Twee groote steden in Brazilië De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 4
Santos was langen tijd een zeer ongezonde stad. Ingesloten tusschen de hooge bergen, die wij passeerden, ligt de stad in een diepte, waar de lucht haast niet kan binnendringen. De warmte is er afschuwelijk groot, veel heviger dan in Rio. De gele koorts richtte er in vroegeren tijd zulke groote verwoestingen aan, dat men gesproken heeft van "het kerkhof van Brazilië". De stad is er veel op vooruitgegaan in de laatste jaren. Al kent het klimaat nog dezelfde uitersten, het is niet meer moordend als vroeger. Ernstig heeft men de vraag naar betere hygiënische toestanden onder de oogen gezien en goede kanalisatie heeft er de sterfte tot normale verhoudingen teruggebracht. Toch woont de welvarende klasse van menschen nog weinig in de stad; zij gaat liever elken dag naar boven, naar Sao Paulo, of vestigt zich in het bekoorlijke Guaruja, dat met zijn aardige huisjes aan de open zee ligt.
Sedert eenige jaren maakt de koffiehandel een ernstige crisis door, waarover de regeering zich niet weinig bezorgd maakt. Vijftig kilogram koffie brengen den planter 66 francs op, als ze geleverd worden op de markten van Europa. Opdat de koffiecultuur dus nog loonend zij, mogen de prijzen niet dalen onder de 66 francs voor de vijftig kilo's. De afschaffing der slavernij was een eerste slag aan de planters toegebracht, die dadelijk de kosten van hun ondernemingen zagen stijgen. Des ondanks haalde de koffie gedurende tien jaren den prijs van 97 francs en zelfs dien van 130 francs per vijftig kilo's. Dientengevolge ging men aan het aanleggen van meer plantages, ontblootte heele uitgestrektheden gronds van wouden, om er koffie te planten. De overproductie, die volgde, vergroot door zeer overvloedige oogsten, veroorzaakte spoedig een daling van den prijs, die tot 40 francs en zelfs daarbeneden daalde. Men kwam ertoe, op slechte oogsten te hopen; maar de natuur bleef hardnekkig de grootste mildheid toonen. De voorraden koffie namen toe, en de prijzen werden nog lager. Het was voor velen de ondergang, voor allen groote geldelijke schade. In een land, waar koffie de voornaamste rijkdom is, werkte de crisis terug op den economischen toestand; en hadden talrijke faillissementen plaats, er sprongen banken, en de immigratie stond stil.
Hier doet zich een vraag voor. Is het toelaatbaar, dat de planter zich ruïneert door het verbouwen van een product, dat de heele wereld op hoogen prijs stelt, dat ze verbruikt en waarvoor ze hooge prijzen wil betalen? Is de overproductie een voldoende verklaring voor de daling van den prijs der koffie? Ik denk van niet. De waarheid is, dat de overdreven verbouw de markt heeft overstroomd met minderwaardige producten, waarvan de minder goede qualiteit alle braziliaansche koffie in discrediet heeft gebracht. Toch heeft Brazilië koffie van den eersten rang, de gelijke, misschien de meerdere van de koffie van Mokka en Java. Maar de verschijning der middelmatige producten heeft aan de speculeerders voordeelige kansen geboden tot nadeel van den planter en zonder voordeel voor den verbruiker. De goede koffie uit Brazilië wordt in Europa verkocht als koffie van Java of uit Arabië, en alle mindere koffiesoorten, onverschillig waar ze vandaan komen, worden gebracht onder het hoofd "braziliaansche koffie". Daar Brazilië drie vierden opbrengt van de wereldproductie kan men nagaan, hoeveel sommige tusschenhandelaars winnen op de koffie, waarvan ze stelselmatig den prijs hebben gedrukt.
Onder deze omstandigheden, die voor de toekomst zeer dreigend zijn, hebben de staten van Brazilië, die koffie voortbrengen, dat zijn de staten Sao Paulo, Rio de Janeiro, Minas Geraes, krachtige maatregelen genomen, om het kwaad te keeren. De eerste was, dat het voor een periode van verscheiden jaren verboden werd, nieuwe koffietuinen aan te leggen. Het is zelfs verboden, doode koffieboonen door nieuwe te vervangen in reeds bestaande koffietuinen. Toen eenmaal de productie begrensd was, beproefde men, de prijzen omhoog te drijven door een leening van 375 millioen francs. Met behulp van die som hoopte men de aanbiedingen te kunnen regelen, door de koffie van de voortbrengers te koopen en den voorraaad zoo lang te bewaren, tot de verhooging der prijzen zich weer zou voordoen. Noch de beperking van de productie, noch de vorming van reservevoorraden heeft tot nu toe merkbare resultaten opgeleverd; het zijn maatregelen, die pas op den langen duur werken, en waar de toekomst alleen de waarde van kan bepalen. Intusschen duurt de malaise voort, de zaken zijn slap, de financiëele rampen vermeerderen. Nog onlangs heeft de Handelsbank, een der oudste van Rio, haar betalingen moeten staken, en een belangrijk huis te Sao Paulo, bestuurd door den eigen schoonbroeder van den staats-president, is failliet gegaan, met een deficit van meer dan twee millioen francs.
Maar dat zal alles slechts tijdelijk wezen, want wat Brazilië eens zal zijn, als het geëxploiteerd is, dat kan men gemakkelijk voorspellen, als men let op de rijkdommen van allerlei aard, die het land levert. De caoutchouc is daarvan een der voornaamste. Men treft de gomleverende boomen in vele staten der braziliaansche Unie aan, maar het meest in het gebied van den Amazonenstroom. In weinige jaren is, dank zij der ontwikkeling der automobielindustrie, de uitvoer van caoutchouc aanmerkelijk toegenomen. Ook het suikerriet wordt verbouwd in de staten Pernambuco, Alagoas, Bahia en Rio de Janeiro. Trots de mededinging van den beetwortel bloeien de suikerplantages en leveren groote voordeelen.
De veeteelt in het Zuiden, het goud en de diamanten, die men in Brazilië vindt, het zijn alle zooveel hulpbronnen voor het land, maar de hoofdrijkdom, die het misschien al spoedig een eerste plaats zal doen veroveren, is de groote uitgestrektheid, met wouden bedekt, waar kostbare houtsoorten groeien. Men telt er duizenden edele soorten. Maar al die schatten blijven onontgonnen bij gebrek aan wegen en spoorwegen, en er worden dan ook alleen die bosschen geëxploiteerd, die dichtbij de steden liggen.
Het gebruiken van al die rijkdommen is maar een vraag van tijd en ondernemingsgeest, en wat de Braziliaan niet zelf zal wagen, dat zal de emigrant uit den vreemde doen, om het rijke land aan een schitterende toekomst te helpen.
WAT ZUID-AMERIKA OVER VIJFTIG JAAR KAN ZIJN.
Bij gelegenheid van het eerste panamerikaansch Congres, dat in Washington plaats had in 1890, verklaarde een der aanzienlijkste afgevaardigden van het latijnsche Amerika, dat de twintigste eeuw de eeuw zou zijn van Zuid-Amerika in het bijzonder, zooals de 19de speciaal die van Noord-Amerika was geweest. Het derde congres, dat in Rio Janeiro werd gehouden, heeft een echo gegeven op die profetie.
Het is waar, dat Canada met reuzenschreden op den weg der ontwikkeling vooruitgaat; dat Sir Wilfrid Laurier, de eerste minister, verzekert, dat de twintigste eeuw de eeuw van Canada zal zijn; dat velen in de Vereenigde Staten bij het zien van die uitgestrektheden gronds, die vruchtbaar zijn of boschrijk of in hun mijnen hun rijkdom bezitten, hem gelijk geven en dat het gebied tusschen de Sint-Laurens, de Poolstreken en den Stillen Oceaan zeer rijk is aan beloften. Men mag dus voorspellingen wagen en de werkelijkheid is, dat beide Amerika's een schitterende toekomst vóór zich hebben.
Wat Zuid-Amerika betreft, er bestaat een zekere neiging, dat land door een donkeren bril te bekijken, vanwege de vele aardbevingen, die materiëel den bodem doen trillen en om de talrijke revoluties, die het land op andere wijze van de wijs brengen. Men oordeelt dan naar het verleden over de toekomst; maar de feiten schijnen die sombere voorspellingen te willen logenstraffen en de woelige republieken komen langzamerhand, al is het met moeite, op uit haar verwilderden toestand.
Men moet Zuid-Amerika als een geheel beschouwen, wat om zijn geografisch karakter zeer goed gaat. In de zestiende eeuw zag men er slechts een goudland in, welks onuitputtelijke minerale rijkdommen aan Spanje roem en macht verleenden. Daar is men van teruggekomen. Zeker, de mijnen van allerlei aard beteekenen nog altijd veel en nemen een groote plaats in onder de hulpmiddelen der zuid-amerikaansche republieken; maar ze doen al sinds lang onder voor andere schatten, die door den landbouw, de veeteelt en de industrie geleverd worden. Katoen, koffie, graansoorten, hout, cacao en veel boschproducten worden als kostbaarder beschouwd dan het goud van Peru en de diamanten van Brazilië.
Er zijn zeer belangrijke economische omstandigheden, die in den laatsten tijd erop schijnen te wijzen, dat voor Zuid-Amerika in de eerstkomende halve eeuw zich een groote toekomst opent. Vooreerst zijn daar de kapitalen der Vereenigde Staten, die, tot hiertoe veelal in nationale ondernemingen gestoken, zich daaruit beginnen terug te trekken en over de grenzen voordeelige plaatsing beginnen te zoeken. Zuid-Amerika trekt ze reeds tot zich met zijn onmetelijk grondgebied, dat vruchtbaar is, besproeid wordt door bevaarbare rivieren en een grenzenloos veld voor grootsche plannen opent, als er de hand zal zijn geslagen aan den aanleg van spoorwegen, kanalen en moderne plantages.
Het Panamakanaal zal een zeer verlevendigenden invloed uitoefenen op de westkust van het groote land. Tot nu toe heeft alleen de weinig bevolkte, maar meer bekende kust van den Atlantischen Oceaan voordeel gehad van de betrekkelijke nabijheid van Europa en van de uitstralende activiteit der groote noord-amerikaansche centra, New York, Chicago e. d. De havens van Chili en Peru zullen, als maar eenmaal de landengte van Panama een haven en geen slagboom is geworden, in weinige jaren hun handelsbeweging zien verdubbelen en verdrievoudigen.
Om met den aanleg van spoorwegen te beginnen. Het is juist een halve eeuw geleden, dat de verschillende staten van Zuid-Amerika zijn begonnen zich met spoorwegbouw in te laten. De Argentijnsche Republiek zal dit jaar een speciale tentoonstelling openen ter herdenking van haar eersten spoorweg, een onbeduidend lijntje. Een paar jaar later begon ook Brazilië eenige kilometers spoorweg aan te leggen.
Er waren grootsche plannen; reeds in 1860 waren ingenieurs bezig, de Andesketen te doorboren, wel te verstaan, op het geduldige papier. Peru zou Arica met Tacna verbinden door een dubbele stalen lijn, en optimisten riepen reeds, dat zij het lokaas zou worden voor een spoorweg, die de vulkanische kustbergen doorborend, weldra de groote centrale vlakte van Bolivia zou bereiken. Een andere lijn, van Valparaiso en Santiago uitgaande, opende nog reusachtiger perspectieven, want een tunnel onder de Andesketen door zou die steden met de pampa's van Argentinië in verbinding stellen. Helaas, van dat alles is nog slechts het begin verwezenlijkt, en de barrière van het gebergte houdt nog den spoorweg tegen, al is men tot den voet ervan genaderd.
Maar in het gebied van den Atlantischen Oceaan hebben Brazilië en de Argentijnsche Republiek, die niet tusschen de bergen en de zee saamgedrongen zijn, reeds een flink spoorwegnet kunnen ontwikkelen. Toch voldoet het nog in geenen deele aan de behoeften en het beantwoordt evenmin aan de rijke natuurlijke hulpbronnen van die landen, noch aan de vruchtbaarheid van hun bodem.
Aangaande de ontwikkeling van Brazilië staat het te bezien, of de tropische streken van het Amazonengebied over vijftig jaren wel sterk zullen zijn toegenomen in bevolking of in ontwikkeling van den handel, daar het klimaat zoo weinig geschikt is voor kolonisten van het blanke ras. Daarbij bestaat er kans, dat de ontwouding van de streken, die kostbare houtsoorten leveren, waarbij men ver van oordeelkundig te werk gaat, zal leiden tot de uitputting van een deel dier vruchtbare gronden. De braziliaansche regeering heeft echter maatregelen genomen, om tot nieuwe bebossching te geraken en uitroeiing der bosschen tegen te gaan. Zij moedigt bovendien nieuwe cultures aan; maar de heilzame gevolgen van haar wetten en voorschriften zal eerst later merkbaar worden.
De deelen van Brazilië, waar men van een voortgaande ontwikkeling verzekerd kan zijn, zijn de subtropische en de gematigde gebieden van het onmetelijk grondgebied. Het is niet te vermoeden, dat eenig ander land aan Brazilië den roem zal betwisten en het voordeel, de voornaamste producent van koffie te zijn; of dat de katoenaanplantingen niet al hun beloften zullen houden.
Nu kan men, afgezien van een smalle kuststrook, zeggen, dat het geheele binnenland van de reuzenrepubliek nog ongeëxploiteerd is. Het zou niet veel inspanning kosten, zulk een prachtig terrein ongekend in waarde te doen rijzen en de economische kracht van het land te verdubbelen of te verdrievoudigen.
Zeker is het, dat de eerstvolgende halve eeuw althans het eerste deel zal verwezenlijken van een grootsch plan, dat Pernambuco door een rechtstreeksche spoorweglijn met Valparaiso wil verbinden. Tusschen Pernambuco en Uruguay zou die aanleg niet op ernstige moeilijkheden stuiten; indien de lijn het dal van de San Francisco volgt, waardoor tevens de staten Bahia, Minas Geraes, Sao Paolo, Parana en Rio Grande do Sul door korte zijlijnen met de hoofdlijn zouden kunnen verbonden worden.
Van Pernambuco naar Uruguay door het dal der San Francisco zou de lijn een lengte van 4500 kilometer hebben. De regeering heeft nu reeds vijftien jaren geleden het plan goedgekeurd, dat nog sluimert op het papier en daar mogelijk nog wel eenige jaren zal blijven. Doch het ligt in den aard der dingen, dat er geen tien jaar meer zullen verloopen, zonder dat men ernstig de hand zal hebben geslagen aan de voorbereidende werkzaamheden voor het groote plan. En niets zal beter in staat wezen, de waarde der natuurlijke rijkdommen van Brazilië te doen uitkomen of zal een sterker stuwkracht zijn voor het land op den weg zijner ontwikkeling.
De republiek Argentinië is de korenschuur van Zuid-Amerika. Van alle latijnsche staten in het werelddeel is zij het meest bekend om haar enorme productie van graansoorten, waarbij de rijkdom komt aan runderen en schapen en de groote uitvoer van wol. In al die voortbrengselen wedijvert het land met de Vereenigde Staten, Canada en Europa. Maar de kolossale vooruitgang van den landbouw in Argentinië is een feit, dat nog niet genoeg de aandacht van de wereld heeft getrokken, doordat de republiek zoo ver verwijderd ligt, zoo uitgestrekt is en omdat de verscheidenheid der producten zoo groot is.
Terwijl de districten van het Noorden suiker, koffie en andere tropische voortbrengselen verbouwen, kan men het bekken van de Parana beschouwen als een tweede Mississippivlakte. Het ministerie van landbouw te Buenos Aires schat het totaal der opbrengst aan koren in 1905 over een bebouwde oppervlakte van zes millioen hectaren op 3 882 000 tonnen.
De bevolking bedraagt niet meer dan vijf en een kwart millioen zielen, en er zouden wel vijftig millioen plaats kunnen vinden, als men de hulpmiddelen van het land in aanmerking neemt. Onnoodig te zeggen, dat wij niet vermoeden, dat de republiek het in een halve eeuw tot dat cijfer zal brengen; maar uitgebreide gebieden, die vroeger verlaten waren, nemen snel in bevolking toe en tot in Patagonië ontstaan landbouwkolonies.
De hoofdstad, die een halve eeuw geleden 100 000 inwoners telde, heeft nu een millioen. Binnen vijftig jaar zal zij er evenveel hebben als Parijs thans, en zij zal waarschijnlijk dan in inwonertal de derde stad van Amerika wezen.
De streken van de westkust gaan ook een goede toekomst tegemoet, want ondanks alle teleurstellingen van de ingenieurs, die de Andesketen hebben willen doorboren, kan men hen niet goedschiks als dwazen en utopisten beschouwen, nu men op het punt staat, den tunnel van Uspallata aan te leggen, die in hoogstens drie jaren Chili met Argentinië in verbinding zal stellen, of wel Valparaiso met Mendoza.
De aanleg van den spoorweg Arica-Tacna-La Paz tusschen Chili en Bolivia legt op vier jaren beslag, maar alle voorbereidende studiën zijn gedaan en de contracten zijn geteekend.
De groote panamerikaansche spoorweg tusschen Noord- en Zuid-Amerika zal zonder twijfel nog heel wat hinderpalen moeten overwinnen en menig bezwaar moeten omtrekken, uit den weg ruimen, doorboren of overschrijden; het eind tusschen Quito in Ecuador en Cuzco in Peru zal in het bijzonder uiterst moeilijk zijn; maar hebben niet reeds de oude Inca's in die streken van hooge gebergten prachtige wegen weten aan te leggen? Waar de Indianen hebben gezegevierd, zullen de blanken niet wijken.
Bolivia, dat als het hart van Zuid-Amerika is, zou al sedert dertig jaar doorsneden hebben kunnen zijn door spoorwegen, indien het geluk beter een kundig ingenieur, Georges E. Church, had willen dienen. Zijn zeer stoutmoedig plan, om samenwerking tot stand te brengen tusschen de bevaarbare rivieren en een net van spoorwegen, opdat de republiek geopend zou worden voor het algemeen verkeer langs de beide hellingen van de Andesketen en langs de beide oceanen, heeft schipbreuk geleden; het strandde op de klip van gemis aan voldoende kapitaal.
Maar een gedeelte van zijn plannen is heden ten dage weer opgevat. Arica, Mollendo en misschien Callao aan de kust van den Stillen Oceaan zullen ongetwijfeld binnen tien jaren in rechtstreeksche gemeenschap staan met Buenos Aires door middel van Andestunnels en door de Paraguay.
Het Amazonengebied aan den anderen kant en het bekken van het Titicacameer zullen gemakkelijk bij dit net kunnen worden aangesloten. Wanneer maar eenmaal de Andesketen is doorboord, zal men kunnen zeggen, dat de rest van het continent voor de ingenieurs is veroverd.
Er is echter naast het spoorwegnet nog een belangrijk net van natuurlijke wegen. Geen enkele streek ter wereld is meer dan Zuid-Amerika begunstigd uit het oogpunt van bevaarbare rivieren. Reeds heeft generaal Rafael Reyes, president van Columbia, de mogelijkheid aangetoond, om alle deelen van Zuid-Amerika met elkander in verbinding te stellen door gebruik te maken van hun stroomend water. De Yankees van hun kant laten zich de mogelijkheid voorspiegelen, om te water van New-York of van Nieuw-Orleans naar het hart van Zuid-Amerika te gaan, door de Orinoco of den Amazonenstroom op te varen met geschikte booten en dan van daar naar Buenos Aires te varen, zonder den voet op vasten bodem te zetten.
In een halve eeuw zal men naar alle waarschijnlijkheid het probleem hebben opgelost, om het door de Portugeezen gedroomde kanaal te verwezenlijken tusschen de Guapore, den grootsten zijtak van de Madeira, en de Jauru, een zijrivier van de Paraguay. Maar die riviervaart zou het nooit brengen tot groote en duurzame resultaten zonder de medewerking van een voldoend spoorwegnet.
Alle pogingen, om de rivieren te gebruiken voor de kolonisatie van het groote binnenland, hebben tot nu toe schipbreuk geleden. Alleen de spoorwegen zullen in staat blijken, kapitalen en kolonisten aan te lokken.
En kolonisten zijn er broodnoodig. Men moet de resultaten der immigratie, zooals zij tot hiertoe heeft gewerkt, niet als maatstaf nemen voor wat de kolonisatie in de eerstvolgende vijftig jaar zal kunnen worden en tot stand brengen. Tot nu toe is de beweging maar langzaam vooruitgegaan, als met aarzelende schreden, behalve in de republiek Argentinië, waar het iets sneller ging. Maar Uruguay, Zuid-Brazilië, later ook de gebieden in de Andes zullen in den loop der jaren al talrijker de kolonisten zien toestroomen.
Men kan dat gerust voorspellen, want de opening van het kanaal van Panama zal, als noodzakelijk gevolg, duizenden naar de Pacifische kust lokken. Wat de rijke vlakten van Brazilië en Argentinië betreft, ze beginnen nu nog pas hun bekorenden invloed op enkele europeesche volken uit te oefenen, vooral op de Italianen, die ertoe mee zullen werken, dat in de eerstvolgende eeuw Zuid-Amerika een bevolking zal krijgen van blanken, die niet uitsluitend uit spaansche en portugeesche elementen bestaat.
Intusschen heeft ook het volk der Scandinaviërs, dat der Duitschers en der Engelschen, vooral in Zuid-Brazilië hier en daar verspreid, bloeiende koloniën gevestigd en deze nemen in aantal toe. Schotsche herders met hun kudden kunnen het in Patagonië best vinden, en ook koloniën uit Wales en andere uit Rusland tieren er goed. De Vereenigde Staten van hun kant moeten ook een deel van hun bevolking afstaan aan Zuid-Amerika; het zijn meest kooplieden, industriëelen en planters.
Het is dus niet voorbarig te besluiten, dat Zuid-Amerika met zijn onmetelijke, onuitputtelijke natuurlijke hulpbronnen, zijn vruchtbaren bodem en het prachtige net van bevaarbare rivieren een schoone toekomst te gemoet gaat in economischen zin. Doch die toekomst kan niet worden verwezenlijkt dan met hulp van kundige ingenieurs; maar op verscheiden punten van het groote continent zijn die dan ook reeds aan het werk en leggen spoorwegen aan, graven kanalen, slaan bruggen en boren tunnels. Wanneer eenmaal de twee of drie groote transcontinentale lijnen voltooid zullen zijn, waarvan zij en hun lastgevers droomen, zal de dag van Latijnsch Amerika gekomen zijn.
Met de komst van dien dag zal het misschien wel iets minder vlug gaan, dan de ongenoemde schrijver in _A Travers le Monde_, het bijblad van de _Tour du Monde_, zich voorstelt; maar dat er in economisch opzicht nog alles van Zuid-Amerika te maken is, moet erkend, want inderdaad liggen er voor landbouw en veeteelt en boschexploitatie onmetelijke terreinen op de hand van den mensch te wachten. Als die hand er maar gemakkelijker kon doordringen, als dus de verkeersmiddelen maar overvloediger waren, behoefde de schoone toekomst geen droom te blijven.
AANTEEKENING
[1] Zooals thans in Nederland. _Vert_.
End of Project Gutenberg's Twee groote steden in Brazilië, by François Crastre