Part 2
Ze gaan samen naar huis, Geertruid is al vooruit geloopen en vertelt hoe Pandoer Lorre gered heeft.
„Is het nu een slimme hond of niet?” vraagt Arthur binnenkomend.
„Een heel slimme,” zegt Mevrouw, „maar ik geloof dat jij ook slim bent.”
Arthur lacht en naar de wieg gaande, kijkt hij naar Jantje en aait heel zacht over het handje, dat op het laken ligt.
„Aardig diertje,” zegt hij, „ik ben nieuwsgierig hoe je worden zult. Maar ik moet naar huis.”
„Moeder,” zegt Constant, „hij gaat ook examen doen, we kunnen samen gaan, is dat niet leuk? mag ik hem nu wegbrengen tot Conifera? dan kunnen we er over praten.”
„Goed jongen, ga maar mee Constant, tot Conifera en dan terug komen.”
Arthur neemt afscheid en druk pratend gaan de de jongens samen den weg op.
HOOFDSTUK III.
In een schuur achter de pastorie van Dominé Kemper, is Dries bezig hout te zagen en klein te hakken. Het is een man van bijna 60 jaar; zijn gezicht is bruinachtig geel, vol rimpels en zwarte baardstoppels, want het is Vrijdag en Dries laat zich alleen des Zaterdags scheren. Hij heeft een dikke wang; Jeanne dacht eerst dat hij kiespijn had, maar nu weet zij al lang dat het een pruim tabak is.
Geertruid staat voor de open deur naar hem te kijken. Hij heeft haar wel gezien, maar hij neemt niets geen notitie van haar. Hij heeft het laatste blokje van een berkeboom met den bijl doorgekloofd en begint nu al de houtjes netjes op te stapelen. Hij moet zich gedurig bukken en als hij dan weer recht staat, trekt hij telkens zijn broek op en steunt met de hand in den rug, als of hij pijn heeft.
Geertruid blijft staan kijken en denkt onderwijl het volgende:
„Zou hij het prettig vinden om die houtjes op te stapelen? ’t Ziet er wel prettig uit, precies een blokkendoos. Wat heeft hij vuile handen, ik zou hem niet graag een hand geven, waarom wascht hij ze niet. Hoe moet ik hem nu vriendelijk maken? hij ziet er alweer knorrig uit. Nu heeft hij de pruim in de andere wang, vies!”
„Dag Dries.”
„Hm.”
„Dries, ik zeg je goeden dag.”
„Kom je mij weer plagen?”
„Neen, ik plaag je niet, ik wil je wel een handje helpen.”
„Dat kun je net denken, ik heb je hier niet noodig.”
Geertruid krijgt een kleur en zegt in zich zelf: „zie je nu wel, hij kan niet vriendelijk worden.”
Zij loopt op een draf naar huis en zoekt Moeder, die bezig is bij broertjes wieg kousen te mazen.
„Moeder, nu heb ik geprobeerd om Dries vriendelijk te maken, maar hij is knorrig tegen mij, ’t helpt niet.”
„Wat heb je dan gedaan?”
Geertruid vertelt alles en Moeder zegt:
„Nu kan ik wel nagaan, dat jullie hem dikwijls geplaagd hebt, hij verwacht niets geen goed van je, hij vertrouwt je niet.”
Geertruid kijkt hare Moeder verschrikt aan, krijgt een kleur en zegt:
„’t Is een vervelende brompot.”
„Ja, en dien moet jullie nu veranderen in een vriendelijken man.”
„Och Moeder, dat kan immers niet?”
„Geef je nu den moed al op? je hebt nog niets gedaan dan hem goeden dag zeggen. Denk je dat hij dat zoo prettig vindt? Wat kan hem dat schelen of zoo’n kind, dat hem altijd plaagt, hem goeden dag zegt? Als hij veel van je hield, zou hij het wel prettig vinden. Toen ik een klein meisje was, liep ik zoo graag langs het huis van een oude dame, alleen om een groetje van haar te krijgen.”
„Ik weet niet hoe ik het doen moet,” zegt Geertruid klagend.
„Stel je nu maar eens in de plaats van Dries en bedenk dan wat je graag zoudt willen. Ga nu maar weer naar buiten.”
Geertruid gaat langzaam de deur uit, drentelt naar het schuurtje en gaat op eenigen afstand op een kruiwagen zitten met de hand onder de kin en peinst en peinst....
Dries heeft intusschen de houtjes netjes opgestapeld en een ander stuk van een boom onder de zaag gelegd; hij veegt den mond af met den rug van zijn hand en begint weer te zagen.
Daar komt Mina met een kommetje koffie voor Dries.
„Mina, Mina!” zegt Geertruid haastig opspringend, „toe laat mij het aan Dries geven, toe maar, ik zal niet morsen.”
„Voorzichtig dan,” zegt Mina, „pas op, zachtjes loopen.”
Geertruid loopt voetje voor voetje met het kommetje naar Dries; dat gaat gelukkig goed.
„Dries, daar is een kopje koffie voor je.”
„Zet daar maar neer,” zegt Dries terwijl hij doorgaat met zagen.
Geertruid is teleurgesteld; ze had gedacht dat hij haar vriendelijk of niet vriendelijk zou bedanken, maar toch in elk geval bedanken.
Ze loopt weer naar huis en vertelt aan Moeder wat ze gedaan heeft. Deze lacht en strijkt Geertruid liefkozend over haar gladharig bolletje.
„Houd maar vol, doe je best maar, de man kan niet zoo gauw veranderen, het is hem nooit geleerd en hij heeft nooit veel vriendelijkheid ondervonden, hij kent het nog niet. Als je nu altijd vriendelijk tegen hem bent, zal hij misschien van je gaan houden en naar je verlangen. Kijk, loopt daar de poedel van Arthur?”
„Ja!” juicht Geertruid en ze loopt naar den weg.
„Pandoer! kom eens hier!”
Daar komt Pandoer aangesprongen en ook Arthur loopt naar het hek van de Pastorie.
„Dag Geertruid, is Lorre weer droog?”
„Ja, maar ze is zoo leelijk opgedroogd, de wangetjes zijn heelemaal wit geworden.”
„Zal ik ze opverven? ik heb een kleurdoos.”
„Kun je het mooi?”
„Ja zeker, geef maar mee.”
„Ja maar, ze is heelemaal zoo leelijk, het haar is losgeweekt en het lijf is zoo raar met bultjes.”
„O, dat is niets, Grootmoeder weet er misschien wel raad voor, geef maar hier.”
Geertruid loopt het huis in en Arthur staat naar Pandoer te kijken die een kapelletje naloopt. De dorpsklok slaat 12 uur en even daarna komt Dries langs het huis en gaat het hek uit. Op den weg blijft hij stil staan, haalt een pijp uit den vestzak en een papieren zak uit zijn jas. Hij neemt er voorzichtig een beetje tabak uit en stopt dat in de pijp. Het kleine restje bergt hij voorzichtig weer weg en terwijl hij de pijp in den mond houdt, trekt hij zijn broek op en haalt een luciferdoosje te voorschijn. Hij steekt de pijp op met den laatsten lucifer uit het doosje, dat hij met een knorrig gezicht weggooit en loopt dan naar het dorp toe.
Arthur heeft hem goed bekeken en zegt in zich zelf: „Arme drommel.”
„Hier is Lorre,” zegt Geertruid terug komend, „wanneer breng je haar terug?”
„Dat weet ik niet, als ze klaar is, denk ik. Hoe is het met dat kleine diertje in de wieg? Kan het al haast loopen?”
„Loopen? nog lang niet, jij hebt ook geen verstand van kleine kinderen; je moet niet zeggen diertje.”
„Dat is juist een lief naampje, ik vind een jong hondje ook lief en een poesje.”
„En jonge biggetjes,” zegt Geertruid, „en kuikentjes en eendjes; mijn broertje is toch het liefst van allemaal.”
„Die man, die hier zoo even het hek uitkwam, was dat jullie tuinman?” vraagt Arthur.
„Ik weet niet welke man.”
„Ik dacht er over, of hij ook een aardig kindje zou zijn geweest met zulke kleine rose vingertjes en zachte wangetjes.”
„Wat deed die man dan?” vraagt Geertruid.
„Hij stak zijn pijpje op; hij had zulke zwarte barsterige handen en hij liep met een afgezakte broek.”
„O, dat is Dries!” en Geertruid schatert van het lachen, „hij een lief kindje! o, hoe bedenk je het!”
„Ja,” zegt Arthur, „als jouw broertje nu aan arme menschen werd gegeven en precies zoo opgevoed als Dries, dan kreeg hij later ook zulke handen en dan ging hij misschien ook tabak kauwen en dan kreeg hij ook zoo’n vies gezicht.”
„Hè neen, dat moet je niet zeggen van mijn lief broertje, dan vind ik je niets aardig.”
Arthur begint te lachen en zegt:
„Jantje is nu een heel lief kindje, gelukkig dat hij bij jullie is en niet bij Dries. Maar het is daarom toch waar wat ik zeg, en Dries is een arme stumper en ik denk dat niemand van hem houdt. Wat zou ik het naar vinden als niemand van mij hield.”
„Dan moest hij maar wat vriendelijker zijn en zich goed wasschen. Zal ik je eens wat zeggen? Moeder heeft gezegd dat ik hem vriendelijk moest maken, maar ik weet niets te bedenken om hem een pleziertje mee te doen; zou jij wat weten? wat zou hij graag willen hebben?”
„Tabak,” zegt Arthur.
„Ja? o, gelukkig, ik zal wat aan Vader vragen.”
„Weet je wat Dries ook wel graag zou willen hebben?”
„Neen, wat dan?”
„Een paar bretels.”
Geertruid kijkt hem nadenkend aan en vraagt: „Bretels? waarvoor?”
„Wel, om zijn broek mee vast te houden.”
„O ja, ja! dat zal ik aan Moeder zeggen, gelukkig! nu weet ik wat.”
„Ik moet gauw naar huis,” zegt Arthur, „dag Geertruid, bonjour!” en met Lorre vóor in zijn blouse, rent Arthur naar Conifera.
„Moeder,” zegt Geertruid binnenkomend, „ik weet wat! bretels!”
Mevrouw Kemper kijkt verwonderd en vraagt:
„Wat wou je daarmee?”
„Voor Dries, toe Moesje, mag ik bretels hebben?”
„Moet Moeder ze koopen en Geertruid ze aan Dries geven?”
Geertruid zegt aarzelend:
„Ja, toe Moesje, als ’t u blieft?”
„Moeder moet zoo veel koopen, je moet iets bedenken dat geen geld kost.”
„Hè Moeder, Arthur zei dat Dries zoo blij zou zijn met bretels, is zeven cent genoeg? die heb ik nog.”
Mevrouw Kemper lacht en zegt:
„Ik weet wat, vind je het prettig als het een presentje is heelemaal alleen van jou?”
„Ja, dan zou hij misschien wel van mij houden, is zeven cent genoeg?”
„Ja, maar dan moet je ze zelf breien van geel katoen.”
„Breien? ikke?”
„Ja, je kunt immers al recht breien en dan zal ik je wel helpen, je zult eens zien hoe goed het gaat en telkens als je een flink stuk gebreid hebt, zal ik je een cent geven om het breikatoen mee te betalen.”
Geertruid kijkt haar moeder nog weifelend aan, dan komt er plotseling een glans over haar gezicht en vroolijk juicht zij:
„Ik zal zelf de bretels maken en ze zelf betalen! wat zal Dries blij zijn!”
HOOFDSTUK IV.
Het is Dinsdag morgen, de dag waarop Arthur en Constant examen moeten doen. Arthur is vroeg opgestaan en na een hartelijk afscheid van Grootmoeder en van Pandoer, wandelt hij naar den straatweg en ziet Constant Kemper ook aan komen. Ze hadden afgesproken op denzelfden tijd de deur uit te gaan en uitgerekend samen te komen bij het huis van Jacob Drieman, den bode en dat komt precies uit.
„Zeg, Arthur,” roept Constant als hij dicht bij dezen is, „weet je dat Pandoer daar achter je in die droge sloot loopt?”
„Pandoer?” zegt Arthur verschrikt, „en ik heb hem thuis opgesloten en gezegd, dat hij niet mee mocht. Allons Pandoer, gauw naar huis!” Pandoer blijft stil staan.
„Allons! naar huis!” zegt Arthur.
Pandoer gaat op den grond liggen en kwispelt met zijn kort staartje.
„Hij zal wel terug gaan,” zegt Arthur, „hij is gehoorzaam, kom, laten we maar gaan.”
De jongens stappen door en kijken nog eens om en Pandoer blijft stil liggen.
Een eind verder kijkt Arthur nog eens om en Pandoer is weg.
„Gelukkig, ik dacht het wel, het is een gehoorzame hond.”
Druk pratend loopen de jongens verder. Het is heerlijk weer, niet al te warm, juist prettig zomerweer.
„Voor het rekenen ben ik niet bang,” zegt Constant, „maar voor geschiedenis en Fransch.”
„Ik juist andersom,” zegt Arthur, „en dat is veel erger, ze letten het meest op goed rekenen. Ik heb geen rekenhoofd. Wel sapperloot!”
„Wat is het?” vraagt Constant.
„Die ondeugende hond!” en Arthur wijst vooruit, waar Pandoer midden op den weg staat met den staart tusschen de pooten.
„Hij weet het best, die rakker, wat moet ik nu doen? hij mag niet mee, ik weet niet waar ik hem laten moet; verbeeld je, dat hij op het examen binnen kwam, ’t zou een reden zijn om te zakken.”
„Je zult hem naar huis moeten brengen, laten we maar gauw omkeeren, ’t is vroeg genoeg.”
Arthur is blij met dien voorslag en op een holletje loopen ze terug, Pandoer achter hen aan.
„Nu zullen we je beter opsluiten,” zegt Arthur, terwijl hij met den hond de voordeur van Conifera binnenkomt.
„Pas op, laat hij het niet hooren,” zegt Constant lachend „hij is zoo slim.”
„Kom hier Pandoer!” en Arthur laat hem de spreekkamer in. O jé, het raam staat open en dat ziet Pandoer ook; floeps! er uit, en in dolle sprongen rent hij over het gazon.
„Jongens,” roept Grootmoeder uit de eetkamer, „wat is dat? waarom ben je terug gekomen?”
„Och Grootmoeder, ik had Pandoer opgesloten en nu is hij ons nageloopen, hij mag niet mee, wie heeft hem losgelaten?”
„Dat weet ik niet, maar daar moet beter voor gezorgd worden. Rika! kom eens gauw hier!”
Arthur heeft intusschen met veel moeite den hond te pakken gekregen en brengt hem weer in de spreekkamer. Constant heeft het raam dicht gedaan.
„Ziezoo, zoet zijn! pas op als je me weer na loopt.”
Hij draait den sleutel om en vraagt aan Grootmoeder en aan Rika of ze er alsjeblieft goed op willen passen en hem niet loslaten voor 12 uur.
„Wil je hem als wij weg zijn, zijn waterbakje geven, Rika?”
„Ja, ik zal wel voor hem zorgen.”
Terwijl Pandoer een deuntje huilt, loopen de jongens op een draf naar de stad.
Ze komen gelukkig nog bijtijds aan het gebouw der Hoogere Burgerschool, waar reeds verscheiden jongens en vier meisjes heen en weer drentelen.
„Weet jij wie Marietje Geukestein is?” vraagt Arthur.
„Neen, ik ken hier niemand, we wonen nog zoo kort in Adorp.”
„Wie zou het zijn, die kleine dikkert, met die lange zwarte haren?”
„Neen, ik denk eerder die lange blonde met die blauwe jurk.”
„Hè neen, ik denk de zwarte,” zegt Arthur.
„Die met de groene jurk kan het ook wel zijn.” zegt Constant.
„Och jongen, die heeft al opgestoken haar, die is zeker voor de 4de klasse.”
„En die andere dan met de donkerblauwe jurk en het blonde haar?”
„Die is nog zoo klein, veel kleiner dan Lili, neen, die is het zeker niet.”
„Nu, we zullen het wel gauw merken.”
De deur van de school wordt geopend; er klinkt een schel, de concierge komt op de stoep en verzoekt de jongens en meisjes binnen te gaan.
„Die voor de 1ste klasse hier links,” zegt hij, „de anderen de trap op naar boven.”
Arthur en Constant gaan met verscheiden anderen, waaronder ook drie van de vier meisjes, in een groot lokaal links en dadelijk daarna komt een heer binnen.
„Goeden morgen jongelui, examen doen? vooruit dan maar.”
Hij haalt een aanteekenboek uit zijn zak en leest op:
„Johannes Bredero.”
Een lange jongen met voorovergebogen hoofd en slappe knieën komt verlegen naar voren.
„No. éen, ga daar zitten.”
Hij wijst op een bank, dicht bij het bord.
„No. twee, Gerard Bunte.”
„Het gaat alphabetisch,” fluistert Constant Kemper Arthur in het oor, „nu komen wij hoop ik bij elkaar, eerst de K en dan de M.”
„Als er geen met een L zijn,” zegt Arthur.
„No. drie, Anna Fladder.”
Het meisje met het zwarte haar komt naar voren.
„Dat is dus Marietje niet,” fluistert Arthur.
„No. vier, David Godard.”
Een dreumes, met vroolijke, guitige oogjes, stapt haastig uit de rij en gaat met opgeheven hoofd voor den heer staan. Deze ziet hem lachend aan en zegt:
„Op die bank daar! en geen gekheid maken.”
David trekt een gezicht en springt in de bank.
„Pas op, nu zal Geukestein komen,” fluistert Arthur.
„No. vijf, Anthonie Gaarland.”
„No. zes, Marie Geukestein.”
Het kleine meisje met de donkerblauwe jurk en het blonde haar, wordt door de lange blonde vooruit geduwd, zoodat ze bijna struikelt en met een kleur voor mijnheer komt te staan.
Deze ziet met een misnoegden blik naar de lange blonde en zegt dan vriendelijk:
„Zoo Marietje? ben jij daar ook? flink, kleine meid, jij op die bank.”
Zoo gaat het door tot no. tien, dat is Amalia Keer en dan:
„No. elf, Constant Kemper.”
Arthur ziet de overblijvenden rond en denkt „wie nu?”
„No. twaalf, Karel Kever.”
„No. dertien, Arthur Mung.”
„Een er tusschen, dat is jammer,” denkt Arthur, terwijl hij naar de hem toegewezen plaats gaat, juist achter Marietje Geukestein. Deze kijkt aandachtig naar hem en Arthur kan niet laten haar toe te knikken. Vriendelijk lachend knikt ze terug en kijkt gauw vóór zich.
Nu komen er nog verscheiden jongens tot no. 25 toe en dan begint het examen. Eerst schriftelijk werk, rekenkunde en Nederlandsch en er is altijd iemand om toezicht te houden, ze mogen elkaar volstrekt niet helpen. Wie het werk af heeft, mag heen gaan en om half twee moeten ze terug komen voor het mondeling examen.
Constant is iets vroeger klaar dan Arthur en blijft buiten op hem wachten. Als hij hem eindelijk de stoep ziet afkomen, vraagt hij:
„Heb je moed?”
„Neen, heelemaal niet, ’t is mis hoor.”
„Kom, je moet niet zoo gauw den moed verliezen, waarom zou het mis zijn?”
„Ik kon die derde som niet goed krijgen.”
„Heb je de anderen goed?”
„Ja, dat geloof ik wel.”
„Nu, dan behoef je niet zoo bang te zijn, als je het andere werk ook goed hebt.”
„O, dat andere, dat was zoo gemakkelijk, dat kan een klein kind wel.”
„Nou,” zegt Constant, terwijl hij zich achter het oor krabt, „vond jij dat dictée zoo gemakkelijk?”
„Ja, jij niet?”
„Neen, ik verstond het niet altijd.”
„O, dat hindert niet, als je maar geen taalfouten hebt gemaakt. Waar is nu de melkinrichting?”
„Het moet dien kant uit zijn,” zegt Constant en omziend, bemerkt hij dat Gerard Bunte achter hen loopt.
„Weet jij soms waar de melkinrichting is?” vraagt Constant.
„Jawel, ik ga er ook heen, laten we samen gaan.”
Arthur loopt een eind mee en vraagt aan Gerard:
„Woon je hier niet?”
„Neen, ik woon buiten de stad, drie kwartier hier vandaan, dicht bij Bdorp.
„Dat is juist den anderen kant op,” zegt Constant, „wij wonen in Adorp.”
Ze praten over het examen en over verschillende jongens en meisjes en Gerard zegt lachend: „zou no. éen een bolleboos zijn?”
„Die stakker,” zegt Arthur, „hij zal wel no. laatst worden en hij lijkt al zoo oud; wat zat hij suf te kijken.”
„Ongelukkig toch, als je zoo bent,” zegt Constant. „Die kleine David is een kranig kereltje, welk een verschil, die heeft vrij wat prettiger leven dan die slappe jongen, daar kun je zeker van zijn.”
„Die slappe kan het toch zeker niet helpen en voor David is het geen verdienste,” zegt Arthur nadenkend, „maar nu moet ik die straat in, daar woont Oom Bantam, bonjour!”
Constant en Gerard gaan samen verder, om in de melkinrichting hun boterhammen op te eten.
Als Arthur bij Oom en Tante Bantam binnen komt, wordt hij dadelijk begroet met de vraag:
„En hoe is het gegaan?”
Hij vertelt alles en Lili vindt het grappig, dat hij juist achter Marietje Geukestein heeft gezeten.
„Had zij moeite met haar werk?”
„Neen, ik geloof het niet, ze zat heel vlug te schrijven, ik geloof dat ze al de zinnen af had.
„O dat dacht ik wel, maar het rekenen?”
„Toen zat ze lang met de handen onder het hoofd en ze zuchtte.”
„O jé! ik hoop toch zoo dat ze er door komt.”
Arthur vertelt van den slappen Johannes Bredero en Oom Bantam zegt:
„O, dat is een jongen, die geen ouders meer heeft en bij een getrouwde zuster aan huis woont; met dien jongen moet je medelijden hebben, hij bezit geen cent en is geheel afhankelijk van zijn zwager en zuster.”
„Die arme jongen.”
„Ja, zeg dat wel en help hem voort als je kunt. Maar vertel eens wat van den jongen Kemper.”
„O, dat is een leuke jongen, en hij is knap, hij zal er wel komen.”
„Nu, ik hoop, dat jullie er allebei komt. Maar hoe is die familie van hem?”
„Aardige menschen; ik heb gisteren voor het eerst den dominé gezien, hij leert Constant zoo veel, hij vertelt zooveel, vooral op de wandeling. Ik wou dat Papa en Mama ook hier waren.”
„Ja, beste jongen,” zegt tante hartelijk, „dat wou ik ook; maar als je iets hebt dat je hindert, dan kun je het hun schrijven en je weet, dat ze altijd in de verte aan je denken en prettige brieven aan je schrijven, dat heeft die Johannes niet.”
Arthur ziet Tante aan en zegt:
„Ik heb het veel beter dan die jongen en dan bij die lieve Grootmoe te zijn: als ik nu maar door mijn examen kom.”
„Heeft Constant Kemper ook zusjes?” vraagt Lili.
„Ja, Jeanne en Geertruid en nog een klein broertje. O ja, ik heb een pop van Geertruid thuis, die moet ik opverven en opknappen, maar Grootmoeder zegt, dat het geen jongenswerk is.”
„Neen, dat denk ik ook,” zegt Lili, „dat zou juist een werkje voor mij zijn. Breng haar morgen maar mee.”
„O graag, ik ben al bezig geweest met verven, maar het ging niet.”
Arthur vertelt, hoe Pandoer de pop uit de beek heeft gehaald en dan op de klok ziend:
„Doossie! ik moet weg, kijk, daar staan Constant en Gerard Bunte op mij te wachten. Dag Oom, dag Tante, dag Li! tot morgen!”
„Denk aan de pop!” roept Lili.
„Ja!”
Dien middag hebben de jongens nog angstige oogenblikken als hun veel over geschiedenis en aardrijkskunde wordt gevraagd, maar ze boffen nog al, Arthur krijgt zelfs een heerlijke beurt over Karel den Grooten en daardoor wordt hij zoo moedig, dat hij verder ook met veel zelfvertrouwen antwoordt. Constant maakt het ook goed en denkt: „gelukkig dat ik den laatsten tijd zoo hard gewerkt heb.”
Ze moeten den volgenden dag om 9 uur terug komen.
„Hè,” zegt Constant op de terugwandeling, „het valt me nu nog al mee, maar ik wou dat ik mijn Nederlandsch nog even mocht verbeteren, ik heb me leelijk vergist.”
„Kijk,” zegt Arthur, „is dat onze bode met zijn karretje?”
„Ja, Jacob Drieman, wat heeft hij het warm, ’t is ook een heel vrachtje. Dag Jacob! druk gehad?”
„Ja jongeheer, ik zal blij zijn als ik thuis ben, ik heb den mond vol stof.”
„Ja, dat komt omdat je achter je wagen loopt.”
„Als ik een ezel was, liep ik er voor; had ik er maar een.”
„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Arthur, en de jongens loopen verder en laten Jacob gauw een eind achter zich.
„Kijk! kijk! dacht ik het niet? Grootmoeder heeft hem los gelaten. Pandoertje! ben je daar? ja, nu mag je wel, beste hond! van morgen was je een rakker, och, eigenlijk toch niet, ho, ho, gooi me niet om, bedaar een beetje, zoo, nu is ’t genoeg.”
Vroolijk stoeiend met den hond, loopen de jongens naar huis, Arthur naar Conifera en Constant naar de Pastorie.
Jeanne en Geertruid staan bij het hekje uit te kijken en roepen al van verre:
„Kom je er door?”
Constant lacht en roept terug:
„Ja, door het hek, heel graag!”
„Och neen, door het examen!”
„O, dat weet ik niet. Wat heb je daar in je schort?”
Geertruid heeft haar schort opgenomen en achter vast geknoopt.
„Daar zit mijn kluwen in, ik brei.”
„Och dat kind,” zegt Jeanne, „nu loopt ze den heelen dag te breien, in den tuin en thuis en op de trap, overal.”
„Ja, het moet ook gauw af, kijk eens, zoo’n eind heb ik al!”
Ze laat een band zien, gebreid van geel breikatoen.
„O, dat worden bretels voor Dries, mooi!” zegt Constant en hij loopt gauw naar zijn vader, die op de stoep naar hem uitkijkt.
„Dag Vader, ik had al de sommen af en het andere gaat nog al.”
Ze gaan samen naar binnen en Constant moet alles vertellen en zijn Moeder vraagt hem of hij de melkinrichting wel gevonden heeft en hij vertelt van Gerard Bunte, die met hem meeging en wel een aardige jongen lijkt te zijn.
„Hè,” zegt Constant, „’t is toch wel leuk om naar de Hoogere Burgerschool te gaan, ik hoop maar dat ik altijd over zal gaan en Arthur ook.”
„Waardeer het nu vooral, dat je goed kunt leeren en de dingen gauw kunt begrijpen. Er zijn er zoo veel, die heel graag willen maar niet kunnen.”
HOOFDSTUK V.
Den volgenden morgen gaan de jongens wederom naar de stad; Arthur neemt Lorre mee in zijn blouse en brengt haar bij Lili, waarna hij zich met Constant naar de H. B. S. begeeft. Ze maken nader kennis met de jongens en meisjes en hebben veel plezier met David Godard, die al de heeren precies kan nadoen. Arthur praat met Marietje Geukestein en zij vertelt hem, dat zij dien avond bij Lili gevraagd is.
„Vind je het niet heerlijk dat Lili bijna alleen kan loopen?” vraagt zij.
„Ja, daar ben ik verbazend blij om.”
„Mijn Papa heeft haar beter gemaakt!” zegt zij met een gelukkig gezicht.
Nu worden ze opgeroepen en als ze tegen half 12 klaar zijn, hebben Arthur en Constant nog al moed. Ze gaan samen koffie drinken bij Lili’s ouders en deze vinden Constant een aardige, flinke jongen.
„Wanneer kun je den uitslag hooren?” vraagt de heer Bantam,
„Zaterdag om drie uur.”
„Komt dan samen hier koffie drinken.”
„O, graag!” zeggen beide jongens.
Na de koffie gaan ze Lili’s boeken en verzamelingen bekijken en Lili zegt:
„Wat ziet Lorre er ongelukkig uit; ik denk dat ik er een ziek kind van zal maken, van avond met Marietje, we zullen wel iets bedenken.”