Twee vroolijke geschiedenissen
Chapter 10
Er werd buiten aan de deur geklopt en de politiedienaar Luth kwam binnen met: "'t Kompliment van mijnheer den burgemeester, en de zaak stond heel slecht voor den horlogemaker en den molenaar, en of mijnheer de baljuw wel zoo vriendelijk wou zijn, om zoodra mogelijk ginder te komen; maar vooral mamsel Westphalen meê te brengen, want haar getuigenis was hoofdzakelijk van groot gewicht."--"Ik kom dadelijk, mijn lieve Luth,--Netje, de zaak is pressant. Frits Sahlmann, haal mij mijn jas, en Netjelief, ga gij naar dat arme schepsel op den rookzolder, en breng haar beneden."--Hoe vlug bracht Frits Sahlmann den jas! Hoe ijverig was hij om den baljuw uit de oogen te komen! "Mevrouw," zeide hij, "ik moet meêgaan; alleen voor u maakt zij niet open, en eigenlijk zit ze niet eens op den rookzolder, ze zit daar achter op een plekje, wat ik alleen weet." Zoo liep hij dus vooruit en de vrouw van den baljuw volgde hem, maar zachtjes.
Frits klopte aan de deur: "Mamselletje, doe open, ik ben 't!"--Geen antwoord.--"Mamselletje, wel, wel! Zuur varkensvleesch!"--Geen antwoord.--"Mamselletje, de Fransozen zijn weg!"--Toen liet zich wat hooren, en eene bedroefde stem werd vernomen: "Frits Sahlmann, ge zijt een befaamde leugenaar.--Leid mij niet in verzoeking!"--Middelerwijl riep nu ook de vrouw van den baljuw: "Westphalen, doe open! Ik ben het, uwe meesteres."--"Ik kan mij niet voor u vertoonen," riep de stem, "'k ben eene zondares, eene erge zondares!"--"Doe maar open; dan komt alles weder te recht."
Na lang vragen en redeneeren deed mamsel Westphalen toch eindelijk open, en daar stond zij nu: haar aangezicht was rood en de tranen liepen haar langs de wangen. Maar tot op den huidigen dag weet nog niemand met zekerheid, of het van aandoening was of van den rook. Hoe het zij, hare tranen vloeiden, en indien die uitdrukking van eene corpulente, oudachtige jonkvrouw gebruikt kan worden, zou ik haast zeggen, daar stond zij als "een geknakt riet."--"Mevrouw Weber," zeide zij, "ik kan u niet onder de oogen komen; ik ben diep gezonken; meer dan twintig jaren ben ik in uw gezegend huis, en van mijn leven heb ik u niet het allerminste ontvreemd; een noodlottig uur heeft dat anders gemaakt; ik heb mij aan uw eigendom vergrepen.--"Och, Westphalen, laat dat rusten; en ga nu maar meê naar beneden!"--"Geen stap doe ik, mevrouw! Eerst eene omstandige bekentenis!--Zie! gij weet het, ik ben op de vlucht; de raadsheer Herse heeft mij helpen vluchten en deze bengel, deze Frits Sahlmann! en nu zit ik hier in angst en kommer en denk aan het lot van mijnheer Droi en aan al het andere, en denk dat deze bengel, deze Frits Sahlmann, mij bericht zal brengen, hoe 't met de zaak gesteld is; toen hoor ik buiten vóór het luik hoesten, en toen wordt mijn naam geroepen, en terwijl ik naar het luik heensluip en naar buiten zie, denk ik dat ik eene beroerte zal krijgen; want, verbeeld u, mevrouw! dat ongelukskind is in den... appelboom geklommen en is langs de lange takken heengegleden en zweeft als eene kraai over den afgrond. "Jongen," zeg ik, "Frits Sahlmann, wilt ge wel uit den boom komen!"--Toen grijnst die jongen mij aan. "Jongen," roep ik, "ik kan dat niet voor je vader verantwoorden, je in zoo'n gevaar te zien." Zie, mevrouw, toen lacht de jongen zoo hard hij kan en zegt: "Ik wou u maar bericht brengen: de horlogemaker wordt opgehangen; den raadsheer Herse hebben de Fransozen gekregen, die ligt in boeien, en een heel bataljon is uitgezonden, om u te zoeken." Mevrouw Weber! dat was geen troostrijk bericht, en mijn angst was groot; maar ik kan 't naar waarheid getuigen, mijn angst om dien jongen was nog grooter. "Jongen," riep ik, "klim den boom uit!" Zie toen grijnst hij mij aan, als een aap op een kameel, en zegt: "Ja, als gij mij eene worst geeft." En daarop begon hij allerhande grappen te maken, en sprong op de takken rond, als een konijn tusschen de kool, zoodat het mij groen en geel voor de oogen werd. Toen, mevrouw, dacht ik: wat is de waarde van een metworst, en wat is de waarde van een menschenleven? en in mijn angst heb ik mij aan uw eigendom vergrepen. Hij hield den stok hierheen, en ik stak er de worst voor hem op. Toen werd hij door den baljuw geroepen en terwijl hij uit den boom klom, riep hij mij zachtkens toe, dat hij mij wat wijsgemaakt had, dat van alles niets waar was. Daarom zeg ik, dat hij een leugenaar is, mevrouw, en daar blijf ik bij."--"Laat dat maar rusten, Westphalen; hij heeft bij mijn' man ook nog wat in 't zout, hij zal zijn' rechter niet ontkomen."
Met moeite kreeg de vrouw van den baljuw de goede dame van den zolder af, en toen zij beneden kwamen, ging de baljuw, met zijn deftigen stap, in vol kostuum op en neder en wachtte reeds. 't Kostte nu veel moeite, mamsel Westphalen te bewegen, om met den ouden heer naar het raadhuis te gaan--"in den geopenden leeuwenmuil," zeide zij. Zij wilde lijden, wat zij door haar onverstand verdiend had, ofschoon het uit goedheid, en in eere was geschied;--maar, om voor al dat vreemde manvolk te staan en zich van wege mijnheer Droi te defendeeren, dat ging boven hare krachten, als fatsoenlijk vrouwspersoon, en indien mijnheer de baljuw toch daarop aandrong, dan moesten Fieken en Carolien ook meê, want die moesten weêr van haar getuigen, dat zij dien nacht bij haar in de kamer geslapen had.
Op dit punt moest de baljuw dus toegeven, en toen mamsel Westphalen naar hare kamer was gegaan, om voor zich in allerijl een' doek en eene warme wollen muts te halen, liep de oude heer met groote schreden, in gedachten verdiept, op en neder en zwaaide met zijn Jena'schen "Ziegenhainer" [5] in de lucht rond, want zonder dezen ging hij van zijn leven niet uit. Eindelijk zeide hij: "Netje, zij heeft gelijk; dat de meiden meêgaan, kan geen kwaad. Maar Netje," en hij snoof zoo'n beetje in de lucht rond; "'t ruikt hier zoo naar gerookte paling; is de oude Neils uit Gulzow met zijn' paling hier geweest?"--"Wat praat je toch, Weber? dat is van haar, zij heeft immers over het uur op den rookzolder gezeten."--"Dan is 't iets anders!" zeide de oude heer; en zijne vrouw moest de beide dienstmeisjes roepen. Zoodra mamsel Westphalen gekomen was, ging de stoet weg, nadat de mamsel van mevrouw Weber een afscheid als op leven en dood had genomen. Niemand sprak een woord; slechts toen zij aan de slotpoort kwamen, boog mamsel Westphalen zich achterwaarts en zeide: "Fieken, als wij op de markt komen, Loop dan eens even naar dokter Lukow, en verzoek hem, dat hij aanwezig zij bij mijn ongeluk; er kon mij soms wat overkomen, want ik kon in flauwte vallen."
ELFDE HOOFDSTUK.
Waarom de bakker Witt, door zijn' meerschuimen pijpekop, meê in 't komplot komt, waarom Westphalen den baljuw als eene witte duif, en Fiek Besserdichs als een engel beschouwt, en welk eene meening zij van den Franschen auditeur heeft.
Ging het op het slot al vrij bont toe, zoo zag het er in de stad nog veel bonter uit. 't Is waar, wanneer zoo'n troep inkwartiering eene kleine stad komt overvallen, wanneer de boeren van het land en de burgers uit de stad, tot diensten met hand en paard, bij elkaâr getrommeld worden, wanneer hier jammer en ellende weent en klaagt, en dáár de overmoed snoeft,--dan kan 't niet stil toegaan, gelijk in de kerk. Maar toen in 1806 Murat en Bernadotte en Davoust den ouden Blücher achterna joegen, en hij hun bij het stadje Wahren de tanden liet zien, toen van Berlijn het fraaie stopwoord was uitgegaan: "rust is de eerste burgerplicht," toen ging het toch rustiger toe, dan om dezen tijd; toen was er slechts van bevelen en gehoorzamen sprake. Toen werd wel door de Fransche heeren naar hartelust geplunderd en op brandschatting gesteld, maar het volk bukte, en de één schoof zich achter den ander, en allerwegen openbaarde zich de echte laaghartigheid, want ieder dacht aan zich zelven en zijne bezittingen, en meester Kähler in Malchow sprak tot zijne vrouw en kinderen: "Ik moet mij redden; aan jelui is niets gelegen; jelui blijft hier, als de Fransozen komen;"--en hij liep naar 't elzenmoeras en kroop in 't riet.--Bedorven en in kwaden reuk staande was alles, van boven tot beneden.
De tijden veranderen. Nood leert bidden, maar hij leert ook zich verweren. Schill rukte uit en de hertog van Brunswijk. In geheel Nederduitschland begon het te spoken; niemand wist, van waar 't kwam; niemand wist, waartoe het leiden zou. Schill trok dwars door Mekklenburg naar Straalsund. Op bevel van Bonaparte moesten de Mekklenburgers hem den pas bij Bamgarten en Tribsees afsnijden; zij werden geslagen, want zij vochten schandelijk slecht. Een huzaar van Schill nam een geheel rot lange Mekklenburgsche grenadiers gevangen. "Kinderen," riep hij hun toe, "zijt gij allen gevangen?"--"Neen," zeide de brave korporaal, "niemand heeft ons wat gezegd."--"Nu, gaat dan maar meê!" En zij gingen meê. Was dat lafhartigheid? Was dat vrees?--Wie onze landslieden in 1813 en 1814 gezien heeft, en wie iets van het Strelitzer huzaren-regiment heeft gehoord, oordeelt anders. Zoo één stam in Duitschland geschikt is, om op het slagveld te staan, dan is het de Mekklenburger.--Neen! dat was geene lafhartigheid, dat was onwil, om te strijden tegen datgeen, wat zij zelven in het diepste van hun hart droegen en wenschten. Het spookte in Mekklenburg; en, toen het in Pruisen losbarstte, was Mekklenburg het eerste land in Duitschland, dat volgde. Zóó is 't geweest, en zóó moet het ook blijven.
En de tijden waren anders geworden. De Heer, onze God, had den Franschman, in den russischen winter, de goudschijnende slangenhuid afgestroopt. Hij, die vroeger overal als meester gepocht had, kwam als bedelaar en schooier terug en deed een beroep op het duitsche mededoogen, en deze edele gezindheid kreeg de overhand boven den woedenden haat. Niemand wilde de hand opheffen tegen den man, die van God geslagen was; het medelijden deed vergeten, wat hij misdaan had. Doch nauwelijks had de verkleumde slang zich weder hersteld in het warme duitsche bed, of zij liet ook de horens weder zien, en de rooverij zou weder beginnen, maar het spook in Nederduitschland was tot eene schim geworden, en die schim kreeg vleesch en been en kreeg een naam, en die naam werd luidkeels op de straat uitgeroepen: "Opstand tegen den menschenmoorder!"--Dat was het veldgeschreeuw. Maar het veldgeschreeuw was niet het geschreeuw van een dag. Niet een troep onervarene jongelieden; niet het janhagel op de straat begon daarmede; neen! de besten en verstandigsten vereenigden zich, niet tot eene samenzwering met wapenen en vergif, neen! tot eene verbroedering met weer en woord tegen aangedaan geweld; de ouden spraken het woord, en de jongere lieden zorgden voor de weer. Niet openlijk op de straat steeg de eerste vlam omhoog;--wij Nederduitschers houden niet van vuur op de straat;--neen! een ieder stak het stil in zijn huis aan, en de buurman kwam bij den buurman en verwarmde zich aan den gloed. Niet gelijk een vuur van dennenhout en stroo, wat ten laatste slechts een hoop asch overlaat, steeg de laaie vlam ten hemel; neen! wij Nederduitschers zijn een hard hout, dat langzaam vuur vat, maar dan ook hette geeft. En in den toenmaligen tijd was geheel Nederduitschland een groote kolenoven, die heimelijk en stil smeulde en gloeide, totdat de kolen doorgebrand waren; en toen zij vrij waren van rook en flikkervuur, toen wierpen wij ons ijzer in den kolengloed en smeedden er onze wapenen in, en de haat tegen den Franschman was de slijpsteen, die maakte ze scherp; en wat toen gebeurde, weet ieder kind op de straat, en mocht het zulks niet weten, dan is het Duitsche mannenplicht voor zijn vader, het hem zóó in te prenten, dat hij 't in zijn leven niet vergeet.
Ook in onze streken smeulde en rookte de kolenoven, en de Franschen roken 't in de lucht; zij voelden bij iederen voetstap, dat de grond, waarop zij marcheerden, onder hen beefde, als een met riet bezet moeras; zij moesten ondervinden, dat de anders zoo onderdanige ambtenaren en overheidspersonen begonnen zich te verzetten; zij zagen, dat burgers en boeren onwillig werden, en zij legden hunne hand nog zwaarder op het land. Dat was nu het middel niet, om den tegenstrevenden geest zachter te stemmen; het volk werd steeds weêrbarstiger, de bevelen van en voor de Franschen werden met opzet verkeerd verstaan; wat anders glad gegaan was, werd nu eene verwarring. Taai als leder, verzette het volk zich door listen van allerlei aard, en de Franschen, die wel merken konden, dat hun bestuur hier weldra een einde zou hebben, namen wat zij maar grijpen konden, want de soldaat wist, dat zijne officieren het niet beter maakten.
Zoo spoedig als dit werkelijk geschiedde, konden zij trouwens geen openlijken opstand vermoeden. Hadden zij 't echter verstaan in de aangezichten te lezen, bij voorbeeld slechts in dat van den ouden bakker Witt, toen hij van des molenaars wagen uit de schuur teruggekomen was en nu over zijne onderdeur lag en zijne pijp rookte, en daarbij spuwde en de Franschen zoo kwaadaardig nakeek, zouden zij zich in acht genomen hebben den boog al te strak te spannen. Ten minste de Franschman, die daar juist voorbij ging en hem den meerschuimen pijpekop met zilveren beslag uit de tanden rukte, en toen in zijn overmoed daaruit bedaard voort rookte, zou zich haastiger uit de voeten gemaakt hebben. Nauwelijks toch had de oude man den ruk in de tanden gevoeld, of hij stoof de deur uit; raapte zoo'n kleinen steen, van eene vuist dikte, op en legde dien den Franschman min of meer onzacht in den nek, zoodat zijn kop en zijn pijpekop in de goot rolden. En juist toen mijnheer de baljuw met zijn stoet vrouwen op de markt aankwam, sloegen bakkersknechts en Franschen, en Franschen en boeren, met scherpe en stompe dingen op elkander, totdat er een officier bij kwam en hen uit elkander bracht. De oude bakker Witt werd met een bebloed hoofd naar 't raadhuis gesleept, want hij had zich aan de grande nation vergrepen, en of hij al zeggen mocht, dat de grande nation zich aan zijn pijpekop vergrepen had, 't hielp geen zier, hij moest meê.
Op het raadhuis zat de auditeur. Hij had den ouden molenaar Voss in 't verhoor van wege den weggeraakten Franschman; de mantelzak met het geld lag op de tafel; de overste Von Toll, en mijn vader, als burgemeester, waren daarbij tegenwoordig. Mijn vader had het voorval, zoo ver het hem bekend was, geheel naar waarheid verhaald. Slechts dat de horlogemaker, op zijn bevel, de Franschen had moeten bang maken, had hij verzwegen, want hij dacht: waartoe dat?--De horlogemaker zal het zelf wel zeggen, of indien hij 't niet zegt, moet hij toch, door mamsel Westphalen's getuigenis, vrij komen. Met den molenaar zag het er daarentegen slechter uit; hij was, van allen, die in de zaak betrokken waren, de laatste geweest, die den Franschman gezien had; hij had hem willen medenemen naar zijn molen, en de kerel was niet te vinden. Wat in zijn voordeel sprak, was, dat hij zeer beschonken geweest was, en dat hij geheel uit eigen' beweging het geld had geleverd, en ook het paard van den "chasseur" door hem, zonder omwegen, werd aangewezen, als zich in de schuur van den bakker Witt bevindende. Toen hij dit een en ander mededeelde en uit mijns vaders vragen had kunnen opmaken, dat zijne dronkenschap hem van nut kon wezen, maakte hij daarvan eene vreeselijk uitvoerige beschrijving en bleef op alle vragen antwoorden, dat hij van niets wist, want dat hij echt dronken was geweest; maar als ze het Frederik vragen wilden, die moest alles weten.
Zóó stond de zaak, toen buiten op de markt de kloppartij met den bakker Witt begon. Mijn vader liep de deur uit, om te zien, wat er aan de hand was, toen de oude Witt ook al nader gebracht werd, waarbij hij nu en dan een paar knepen met zijn geleide wisselde en voor zijn "gauwdieven en roovers," een paar "bougres" en "sacres" terugkreeg. Daardoor, dat hij de rechtszaal ingeduwd werd, werd het daar binnen juist niet rustiger; hij schold en schimpte geweldig en mijn vader had alle moeite om hem maar half stil te krijgen.--"Mijn' pijpekop, burgemeester! Een erfstuk van mijn vader! Wat? En nu dien zóó maar mij voor mijn oogen uit den mond te rukken! Wat? Ben ik een Stemhager burger, of niet?" De Franschen tierden en raasden daartusschen in; de overste Von Toll was naar buiten gegaan, en de auditeur gaf bevel, den bakker te binden, op den wagen te gooien en meê te nemen; het verdere zou zich wel vinden; hij had den Franschman aangevallen, en dat was genoeg. Toen kwam mijn vader daar tegen op en zette hem uitéén, dat de bakker een eerlijk man was, dat hij lasten en krijgsschattingen gedragen had en zich niet tegen het Fransche bestuur, maar enkel tegen een gemeenen gauwdief had geweerd; of begonnen nu de Franschen ook al pijpekoppen, met zilver beslagen, als krijgscontributiën aan te zien?--Hierdoor had hij den Franschman erg op de teenen getrapt; hij snauwde mijn vader toe en deed hem gevoelen, dat ook hijzelf alles behalve heel veilig was. Mijn vader was een prikkelbare kerel, en wanneer hij éénmaal iets voor recht hield, was hij zoo hardnekkig als een echte Mekklenburger slechts zijn kan. Hij zeide dat hij wist, dat tegenwoordig geen eerlijk man in zijn eigen land zeker was; doch, wat hem betrof, hield hij het voor zijn plicht, zijne burgers bij te staan in eene rechtvaardige zaak; en dat zou hij doen, al waren er ook zoo vele Franschen in het land, dat men er de varkens wel meê voeren kon.--De Franschman schuimbekte van woede en gaf bevel, mijn vader terstond te arresteeren en de kamer uit te brengen. Toen dit nu gebeuren zou, sprong de oude bakker Witt voor mijn vader op en liet een paar maal "schooiers en schurken" hooren, en ook de oude molenaar Voss was al bij de hand om zijne vuisten en zijn mondregister gereed te maken, toen de overste Von Toll weer binnenkwam, en vernemende, wat die beweging te beduiden had, zeide hij, dat de bakker in de pijpekops-historie gelijk had; hij had dit onderzocht, en dat gansche voorval was eene bijzaak; maar, de bakker was dezelfde man, die het chasseur's-paard in zijne schuur had staan, en hem kwam het voor, alsof hier een moord in een groot complot begaan was, en bij deze woorden zag hij mijn vader zeer scherp aan,--en dat moest uitkomen, hij zette daar zijn leven voor te pand; en, zoo 't er hier niet uit te krijgen was, dan wist hij eene plek, waar het er wel uitkomen zou, en die plek heette Stettin.
Mijn vader, de molenaar Voss en de bakker Witt werden nu gelast, de kamer te verlaten en in eene andere kamer in verzekerde bewaring gehouden, en mijnheer de baljuw werd binnen geroepen. De oude heer kwam in zijne geheele lengte opgericht en deftig, gelijk zulks voor een eersten ambtenaar met een goed geweten past, met zijn "Ziegenhainer" in de hand, de deur binnen. Een der Franschen wilde de deur achter hem dicht maken, maar dat ging zóó niet; mamsel Westphalen wrong zich stevig door de deur en achter haar schoven Fieken en Carolien in haar breed vaarwater mede naar binnen, want zij wilden ook niet, zoo als zij zeiden, tot spektakel voor de menschen tusschen al die leelijke Fransozen-kerels op de open gang staan; en mamsel Westphalen zeide, toen zij er doordrong: "Mosjeu Fransoos, pardoen! Waar mijnheer de baljuw blijft, blijf ik ook, want hij is mijn steun."
Toen de oude heer binnenkwam, keerde de overste zich om en zag het venster uit. De auditeur vroeg nu aan mijnheer den baljuw, door den tolk, wie hij was en hoe hij heette.--"Ik ben eerste ambtenaar hier in het Stavenhager rechtsgebied en mijn naam is Jochem Weber." En dit zeggende, legde hij hoed en stok op den stoel. Bij den naam "Jochem Weber" was het, alsof de Fransche overste scherp begon toe te luisteren; hij keerde zich half om en zag den ouden heer aan, en 't scheen, dat hij hem naar iets wilde vragen; doch hij liet het blijven en keek weder het venster uit.
Men beduidde nu mijnheer den baljuw, dat hij zou gaan zitten. "Ik dank u," zeide hij, "tot mijn gemak ben ik hier niet gekomen; en, verhoord te worden, is eene te ongewone zaak voor mij, om ze zittende te kunnen afdoen."--Hij verhaalde thans, op de gedane ondervraging, alles wat hem van den chasseur bekend was. "En," zeide hij aan 't slot zijner rede, "indien iemand het den molenaar tot eene misdaad zou willen aanrekenen, dat hij dien kerel heeft helpen dronken maken, dan ben ik zelf daarvoor verantwoordelijk, want op mijn bevel heeft de molenaar zich met die zaak bemoeid en ik heb over hem te zeggen."--Hier begon de auditeur recht schamper te lachen en zeide dat het grappig was, dat eerst mijnheer de burgemeester voor zijn bakker en nu mijnheer de baljuw voor zijn molenaar verantwoordelijk wilde zijn.--"En daar lacht gij om?" vroeg de oude heer, zoo bedaard, alsof hij met Frits Sahlmann te doen had. "Is dat in Frankrijk niet zóó? Zijn in uw land de ambtenaren alleen dáártoe aangesteld, om de menschen het vel over de ooren te halen? Moeten zij hen niet in eene rechtvaardige zaak bijstaan? En is dat geene rechtvaardige zaak, als men zich een roover en gauwdief, die de overmacht heeft, met een paar flesschen wijn van den hals schuift?"--Nu had de Franschman weêr eene gevoelige neep gekregen! Roover en gauwdief en een Fransche chasseur, dat waren dingen, die niet te zamen konden rijmen, of, beter gezegd, niet wilden. De overste had zich van het venster afgewend en ging met groote schreden achter den ouden heer op en neder; de auditeur grauwde hem harde woorden toe; mijnheer de baljuw bleef bedaard, ging naar de tafel en haalde uit den mantelzak van den Franschman een zilveren lepel voor den dag, stak den auditeur dien toe en zeide: "Zie eens hier, dit wapen! Ik ken het, en ik ken ook de lieden, die het voeren. Die soort van menschen verkoopen hunne zilveren lepels niet, en naar mijne meening heeft een eerlijk soldaat wel wat anders te doen, dan handel te drijven met zilveren lepels."--Hiertegen viel nu niet veel te zeggen; de auditeur maakte dus een' geschikten zijsprong en kwam nu op den horlogemaker; hij vroeg den ouden heer, hoe die aan de Fransche uniform was gekomen en wat hij dien nacht op het slot te doen had gehad?--"Daar vraagt gij mij te veel," zeide mijnheer de baljuw; "ik heb het hem niet bevolen; ik heb hem enkel 's avonds, toen de molenaar met den chasseur wegreed, vluchtig gezien, en dat hij 's nachts op het slot gebleven is, is buiten mijn willen of weten geschied." De auditeur scheen wel te bemerken, dat er met den ouden heer niet veel te beginnen was, hij brak de zaak af en gaf mijnheer den baljuw te kennen, dat hij kon heengaan, doch dat hij zich niet uit het raadhuis zou verwijderen. "Best!" zeide de oude heer, en keerde zich om. "Dus, totdat de zaak beslist is."
Toen hij zich omkeerde en hoed en stok nemen wilde, had de Fransche overste zijn stok in de hand en keek op dien stok zóó strak en tevens zóó weifelend, als iemand die in de courant ziet, dat op zijn nummer het hoogste lot is gevallen. Op dien stok was ook werkelijk wat te lezen: hij was namelijk uit den Jena'schen studententijd van den ouden heer en onderscheidene namen waren er ingesneden. Mijnheer de baljuw zag de overste een oogenblik aan; daarop maakte hij zoo'n halve buiging, eenigszins uit de hoogte, voor hem en zeide: "Met uw verlof, mijnheer de overste, mijn stok."--De overste zag een weinig verlegen op: gaf hem den stok, en toen de oude heer de kamer uitging, ging hij hem na. Mamsel Westphalen wilde hem volgen en Fieken en Carolien maakten zich ook daartoe gereed, maar "Alt, alt!" schreeuwde de auditeur, en wie de deur niet uitkwamen, waren de drie vrouwen.