Part 1
TWEE VRINDEN
DOOR
MEVROUW VAN OSSELEN-VAN DELDEN
Schrijfster van „Hansje Rozengaarde”, „Baas Willem”, „De Kleine Frits”, „Het Jodinnetje van Elspeet”, „Arthur’s Viool”, „Frank en Paula”, „Corrie en de Kaboutertjes”, „’s Winters op Beukenwoud”, „De Familie Dolijn” enz.
2e geïllustreerde druk
AMSTERDAM ALLERT DE LANGE
HOOFDSTUK I.
Conifera is eene kleine, vriendelijke villa, omringd door een grooten tuin, en grenzend aan een bosch, dat zich uren ver uitstrekt tot aan eene groote heidevlakte.
In dit bosch wandelt een 12jarige jongen, genaamd Arthur Mung, met zijn trouwen, zwarten poedel.
Arthur kijkt op zijn horloge en zegt:
„Sakkerloot! kwart vóor 12! waar blijft de tijd. Kom Pandoer, in een snellen pas naar huis! Grootmoeder mag niet wachten. Dit is de naaste weg, dwars door het dennenbosch.”
Pandoer springt vroolijk vooruit, hapt naar een uitgetrokken plukje mos, schudt het heen en weer en gooit het spelend in de lucht; dan weer vervolgt hij een brommende groene vlieg en kijkt telkens om naar zijn baas, die met groote passen over den ongebaanden weg loopt, recht op zijn doel af, naar den hollen zandweg die naar Conifera voert. Hij springt van den hoogen boschgrond, midden in het diepe wagenspoor en Pandoer rent luid blaffend vooruit en keert terug, springt om Arthur heen en dan weer vooruit, telkens takjes in den bek nemend en weer weg werpend.
Met rood gekleurde, gezonde wangen komt Arthur weldra aan een hekje, achter in den moestuin van Conifera. Tusschen bessen, frambozen, aardbeien, doperwten en spinazie, loopt hij zoo snel mogelijk naar huis en daar ziet hij grootmoeder met het sleutelmandje aan den arm bij de gedekte koffietafel staan en dadelijk merkt hij, dat er meer bordjes klaar gezet zijn en dat er extra dingen op tafel staan.
„Dag Grootmoeder, komt er iemand koffie drinken?”
„Ja, Oom en Tante Bantam komen met Lili, ik heb een telegram gekregen; ga je gauw opknappen, ze kunnen dadelijk hier zijn. Hier Rika, hier zijn de vingerdoekjes en breng nu nog een karaf met frisch water; heb je niets vergeten?”
Arthur is intusschen naar boven gegaan en Pandoer staat uit zijn waterbakje te drinken.
„O Mevrouw, kijk eens! dat is nu gek,” zegt Rika; zij neemt het afhangend tafellaken in de hand en laat aan Mevrouw Mung een scheurtje zien.
Mevrouw schrikt, zet den bril op, bekijkt het van nabij en zegt:
„Hoe is dat nu mogelijk, ik heb het zoo uit de linnenkast gekregen; dat komt er van, als men zelf niet meer de wasch kan vouwen. Wat nu te doen? ze kunnen dadelijk hier zijn, daar hoor ik al wat op den weg.”
„Mevrouw,” zegt Rika, „als u hier jonge heer Arthur laat zitten, merkt niemand er iets van.”
„Ja, dat zal het beste zijn, daar zijn ze ook al. Help eens gauw jonge juffrouw Lili naar binnen dragen.”
„Och, dat arme kind,” zegt Rika medelijdend.
„Dag Moeder,” zegt eene lange dame, die haastig naar Mevrouw Mung toekomt en deze hartelijk omhelst, „is het ook wat erg, dat we met ons drieën komen koffie drinken?”
„Wel neen, lieve Dora, ik ben veel te blij jullie te zien; hoe is het met Lili?”
„Wel een beetje beter, de kuur doet haar bepaald goed, zie maar eens.”
Daar komt een lief meisje binnen, gesteund door den heer Bantam en Rika. Haar gezicht straalt van plezier, als zij langzaam den eenen voet na den anderen verzet en recht naar hare Grootmoeder toegaat.
Deze staat sprakeloos van verbazing; zonder iets te zeggen steekt zij de handen naar Lili uit en omhelst haar héel héel hartelijk.
„Wat zegt u daar nu wel van?” vraagt de heer Bantam met een gelukkig gezicht, „is dat nu geen groote verrassing? we konden het bijna niet langer verzwijgen, maar Lili wilde u zoo graag verrassen.”
Mevrouw Mung is op een stoel gaan zitten en droogt de tranen, die van blijdschap uit de oogen zijn gesprongen.
„Ik had niet durven hopen, dat het lieve kind ooit zou kunnen loopen; welk een geluk! laat ze nu niet te veel doen, ga gauw zitten mijn schat.”
„Dag Moeder,” zegt de heer Bantam lachend.
„Och ja, ik heb je door de blijdschap niet eens goeden dag gezegd. Ik feliciteer je beste Paul, met de beterschap van je lief kind; nu heb ik moed dat ze flink zal leeren loopen.”
„En dansen en springen, Grootmoeder,” zegt Lili vroolijk, „dat heeft doctor Geukestein gezegd. Maar waar is Arthur?”
„Daar komt hij.”
Arthur ziet dadelijk, dat Lili op haar voeten staat. Dat heeft hij nog nooit gezien; altijd werd zij in een wagentje gereden en gedragen.
Hij krijgt een kleur van plezier en zegt niets dan: „Dat ’s leuk!” en hij kijkt naar Tante en naar Oom en Grootmoeder en dan weer naar Lili. Dan springt hij hoog in de lucht en roept: „Hoezee!” en gaat allen een hand geven.
„Hoe komt dat? wie heeft je beter gemaakt?”
„Die goede dokter Geukestein,” zegt Lili verheugd, „nu ben ik veel gelukkiger dan een kind, dat heel vroeg heeft leeren loopen.”
„Ja, nu waardeer je het veel meer,” zegt haar Vader, terwijl hij haar naar den stoel brengt, die Grootmoeder voor haar bestemd heeft, naast dien van Arthur.
„Kun je nu ook de trap oploopen naar mijn kamer?” vraagt Arthur.
„Neen nog niet, maar Papa wil mij misschien wel naar boven dragen na de koffie, wil u Papa? ’t behoeft misschien niet zoo dikwijls meer.”
„Zeker mijn kindje, het zou mij nooit te veel zijn, maar ik ben toch wát blij dat het gauw niet meer noodig zal zijn.”
Allen zitten in een gelukkige stemming aan de koffietafel en, als ze druk aan het vertellen zijn en onderwijl smakelijk eten en drinken, zegt Arthur eensklaps, terwijl hij het tafellaken in de hoogte houdt:
„Grootmoeder, kijk eens!”
„Och, jou vervelende jongen,” zegt Grootmoeder en allen beginnen hartelijk te lachen, Grootmoeder ook.
„Zoo is hij nu altijd,” zegt Grootmoeder en doet haar best boos te kijken, maar och, daar is haar lief gezicht niet toe in staat. „Gelukkig dat jullie het maar bent, anders zou ik mij veel erger schamen voor zoo’n gescheurd tafellaken, maar de wasch komt gevouwen thuis en nu heb ik het wel nagekeken, maar je weet het, mijn oogen worden slecht.”
Lili streelt Grootmoeders hand en zegt: „Lieve Grootmoe, mag ik u weer helpen als ik hier kom logeeren?”
„Graag kindje, ik verlang al dat je komt.”
Na de koffie wordt Lili naar boven gebracht op Arthur’s kamer; hij laat haar al zijn schatten zien, al de nieuwe boeken, zijn postzegel-album en prentbriefkaarten. Lili heeft ook een verzameling en ze krijgt al de briefkaarten die hij dubbel heeft.
„Wat is dat?” vraagt ze.
„Dat is de ezelpot.”
„De ezelpot? het lijkt een spaarpot.”
„Ja, dat is het ook; heb ik je nog niet verteld, dat ik in ’t volgend jaar misschien een ezelwagen krijg? Van Grootmoeder krijg ik den wagen en voor den ezel moet ik zelf opsparen. Vader en Moeder hebben er ƒ 10 voor gezonden en van Grootmoeder krijg ik ook wat als ik door mijn examen kom.”
Arthur is in gedachten verzonken.
„Vind je het prettig in Holland?” vraagt Lili.
„In Indië is het veel prettiger en daar zijn Vader en Moeder.”
„Ja, bij je ouders is het natuurlijk het prettigst, maar bij Grootmoeder is het toch heerlijk.”
„O ja, als Vader en Moeder maar hier waren, dan zou het hier bijna zoo prettig zijn als in Indië.”
„Verlang je naar de Hoogere Burgerschool?”
„Och, niet erg, ik ken er niemand.”
„O, dat is niets, je maakt wel kennis op het examen. Marietje Geukestein komt ook in jou klasse, als ze er door komt.”
„Dat is een meisje, wat kan me dat schelen.”
„’t Is mijn grootste vriendin, ze is heel aardig.”
„Ja, dat kan wel, maar ik wou dat ik een paar jongens kende; maar je moet niet denken dat ik er over tob.”
„Waar zou je over tobben?” vraagt de heer Bantam, die binnen komt om Lili te halen.
„Ik tob niet Oom, alleen vind ik het vervelend, dat ik niemand ken van de school. Maar er is hier een jongen op het dorp, die ook naar de H. B. S. zal gaan, de tuinman vertelde het van morgen, maar ik ken dien jongen niet.”
„Dan moet je eens gauw kennis met hem maken; wie is het?”
„’t Is een zoon van den dominé.”
„O, van den nieuwen dominé; dus die moet de volgende week ook examen doen? dan maak je van zelf kennis en je kunt altijd met hem heen en weer loopen naar de stad, dat treft heel goed, en je weet het, je moogt altijd bij ons komen koffie drinken en als het een aardige jongen is, mag hij een enkele keer ook wel eens meekomen. Ga jullie nu mee naar den tuin?”
„O graag!” zegt Lili en laat zich door haar Vader naar beneden dragen.
„Kijk eens Lili, hier staat de oude bekende wagen al voor je klaar, je zult er nu tot afscheid nog eens in rijden. Waar wil je naar toe?”
„Naar den tuinman, hij is zeker achter in den tuin.”
„Kom dan maar; Arthur ga je ook mee?”
„We gaan allemaal mee,” zegt Grootmoeder.
Ze wandelen den geheelen tuin door, Lili voorop in den wagen en Arthur vraagt aan Grootmoeder of hij een roos mag plukken voor tante Dora en als hij merkt dat Lili de dubbele meizoentjes zoo mooi vindt, wil hij graag een plantje voor haar uitsteken en in een bloempotje meegeven, ze kan het dan thuis op haar kamer zetten voor het raam.
„Maar lieve jongen,” zegt Grootmoeder, „zoo’n plantje kan ze voor éen stuiver op de markt koopen.”
„Ja maar Grootmoe, dan is het niet uit uw tuin.”
„Neen, dat is waar, dat zal zij misschien liever hebben.”
Lili lacht en zegt: „Ja, veel liever, ik denk mij hier den heelen tuin bij en Grootmoeder en Arthur, den baas en Pandoer.”
„Komt de jongejuffrouw niet haast weer logeeren?” vraagt de tuinbaas, die met hen mee geloopen heeft. „Ik heb een bankje voor je getimmerd in het bosch.”
„Ja? dat is prettig, maar baas, weet je al dat ik bijna loopen kan?”
„Is het waar? och mijn lieve juffertje, dat kan ik haast niet gelooven.”
„Niet? wil je het zien? toe Papa, wil u me laten loopen?”
„Kom maar kleintje, de baas moet het ook zien, zachtjes aan, ziezoo, sta je stevig? kijk baas, daar gaat ze!”
„Wel Heere mijn tijd, heb ik van mijn leven, wat wonder! wat ben ik daar mee in mijn schik, wat zal moeder de vrouw daar van op hooren, mensch wat een geluk!”
„Ja baas,” zegt de heer Bantam, „we zijn ook heel gelukkig en dankbaar.”
Nu komt het rijtuig voor om hen weer naar de stad te brengen. Lili neemt het bloempotje op haar schoot en zegt:
„Arthur, ga nu eens gauw kennis maken met den jongen van den dominé.”
HOOFDSTUK II.
De Pastorie van Dominé Kemper is in het dorp naast de kerk gelegen. Het huis is begroeid met roode en witte rozen; een mooie tuin vol bloemen en heesters ligt er vóor en achter het huis is een moestuin en een schuur. Groote dennen staan aan het hek bij de straat.
In de huiskamer vóor aan den tuin, zit Mevrouw Kemper met eenig naaiwerk. Haar achtjarig dochtertje Jeanne staat bij de wieg van haar slapend broertje.
„Moeder, is dat waar, is broertje nu al slecht?”
„Kindje, hoe kom je er aan, hij weet nog niet wat goed en slecht is.”
„Zijn wij dan allemaal slecht, Constant, Geertruid en ik, en u en Vader ook.”
„Maar kind, waarom vraag je dat, wie zegt dat?”
„Dat zegt Dries; hij zegt altijd zulke nare dingen, hij heeft Geertruid aan het huilen gemaakt.”
Mevrouw legt haar naaiwerk op tafel en vraagt:
„Waar is Geertruid?”
„Ze is naar boven gegaan om haar kastje op te ruimen, ze had het gisteren niet gedaan, en ze wou zoo graag niet slecht zijn.”
Mevrouw staat op, zeggende:
„Pas even op broertje, ik kom dadelijk weer bij je.”
Jeanne gaat weer bij het wiegje staan, ziet naar het lieve kindje, naar zijn kleine vuistjes, die uit de strookjes van zijn nachtponnetje te voorschijn komen.
Wat zijn het kleine vingertjes, ze kunnen nog niets vasthouden, nog niet eens Jeanne’s vinger, want broertje is nog maar vier weken oud. Jeanne bekijkt haar eigen handen en dan weer die van broertje. „Hij kan nog niets,” denkt zij, „en ik kan al lezen en schrijven en den kruissteek, en ik kan een strik maken, en broertje kan alleen slapen, zuigen en huilen. Hij is nog een beetje dom, maar niet slecht, neen het is mijn lief broertje en Dries is een aap.”
Daar komt Moeder weer binnen met Geertruid aan de hand.
„Vertel me nu eens wat Dries gezegd heeft.”
De zevenjarige Geertruid gaat op het pianostoeltje zitten.
„Dries was boos; we hadden de zaag verstopt in den tijd toen hij naar huis was om te eten en toen zei hij, dat we ondeugende kinderen waren vol slechtheid, en dat broertje ook slecht was en wij allemaal en alle menschen en toen zei Jeanne dat u en Vader niet slecht waart en dat hij een leelijke aap was en toen begon hij zoo te brommen, dat ik er bang van werd. Vindt u ons zoo slecht Moeder?”
„Neen lieve Geertruid, je bent niet slecht; maar ook niet goed, dat weet je wel.”
Geertruid kijkt haar Moeder aan en dan naar buiten. Eensklaps springt zij van het pianostoeltje en zegt:
„Zal ik mijn kastje heel netjes maken?”
Mevrouw Kemper trekt Geertruid naar zich toe, slaat den arm om haar heen en zegt:
„Je wilt graag een goed kind zijn, denk er nu om, dat je Dries niet altijd moet plagen; doe je hem wel ooit een pleziertje?”
Geertruid denkt na, maar ze kan niets bedenken.
„Dries is ook altijd zoo brommerig en knorrig, hij is nooit aardig tegen ons.”
„Hij is een aap!” zegt Jeanne.
„Kindertjes,” zegt Moeder ernstig, „als de menschen onvriendelijk tegen je zijn, moet je eerst eens bedenken of je ook schuld hebt, en dat moet je weer goed maken, en als je geen schuld hebt, moet je op allerlei manieren probeeren om de menschen vriendelijk te maken; als je het heusch wilt, zal het wel lukken, probeer het maar eens.”
„Moeten we Dries vriendelijk maken? Zoo’n knorrepot? hij kan niet lachen, ik heb het nog nooit gezien.”
„Stel je nu maar eens in zijn plaats.”
„Met een pruim in den mond,” zegt Jeanne lachend.
„Neen Jeanne, zonder gekheid; als je nu even als Dries heel alleen waart en zelf je eten moest koken in zoo’n ongezellig kamertje, en als je niemand hadt, die verlangend naar je uitkeek; niemand die van je hield. En als je niets geleerd hadt dan hout zagen en harken en spitten, en als je daarom maar heel weinig geld verdiendet; veel te weinig om zeep en schoone kleeren te koopen.”
„Hè Moeder,” zegt Geertruid, „dat zou ik heel akelig vinden.”
„En als er dan kinderen kwamen om je te plagen, zou je dan vriendelijk zijn?”
Jeanne en Geertruid kijken elkaar aan en Jeanne zegt:
„Misschien zou ik ze wel een klap geven.”
„Heeft Dries dat ooit gedaan?”
„Neen, hij bromt alleen.”
„Probeer dan nu eens om vriendelijk tegen hem te zijn, maak hem eens een enkele keer in zijn leven blij met iets. Misschien bedenk je wel iets.”
Jeanne en Geertruid vinden nu zelf, dat ze niets aardig tegen dien armen Dries zijn geweest en kunnen nu best begrijpen, dat hij ook niet aardig tegen haar is.
„Moeder,” zegt Geertruid, „ik heb den vreemden jongen weergezien.”
„Welken jongen?”
„Ik geloof, dat hij op Conifera woont; hij liep door het dorp met een zwarten poedel.”
„Is hij van Constant’s leeftijd?”
„Ja, hij zal ook zoowat twaalf jaar zijn.
„Het zou prettig zijn voor Broer als het een aardige jongen is.”
„Hij ziet er aardig uit,” zegt Jeanne, „ik hoop dat we hem nog eens tegen komen.”
Daar gaat de deur open en wat komt daar binnen? een zwarte poedel.
„Hé moeder, dat is de poedel,” roept Jeanne en ze loopt naar den hond, die even rond kijkt en dan wegloopt.
„Hier! Fidel! Bruno! Hector! kom dan mijn hondje!” roept Geertruid.
De hond loopt de openstaande voordeur uit en rent over het grind naar den weg en verdwijnt achter de dennen.
Jeanne schatert van het lachen en zegt eindelijk:
„Hoe kun je hem ook zulke gekke namen geven, Bruno, een zwarten hond Bruno en Fidel! o kind!”
„Bedenk jij dan eens een naam,” zegt Geertruid, „roep hem eens, ik wed dat hij bij jou ook niet komt.”
Jeanne gaat op de stoep staan en fluit.
„Dacht je dat hij nu komen zou?”
„Ja, kijk maar.”
En werkelijk, daar springt de hond weer te voorschijn van achter de dennen, kijkt even naar de meisjes en keert dan terug.
Zonder zich een oogenblik te bedenken, hollen de meisjes den tuin door naar de straat en staan plotseling voor den vreemden jongen.
Heel verlegen staan ze elkaar aan te kijken, totdat ze alle drie beginnen te lachen en de jongen zegt:
„Ik wou zoo graag kennis met jullie maken, ik ken hier niemand, ik ben alleen bij Grootmoeder op Conifera.”
„Kom dan maar mee,” zegt Jeanne, „ga mee naar Moeder.”
„Hoe heet je?” vraagt Geertruid.
„Arthur Mung, en hoe heet jullie.”
„Ik heet Geertruid Kemper en zij heet Jeanne en mijn groote broer heet Constant en het kleine broertje heet Jantje. Heb je den poedel naar ons toegezonden?”
„Ja, was dat niet goed bedacht? Nu hebben we in eens kennis gemaakt.”
„Hoe heet de hond?” vraagt Jeanne.
„Raad eens.”
„Pollux of Nero.”
„Neen, je kunt het toch niet raden, hij heet Pandoer.”
„Pandoer? wat een gekke naam.”
„Neen, niets gek, zoo heette mijn oudtante ook; och neen, ik meen, de hond van mijn oudtante. Hij is zoo slim, kijk, nu kwispelt hij met zijn klein staartje, hij verstaat me wel, niet waar Pandoer?”
De hond springt tegen hem op en tracht hem in ’t gezicht te likken.
„Neen Pandoer, dat mag volstrekt niet, dat weet je wel. Nu moet je dansen, kom, hop Marianneke!”
Pandoer gaat op zijn achterste pooten staan en draait éenmaal in ’t rond.
„Goed zoo, nu is het genoeg.”
De kinderen gaan de voordeur in en komen binnen bij Mevrouw Kemper.
„Moeder,” zegt Jeanne, „dit is Arthur Mung van Conifera. Pandoer heeft gevraagd of hij binnen mocht komen.”
Mevrouw Kemper ziet lachend naar Arthur en den hond en zegt:
„Kom binnen Arthur, ik vind het aardig dat we je nu leeren kennen, we hebben juist over je gesproken.”
Pandoer loopt door de kamer, snuffelt overal, komt bij de wieg, gaat met de voorpooten op den rand staan en kijkt kwispelstaartend naar het kindje.
„Pas op!” roept Geertruid angstig, „hij zal Jantje kwaad doen.”
„Neen,” zegt Arthur, „hij is dol op kleine kinderen; bij zijn vorigen baas moest hij altijd op het kind passen, hij denkt misschien dat het dat is.”
Nu hooren ze iets in de wieg; klein broertje wordt wakker en beweegt zijn armen en hoofdje. Arthur kijkt er naar en zegt:
„Hé, zoo’n klein kind heb ik nog nooit gezien, zoo ben ik toch niet geweest?”
„Ja zeker, Jantje is niet zoo heel klein, Jeanne was veel kleiner.”
Arthur bekijkt Jeanne en dan weer het kindje, dat erge rimpels trekt en in zijn oogen gaat wrijven, voorteekens van een huilbui. Arthur en Pandoer kijken met de grootste belangstelling en als Jantje hard begint te huilen, vraagt Arthur:
„Wat scheelt hem?”
„Hij heeft honger, ik zal de flesch klaar maken, wil je zien hoe hij drinkt?”
„O ja, graag,” zegt Arthur en als Mevrouw het kindje uit de wieg neemt en op haar schoot de flesch geeft, staat hij met alle aandacht te kijken.
„Wat leuk, dat is nog aardiger dan een jong hondje; je kunt haast niet begrijpen dat dit nu een groote man kan worden, misschien wel een groot man.”
„Een groote man en een groot man,” zegt Geertruid, „waarom zeg je dat? dat is tweemaal het zelfde.”
„Neen,” zegt Arthur, „lang niet hetzelfde. Een groot man kan wel heel klein zijn. Napoleon was een groot man en toch heel klein.”
„Dat begrijpen ze nog niet,” zegt Moeder, „Constant zou het wel vatten.”
„Ik begrijp het wel,” zegt Jeanne, „tante Cor heeft gezegd, dat Jantje een groot man moest worden en toen heeft tante mij verteld, dat een groot man allemaal goede dingen doet, altijd en altijd door bedenkt hij dingen, die goed zijn voor alle menschen. Deed Napoleon dat?”
„Neen; maar ze noemen Napoleon een groot man, omdat hij een groot veldheerstalent bezat en door zijn buitengewoon vasten wil zooveel bezwaren kon overwinnen. Jammer dat iemand met zoo’n krachtigen wil niet iets anders en beters wilde dan landen veroveren. Hij had een groot en een goed man kunnen zijn.”
Arthur staat in gedachten verzonken en zegt dan:
„Eerst goed en dan groot.”
„Juist, dat heb je goed gedacht.”
„Moeder,” zegt Jeanne, „ik wou dat Jantje een groot man werd en een goed man.”
„Hè ja,” zegt Arthur, „dat wou ik ook en dat ik hem dan zien kon.”
Moeder glimlacht en zegt: „Geef jullie allemaal dan een goed voorbeeld aan dit kleine ventje, hij kan veel van jullie leeren; hij kent nu nog geen goed en geen kwaad.”
Daar komt Constant binnen, zeer verwonderd een vreemden jongen te zien.
„Dag!” zegt hij. „Zeg, Geertruid, Lorre ligt in de beek.”
Geertruid kijkt verschikt en vraagt:
„Waar? hoe komt dat? wie heeft dat gedaan?”
„Ik, bij ongeluk en ik kan haar er niet weer uit krijgen.”
De tranen springen Geertruid in de oogen.
„Mijn lieve Lorre, nare jongen, waarom heb je dat gedaan? waar is het? ik wil er haar uit halen, hi, hi, hi, nare jongen!”
Huilend loopt ze de kamer uit.
„Constant,” zegt moeder, „ga mee, zorg dat ze niet in de beek valt en vraag of Dries helpen wil.”
„Mag ik mee?” vraagt Arthur.
„Zeker, loop maar mee.”
De kinderen loopen om het huis heen en Arthur ziet al gauw een aardig brugje en dan een stroomende beek.
„Kijk, daar ligt ze,” zegt Constant, „het is daar een beetje diep, ik kan er niet bij komen.”
„Wat is het eigenlijk?” vraagt Arthur.
„Mijn lieve poppetje,” zegt Geertruid huilend.
„Wacht maar,” zegt Arthur, „Pandoer kom hier! zoek!”
Pandoer snuffelt aan Arthur’s hand.
„Daar! in het water!”
Pandoer loopt heen en weer langs de beek en kijkt Arthur altijd aan en springt tegen hem op, maar begrijpt niet wat hij doen moet.
„Apporte!” roept Arthur en doet alsof hij wat in het water werpt.
De hond jankt van plezier en is op het punt in de beek te springen, maar hij ziet geen rimpelje in het water, hij weet niet wat hij apporteeren moet.
„Domme hond,” zegt Constant.
„Neen, slimme hond,” zegt Arthur, „hij laat zich niet voor den gek houden. Kom hier, Pandoer, luister goed, je moet een pop uit het water halen, kijk daar is ze.”
Pandoer ziet zijn baas aan en kwispelt met zijn staart.
„Neen Pandoer, kijk in het water, daar!”
Pandoer springt heen en weer en begint te janken.
„Heb je nog een pop?” vraagt Arthur.
„Ik heb er negen,” zegt Geertruid.
„Haal er dan een.”
„Ja, maar je moogt haar niet in het water gooien.”
„Neen, zeker niet, haal maar gerust.”
Geertruid loopt op een draf weg en komt terug met een groote pop. Arthur neemt haar in de hand, laat er den hond aan ruiken en doet dan alsof hij haar in het water wil werpen. „Apporte!” roept hij en verstopt haastig de pop op zijn rug. De hond springt rond, kijkt naar het water en naar de lucht en dan eensklaps achter Arthur en hapt in de pop.
„Neen! neen, neen!” gilt Geertruid, „mijn mooie Emma, pas op!”
„Wat een domme hond,” zegt Constant.
„Neen,” zegt Arthur, „ik ben dom, dat ik het hem niet zeggen kan. Daar! apporte!” Hij gooit zijn hoed in ’t water; dadelijk springt Pandoer hem na en komt er mee terug bij Arthur.
„Mooi!” roept Constant, „maar nu is je hoed nat.”
„Ja, ik kon niet verdragen, dat je mijn hond dom vindt. Kom hier Pandoer, ruik nu eens goed.”
Hij houdt hem een grooten steen en dan de pop onder den neus. Als Pandoer genoeg gesnuffeld heeft, gooit Arthur den steen in ’t water, dicht bij de verdronken pop. Nu springt de hond in de beek, duikt en hapt naar den steen, maar hij kan hem niet vast houden, de steen is te groot en hij komt onverrichter zake terug. Hij schudt zich uit vóor Arthur’s voeten en kijkt hem jankend aan.
„Allons! zoek! apporte!” zegt Arthur weer met een gebiedende stem.
De hond springt weer in het water en nu ziet hij de pop naast den steen. Gelukkig! denkt Pandoer, hij hapt in de jurk en is in een oogenblik uit het water met de druipnatte pop in den bek en legt haar kwispelstaartend voor Arthur’s voeten.
„Hoezee!” juichen de kinderen, „hoezee! beste Pandoer, knap gedaan!”
„Hè,” zegt Arthur, „dat heeft geduld gekost. Mijn arme hoed, wat zal Grootmoeder wel zeggen!”
Eensklaps keert hij zich naar Constant en zegt:
„Ga je examen doen voor de H. B. S.?”
„Ja,” zegt Constant, „de volgende week.”
„Ik ook,” zegt Arthur.
„Hè, dat is leuk,” roept Constant verheugd, „dan gaan we samen, gauw aan Moeder vertellen, ga je mee?”