsttijd van 's morgens, klokke zes, tot 's avonds, klokke negen, de zeis ziet hanteeren, alsof 't eene schrijfpen was. En gij, mijn zoon," vroeg de oude heer, "wilt gij met Fieken gaan?" "Ja, mijnheer." "En wilt gij haar beschermen, en bij haar blijven?" "Ja, mijnheer! en ik heb mijn paard en mijn wagen hier, en ik dacht zoo, als dat Fransozenvee er niets tegen had, dan konden de gevangenen met Fieken rijden, en ik zou er dan naast gaan."--"Mijnheer de baljuw!" riep mijne moeder, "help hem bij zijn voornemen; dit is misschien de eenige gelegenheid, dat ik mijn man het noodzakelijkste kan nazenden. Hij is immers, zooals hij ging en stond, op de straat gerukt, en dan in dat weder!"--"'t Is waar, kindlief, 't is waar! Ja, ik wil een' brief voor u schrijven, Fieken. En, Netje, de oude molenaar is ook zonder kleêren weggegaan: zorg daarvoor.--Mijn mantel, mamsel Westphalen, en ook eene slaapmuts; want ik weet, dat hij die gebruikt. En, kindlief," zeide hij tot mijne moeder, "wie zich eenmaal daaraan gewend heeft, voor dien is 't lastig, ze te moeten missen."--"Frits," zei de vrouw van den baljuw tot mij, "loop eens naar den overkant, naar den bakker Witt, en vraag of vrouw Strüwing ook wat voor haren vader wil meêgeven."