Part 6
Een kleine week vóór Kerstmis komt er een brief op Conifera voor Mevrouw Mung. Hij ligt naast haar bord als zij aan het ontbijt komt.
„Een brief van tante Nina,” zegt Grootmoeder.
„Van Beukenwoud?” vraagt Arthur, terwijl hij zijn boterham doorsnijdt.
„Ja, van tante Colesberg; wat zou tante schrijven?”
Grootmoeder zet den bril op en leest en zegt dan eensklaps:
„Hoe aardig, ja, dat zou ik wel heel prettig vinden.”
„Wat? Grootmoeder.”
„Tante Nina vraagt, of wij met ons beidjes in de Kerstdagen bij haar willen komen logeeren.”
„Op Beukenwoud? o Grootmoeder, is het heusch waar? heerlijk! nu zal ik Beukenwoud voor het eerst zien, Lili heeft er zoo veel van verteld.”
„En weet je wat prettig is? Oom en Tante Bantam en Lili zijn ook gevraagd.”
Nu springt Arthur op van zijn stoel en de stoel valt achterover op den grond, gelukkig niet kapot en Arthur danst door de kamer en juicht:
„O Grootmoeder, wat is dat heerlijk! wat ben ik blij, u ook?”
„Ja jongen, ik vind het heel prettig, maar ik kan niet meer zoo dansen en springen en stoelen omgooien om mijn plezier te toonen.”
„O, Grootmoeder, neem mij niet kwalijk; wat zullen Vader en Moeder blij zijn als ze het hooren. Hé, ik wou dat Constant het ook zoo prettig had.”
„Ik denk dat hij het wel heel prettig zal hebben met de zusjes; ze krijgen immers een kerstboom?”
„Ja, dat is waar, Constant verheugt er zich erg op.”
Arthur pakt zijn boeken in en zegt:
„Ziezoo, dat is de laatste dag vóor de vacantie; van middag breng ik het rapport mee.”
„Ik hoop dat het goed zal zijn,” zegt Grootmoeder.
„Ja,” zegt Arthur, „ik zal na de vacantie nog beter mijn werk nazien, ik heb er nog wel eens stomme fouten in gelaten.”
„Dat is jammer.”
„Ja, Grootmoe, maar het zal u nog wel een beetje meevallen, hoop ik.”
„Dat hoop ik ook, maar ik heb een heel goede verwachting van je.”
„O doossie! dan zal het tegenvallen. Dag Grootmoe, tot van middag!”
„Jongen, jongen! niet zoo wild! kijk nu mijn muts, heelemaal scheef.”
En Grootmoeder zet haar muts weer recht en ziet Arthur lachend na.
Het is al heelemaal donker als Arthur kwart voor vijf thuiskomt. Grootmoeder hoort hem al van verre het Transvaalsche volkslied fluiten. Pandoer springt uit zijn mand achter de kachel, rekt zich eens flink uit en vraagt aan Grootmoeder, of hij als ’t je blieft naar buiten mag. Grootmoeder kent zijn taaltje wel, legt de breikous op tafel en laat den hond de voordeur uit, kijkt hem na over de witte sneeuw en hoort weldra Arthur’s stem:
„Pandoertje! ben je daar! beste hond, bedaar een beetje, kom, gauw naar Grootmoeder.” En daar komt hij aan, vroolijk en met schitterende oogen.
Haastig knoopt hij zijn jas los, haalt een boekje uit zijn blouse en terwijl hij Grootmoeder omhelst, zegt hij:
„Dat is voor u!”
Grootmoeder gaat naar binnen, houdt het boekje bij de lamp en leest:
„Negen, acht, negen, negen, zeven...”
„Ja,” zegt Arthur, „daar zou ik ook wel een negen voor gehad hebben, als die vervelende Amalia.”
„Wat Amalia?”
„O ja, u weet het niet, we hebben op een keer heelemaal niet geluisterd op de rekenles en toen hebben we een onvoldoende gekregen. Constant heeft bijna dezelfde cijfers gekregen, sommige nog mooier, hij is zoo knap, als ik hem niet altijd bij me had, zou ik zeker niet zoo’n mooi rapport hebben.”
„Nu mijn jongen, dat is een groot geluk, prettig om naar huis te schrijven. Wat zullen Vader en Moeder blij zijn.”
’s Avonds schrijft Arthur een langen brief; hij weet zooveel te schrijven en hij doet er ook een briefje bij voor zijn zusjes.
Op een Maandagmorgen gaat Arthur met Hein en Constant, den ezel wegbrengen naar Jacob Drieman. Grootmoeder kijkt hem na en denkt: „die goede jongen, zijn grootste plezier is om anderen gelukkig te zien.”
Jentje staat voor het huis en als zij hem ziet aankomen, loopt zij haastig naar binnen en ze hooren haar roepen: „Vader! Moeder! kom es kieken!”
Daar komen ze, en achter hen aan, al de kinderen; wat zien ze er blij uit, ze glimmen van plezier.
„Daar kump ie!” juicht kleine Gerrit en in een oogwenk staan allen om den ezel heen en streelen hem over zijn neus, zijn nek en zijn rug. De ezel snuffelt aan het buisje van Gerrit en deze wordt een beetje bang, maar Jentje zegt:
„Hie ruukt et, daj een stuk brood in oe zak hebt.”
En Gerrit haalt het stuk roggebrood, dat hij voor den ezel bewaard heeft, voor den dag en Hein zegt, dat hij het aan kleine stukjes moet breken en van zijn vlakke hand moet laten eten, en zie, kleine Gerritman, is niets bang meer en zegt: „hie lust nog meer.”
Nu wordt de ezel naar de schuur gebracht; er is een nette stal afgeschoten en op den grond liggen droge heideplaggen en in de krib is zuiver hooi; Jentje brengt een emmer water en zegt:
„Zolle ook dorst hebben?”
„Ik denk dat hij het hier wel goed zal hebben,” zegt Constant.
Jacob staat in zijn handen te wrijven en als ze uit de schuur komen en om het huis heen loopen, zegt hij:
„Warentig, ik kan me noe veurstellen da’k op een buutenplaats woon, jongens ik heb zoo’n schik.”
„Dan moet je de buitenplaats ook een naam geven,” zegt Arthur, „wat zou je denken van Ezelsoord?”
„Dat zou effectief mooi zijn,” en Jacob staat te grinniken van plezier en Hein zegt:
„Menige rijke mijnheer is op zijn buitenplaats niet zóo tevreden als Jacob op zijn Ezelsoord.”
HOOFDSTUK XIII.
Twee dagen voor Kerstmis, komen Grootmoeder, Arthur, Oom en Tante Bantam en Lili tegelijk op Beukenwoud aan. Tante Colesberg komt hen in de vestibule tegemoet, en een prettige, geurige warmte komt hen tegen uit de huiskamer. Er staan overal groote potten en vazen met dennetakken en hulst met roode besjes. Ze doen hun mantels en jassen uit in het kleine spreekkamertje en als ze daarna binnen komen in de huiskamer, loopen ze allen naar de zijramen om in de menagerie te kijken.
„Mijn lieve Lili,” zegt tante Colesberg, „ik ben een en al verbazing, wat loop je goed, je hebt niet veel steun meer noodig.”
„O tante, het is zoo heerlijk; ik heb ook al even in de sneeuw geloopen bij ons in den tuin; het gaat hoe langer hoe beter. O kijk eens, wat zijn er veel duiven, zijn ze nog zoo mak?”
„O ja, wil je het zien? Herman!” zegt tante tegen haar zoon, „wil je Jantje even halen?”
Neef gaat dadelijk naar buiten, fluit en neemt wat maïs uit zijn vestjeszak en als hij de hand uitsteekt, komt er dadelijk een aardig wit duifje op zitten en pikt gretig de korrels op. Daar komen er nog twee en gaan op neefs arm zitten en nu komt neef met de drie duifjes de kamer in.
„O wat aardig!”
„Dit kleine makke diertje is Jantje en dat is Beb en dezen heb ik naar jou genoemd.”
„Ja? naar mij? Arthur?”
„Neen, Mung noem ik hem, is het goed?”
„Ja neef, best, maar waarom heet die andere Beb? wie is dat?”
„Beb Dolijn woonde hier vroeger, een heel lief meisje, zij hield zoo veel van haar duifjes en daarom heb ik er een naar haar genoemd.”
„Waar is nu het kippekamertje?”
„Wou je het graag zien? kom dan maar mee.”
„Ik wou ook mee, daar mag ik immers logeeren,” zegt Lili en neef en Arthur helpen haar de trap op en ze komen op een aardig kamertje, dat in de ménagerie uitziet.
„Hé, wat heb je hier een mooi uitzicht, wat aardig al die eenden en kippen; kijk, een ooievaarsnest, wat leuk, en daar aan den vijver zie ik een koepeltje.”
„Ja, er is hier een heele boel te kijken,” zegt neef, „zie je wel de kippenbrug, daar naar het bosch toe? daar gaan de kippen zoo graag in het eikenblad krabben, maar nu kunnen ze er niet bij komen door de sneeuw. Nu naar Nova Zembla.”
„Nova Zembla?”
„Ja; dat is een kamertje op het Noorden, daar ben je toch niet bang voor? daar sliepen vroeger ook jongens van mijnheer Dolijn.”
„O, neen neef,” zegt Arthur, „ik ben niets bang voor koû, dat is frisch.”
Ze gaan over den overloop en daar ziet Arthur iets op den deurpost geschreven; hij leest:
„Arthur is een muziekmannetje.”
„Wat is dat? wie heeft dat gedaan, ik doe nooit aan muziek.”
Neef lacht en zegt:
„Dat is Arthur Dolijn, die hier vroeger woonde, er staat hier nog meer, kijk maar:
„Jongeheer Arthur,
„Eet 12 boterhammen in één uur.”
„Kijk eens hier:
„Pumpie is een soes En Meta is een snoes.”
„Ga nu mee naar Nova Zembla, daar staat ook nog wat gekrabbeld.”
Arthur en Lili zien op de vensterbank allerlei letters, E. D. en A. D. F. B. F. H. en W. H.
„Wie zijn dat allemaal?” vraagt Arthur.
„Ja, dat weet ik niet, maar kijk hier eens: „E. is een ezel, D. is een duivel en U. is een uilskuiken.”
Lili en Arthur schateren van het lachen en Lili zegt:
„E. D. U., dat is Edu, dat zal hij wel niet zelf gedaan hebben; o kijk eens:
„E. is edel, D. is dapper, U. is ulevel.”
„Die is prachtig, dat heeft Edu zeker wel zelf gedaan.”
Ze zoeken nog meer, maar ze kunnen niets meer vinden.
„Kom, het is hier koud, ik verlang naar de warme kamer, jullie ook?”
Ze gaan samen naar beneden en ze vinden het erg gezellig in de huiskamer. Ze drinken thee met kattetongetjes en ze praten over alles en nog wat. Na het eten zitten ze om den knappenden haard; ze kraken noten en mogen de doppen in het vuur gooien, en neef doet er ook wat dennenappels op, het knapt en knettert zoo heerlijk. Tante Colesberg en neef vertellen allerlei dingen, die ze hier gehoord hebben over de familie Dolijn en dat vinden Lili en Arthur erg prettig om te hooren.
Den volgenden morgen zegt tante Colesberg:
„Ik zend een mand met appels en dennetakken naar Amsterdam aan de familie Dolijn, wil jullie helpen?”
„Graag tante.”
Arthur en Lili wrijven de appels en peren tot ze glimmen; er worden ook noten in gepakt; dennetakken en hulst gaan er boven op en Willem, de tuinman, komt met een stuk linnen, touw en een paknaald om het dicht te naaien.
„Dat doe je geloof ik graag?” vraagt neef.
„Ik doe niets liever dan vrachtjes zenden aan de familie Dolijn,” zegt Willem, „wat zullen de kinderen blij zijn, och, och, wat waren ze hier graag!”
De dagen vliegen om, veel te gauw en als Arthur den laatsten avond in zijn bed ligt en door Grootmoeder wordt toegedekt, zegt hij:
„Wat is het toch vreemd verdeeld; wij hebben het zoo vreeselijk goed en er zijn er zoo veel die het zoo ellendig hebben, dat is toch akelig.”
„Ja beste jongen, dat is heel ongelukkig, vooral als de ellende tot slechtheid brengt!”
„Grootmoeder, wat is het toch gelukkig om rijk te zijn.”
„Neen mijn jongen, zeg dat niet, het geld brengt volstrekt niet altijd geluk aan, heel dikwijls het tegendeel. Voor menigeen zou het een geluk zijn, minder geld te hebben en gedwongen te zijn hard te werken.”
„Maar Grootmoeder, als men rijk is, kan men er veel goed mee doen.”
„Ja, als men dat altijd deed, zou het geld geluk aanbrengen, maar het geld brengt zoo veel menschen tot luiheid en zorgeloosheid. Men moet heel flink en verstandig zijn om een goed gebruik van het geld te maken, en als men dat niet kan, is het veel beter arm te zijn. En veel geld geeft veel zorgen; een man die met een kermiswagen door het land trekt, heeft het dikwijls gemakkelijker dan een schatrijk man.”
„Hé Grootmoeder, hoe kan dat?”
„Als men veel geld heeft en als men het goed wil besteden, moet men heel knap en verstandig zijn, men is dan verplicht heel veel voor de maatschappij te doen.”
„Dus moet men heel knap en verstandig zijn als men rijk is?”
„Ja beste jongen, heel knap en heel goed.”
Arthur denkt hier veel over na; hij weet dat zijn vader heel rijk is en dat hij het waarschijnlijk ook zal worden. „Als ik dus knap word,” denkt hij, „zal ik een goed gebruik van het geld kunnen maken; gelukkig dat ik nog veel kan leeren.”
Als Grootmoeder en Arthur terug komen op Conifera, worden ze verwelkomd door Constant, die blij is dat Arthur er weer is.
„Hè, ik vond het saai, dat je weg waart, ik ben hier elken dag geweest om een eind met Pandoer te wandelen, we hebben geprobeerd om elkaar op te vroolijken. Maar we hebben toch prettige Kerstdagen gehad; de Kerstboom was prachtig.”
„Ik vind het niets naar om weer naar school te gaan,” zegt Arthur.
„Ik ook niet,” zegt Constant, „het is zoo prettig om samen te gaan.”
„En het is ook zoo prettig om met een mooi rapport thuis te komen,” zegt Arthur.
„Jongens,” zegt Grootmoeder, „ik ben blij, dat jullie er zoo over denkt, nu kun je het ver brengen en twee mannen van beteekenis worden.”
„Maar ook altijd twee vrinden.”