Part 5
Daar komen de andere heeren aan en allen bekijken het beeld en allen beginnen te glimlachen en ze kijken naar den directeur en dan weer naar het beeld en eindelijk zegt de grappige leeraar:
„Directeur, er krijgen niet veel menschen een standbeeld bij hun leven.”
De directeur heeft ook zich zelf herkend en nu roept David en dan al de anderen:
„Lang leve de directeur!”
Als de jongens ’s middags uit school komen, zien ze naar de lucht.
„Dat ziet er niet best uit,” zegt Arthur, „wat wordt het donker en het sneeuwt zoo dicht en het waait alles op hoopen. Laten we ons haasten om thuis te komen.”
De jongens gaan in vluggen pas de poort uit. Op sommige plaatsen is de sneeuw hoog opgewaaid tegen huizen en hekken links van den weg.
„We moeten rechts houden,” zegt Constant, „bij het boschje aan den rechterkant zal de sneeuw niet opgewaaid zijn.
„Daar zal ze wel dik liggen, hier is het niet erg,” zegt Arthur, „hier is bijna alles weg gewaaid, maar hoe zal het bij het laatste boschje links zijn? daar komt al de sneeuw van de bouwlanden tegen aan waaien.”
„Ja, dat zal een toer zijn; vooruit maar, hoe eerder we thuis zijn hoe beter.”
De jongens loopen zoo hard ze kunnen en ze worden van top tot teen wit.
„We lijken wel sneeuwpoppen; het was toch een mooi standbeeld, dat we gemaakt hebben, ik heb nog nooit zoo’n mooi gezien.”
„Kijk, daar gaat vrouw Drieman, och die stumper, gauw helpen, een, twee, drie! Hola, hier! heb je een touw? we zullen je helpen,” roept Arthur.
Wat is vrouw Drieman blij! Ze kon ook al haast niet meer vooruit komen en ze is zoo bang, dat ze de boodschappen niet veilig thuis zal krijgen en daarbij is zij zoo ongerust over haar man.
„Jongeheer,” zegt ze tegen Arthur, „zou je Grootmoeder erg verlegen zijn om de citroenen en de kaas? anders moet ik ze nu nog brengen.”
„Geef ze mij maar mee, hier, onder mijn jas in mijn blouse, daar kan een heele vracht in. Grootmoeder zou niet willen, dat je daar van avond nog mee naar Conifera kwaamt door die dikke sneeuw. Ik hoop dat Jacob gauw beter wordt, groet hem.”
„Van mij ook,” zegt Constant als ze de slede veilig voor de deur hebben gezet.
„Kom Arthur, haast je, neen, ga niet naar binnen, het wordt veel te donker, je kunt toch den weg al haast niet meer onderscheiden en nu komt het boschje. Drommels! hoe komen we daar door? als de sneeuw hooger komt dan je knieën, kun je er niet door.”
„Hier,” zegt Arthur, die zoo veel mogelijk rechts houdt.
„Pas op, loop niet in de sloot, je zoudt diep in de sneeuw zakken; je kunt niet zien waar die vervelende droge sloot begint, alles is gelijk.”
De jongens komen met moeite op het punt waar ze moeten scheiden en daar is de weg nog al duidelijk. Een boer, die hen tegen komt, zegt:
„Haast je wat, het wordt gevaarlijk in het duister.”
„Ja,” zegt Arthur, „we zijn gelukkig gauw thuis. Adi! tot morgen.”
„Goeie reis! pas maar op!” zegt Constant, terwijl hij zoo snel mogelijk naar het dorp loopt.
Arthur komt zonder al te veel hindernis tot aan het hek van Conifera, maar nu zal het eerst lastig worden. Links is veel laag struikgewas, rechts zijn hoog opgaande eiken, waaronder de wind de sneeuw in vliegende vaart opjaagt en ophoopt tegen de struiken.
Moedig stapt Arthur voorwaarts en waadt door de sneeuw en hoe langer hoe dieper zakken zijn beenen er in. Wat is het vermoeiend, de voeten telkens zoo hoog op te tillen. Daar komt hij bij een bocht van den weg, als hij daar maar voorbij was, dan zou hij het licht van Conifera kunnen zien.
Daar staat Arthur plotseling stil, hij kan niet verder; de sneeuw reikt boven zijn knieën, Wat nu te doen? Hij probeert vooruit te komen, maar daar is het nog dieper, achteruit gaat ook niet. Nu wordt hij een beetje bang, eventjes maar en dan kijkt hij naar boven, naar de donkere lucht en krijgt sneeuwvlokken in zijn oogen, maar hij ziet juist boven zijn hoofd een dikken tak van een eik. Hij grijpt dien en trekt zich wat naar boven. Dat helpt; hij slingert zich in de hoogte en laat zich neervallen meer naar rechts. Mooi, dat is minder diep; een paar passen kan hij voortgaan, maar o wee, nu wordt het nog erger en geen tak om zich aan op te trekken. Hij baant zich met de handen een weg, maar dat kan hij niet lang volhouden, ook weet hij niet goed de richting meer.
„Hallo! Pandoer! Hallo!”
Arthur fluit en roept uit alle macht. Daar hoort hij in de verte iets roepen en het blaffen van Pandoer, het komt nader bij.
„Pandoer! Pandoer! hier ben ik! maar pas op, och wat ben ik dom geweest, dat arme dier, hij zal er nog minder door kunnen dan ik.”
„Hier jongeheer! hier heen, ik zal een weg maken; hei! Jannes! help me gauw, heb je de schop? hier!”
Nu gaat Arthur met nieuwen moed aan het werk, hij ziet het licht van een lantaren en hij heeft de stem van Hein herkend, gelukkig dat ze hem komen helpen, hij had er zonder hulp niet door kunnen komen.
„Ziezoo, nu kun je er door,” zegt Hein, terwijl hij even de schop neerzet en Arthur bij het licht van de lantaren bekijkt; het is intusschen heel donker geworden.
„Waar is Pandoer? Pandoertje waar ben je?” en Arthur tracht in de duisternis te ontdekken, waar zijn trouwe hond gebleven is. Hij hoort hem janken en spartelen en als Hein het licht van de lantaren rond laat gaan, zien ze het arme dier worstelen door de diepe sneeuw.
Dadelijk banen ze met Jannes een weg er heen en daar komt de hond bij Arthur en schudt zich uit en springt luid keffend tegen zijn baas op.
„Nu gauw naar je Grootmoeder,” zegt Hein, „gauw, ze is zoo ongerust.”
Wat zijn Grootmoeder en Arthur beide blij, als ze elkaar in de vestibule omhelzen. De sneeuwvlokken zitten in Grootmoeders sneeuwwit haar en ook op haar lieve, zachte wangen. Arthur is zoo’n wilde, onstuimige jongen, bijna even wild als Pandoer, die zich terdege uitschudt, zoodat de sneeuw tegen den barometer en de wijzerplaat van de klok aankleeft.
„Wat heb je daar voor dikte?” vraagt Grootmoeder, als Arthur zijn jas uittrekt.
„O, dat zijn de citroenen en de kaas van vrouw Drieman; hè, wat ben ik blij dat ik ze meegenomen heb, anders was de stumper misschien in de sneeuw blijven steken.”
Grootmoeder ziet hem liefdevol aan en zegt:
„Kijk nu eens onder je servet.”
„Ha! een brief!” juicht Arthur en terwijl Grootmoeder de soep opschept, kan hij niet laten gauw den brief te openen en te zien of ze in Indië allen gezond zijn. Grootmoeder laat het oogluikend toe, want zij is zoo erg verlangend iets te hooren over hare dierbaren, daar ginder, zoo heel ver weg over de zee.
„Moeder schrijft, dat ze allen weer beter zijn, zus is het ergst geweest, maar nu allemaal goed, gelukkig!”
„Gelukkig!” zegt Grootmoeder, „laten we nu eerst gaan eten en den brief voor het dessert bewaren.”
Arthur vertelt, hoe hij tegen den sneeuwstorm geworsteld heeft en Grootmoeder zegt, dat zij niet geweten heeft dat het zoo erg was.
„Daar ben ik blij om,” zegt Arthur, „u zou dan zeker erg ongerust zijn geweest. Maar Grootmoeder, Jacob Drieman is erg ziek, zijn vrouw en Jentje moesten de boodschappen doen, de kleine Gerrit was alleen bij Jacob thuis.”
„We zullen er dadelijk morgen naar laten hooren en hulp verschaffen, dat kan zoo niet,” zegt Grootmoeder.
Aan het dessert mag Arthur den brief lezen.
„Beste Arthur,
Gisteren ontvingen we je brief, waarin je ons schrijft over den eersten dag op school. Vader en ik zijn heel blij, dat je er plezier in hebt en ook, dat je een aardigen kameraad hebt gevonden om mee samen te loopen en te werken. Dat treft al heel gelukkig, nu heb je altijd gezelschap op je wandeling van en naar de school en je kunt elkaar zoo prettig de lessen overhooren. Ik hoop, dat je alle klassen samen door zult maken en goede vrienden zult blijven. Vader zal je een postwissel zenden voor den ezelpot; Constant Kemper zal het ook wel prettig vinden, als jij gauw een ezel kunt koopen. We hebben erg getobd met malaria en Carolientje heeft erg knokkelkoorts gehad, het arme kind voelde zich heel ziek en pijnlijk. De tuinen zijn prachtig en de kleintjes vinden het hier heerlijk; maar ik verlang erg naar Holland. We hebben met de vorige mail een kistje verzonden, dat kun je dus binnenkort ontvangen. Ben je lief en gehoorzaam voor Grootmoeder? ben je niet te wild en te druk? denk er om dat Grootmoeder al een beetje oud is. Omhels haar eens voor mij en zeg haar, dat ik zoo blij ben, dat mijn lieve jongen bij haar kan zijn. Vader en de zusjes zenden veel groetjes. Vader schrijft met de volgende mail aan Grootmoeder.
In gedachten een omhelzing van
je zoo liefhebbende Moessie.”
Arthur leest den brief nog eens over en zegt:
„Ik vind het zoo prettig in Indië, maar als Vader en Moeder hier komen, zal ik er niet zoo erg meer naar verlangen als den eersten tijd. Ik begin nu al veel van Holland te houden.”
HOOFDSTUK X.
Den volgenden morgen springt Arthur vroeg uit zijn bed; hij is zoo nieuwsgierig om te zien hoeveel sneeuw er bij gekomen is. De wind is bedaard en het heeft opgehouden met sneeuwen.
„Hoe prachtig!” zegt Arthur hardop, als hij het gordijn opgehaald heeft. Hij staat een poos te kijken, nog nooit zag hij zoo iets moois; alles is smetteloos wit, de boomen, de struiken en de grond en de lucht daarboven is helderblauw en overal waar de zon haar stralen zendt, schitteren duizende diamanten.
Haastig loopt Arthur naar den overloop en roept aan Grootmoeders deur:
„Grootmoe! heeft u al naar buiten gekeken? het is prachtig! de zon schijnt zoo mooi op de sneeuw, ik ga me gauw aankleeden.”
Hein is al bezig paadjes te graven van de keuken naar den stal en nu komt Arthur gauw helpen. Er ligt een manshoogte tegen de staldeur.
„Ja jongeheer, je zult er van in de krant lezen, alles is versperd, de treinen zullen blijven steken; de bakker zal er niet door kunnen en je kunt ook niet naar school.”
„Niet naar school?” zegt Arthur verbaasd.
„Neen, zeker niet, we kunnen hier zoo gauw niet vandaan komen, kijk maar eens voor het huis.”
Arthur loopt naar de voorkamer en nu ziet hij, hoe de sneeuw tot bergen is opgewaaid, op den oprit ligt de sneeuw wel een meter hoog.
„Ik wil toch naar school,” zegt Arthur, „ik zal wel plekjes vinden waar ik door kan, ik neem een schop mee.”
Hein lacht en zegt:
„Probeer het maar, het is mij goed.”
Arthur roept Pandoer, trekt zijn overjas aan en gooit zijn pet een eind van zich af.
„Apporte!”
Pandoer brengt dadelijk de pet bij hem en als Arthur zich bukt, zet Pandoer hem de pet achterste voor op het hoofd.
„Mooi, knap gedaan. Nu een weg zoeken, vooruit!”
Pandoer zakt diep in de sneeuw, maar hij komt er toch telkens weer uit.
„Geef mij dan het kleine sneeuwploegje Hein.”
Hiermee gewapend zoekt Arthur een weg, waar de Oostenwind de sneeuw niet heeft kunnen opwaaien.
„Toe maar Pandoer, loop jij maar vooruit.”
Die slimme hond, hij weet overal plekjes te vinden, waar de sneeuw niet zoo hoog ligt en met een omweg, komen zij bij den straatweg. Zoo nu en dan moet Hein met de schop te hulp komen, maar het is hem erg meegevallen.
„Ja Hein, als je niet door den berg heen kunt komen, moet je er omheen loopen, want er boven overheen gaat ook niet.”
„Zeg dat wel jongeheer. Als nu de sneeuwploeg maar kwam.”
„Nu ga ik eerst ontbijten en als ik klaar ben, zal de ploeg er wel zijn en anders ga ik met dit kleine ding, ik wil er door.”
Grootmoeder vindt goed dat hij het probeert; het is nu helder licht dag en zonder gevaar.
„Als ik Pandoer eens meenam? dan breng ik hem bij oom Bantam.”
„Goed mijn jongen, doe dat.”
Arthur legt zijn boeken op het driehoekig sleedje, en met zijn dikke slobkousen en overschoenen, baggert hij door de sneeuw.
Wat is Pandoer blij, dat hij mee mag; hij rolt zich door de sneeuw en proest en snuift als een walvisch.
Op den straatweg gekomen, kijkt Arthur uit naar den sneeuwploeg, maar er is niets te zien. Daar hoort hij heel in de verte een spoorfluit, nog eens en nog eens, onophoudelijk door.
„Hè, wat fluiten ze, misschien kunnen ze niet verder, ja, dat zal het zijn.”
De straatweg is hier open en vrij; de wind van gisteren heeft de sneeuw voor zich uitgejaagd en Arthur kan er gemakkelijk door komen. Maar waarom zou de sneeuwploeg niet komen?
Daar ziet hij van verre Constant; hij waadt met moeite door de sneeuw, want hij heeft geen ploegje bij zich. Arthur wacht op hem en gooit onderwijl met sneeuwballen. Hij geniet van het prachtige weer en het uitzicht over de zuiver witte velden, die schitteren in den zonneschijn.
„Wat een leuk ding heb je daar,” zegt Constant nader komend, „laat mij ook eens duwen. Hoe ben je gisteren avond thuis gekomen Mung?”
Arthur vertelt het en hoort van Constant, dat deze ook met moeite het hek van de Pastorie is doorgekomen.
„Kom Pandoer, vooruit!” zegt Arthur, „hoe zou het met Jacob zijn? och lieve deugd, zijn huis zit heelemaal onder de sneeuw, er komt toch rook uit den schoorsteen. Wat is die sneeuw daar op gewaaid, maar daar achter is een opening, daar staat de vrouw.”
„Dag vrouw Drieman, hoe is het met Jacob?”
„Hie is zoo benauwd, Jentje is naor den dokter; hie wou geen doctor hebben, hie zegt, dat ie dan geen ezel kan koopen, al de spaorduuten zullen weg gaon aan apotheker en dokter, maor ik kan hem zoo niet in de benauwdheid laoten.”
De jongens weten niet wat ze zeggen zullen en gaan erg onder den indruk verder den weg op. Eindelijk zegt Arthur:
„Wat is het toch raar verdeeld; Jacob zou zoo graag een ezel hebben en hij kan hem niet krijgen en hij heeft hem toch zoo noodig en ik...”
„Ja, als hij hem niet krijgt, kan hij het zeker niet volhouden om boodschappen te doen,” zegt Constant.
„En wat dan?” vraagt Arthur.
„Ja, dat weet ik niet, hij kan niet op een andere manier den kost verdienen en als zijn vrouw met de kar gaat, wie moet dan de huishouding doen, dat kan toch ook niet. Krijg jij gauw een ezel?”
„Ja, ik denk het wel, Vader zal een postwissel zenden, ik weet niet hoeveel.”
„Je zult in de week niet veel aan een ezel hebben, overdag ben je naar school en ’s avonds werken.”
„Ja, alleen op Zondag en in de vacantie. Maar dat zal wel leuk zijn.”
„Hoor de trein fluit nog altijd, wat beduidt dat toch?”
„Zouden ze vast zitten? wat zou ik graag helpen graven. Kijk eens daar vooruit in de sneeuw, wat gek, allemaal zwarte dingen, zijn dat kraaien?”
„Wel neen, dat zijn hoofden, die uit de sneeuw komen. Hoe kan dat?”
„Ik zie het al, het zijn menschen die de sneeuw opruimen; wel doossie! ze ligt een manshoogte, hoe komen we daar door? voor dat ze dat weg hebben, kunnen we hier wel een paar uur wachten.”
„Laten we over het bouwland gaan, Pandoer! zoek eens gauw een pad.”
Ze loopen over het bouwland en zakken soms diep in de sneeuw. Ze worden erg warm en vermoeid en eindelijk blijven ze steken, ze kunnen niet verder.
„Hoor! bellen gerinkel.”
Ze kijken naar den weg en daar zien ze den sneeuwploeg. Verscheiden mannen met schoppen loopen er bij.
„Laten wij er gauw heen gaan, hier komen we toch niet door.”
De jongens gaan denzelfden weg terug en komen erg vermoeid bij den ploeg. Ze laten er zich op neervallen en blijven er hijgend en puffend op liggen. De menschen zijn druk aan het graven, de vier paarden staan te dampen en laten zoo nu en dan de bellen rinkelen. De jongens blijven niet lang werkeloos, ze willen mee helpen, ze nemen telkens de schop van iemand die uitrust en al kunnen ze nog niet veel, alle beetjes helpen.
Eindelijk is de dam doorgegraven, maar niet breed genoeg voor den ploeg. De paarden worden afgespannen en éen voor éen door den nauwen weg gebracht en dan de ploeg op zijn kant gezet en er door getrokken.
„Ziezoo, gaat er nu maar weer op zitten jongens, allo! huut! vooruut!”
Wat zijn de jongens blij, dat ze met hun boeken en het kleine ploegje mee kunnen gaan en als ze eindelijk op school komen, is de deur dicht, want het is al kwart voor elf.
„We kunnen het toch heusch niet helpen,” zeggen ze tot den concierge, die hen open doet. Ze vertellen hoeveel moeite ze gedaan hebben en ze hooren, dat Gerard Bunte in het geheel niet gekomen is.
„Mag Pandoer hier bij jou blijven, als ’t je blieft?” vraagt Arthur, „ik moet hem anders nog bij Oom Bantam brengen.”
„Is het een kwade?”
„Neen, volstrekt niet.”
„Nu, laat hem dan hier maar liggen, blijf jullie bij hem tot de 4de les begint.”
Als de directeur hoort, hoe de jongens zich een weg gebaand hebben, zegt hij:
„Flink gedaan! als je voortaan altijd zoo moedig voorwaarts gaat en een baan breekt door alle moeielijkheden heen, dan kun je het ver brengen.”
Pang! daar vliegt de deur open, Pandoer springt het locaal binnen, recht naar Arthur toe. Algemeen gelach, maar mijnheer is gelukkig niet boos en Pandoer wordt opgesloten bij den concierge.
HOOFDSTUK XI.
Jacob Drieman is erg ziek; de dokter komt elken dag en Mevrouw Mung doet wat ze kan om hulp te verschaffen. Eindelijk is het gevaar geweken; Jacob zit een poosje op en wordt met krachtige soepjes en andere dingen door Mevrouw Mung en Mevrouw Kemper opgekweekt. Arthur en Constant hebben dikwijls voor zijn bed gezeten en hebben zijn verzuchtingen aangehoord. Hij is zoo bang, dat hij niet sterk genoeg zal worden om de kar te duwen en wat moet er dan van zijne vrouw en kinderen worden, „dan ben ik niets dan een lastpost,” zegt hij.
Als Arthur thuis komt, is hij stil en nadenkend en als Grootmoeder vraagt wat hem scheelt, zegt hij:
„Grootmoeder, als ik een ezel krijg, mag ik er dan mee doen wat ik wil?”
„Zeker mijn jongen; ik vertrouw je genoeg om te weten, dat je hem niet zult slaan of afbeulen.”
Arthur zit weer na te denken en zegt dan:
„Grootmoeder, ik zou toch niet veel aan een ezel hebben, alleen op Zondag en in de vacantie.”
Grootmoeder kijkt verwonderd op en zegt:
„En zou dit dan niet prettig zijn?”
„Ja, dat wel, maar....”
„Wat dan?”
„Het zou niet noodig zijn, terwijl Jacob er niet buiten kan.”
„Wat wou je dan?”
„Mag ik den ezel aan Jacob geven? ik geloof dat ik er dan veel meer pleizier van zou hebben, ja, ik weet het wel zeker, Grootmoeder, ik zou het heerlijk vinden, mag ik het doen?”
Grootmoeder kan niet laten hem te omhelzen en zegt niets dan:
„Ga je gang, beste jongen.”
„O Grootmoeder! wat ben ik blij! wat zal Jacob blij zijn en zijn vrouw en al de kinderen en Constant. Pandoer! Pandoertje! kom eens hier oude jongen, hop Marianneke! O Grootmoeder ik ben zoo blij. Hein weet een ezel, mag ik hem met Hein gaan koopen?”
„Laat Hein maar eens bij mij komen.”
Grootmoeder overlegt met Hein en op een Zaterdagmiddag gaat deze met Arthur naar een buurtschap, drie kwartier buiten het dorp en ze komen juist tegen etenstijd terug met een mooien, grijzen ezel. Het is een zachtzinnig dier, een beetje mager, maar goed gezond. Hij mag op Conifera blijven, totdat Jacob genoeg hersteld is om uit te gaan. Zondagmiddag gaat Arthur Constant af halen en samen zullen ze het groote nieuws aan Jacob gaan vertellen.
De sneeuw is hard bevroren en de straatweg is heerlijk glad gebaand. De jongens loopen vroolijk over den weg en Pandoer loopt mee. Als ze het huis van Jacob binnen komen, zien ze dezen aan de tafel zitten met zijne vrouw en 5 kinderen. Er worden dadelijk twee stoelen voor de jongens leeg gemaakt door Jentje en Gerrit, die elk op een takkebos aan den haard gaan zitten.
„Goeien morgen jongeheeren,” zegt Jacob, „zit ik hier noe niet mooi? ik bin toch zoo blied, dat ik hier weer zoo zitten mag bie mien vrouw en kinders. Ik bin noe niet meer zoo neerslachtig, foei, foei, wat heb ik gelamenteerd! ik bin dankbaor, dat ik weer beter word en ik verlang hard dat ik aan het wark zal kunnen gaon en dan maor weer met moed vooruut.”
„De dokter hef ezegd dat je nog lange niet achter de kar meugt loopen,” zegt de vrouw, „de longen kunnen dat niet lieën.”
„Dat zol wat moois wezen,” zegt Jacob, „ik mot toch aan ’t verdienen gaon?”
De vrouw schudt het hoofd en ziet de jongens aan.
Arthur heeft een kleur van opgewondenheid; Constant stoot hem aan en zegt:
„Toe dan, zeg het.”
„Jacob, wou je nog zoo graag een ezel hebben?”
„Een ezel? nou, of ik; maor ik mot nog een winter door warken en den zomer ook, veur dat ik het geld er veur heb.”
„Jao, en eerst weer ziek worden,” zegt de vrouw.
„Kom, geen zorgen veur den tied,” zegt Jacob.
„Jao, noe isse zoo moedig, maor och!” en de vrouw zucht.
„Toe dan,” zegt Constant.
„Jacob,” zegt Arthur, „hoe zou je het vinden als hier een ezel kwam binnen loopen?”
„Dan zol ik zeggen: kom binnen lief diertjen, maor dan zolle wel gauw weer wegloopen.”
„Heb je een stal?”
„Jao, in ’t schuurtjen, een mooie, warme stal, jao, dat is geen bezwaor, maor ’t geld!”
„Toe dan,” zegt Constant.
„Jacob, ik heb een ezel voor je.”
Jacob zet groote oogen op en zegt dan:
„Och jongeheer, ik kan hem zuuver niet betaolen, ’t volgend jaar misschien wel, ak gezond blief.”
„Jacob, ik geef je den ezel present, ik heb het geld er voor van Vader, Moeder en Grootmoeder gekregen.”
Jacob wil wat zeggen, maar hij slikt en begint te hoesten.
Constant staat vlug op en zegt:
„Kom Mung, ga gauw mee, dan kan hij er eens over denken. ’t Is echt waar,” zegt hij in ’t voorbijgaan tegen vrouw Drieman, „de ezel staat al op Conifera op stal, ik heb hem gezien; kom Arthur, gauw!”
Als de jongens buiten de deur zijn, zegt Constant:
„De man was heelemaal van streek van blijdschap, het is beter, dat we nu weg gaan.”
„Ja, dat geloof ik ook, kom, gauw naar huis, ga je mee?”
„Graag; zullen we den ezel buiten laten loopen?”
De jongens hebben den heelen middag pret met den ezel en Grootmoeder is een oogenblik bang, dat Arthur berouw zal krijgen, maar neen, hij is den heelen tijd zoo gelukkig, omdat hij dat heele gezin van Jacob voor armoede kan bewaren en Grootmoeder is weldra gerust gesteld.
Dien avond, dadelijk na het eten, komt vrouw Drieman op Conifera, om Mevrouw Mung te spreken. Zij komt vragen of het werkelijk waar is van dien ezel, haar man kan het niet gelooven.
„Ja, het is zeker waar, geloof het gerust. Zoo gauw Jacob den ezel hebben wil, kan hij hem krijgen.”
„Maor Mevrouw, ik heb nooit van een kind eheurd, dat zoo iets zol doen en zoo goed is, als die jongeheer Arthur.”
„’t Is een beste jongen, dat is waar, maar geloof mij, er zijn wel meer goede jongens die het graag zouden doen, maar ze kunnen niet altijd.”
De vrouw kijkt ongeloovig en zegt:
„Mien man wou den jongenheer graag zelf spreken, zou hie bie Jacob willen komen?”
„Ja zeker, ik zal hem laten roepen.”
Rika gaat Arthur uit den stal halen en als deze hoort, dat hij naar Jacob moet, zegt hij:
„Mag ik Constant gaan halen?”
„Zeker, blijf je niet te lang weg?”
„Neen Grootmoeder, schenk u mijn kopje thee maar in, vóór dat het koud is, ben ik weer thuis.”
De beide jongens komen weldra bij Jacob de deur in en ze zullen nooit dezen avond vergeten; Jacob is zoo door en door gelukkig, hij weet niet wat hij zeggen zal om het te toonen.
„Nu zal ik vooruut komen, jongeheer, dat zul je eens zien! nu kan ik heele vrachtjes naar de stad brengen: nu kan Janus Trot er ons niet uut dringen; jongens! wat zal het noe een mooi zaakjen worden, noe kan ik onze appels naor de markt brengen, ze bint zoo duur, en vrouw, we zullen in de toekomende lente wat snieboonen en ander spul in den grond maken en als het dan een mooi gewas geeft, kan ik het in de stad verkoopen. Ik kon de kar niet meer vooruut kriegen.”
„De jongeheeren,” zegt de vrouw, „hebben dikwijls geholpen, noe onlangs nog in de sneeuw.”
„Jao, dat was mooi, ik kan oe niet dankbaor genoeg zijn, als ik het vergelden kan, later, noe, ik zal mien best doen.”
De jongens nemen afscheid en als ze naar huis wandelen, zegt Arthur:
„Wij zouden er toch niet zóó veel plezier van gehad hebben.”
„Neen, dat geloof ik ook en je plezier zou toch bedorven zijn, als je dien armen stumper achter zijn kar hadt zien zwoegen. Nu zal het elken keer als we hem ’s morgens zien rijden, een plezier voor je zijn.”
„Voor jou ook,” zegt Arthur.
„Ja zeker, ik ben blij, dat je het gedaan hebt.”
HOOFDSTUK XII.