Twee Vrinden

Part 4

Chapter 44,270 wordsPublic domain

Zoo zitten ze nog langen tijd te praten, maar eindelijk wordt het tijd om naar huis te gaan. Constant en zijn zusjes nemen hartelijk afscheid en als ze samen naar huis loopen, praten ze over niets anders dan over de lieve menschen en kinderen met wie ze kennis gemaakt hebben; Geertruid draagt haar lieve Lorre, die zoo erg ziek is geweest en Jeanne de medicijnen in de fleschjes en doosjes.

HOOFDSTUK VII.

De vacantie is bijna om, als Geertruid op zekeren morgen bij hare Moeder staat toe te kijken, hoe deze de bretels voor Dries in orde maakt met knoopsgaten en gespen.

Geertruid heeft tot het laatst toe met ijver en volharding gebreid en daarom wordt zij nu ook verder voortgeholpen. Haar oogen stralen van plezier bij het vooruitzicht de blijdschap van Dries te zien. Als Moeder den laatsten draad afhecht en afknipt, neemt ze de bretels voorzichtig in handen, bekijkt ze nog eens van alle kanten en gaat er dan mee naar buiten, naar het schuurtje waar Dries aan het hout kloven is.

„Dries! kijk eens! die heb ik voor jou gemaakt!”

Dries keert zich langzaam om, bekijkt de bretels zonder ze aan te raken en neemt dan nog een dik stuk hout ter hand om het met den bijl in stukken te hakken.

„Dries,” zegt Geertruid teleurgesteld, „wil je ze niet hebben?”

„Jawel, leg ze daar maar neer.”

Geertruid is geheel ontdaan, ze laat de bretels op den grond vallen en loopt naar huis.

„Moeder! die akelige Dries!” en daar barst zij in tranen uit.

Met snikken vertelt zij hoe haar geschenk is aangenomen; Moeder neemt haar op schoot, hoewel ze daar eigenlijk te groot voor is en tracht haar te troosten.

„Mijn klein, vlijtig meisje, trek het je niet aan, Dries weet niet beter.”

„Ik wil nooit weer iets voor hem doen, zoo’n aap! zoo’n...”

„Stil kindje, luister eens, hij kan zijn blijdschap niet toonen en ook geen dankbaarheid, maar hij is daarom wel blij. Wacht maar, ik denk dat hij nu hij alleen is, de bretels wel gauw zal aanpassen. Je hebt het toch voor zijn plezier gedaan en niet voor je zelf?”

Geertruid ziet hare Moeder aan en zegt:

„Ik zou het zoo prettig gevonden hebben, als hij blij was geweest en als hij mij vriendelijk bedankt had, ik wou hem vriendelijk maken, maar het helpt niets.”

Daar komt Sientje binnen en als zij hoort wat er gebeurd is, zegt zij:

„Zoo’n lilleke kerel, dat zal ik hem anders leeren! daar heeft dat lieve kind zoo hard voor zitten breien, en nu krijgt ze nog niet eens een bedankje, wel drommels!” en Sientje loopt de kamer uit naar Dries.

„Jou lompe ezelskop!” wil zij zeggen, maar neen, zij zegt niets, ze kijkt alleen naar Dries, die bezig is de bretels over zijn schouders te werpen. Nu wil hij ze vast maken, maar o wee, er zitten geen knoopen aan zijn broek. Hij kijkt er naar over zijn afhangende onderlip, en hij zet zoo’n potsierlijk, leelijk gezicht, dat Sientje in lachen uitbarst.

Verschrikt kijkt hij op en Sientje ziende, trekt hij de bretels af en gooit ze in een hoek.

„Neen baasje dat gaat zóo niet,” zegt Sientje, „je moogt dat kostbare werk van het lieve kind niet zóo behandelen. Dat lieve ding, ze heeft er menig maal haar boterham en haar glas melk voor laten staan en menig pleziertje opgeofferd, allemaal om een pleziertje te doen aan zoo’n lompen ezel als jij bent en nu doe je zóo, je moest je schamen! Maar ze zal er toch plezier van hebben. Heb je geen knoopen aan je broek? Wacht maar, ik zal ze er aan zetten.”

Sientje loopt naar huis en komt met haar werkdoosje terug. Ze heeft al een vingerhoed aan haar vinger; vlug bijt zij den draad van een klos. Mevrouw heeft al zoo dikwijls gezegd, dat ze dat niet doen moest, nu een naald van haar schelpenkussentje en terwijl ze een wit beenen knoop tusschen de lippen neemt, zegt ze lispelend: „Allo, kom hier, ik zal je helpen; sta stil, anders prik ik me.”

Dries staat stil als een muur en Sientje naait handig en vlug de knoopen aan zijn broek. Nu de bretels, mooi zoo, stevig, en Dries kijkt er naar en zie, daar komt even een klein trekje om zijn mond en een klein plooitje aan zijn ooghoeken, dat aan een glimlach doet denken.

„Ziezoo, zeg nu: wel bedankt.”

„Hm,” zegt Dries.

„Wel te drommel, kun je me niet bedanken? zeg als de weerga: wel bedankt, of ik snij je de knoopen er weer af.”

Dries houdt er de handen op en zegt:

„Wel bedankt.”

Schaterend van lachen loopt Sientje naar huis en zegt binnenkomend:

„Kom Geertruid, ga gauw mee, hij is zoo blij, hij zal je bedanken, ik heb het hem geleerd.”

Met Geertruid aan de hand komt Sientje weer bij Dries en deze haar ziend, zegt dadelijk:

„Wel bedankt.”

„Nu Dries,” zegt Sientje, „ben je er mee in je schik?”

„Ja, naor,” en dat wil zeggen: heel erg blij.

Geertruid begrijpt het, ze loopt vroolijk naar huis en voelt zich heel gelukkig.

En als ze den volgenden dag bij hem komt en vele volgende dagen, zegt hij, op zijn bretels wijzend:

„Wel bedankt,” en Geertruid gaat voort hem vriendelijk te behandelen en Jeanne heeft van haar eigen geld een rooden zakdoek gekocht en dien zelf gezoomd en Sientje heeft er met wit katoen een D op gemerkt en den zakdoek in de jas van Dries gestoken, toen die jas op een struik hing.

„Hij behoeft mij niet te bedanken,” zegt Jeanne, „als hij er maar blij mee is.”

„Goed zoo,” zegt Moeder „je moet niet geven om bedankt te worden, maar ik hoop dat jij altijd vriendelijk zult bedanken, als iemand goed voor je is.”

HOOFDSTUK VIII.

Op den eersten Dinsdag van September, gaan Constant en Arthur te samen naar de stad, want de school zal beginnen. Ze dragen elk een heele vracht boeken en schrijfboeken in een zeiltje; met een stevigen riem er omheen.

„Wat zijn die dingen zwaar,” zegt Arthur, „we zullen niet altijd zooveel te dragen hebben, dat is een geluk.”

„Kijk,” zegt Constant, „daar komt Jacob Drieman juist uit zijn huis, hij gaat met zijn handkar naar de stad. Hei! Jacob!” en Constant holt vooruit, legt zijn pak boeken op de kar en zegt:

„We zullen je helpen.”

„Als je blieft jongeheer, dat tref ik, ik ben toch zóo kortademig, ’t is bedroefd.”

Arthur legt er zijn boeken bij en helpt ook duwen.

„Loop jij maar bedaard achter ons aan,” zegt hij, „we zullen de kar wel tot aan de poort brengen.”

„Als je blieft,” zegt Jacob verheugd.

Daar gaan de jongens, vroolijk pratend en lachend en als ze bij de poort komen, nemen ze hun boeken van de kar en loopen vlug naar de H. B. S.

Marietje Geukestein gaat juist de stoep op en ze blijven samen praten tot de lessen beginnen. Er is veel op te merken; vooreerst de verschillende leeraren; de een is wat barsch en streng, maar hij legt alles zoo duidelijk uit; Arthur denkt: dat was vroeger zoo moeielijk en nu begrijp ik het in éenmaal. Een andere leeraar maakt allerlei grappen en een derde kijkt altijd rond, of er ook kattekwaad wordt uitgevoerd. Zij leeren dezen morgen nog niet veel; ze krijgen allerlei werk en lessen op en moeten een agenda koopen om het in op te schrijven; ook krijgen zij een rooster van de verschillende lesuren.

De jongens vinden het prettig en Arthur vertelt er veel van bij Oom en Tante Bantam; hij vindt de wandeling heen en weer ook zoo prettig.

„In den winter zal het wel anders worden,” zegt Lili.

„Och, we zijn gezond en het is wel grappig om eens flink nat te regenen.”

Dit is nu de eerste dag en als ze tegen etenstijd thuis komen, verlangen ze al om na het eten aan het werk te gaan, Constant in de pastorie en Arthur op Conifera. Wat doen ze hun best om netjes te schrijven en om hun lessen goed te kennen; als ze den volgenden morgen elkaar ontmoeten, beginnen ze dadelijk de lessen te overhooren en ze vinden het heerlijk om zoo samen te wandelen en hetzelfde werk te doen.

Zoo gaat het heel prettig de heele Septembermaand en ook October. Ze zijn wel eens nat geregend of hadden met tegenwind te kampen, maar over het geheel hebben ze altijd prettig gewandeld.

Arthur krijgt veel plezier in geschiedenis, nadat hij veel met dominé Kemper gewandeld heeft. Die kan er zoo prettig van vertellen; hoe de oude volken altijd onderling in oorlog waren en iedereen gewapend was en zich moest verdedigen tegen zijn naaste buren. Hoe de steden en kasteelen ommuurd en in staat van verdediging waren en hoe dit, langzamerhand veranderd is door de beschaving en de rechtbanken, waar de geschillen onderzocht en bijgelegd werden zonder bloedvergieten. Wat zijn er veel poorten en muren van vestingen gesloopt en veranderd in mooie wandelparken en welke Graaf of Baron denkt er aan, zijn kasteel te moeten verdedigen? De steden onderling, leven in vrede en vriendschap en de wetten van het land worden zonder bloedvergieten gemaakt en ten uitvoer gebracht. De heeren, die de wetten maken, kibbelen er wel eens over, maar ze gebruiken geen andere wapens dan de tong en de pen.

Nu zijn er onder de beschaafde volken nog gruwelijke oorlogen tusschen verschillende landen, maar niet omdat de burgers boos op elkaar zijn of iets van elkaar willen hebben, neen, ze zouden veel liever rustig aan hun werk blijven dan andere menschen dood te schieten, maar die oorlogen ontstaan meestal door de hebzucht of eerzucht van enkele groote heeren, die niet naar de rechtbank willen gaan om hunne geschillen te laten vereffenen.

„Waarom gaan ze niet naar de rechtbank?” vraagt Arthur.

„Omdat er tot nu toe geen rechtbank was, hoog genoeg of geleerd genoeg voor die groote heeren. Maar nu is er eindelijk zulk een hoogste rechtbank tot stand gekomen en die heet: het Hof van Arbitrage, dat wil zeggen een rechtbank, waar geschillen vereffend kunnen worden. Er is veel wijsheid noodig, om geschillen tusschen zulke hooge en machtige heeren uit den weg te ruimen, en het is de vraag, of zij zich altijd aan de uitspraak zullen willen onderwerpen, maar eindelijk zal het toch wel in orde komen, zooals er reeds zooveel ten goede veranderd is.”

„Hè,” zegt Arthur, „wat moet het heerlijk zijn om een oorlog te voorkomen, wat redt men dan veel menschenlevens.”

„Dan moet je in de rechten gaan studeeren en leeren, je gedachten in woorden uit te drukken en welsprekend worden. Als je dan een goede zaak bepleit, kun je onnoemelijk veel goed doen.”

„Dat zou ik ook wel willen,” zegt Constant, „moet ik daar veel voor leeren?”

„Ja zeker, heel veel, maar daar ben je niet bang voor, niet waar? je kunt goed leeren en je hebt nog een langen tijd vóór je.”

De jongens denken en praten veel over hetgeen de dominé hen vertelt en nemen zich voor, erg hun best te doen.

Op zekeren dag loopen ze samen door de stad, met Marietje Geukestein en Amalia Keer, de lange blonde.

„Wat is het een saaie, zoete boel in onze klas,” zegt Amalia, „in de derde is het veel leuker.”

„Bij ons wordt beter gewerkt.”

„Nu ja, dat is juist zoo flauw, niemand die eens wat uithaalt.”

„Haal jij dan maar wat uit.”

„Als ik maar wat wist, ik durf best, ik zal wat bedenken in die vervelende rekenles, pas maar op, maar je moet mee doen hoor!”

Arthur en Constant lachen er om en als het rekenles is, kijken ze gedurig naar Amalia en letten niet zoo goed op als anders. Juist als Mijnheer een moeilijke som uitlegt, springt er een sprinkhaan op zijn boek, hij schudt hem er af en zie, daar springen er drie over de bank, en in de tweede bank schuiven de jongens plotseling uit elkaar en grijpen naar verscheidene sprinkhanen waarvan er een in den inktpot valt en er gauw druipnat weer uitspringt op het keurige schrift van Marietje Geukestein en er een zwart spoor op achterlaat.

„Wie heeft dat gedaan?” buldert mijnheer met een harde stem.

Niemand zegt iets, hoewel eenigen wel vermoeden, dat Amalia het gedaan heeft. David zit te proesten van lachen en Johannes Bredero begint ook te lachen en als mijnheer heel boos is en strafwerk belooft, als hij niet dadelijk ophoudt, begint de arme jongen hoe langer hoe meer te lachen, hij kan niet tot bedaren komen, mijnheer wordt woedend en stuurt hem de klasse uit.

„Wie heeft die streek uitgehaald?” vraagt mijnheer nog eens.

In plaats dat Amalia flink weg zegt: „ik,” zwijgt zij en de anderen willen natuurlijk niet klikken.

„Jullie zult allemaal 20 vraagstukken maken, als ik niet vóor het eind van de les hoor, wie het gedaan heeft.”

Ze gaan door met rekenen, nadat de sprinkhanen gevangen en naar buiten gebracht zijn, maar niemand heeft zijn gedachten bij de les, steeds zitten ze in afwachting dat Amalia bekennen zal.

„’t Is tijd,” zegt mijnheer op zijn horloge ziend, „nog eens, wie heeft het gedaan?” Niemand spreekt.

„Jullie brengt morgen 20 vraagstukken mee voor strafwerk en als je ze niet gemaakt hebt, krijg je er nog 10 bij.”

Ze gaan naar een ander lokaal en zijn allen boos en Marietje Geukestein zegt tegen Amalia:

„Ik dacht niet, dat je zoo flauw zoudt zijn; dat je een grap uithaalt kan mij niet schelen, maar je moet het durven bekennen.”

Amalia wordt boos, maar ze heeft geen moed te bekennen.

Als onze jongens ’s middags naar huis wandelen, zegt Constant:

„Ik weet niet hoe ik die vraagstukken moet maken, ik heb er niets van begrepen.”

„Ik ook niet,” zegt Arthur, „ik vind het een vervelende streek van Amalia en erg flauw, dat ze ons allemaal laat zuchten onder het strafwerk.”

„Nu, voor haar zelf is het toch het vervelendste, ze zal er niet veel plezier van hebben.”

Ze maken ’s avonds met moeite eenige vraagstukken, maar de meesten kunnen ze niet maken, omdat ze niet naar het uitleggen geluisterd hebben. Ze moeten haastig het schrijfwerk afroffelen en de lessen leeren en ze krijgen den volgenden morgen voor het eerst onvoldoende cijfers en al de heeren zijn min of meer ontevreden en uit hun humeur. „Je hebt eigenlijk niet veel plezier van zulke grappen onder de les,” zegt Arthur, „je krijgt er maar moeite door en de heeren zijn lang zoo aardig niet als anders.”

„Als David een grap heeft, dat is leuk,” zegt Constant, „daar lachen de heeren zelf om.”

HOOFDSTUK IX.

November is gekomen en daarmee regen en wind, zelfs storm. Constant en Arthur loopen door alle weer en wind en ze worden sterk en gezond en onvermoeid, en als Grootmoeder Mung en Moeder Kemper soms medelijden hebben, lachen de jongens en zeggen:

„Dat is juist leuk.”

Eens op een morgen in het laatst van November, ligt er ’s morgens een laagje sneeuw en de lucht is grijs en altijd door blijft de sneeuw vallen. Het is de eerste keer dat Arthur sneeuw ziet. Wat vindt hij dat aardig, hij loopt dadelijk met zijn bloote hoofd naar buiten, neemt wat sneeuw in de hand, steekt zijn armen ver uit en kijkt naar de lucht. Grootmoeder heeft intusschen een vergrootglas uit de kast gekregen en komt met een rood fluweelen kussen op de stoep staan.

„Wat gaat u doen Grootmoeder?”

„Zie eens hier mijn jongen, kijk eens naar die vlokken door het vergrootglas.”

„Hé wat mooi, allemaal sterren en figuren, wat zou dat prachtig zijn in een microscoop. Oom Bantam heeft er een, dien zal ik het vragen, ik dacht niet dat sneeuw zoo mooi was.”

Nu steekt Arthur zijn tong uit, totdat er een dikke vlok op valt.

„Hè, lekker koud!”

Hij gaat naar de buitenvensterbank en neemt van de zuivere sneeuw in zijn mond en dan maakt hij voor het eerst van zijn leven een sneeuwbal en gooit er mee naar Pandoer, die heen en weer holt en in de sneeuw rolt.

„Ziezoo, nu ontbijten,” zegt Grootmoeder.

„He,” zegt Arthur na het ontbijt, terwijl hij zijn boeken stevig inpakt, „wat zullen we heerlijk met sneeuwballen gooien, ik ga gauw op weg, dan kunnen we vóór schooltijd nog beginnen; ik zal Amalia inzeepen, dat hooren en zien haar vergaat.”

„Foei Arthur,” zegt Grootmoeder, „geen meisjes, dat is niet ridderlijk.”

„O, andere meisjes niet, maar Amalia heeft wat op haar kerfstok.”

„Ja? wat dan?”

„Och, ze is niet aardig geweest, maar ik zeg liever niet wat.”

„Goed jongen, dat behoeft ook niet, maar maak het niet te erg.”

„Neen Grootmoeder, alles met mate, zei de meester en hij sloeg den jongen met den meterstok. Dag Grootmoeder! Zou er vandaag een mailbrief komen?”

„Ja, ik denk het wel.”

„Legt u hem dan onder mijn servet?”

„Ja jongen, denk je aan je overschoenen? anders zit je den heelen dag met natte voeten.”

„Die vervelende dingen!” zegt Arthur, maar hij doet ze toch aan, neemt hartelijk afscheid van Grootmoeder en Pandoer, die het tegenwoordig vreeselijk saai vindt en gaat moedig op weg.

De jongens verwelkomen elkaar met eenige sneeuwballen, als ze bij het huis van Jacob Drieman samen komen en loopen dan vroolijk pratend naar de stad. Het is niet de dag waarop Jacob boodschappen moet doen, maar morgen, dan moet de arme stakker door de sneeuw.

„We zullen Jacob morgen goed moeten helpen,” zegt Arthur, „hij was gisteren zoo kortademig. Wat zou hij graag een ezel hebben, hij heeft er al zoo lang voor gespaard, maar hij heeft nog niet genoeg. Als er veel sneeuw komt, zal hij er in ’t geheel niet door kunnen met zijn kar.”

„Neen, maar hij heeft een slede,” zegt Constant, „dat heeft hij me verteld. Overhoor mij nu eerst de geschiedenis, hier heb je mijn boek, dan zal ik jou overhooren.”

Als ze de poort naderen, zien ze op de torenklok, dat het op slag van negen is.

„Doossie! wat is het laat, ik dacht dat we zoo vroeg waren,” zegt Arthur.

„Dat komt door de sneeuw, we hebben zeker niet zoo hard geloopen, vooruit! op een draf!”

De concierge wil juist de deur sluiten als de jongens komen aanrennen. Om 12 uur haasten ze zich met koffiedrinken om zoo lang mogelijk sneeuwballen te kunnen gooien. Er is veel sneeuw bij gekomen en het sneeuwt nog altijd door met dikke vlokken. David en Johannes Bredero zijn bezig een sneeuwpop te maken op het plein, vóor de H. B. S. Johannes rolt handig een bal en daar de sneeuw goed pakt, wordt die spoedig heel groot.

„Nu overeind,” zegt David, „zoo, dat is zijn éene been, rol nu nog zoo’n ding, ik zal het fatsoeneeren; het moet een groot standbeeld worden. Nu zijn andere been, mooi! maar je hebt het veel langer gemaakt en dikker, nu, dat hindert niet, we zetten hier nog een stuk bij. Nu de romp, wacht, ik zal je helpen rollen; hè, daar word je warm van; rol hem nu naar de plaats; nu overeind sapperloot, wat is dat ding zwaar; hei! Constant! help ons een handje,”

Constant komt dadelijk en met hem Arthur en Gerard Bunte. Ze krijgen er allen plezier in. Met vereende krachten beuren ze het groote stuk boven op de twee beenen.

David gaat op eenigen afstand staan om het te bekijken.

„Er moet nog een stuk boven op,” zegt hij.

„’t Is tijd,” zegt de concierge.

„Hé wat saai; nu, morgen zullen we hem verder opbouwen.”

Daar komt Amalia aan; nu hebben de jongens geen tijd om haar in te zeepen, maar ze krijgt in de gauwigheid toch nog twee sneeuwballen midden in haar gezicht.

Na schooltijd is het al bijna donker en de jongens haasten zich om thuis te komen. Het sneeuwt nog altijd door, de lucht is effen grijs en er ligt een dik pak.

Met moeite en heel warm komen de jongens thuis; Grootmoeder was al ongerust omdat het zoo vroeg donker was.

„Is er geen brief?”

„Neen jongen, misschien morgen. Ik hoop dat het nu gauw op zal houden met sneeuwen, hoe kun je er anders morgen door?”

„O Grootmoeder, dat is juist prettig, we maken een prachtige sneeuwpop op het plein, morgen moeten we hem verder afmaken.”

„Ja maar jongen, de weg zal zoo moeielijk te begaan zijn.”

„O Grootmoeder, we zijn sterke jongens, daar zien we niet tegen op.”

Den volgenden dag heeft de baas een pad gemaakt met een klein sneeuwploegje tot aan het hek. Er ligt veel sneeuw en het sneeuwt nog altijd door.

Juist als Arthur bij het hek is, ziet hij den grooten sneeuwploeg komen. Vier paarden zijn er vóor gespannen. Verscheiden mannen en jongens zitten er op om den ploeg te verzwaren en Arthur krijgt ook permissie er op te gaan.

Dat treft hij, als nu Constant ook maar op tijd is. Daar ziet hij hem aankomen, hij loopt zoo hard hij kan en dat is niet gauw door die dikke sneeuw en haalt gelukkig den ploeg in en gaat er bij op zitten. Juist als ze voorbij het huis van Jacob Drieman gaan, zien ze de vrouw en het oudste meisje met een slede tegen den hoogen weg opschuiven. Maar het gaat niet, de sneeuw is zoo dik, ze zwoegen en spannen zich in zoo veel zij kunnen, maar het is te zwaar.

„We moeten helpen,” zegt Constant en hij en Arthur springen van den ploeg, waarop zij zoo prettig vooruit kwamen.

„Waar is Jacob?” vraagt Arthur.

„Mijn man is ziek,” zegt de vrouw, terwijl ze steeds voortgaat zich in te spannen.

Nu komen de jongens te hulp en met vereende krachten trekken ze de slede op den weg, die nu gebaand is door den ploeg.

„Wat scheelt Jacob?” vraagt Constant.

„Ik ben bang dat ie longontsteking heeft,” zegt de vrouw, terwijl dikke tranen over haar wangen loopen.

De jongens zien elkaar verschrikt aan en hebben diep medelijden met de arme vrouw.

„Och jongeheeren, je weet niet wat mien man van nacht getobd heeft over de boodschappen in de stad; als ze niet gedaan worden zijn de menschen verlegen en dan gaan ze naar een ander, je weet wel, dien Jannes Trot, die doet toch al zoo’n moeite om er ons uut te dringen. Mien arme man, hie werkt zich dood en ie gaat nooit naar de herberg en ie heeft alles gespaard om een ezel te kunnen koopen en noe ie het geld haast bie mekaar heeft, noe zal hie dood gaan!”

De vrouw snikt en kan niet voortgaan met spreken. De jongens weten niet wat ze zeggen zullen, maar ze duwen zoo hard ze kunnen en de slede rijdt flink over den weg.

„Wie past nu op je man?” vraagt eindelijk Arthur.

„De kleine Gerrit.”

„Hoe oud is die?”

„Vief jaar.”

„Waarom niet een van de grooten?”

„Die moeten naar school en Jentje moest met mie mee, omdat zie de boodschappen weet, zie is met Vader dikwijls met ewest.”

Aan de poort nemen de jongens afscheid van vrouw Drieman, die hen vriendelijk bedankt en ze zijn beiden stil en denken over den zieken Jacob.

Vóor de school zijn reeds eenige jongens bezig met sneeuwballen gooien en ze kijken uit of Amalia nog niet komt, maar die komt heel wijs op het laatste nippertje. De sneeuwpop is in den nacht gegroeid en prachtig, donzig wit geworden. Na de koffie gaan ze weer aan ’t werk, maar het is intusschen gaan waaien, de sneeuw waait aan hoopen tegen de hekken der verschillende tuintjes en in de deur- en raamkozijnen en overal zijn menschen aan het vegen.

De sneeuwpop heeft nu een stevig bovenlijf gekregen en David heeft een bankje aan den concierge gevraagd om er bij te klimmen.

„Geef me nu zijn hoofd, ik zal het er op zetten,” zegt hij.

Johannes reikt hem een grooten, zwaren bal toe en als David dien wil aannemen, rolt de bal op den grond en breekt.

Dadelijk zijn verscheiden jongens bereid een nieuw hoofd te rollen en te zamen tillen zij het op den romp.

„Ziezoo,” zegt David, „nu ga ik aan het boetseeren.”

Hij kneedt en slaat met de vlakke hand en strijkt de schouders van het standbeeld glad en maakt een stevigen hals en nek, en als hij het hoofd goed ovaal rond heeft gemaakt en vast in elkaar gekneed, neemt hij zijn mes en begint te krabben en af te snijden en zie, daar komt de neus te voorschijn en de oogen en de wangen en de kin.

„Mooi!” roepen de jongens, „prachtig! precies de neus van den Dirrik.”

„Die moet het ook worden,” zegt David, „ik wil een mooi standbeeld voor hem oprichten.”

„Pas op, als hij het ziet,” zegt Gerard.

„Waarom?” zegt David, „dat mag hij best, ik maak het niet bespottelijk, neen, het wordt echt mooi, dat heeft hij wel verdiend, is ’t waar of niet?”

„Ja,” zegt Arthur, „’t is een kranige vent, hij kan goed orde houden, hij is wel streng maar rechtvaardig, ja, hij heeft een mooi standbeeld verdiend.”

„Wie heeft een standbeeld verdiend?” vraagt de Directeur, die juist om den hoek is gekomen.

Arthur krijgt een kleur als vuur en al de jongens staan verbluft te kijken.

De directeur bekijkt het standbeeld: hij is een groote, breede man met een flinken kop; een groote neus en een hoog breed voorhoofd, een snor en sikje.

„Te drommel,” zegt de directeur, „dat is knap gedaan, maar hij heeft nog geen ooren. Heb jij dat gedaan, kleine David?”

„Ja mijnheer,” zegt deze een beetje verlegen, maar hij plakt toch gauw een paar ooren aan het hoofd.