Twee vroolijke geschiedenissen

Chapter 11

Chapter 114,172 wordsPublic domain

Mamsel Westphalen heeft naderhand dikwijls en op velerlei tijden van dit verhoor, en hare gewaarwordingen daarbij, verteld; maar altijd begon zij met te zeggen, dat zij te moede was geweest, alsof zij op den Stavenhager klokketoren gestaan had, en al de klokken, groot en klein, haar in de ooren hadden geklonken; en toen mijnheer de baljuw van haar weggegaan was, was het geweest, alsof eene witte duif uit een galmgat van den toren was gevlogen, die zij wel had willen naspringen op leven of dood; maar de kerel, dien ze voor een auditeur uitscholden, had haar aan haren rokrand vast gehouden. "En," liet zij er op volgen, "Juffrouw Stahl, ik heb wel een dozijn auditeurs gekend, die mijnheer de baljuw al te zamen geleerd heeft, en 't waren allen luchtige vogels; maar zóó'n bonten vogel en zóó'n galgevogel, als deze Fransche auditeur, was er niet bij, want, ziet gij, juffrouw Stahl; de kerel had een bonten livrei-rok aan, en de galg stond hem op 't gezicht."

't Ging mamsel Westphalen, zooals vele eerlijke zielen; zij hebben grooten angst voor een gevaar, dat in de verte dreigt, doch zijn ze er eenmaal midden in, dan spelen zij er mede; ze zijn als de muggen; den rook kunnen zij niet verdragen, maar het vuur trekt hen aan. Toen zij zag, dat de bruggen achter haar afgebroken waren, en dat de zaak ernst werd, zette zij hare handen in de zijden, ging naar voren en stelde zich juist op dezelfde plek, waar mijnheer de baljuw gestaan had. "Want," zeide zij later, "ik had gezien, hoe trotsch hij daar gestaan had, en zijn geest kwam over mij."

De auditeur vroeg nu; wat zij van den horlogemaker wist?--"Ik weet van hem niets, behalve dat hij een bederver van de taal is, dat hij voor brood "du pain", en voor wijn "du vin", zegt; en dat is alles."--Hoe hij in de Fransche uniform was gekomen?--"'k Weet niet, hoe hij daarin komt, en 'k weet ook niet, hoe hij daaruit komt: dat zal hij wel zoo doen, als alle andere manspersonen."--Waarom hij dien avond op het slot was geweest?--"Op het slot komen vele menschen, en louter eerlijke menschen, uitgezonderd die, die de gendarmes brengen; en als ik er mij om bekommeren moet, wat die allen voornemens zijn te doen, dan kon de hertog mij wel tot baljuw aanstellen, en mijnheer de baljuw zou dan de keuken kunnen waarnemen."--Waarom de horlogemaker dien avond niet naar huis was gegaan? "Omdat het een weêr was, waarin men geen hond de deur zou uitgejaagd hebben; veel minder een christenmensch: en ik houd dien man voorloopig voor een christen, hoewel niet voor een echten; want, zooals ik wel eens gehoord heb, gaat hij 's nachts op de hazenjacht,--waarom niet bij dag, zooals andere menschen?--en dan bedient hij zich van een zitbankje met één poot, dat hij zich van achteren vastgespt, en ieder ander christenmensch zit op een bankje met drie pooten;--en hij heeft onze Carolien willen bewegen tot deze zotte mode op de melkplaats na te volgen, maar daar heeft ze hem op gediend; als dat mode was, in zijn land, dan kon hij met zoo'n paal achteruit rondloopen, zij wou bij 't melken niet voor uilenspiegel spelen."--Maar, waarom zij toch den horlogemaker heimelijk in hare kamer had ontvangen?--Hier zweeg mamsel Westphalen stil; het bloed vloog haar in 't aangezicht over de onbeschaamdheid van dien Franschen kerel; dat was de vraag, die haar op de vlucht gejaagd en naar den rookzolder gedreven had. Toen zij echter, in den angst haars harten naar een antwoord zocht, kreeg zij hulp. Fiek Besserdichs en Carolien drongen tot haar door en schoten er nu op los. "Dat zijn leugens! dat zijn stinkende leugens!" En zij wilden er op zweren, dat hare mamsel bij haar geslapen had, en zij zouden 't aan mijnheer den baljuw zeggen. En als het zóó beginnen moest, dan kon het, wat haar betrof, maar beginnen."--'t Werd een vreeselijk spektakel, en wanneer de auditeur nauwelijks stilte had verzocht, dan begonnen zij weder van voren af aan met scherpe aanmerkingen, totdat eindelijk het geheele gezelschap de kamer uitgebracht werd.

"Juffrouw Stahl," sprak mamsel Westphalen naderhand tot de vrouw van den wever: "gij weet dat ik mij altijd heb geërgerd over den lossen mond van Fiek; maar geen engel zou mij in dit oogenblik getrouwer hebben kunnen bijstaan, dan zij met haar kijven. Lieve juffrouw, de mensch moet nooit iets verachten, wat hem van tijd tot tijd lastig is: men weet niet, hoe het soms te pas komen kan; en daartoe behoort een goed mondwerk; dat zeg ik en daar blijf ik bij. En ik zal er altijd aan denken, dat die deern mij zoo goed geholpen heeft."

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Waarom mijnheer de baljuw en de Fransche overste elkander bijna gekust hadden; waarom mijne moeder den baljuw aan zijn jas trok, en de korsikaansche lintworm mijn' vader en mijn oom Herse wegsleepte.

Toen mijnheer de baljuw uit de gerechtszaal ging, begaf hij zich regelrecht naar de andere zijde van de gang, naar eene plek, waar hij vóór en na dien tijd dikwijls gekomen was, naar de kamer mijner moeder;--want wij woonden in het raadhuis.

Mijne lieve moeder zat te naaien, en wij, kinderen, speelden om haar heen; want waar hebben kinderen toch erg in? Zij was echter angstig en droevig gestemd; zij zat stil en hoorde wellicht het leven niet eens, dat wij rondom haar maakten, zij wist misschien nog niets van de onaangename zaak, waarin mijn vader gewikkeld was; want het was zijne gewoonte niet, zijn zorgen spoedig meê te deelen. Maar met eene goede vrouw is het eigenaardig gesteld: weet een degelijk man onmiddellijk van waar de wind waait,--zoo weet eene goede vrouw al lang te voren, dat er iets aan de lucht broeit.

De oude baljuw kwam dus bij haar in de kamer en zeide: "Goeden morgen, lief kind! Hoe gaat het u? Veel beweging met al dat Fransche volk!" Mijne moeder reikte hem hare hand toe; zij hield veel van den ouden, eerbiedwaardigen man, die zoo menig uur bij haar zat, en, met veel wijsheid, de ondervinding van zijne grijze haren voor haar uitstortte, en die tevens levendig en vroolijk genoeg was, zoodat er hier en daar een weinig poeder tusschen door stoof; als hij van zijn' studententijd in Jena vertelde, wat hij en zijn broeder, Adolf Diederik--"de professor juris utriusque in Rostock, kindlief!"--in een studentenclub zoo al uitgevoerd hadden. Mijne moeder stak hem hare hand toe, want opstaan kon zij niet; zij was in een zware ziekte verlamd geworden; en ik heb haar niet anders gekend, dan dat zij, in hare beste dagen op een stoel zat en naaide, zoo vlijtig, zoo vlijtig, alsof hare arme, zwakke handen gezond waren, en dat zij, in hare kwade dagen, te bed lag, en, te midden van haar pijn en smarten, in de boeken las. Wat dat voor boeken waren, weet ik niet meer: maar romans waren 't niet, en dit alleen weet ik, dat de Marcus Aurelius van den ouden baljuw er bij behoorde; want dien moest ik heen en weêr brengen.

Nu was de oude heer niet gewoon, vrouwen bang te maken, en, in plaats van over het spektakel in de gerechtszaal te spreken, begon hij liever met het slechte weder, en hij gaf juist eene beknopte beschrijving van de modderpoelen op de Stavenhager markt,--want die was toen nog niet bestraat,--toen de deur geopend werd en de Fransche overste binnenkwam. Hij maakte eene buiging voor mijne moeder en ging naar mijnheer den baljuw toe.--Wij, kinderen, hielden met spelen op en kropen in den hoek bij de kachel op een' hoop bij elkaâr, zooals de hoenders, als er een havik in de lucht is, en wij dachten zeker ook wel: "Wat moet dat worden?" Hetzelfde dacht mijne moeder waarschijnlijk ook; zij zag den ouden heer zoo angstig aan, omdat zich over zijn aangezicht eene uitdrukking van ernst en deftigheid verspreidde, die zij zóó niet van hem gewoon was. De Franschman scheen echter volstrekt niet barsch te zijn en er lag eene vriendelijke beleefdheid in zijn' toon van spreken, toen hij den ouden heer vroeg: "Neem mij niet kwalijk, ik hoorde straks in de gerechtszaal den naam "Weber;" heet gij Weber?"--"Jochem Hendrik Weber," zeide de oude heer en stond zoo rechtop als een paal.--"Hebt gij niet een broeder, die Adolf Diederik heet?"--"Adolf Diederik, professor in Rostock?" antwoordde de oude heer, en verroerde geen lid.--"Mijnheer de baljuw," zeide de Franschman, en hij strekte zijne beide handen naar hem uit; laat ons vergeten, wat er dezen morgen tusschen ons is voorgevallen; ik heb meer betrekking op u, dan gij wel meent. Ik heb op uwen stok een' naam gelezen die mij diep in 't harte geschreven is. Zie eens, hier: "Renatus Von Toll," "Nu, kent gij dien man?" vroeg de oude heer, en 't was alsof in zijn gelaat een schoon morgenrood opdaagde. "Zou ik hem niet kennen!" riep de overste uit;--"hij is mijn vader."--"Man!" zeide de oude heer: "man!--wat zegt gij?" En hij schoof den overste een eind van zich af en keek hem in de oogen; "zijt gij de zoon van Renatus Von Toll?"--"Ja! en hij heeft mij dikwijls en veel van zijne beste vrienden verteld; van de beide Weber's, van de beide lange Mekklenburgers."--"Kindlief," riep de oude heer, zich tot mijne moeder wendende, "van wien heb ik u verteld?--het meeste verteld?--Niet waar? Van den braven Westphaler, van Renatus?" Mijne moeder knikte met het hoofd. Er was zoo iets in de blijdschap van den ouden heer, wat haar de tranen in de oogen deed komen; en wij, domme kinderen, kropen ook van achter de kachel uit, en werden vrijmoediger, en 't was ons, alsof iemand van de naaste familieleden t'huis gekomen was.--"Jongske, jongske!" riep de baljuw, "'k had u moeten kennen, als maar die vervloekte Fransche uniform... Neen, wees bedaard! Dat wou ik niet zeggen," voegde hij er schielijk bij, daar hij bemerkte, dat den overste het bloed naar 't aangezicht vloog, "zeg eens, heeft uw vader nog die lichte, bruine oogen! En heeft hij nog dat bruine krulhaar?--Een kostelijk mensch, kindlief!" sprak hij tot mijne moeder, "een mensch, wien onze goede God den naam man op 't voorhoofd geschreven heeft!"--De overste zeide nu, dat zijn vader nog wel dezelfde bruine oogen had, maar dat het bruine haar al verbleekt was.--"Ja wel," sprak de baljuw, "dat moet wel zóó wezen; Adolf Diederik's haar is ook al grijs.--Maar nu, manlief, ga nu met mij naar het slot en blijf een poosje bij mij. God weet het, 't is de eerste maal, dat ik een Fransch officier uitnoodig, bij mij te blijven. Maar gij zijt toch eigenlijk geen Fransch officier; gij zijt immers een Duitscher. De zoon van Renatus Von Toll kan niet anders dan een braaf Duitscher zijn." Mijne moeder, die zag, hoe de overste, bij de woorden van den ouden heer, nu rood en dan bleek werd, wenkte hem met de oogen toe, maar, te vergeefs; en toen hij iets dichter bij haar kwam, trok zij hem zachtkens aan zijn jas; dat hij zwijgen zou.--Nu draaide de goede man zich even om, en vroeg haar: "Kindlief, waarom trekt ge me aan mijn jas?" Thans was de beurt om rood te worden, aan mijne moeder. De overste had zich echter in dien tusschentijd hersteld; hij boog zoo half voor mijne moeder en zeide op ernstigen en bedaarden toon tot den ouden heer: "Mijnheer de baljuw, uwe uitnoodiging moet ik afslaan, want ik moet over een half uur marcheeren; en, wat deze uniform betreft, die u niet bevalt, ook niet bevallen kan,--dat wil ik toegeven,--ik wil haar toch niet onteeren, door haar uit te trekken in de ure des gevaars. Gij zegt, dat ik een Duitscher ben, dat mijns vaders zoon een Duitscher wezen moet,--gij hebt gelijk;--doch, zoo gij het mij als eene misdaad wilt aanrekenen, dat ik op de tegenovergestelde zijde sta, zoo moet gij hiermede geen beroep op mijn geweten doen, maar op dat van mijn' landsheer. Toen ik soldaat werd, stond de keurvorst van Keulen in bondgenootschap met den keizer, en toen ik, voor vier jaren, naar Spanje moest gaan, huldigde hem geheel Duitschland, met al zijne vorsten. Sedert drie weken ben ik terug uit Spanje en ik vind Duitschland anders dan het geweest is;--wat mij door 't hoofd en door 't hart gegaan is, is mijne zaak, en indien ik daarover met eenig mensch spreken moest, dan kon het slechts met mijn' vader geschieden; voor den besten vriend uit mijns vaders jeugd moet dat voldoende zijn: 't is meer, dan ik nog ooit in mijn leven tot eenig ander mensch over deze aangelegenheid gesproken heb."

Terwijl hij deze woorden sprak, stond de oude heer voor hem, en hij zag hem scherp in de oogen, en schudde nu en dan het hoofd; doch toen hij bespeurde, dat over het gelaat van den overste zulk een ware, trouwhartige ernst verspreid lag, zochten zijne oogen een ander punt, en bij het slot der woorden van den overste, zeide hij: "Dat is dan eene andere zaak!" Daarop keerde hij zich om, naar mijne moeder en sprak: "Kindlief, de man heeft gelijk. De zoon van Renatus Von Toll heeft gelijk. 't Is maar jammer, dat hij gelijk heeft!" Daarop nam hij de hand van den overste en vroeg: "Mijn lieve jonge vriend, kunt gij waarlijk hier niet blijven?" En toen de officier hem verzekerde, dat dit onmogelijk was, riep hij mij. "Frits," zeide hij, "jongen, je kunt al eene boodschap doen; loop eens naar Netje, naar de vrouw van den baljuw, en zeg haar, dat zij hier moet komen, dat hier een verblijdend voorval heeft plaats gevonden; hoor je wel! een verblijdend voorval. Anders maakt zij zich ongerust, kindlief," zeide hij tot mijne moeder.

Nu, ik liep dus, wat ik loopen kon, naar het slot; en het duurde ook niet lang, of de vrouw van den baljuw ging naast mij; bedaard en zacht, zoo als 't hare gewoonte was; en ik huppelde, als een kwikstaartje, om haar heen, zoodat zij maar werk had, mij voor de paarden en wagens te hoeden.

Toen wij de markt over gingen, waren de Franschen druk bezig, zich voor den afmarsch gereed te maken; de kanonnen stonden met paarden er voor, in orde, en het bataljon stond in 't gelid, en men kon zien, dat het er op losgaan zou. De vrouw van den baljuw ging in het raadhuis, doch zij zou niet ver komen, want op de gang werd zij door mamsel Westphalen en de beide dienstmeiden aangehouden; en eer zij het zelve wist, stond zij midden in het kluwen van de moordenaars en doodslagers, bij den bakker Witt, en Droi, en den molenaar Voss; en ieder vertelde haar zijne zaak, en om dit kluwen wonden zich nu nog de vrouw en de kinderen van mijnheer Droi, met beden en tranen, en juffrouw Stahl hield mamsel Westphalen van achteren aan haar japon vast, en stelde zich aan, alsof die goede ziel in 't water wou springen, en zij haar voor zelfmoord moest bewaren. De bakker Witt schoot zoo af en aan nog eens een "gauwdief" los, maar 't halve vuur was toch maar in hem, en toen hij het gejammer van de vrouw van den horlogemaker gewaar werd, viel hem zijn eigen' huishouding in en hij riep mij. "Fritsje," zeî hij, "loop eens gauw naar mijn huis, mijn jongen; ge zult er een suikerkransje voor hebben; en roep mijn Johan en mijne dochter, de vrouw van Struwing, eens, en zeg hun, dat zij eens komen overloopen, want dat die gauwdieven, die Fransozen, mij nu ook wel zouden kunnen meênemen naar hun godvergeten land, gelijk zij 't vroeger al met mijn vijfjarig bruintje gedaan hebben."

Ik deed de boodschap, en toen ik met Johan en vrouw Struwing en het suikerkransje terugkwam, stond Hendrik Voss, de neef van den molenaar, met de oude molenaarsvrouw en Fieken Voss, al voor het raadhuis met zijn' wagen stil, want de armee-gendarmes hadden ten laatste toch den rechten weg naar den Gielowschen molen gevonden, en daar het geheele nest uitgehaald.

Nu begon dus het gejammer en geschrei van voren af aan. De eenige, die bedaard bleef, was Fieken. Zij vroeg zachtkens aan haren vader: "Hebt gij het geld afgegeven?"--De oude molenaar wees naar de gerechtszaal en zeide: "Dáár ligt het."--"Vader, wees dan maar getroost: onze goede God zal u niet verlaten."

Mijn vader was al dien tijd stil en in zich zelven gekeerd op en neêr gegaan; 't moest inwendig niet rustig bij hem wezen, want telkens stond hij stil en greep zich in het haar, als hij het schreien van de vrouwen hoorde; eenmaal ging hij naar mijnheer Droi en zeide, dat hij niet bang moest zijn, want dat het er voor hem niet zoo erg uitzag.

Mijnheer Droi knikte met het hoofd en zeide: "bon!" Hij werd een' heelen duim grooter, strekte het ééne been naar voren en zette welgemoed zijn arm in de zijde.

Nu moest alles wel zoo ver in orde zijn, want de adjudant riep den overste uit de kamer mijner moeder, en toen die er uitkwam, was zijn voorkomen veel vriendelijker en hij ging met mijnheer den baljuw naar de gevangenen. Hij gaf nu bevel, dat mamsel Westphalen en de beide dienstmeisjes in vrijheid gesteld zouden worden en mamsel Westphalen dook driemaal met eene nijging onder en zeide: "Ik bedank u wel, overste Von Toll."--Mijnheer de baljuw kreeg zijne lieve vrouw in den hoop te zien, en maakte haar ook vrij, en terwijl hij haar den overste voorstelde en haar mededeelde wat er gebeurd was, kommandeerde de adjudant: "Marsch!" En de molenaar Voss, de bakker Witt en mijnheer Droi zouden naar buiten gebracht worden. Fieken van den molenaar had den arm van haren Vader gevat en wilde hem niet loslaten, en toen zij met geweld van hem afgerukt werd, bleef zij volkomen bedaard en zeide: "Vader, waarheen ze u ook brengen mogen, ik blijf toch bij u."--Met den ouden bakker ging het gemakkelijker: hij spuwde driemaal voor zich uit, schoot nog een paar "gauwdieven," luk of raak, in de lucht af; gaf nog kortelijk aan Johan eenige inlichting omtrent de zaken, en ging de deur uit. Maar erger was het met den horlogemaker; zijne vrouw en zijne kleine kinderen klemden zich aan hem vast en jammerden in het Duitsch en in 't Fransch, dat een steenen hart er van moest breken. Nu kon mijn vader het niet langer uithouden: hij trad voorwaarts en vroeg, waarom de horlogemaker gevankelijk weggevoerd moest worden? De man was een gezeten burger, wien men nog nooit iets ten laste had kunnen leggen; dat hij op het slot dien nacht geslapen had, kon niemand hem als eene misdaad aanrekenen, want de overste en zijn adjudant hadden er immers ook geslapen; en, dat hij eene Fransche uniform had, was natuurlijk, dewijl hij onder de Franschen had gediend; en dat hij ze nu en dan aantrok, dat konden de Franschen hem toch niet kwalijk nemen, want de man bewees hierdoor, dat hij nog met lust en liefde aan den tijd dacht toen hij ze in hunne rijen gedragen had.--Hij had de uniform misbruikt, schreeuwde de adjudant daartegen in.--Mijn vader riep, dat zulks niet waar was;--het was geen misbruik, zoo iemand zich door eene onschuldige list roovers en schurken van 't lijf hield, en het bewijs dat zij met die soort te doen gehad hadden, was in den mantelzak van den Franschman te vinden.

De adjudant zag mijn' vader woedend en kwaadaardig aan, alsof hij hem gaarne zijn degen' wilde doen voelen, de overste trad nader met een gelaat, waarin een geheel onweder opkwam, en hij wenkte met de hand, dat men den horlogemaker weg zou brengen; doch mijn vader, die zijn toorn nu niet langer bedwingen kon, sprong naar voren en riep: "Halt, die man is onschuldig: en zoo hier iemand schuld heeft, dan ben ik het, want op mijn verlangen en bevel heeft hij dat alles gedaan: indien hier iemand gearresteerd moet worden, dan ben ik het."--"Dat kan geschieden!" sprak de overste kortaf. "Laat dien man los en neemt dezen hier!"--"Kindlief," riep mijnheer de baljuw hem toe, "wat doet gij?"--"Mijn plicht, mijnheer de baljuw," zeide de overste, hem de hand gevende. "Vaarwel, mijnheer de baljuw; mijn tijd is verstreken." Met die woorden ging hij het huis uit.

De geheele zaak ging zoo schielijk in 't werk, dat de meesten volstrekt niet wisten, wat er van was; ik wel het allerminste, want ik was nog maar een kleine dreumes; ik begreep echter al zóó veel, dat mijn vader een misslag had begaan en er nu leelijk in zat. Natuurlijk begon ik dus te schreien en toen de kleine Droi's hunne tranen droogden, liepen de mijnen mij langs de wangen. Ik drong mij achter mijn vader door, toen hij naar de straat werd voortgeduwd; ook de baljuw volgde. "Mijnheer de baljuw," zeide mijn vader, "troost gij mijne arme vrouw! en, Frits," riep hij mij toe, "haal jij mijn hoed eens."--Ik liep naar binnen om zijn' hoed te halen, en toen ik hem dien bracht, beurde hij mij op, gaf mij een kus, en fluisterde mij toe: "Zeg aan moeder, dat ik gauw weêr hier kom."

Nu ging de stoet op weg! twee man vóór, twee man achter, en in het midden de molenaar Voss, de bakker Witt en mijn vader. Toen zij voorbij het brandspuithuisje kwamen, werd de deur geopend, en wie kwam er uit? Mijn oom Herse, ook met twee man, want hem had de artillerie-overste voorloopig daarin laten opsluiten, van wege het wegloopen van de boeren.

"Goede God!" zeide mijn vader, "raadsheer Herse, wat beteekent dat met u?" "Voor 't vaderland, burgemeester!" riep mijn oom Herse;--"ik heb mij met mamsel Westphalen in eene samenzwering ingelaten en nu heeft de korsikaansche lintworm mij in zijne klauwen; maar eigenlijk is 't wegens het rijtuig van den molenaar en die ellendige domme boeren."--Zij deelden nu elkander in 't kort hun wedervaren mede, en mijn oom Herse ging met zijn' driekanten hoed en zijn geborduurden kraag zoo deftig de straat af, alsof hij het geheel kommandeerde. Mijn oom Herse was geen lafaard; hij was niet bang; hij beschouwde dit als zijn grootsten eeredag, en alsof hij 's nachts, na den regen, nog twee duim was opgeschoten, ging hij met opgerichten hoofde de Brandenburgsche straat langs, en groette rechts en links, joden en christenen. Hij wenkte den brandspuitmeester Tröpner met de oogen toe, om toch niet te verraden, wat hij wist, en hij legde den vinger op zijn' mond, toen hij den jood Salomo voorbijging, tot een teeken dat hij moest zwijgen; en ter nauwernood was hij de poort uit, of de oude wever Stahl vertelde overal, dat de Fransozen den raadsheer hadden medegenomen, omdat zij een generaal van hem wilden maken; maar de anderen zouden wel opgehangen worden.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Waarom Frits Sahlmann in de modder valt, de schoenmaker Bank een stomp met een geweerkolf krijgt, en de raadsheer Herse al de molens in 't geheele land in brand wil steken, en waarom de Koning van Pruisen voor den raadsheer altijd een couvert gereed houdt.

Toen onze gevangenen uit de Brandenburgsche poort kwamen, marcheerden zij, met hunne twee man achter en twee man vóór, den ouden Brandenburgschen weg op,--straatwegen waren er toen in Mekklenburg nog niet;--en toen zij in den hollen weg kwamen, die naar den molenberg leidde, en dien de Stavenhager burgers den "paardendood" of ook wel, "halsbrekerseinde" noemden, kommandeerden de manschappen van de wacht: "halt!" want verder konden zij volstrekt niet komen. De gansche kanonnen-trein lag in den hollen weg en was daar blijven steken, en indien alle paarden uit de stad en uit het geheele rechtsgebied, die nu niet daar waren, als voorspan bij de hand waren geweest, zij zouden dezen ongeluksklomp niet uit de klei gekregen hebben. Daar zaten nu de Franschen en foeterden en sakkereerden. De daglooners uit de stad werden met houweelen en spaden er bij gehaald en versche paarden werden uit de ridderschap, uit Jurusdorf en Klaukow, daarheen gekommandeerd, en steeds regende het, dat niemand een' drogen draad aan het lijf hield. "Vader Voss," zegt de bakker Witt, "wat is dat een regen!"--"Mooi weêr voor de late gerst;" zegt de oude Voss, "als iemand ze al gezaaid heeft." "Ik kan mijn hemd wel uitwringen," zegt de bakker.--"En mijne laarzen loopen zachtjes aan al vol," zegt de molenaar.--"Mijnheer de burgemeester, ga wat achter mijn' mantel staan, om te schuilen," zegt mijn oom Herse, en hij maakte zich nog een beetje breeder, dan hij van nature was;--ik verheug mij maar, dat deze tirannenknechten ook door en door nat worden."--Mijn vader ging achter den mantel staan, maar hij zeide niets, want hij had iets in 't oog gekregen.