Twee groote steden in Brazilië De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 3
De steden, die men passeert, zijn niet interessant en houden de aandacht niet vast. Barra Mansa, Rezende, Jacarehy gaan voorbij en vertoonen niet anders dan gewone woonhuizen. Een van die steden, Aparecida, geniet intusschen in Brazilië een reputatie, die ze minder aan haar schoonheid heeft te danken dan aan de vrome legende, die eraan is verbonden. De Heilige Maagd, heet het, verscheen er in vroeger dagen en ze vertoont er zich nog door tal van wonderen. Van alle kanten komen op sommige tijden de pelgrims; het is een braziliaansch Lourdes in een kader, dat veel minder mooi is dan bij het onze. Naar het uiterlijk te oordeelen, schijnt de vroomheid der geloovigen de stad niet bijzonder rijk of welvarend te maken, want het is een vuil en slecht gebouwd plaatsje.
Door de roodachtige wolk van stof heen, die door den trein wordt opgejaagd, aanschouw ik het braziliaansche landschap. Behalve de weinige steden, die ik noemde, treffen wij noch dorpen, noch boerenhoeven aan. Overal eenzaamheid als in een woestijn, en de trein rolt uren lang voort door een streek zonder menschen. En als het zoo is gesteld langs den spoorweg, kan men nagaan, hoe het moet zijn in het binnenland, ver van alle middelen van gemeenschap. Geen landbouw wordt er beoefend buiten de naaste omgeving der steden; reuzenuitgestrektheden, groot als Zwitserland, worden aan de natuur overgelaten, die er een tropischen plantengroei doet opschieten. Bij gebrek aan werkkrachten en aan afzetgebied wordt er in Brazilië weinig aan landbouw gedaan.
De nabijheid van Sao Paulo komt aan den dag met een totale verandering van het landschap. Overal wordt men herinnerd aan de werkzaamheid van den mensch. Hier geen woeste terreinen meer, noch braakliggende velden. Het maagdelijke woud wordt steeds verder teruggedrongen; alle grond, die aldus gewonnen wordt, is bebouwd, en op de roode velden van roode aarde verrijzen eindelooze rijen boompjes, beladen met purperen vruchten, gelijkend op onze kersen; dat zijn de eerste koffie-aanplantingen. We zijn in den staat Sao Paulo, het echte land van de koffie, dat aan de cultuur van de kostbare boonen een oppervlakte wijdt, die tweemaal zoo groot is als Frankrijk. Nog enkele minuten en we zijn in de stad.
Van alle steden in Brazilië is Sao Paulo ongetwijfeld de mooiste, de best gebouwde en modernste. Er zijn breede lanen en straten met huizen en villa's naar den besten smaak, staande te midden van tuinen. Minder krachtig dan die van Rio, is de plantengroei van Sao Paulo schitterender en afwisselender; het is het klassieke land van rozen en orchideeën. Bij de minder imposante natuur is Sao Paulo een vriendelijker plaats, gezelliger en aardiger dan Rio. Men vindt er de rijkste menschen uit Brazilië, wier fortuinen gemaakt zijn in korten tijd door den handel in koffie. De voorspoed van deze stad is zoo snel gestegen, dat de bevolking, die in 1890 50.000 zielen bedroeg, thans 300.000 bedraagt. Een economische crisis, die zeer scherp optreedt, vertraagt op het oogenblik de groote vlucht door de stad genomen, maar dat is slechts een tijdelijke verlangzaming, en alles doet vermoeden, dat Sao Paulo weldra weer flink vooruitgaande zal wezen.
Dien snellen aanwas van de bevolking heeft de stad te danken aan het uitnemende klimaat en aan zijn rijkdom. Gelegen op een hoogte van 700 meter boven de zee, kent de plaats de gruwelijke hitte van de hoofdstad niet. De avonden zijn er koel, de nachten helder, en als het Zuiderkruis niet fonkelde aan het firmament vol sterren, zou men zich kunnen wanen in de gematigde luchtstreek van ons oude Europa. Zonder twijfel heeft de inwoner van Sao Paulo aan die klare, prikkelende lucht het te danken, dat hij zooveel werkzamer is dan zij, die moeten leven in de zware lucht van Rio; hij is ook veel levendiger, heeft meer handigheid in zaken en meer zin voor beweging. Door den geregelden aanvoer van emigranten heeft de bevolking van Sao Paulo veel nieuw bloed opgenomen, hetgeen na de vele verbintenissen onder bloedverwanten ook wel noodig was, en tegenwoordig is er geen enkele familie te Sao Paulo, die niet onder hare leden een of meer individuen telt van latijnsche of angelsaksische afkomst. Men ziet er hoogst zelden het klassieke type van den Braziliaan met donkere tint en dikke lippen, dat te Rio nog zooveel voorkomt; de Paulist is slank, heeft een lichte gelaatskleur, en blonde haren zijn er niet zeldzaam; door die instrooming van vreemde elementen is ook ontstaan dat onverwoestbaar particularisme, dat gevoel van meerderheid, dat hem met een gevoel van superioriteit op zijn landgenooten van de andere staten doet neerzien.
Ofschoon gehecht aan het algemeene vaderland, is de Paulist in de eerste plaats Paulist en pas in de tweede Braziliaan. Ten tijde van de Revolutie, toen de keizer werd weggejaagd, verklaarde de staat Sao Paulo zich tot onafhankelijke republiek; maar men bleef niet bij dat grootsche plan, dat zooveel gevolgen moest na zich sleepen en stemde er later in toe, zich bij de Unie aan te sluiten, maar onder voorbehoud, zelfregeering te behouden in geldelijk en administratief opzicht. Aan het hoofd staat er een president, wiens gezag binnen de grenzen van den staat even groot is als dat van den president van de Republiek. Er is een parlement, dat bestaat uit een Kamer van afgevaardigden en een Senaat. Sao Paulo kiest bovendien federale afgevaardigden en senatoren, die de belangen van den staat in het centrale parlement van Rio moeten vertegenwoordigen en verdedigen. Daar ze druk en welsprekend zijn, hebben ze ten allen tijde een belangrijke rol gespeeld bij de discussies en veel politieken invloed uitgeoefend. Zoo heeft de staat Sao Paulo aan Brazilië verscheiden presidenten der Republiek geleverd, o. a. Campos Salles en Rodrigues Alves, die veel voor Brazilië hebben gedaan. De eerstgenoemde aanvaardde de regeering op het oogenblik, dat de jonge republiek, door binnenlandsche twisten verscheurd, haar ondergang nabij was. Door zijn wijsheid en zijn geestkracht wist hij het vertrouwen te herwinnen, en het sterk benadeelde crediet van Brazilië herstelde zich. Zijn opvolger zette het begonnen werk voort en wendde de verbetering in de geldelijke toestanden aan voor groote werken van openbare gezondheidsregeling en verfraaiing, thans nog de trots van Rio. De Paulisten ook zijn trotsch op hun hoofdstad, die door hen aan nieuwen glans is geholpen.
Maar daarom vergeten ze hun eigen stad niet, hun bijzondere hoofdstad, die ze stellen boven elke andere stad. Niets komt hun te schoon of te duur voor, als zij er door gebaat wordt te vergrooten er het aantal ruime lanen, paleizen, scholen en monumenten van allerlei aard. Vraag aan een Paulist, wat de mooiste stad uit Brazilië is; zonder aarzelen zal hij u antwoorden, dat het Sao Paulo is. En dat is de waarheid. Ik waag mij niet aan een uitvoerige beschrijving van de stad. Genoeg zij het, te zeggen, dat er prachtige tuinen zijn, als de Jardin de Luz, het Antarctisch Park en het Bosque de Saude; scholen, die volmaakt moeten heeten uit het oogpunt van hygiëne en bouwstijl, als de Polytechnische School, de Normaalschool en de Prudente-de-Moraesschool, die alle modellen zijn, welke wij in Europa in velerlei mochten navolgen. Ook moet genoemd de nieuwe schouwburg, een mooi, nog niet voltooid gebouw, dat geen kwaad figuur zou maken naast onze Opéra, al doet het er in rijkdom en kunstwaarde voor onder. Daarbij hebben de bouwmeesters ongelukkig toegegeven aan die amerikaansche manie tot grootdoenerij, om te kunnen zeggen: "Onze zaal is grooter dan die van de Opéra te Parijs." De zaal zal inderdaad ruimer worden, en dat is het ergste verwijt, dat men maken kan, als men bedenkt, dat de zaal van onze Opéra beschouwd wordt als veel te groot voor de stemmen der zangers. Wat zal het zijn te Sao Paulo, als de gezelschappen er komen spelen?
Sao Paulo bezit een belangwekkend gebouw, dat aantrekt door zijn bouwstijl zoowel als om de nationale gebeurtenis, waaraan het herinnert, te weten het paleis van Ypiranga. Het is op een hoogte geplaatst buiten de stad, op de plek, waar de regent dom Predo, zoon van Johan VI van Portugal, den 7den September 1822 de onafhankelijkheid van Brazilië uitriep, dat tot dien tijd een portugeesche bezitting was geweest.
Het inwendige van het gebouw is niet bijzonder treffend, maar men heeft er een interessant museum van ethnographische en zoölogische verzamelingen. Een zaal is bestemd voor kunstwerken van braziliaansche kunstenaars, maar behalve enkele stillevens van Pedro Alexandrino, een leerling van Alexis Vollon, is er niets, dat vermelding verdient. In een hoek van het museum zijn een paar vertrekjes ingericht als historisch museum; men heeft er enkele portretten opgehangen van portugeesche gouverneurs van Brazilië en verschillende voorwerpen van geschiedkundige waarde.
Men zou op zijn vingers kunnen optellen de Paulisten, die het museum van Ypiranga hebben bezocht; ze stellen zich tevreden met een bewondering uit de verte, maar ze gaan er nooit heen. De zeer weinige bezoekers, die ik er ontmoette, drie of vier, waren vreemdelingen, doortrekkende reizigers als ik zelf. De Braziliaan bekommert zich weinig om musea, zelfs niet om zijn eigene, vooral als die musea historische herinneringen bergen. In zijn oogen heeft Brazilië geen geschiedenis; het telt maar mee sedert de uitroeping van de Republiek in 1889; wat geeft hij om de relieken der constitutioneele monarchie, die hij zich nauwelijks meer te binnen kan brengen of die uit den tijd der portugeesche overheersching, welke hij geheel heeft vergeten? Hij hecht niet aan den dienst van het verleden en verbaast zich, dat die bij anderen in eere kan wezen.
Met al haar breede lanen en straten, haar gebouwen en tuinen is Sao Paulo toch een trieste stad. Als het zes uur is geslagen en als de werkwereld den arbeid neerlegt, valt er een zware eenzaamheid neer in de handelsstraten, die te voren zoo levendig waren. Des avonds worden de winkels gesloten en alles wordt doodstil; een zoo diepe stilte heerscht er, dat de groote stad uitgestorven zou schijnen, als er niet talrijke electrische trams doorheen snorden. Onnoodig er over te denken, naar welken schouwburg men zal gaan; er wordt niet gespeeld, ten minste niet voor het deftige publiek. Buiten de gezelschappen uit den vreemde in den winter, waarbij italiaansche en fransche troepen de menschen lokken, worden de schouwburgen bespeeld door troepen met het gewone portugeesche répertoire, dat door de lagere klassen alleen kan worden gewaardeerd.
Daar hij niet kan uitgaan en verstrooiing zoeken, leeft de Paulist te huis, en tracht zijn woning zoo aangenaam mogelijk in te richten; hij heeft graag een mooi huis, goed ingericht en voorzien van alles, wat den smaak kan streelen en wat hij niet buiten zijn huis kan vinden. Een eigenaardigheid van die huizen is, dat ieder vertrek uitziet op straat of op den tuin. Er zijn geen kamers zonder licht, geen uitgangen zonder vensters als bij ons; de wet verbiedt dat uitdrukkelijk. Als een eigenaar een huis wil bouwen, moet hij het plan overleggen aan een officieël persoon, met dien dienst belast, en hem wordt de vergunning om te bouwen geweigerd, als niet alle vertrekken rechtstreeks lucht en licht van buiten betrekken. Wat zou de tuberculose bij ons veel minder slachtoffers maken, als dergelijke verplichtingen ook bij ons golden! [1]
Hoe groote bekoring ook van het gezinsleven kan uitgaan, die aanhoudende opsluiting wordt vervelend op den duur, vooral voor den vreemdeling te Sao Paulo, die verplicht is, zich naar de amerikaansche zeden te schikken. Terwijl deze groote stad van 300.000 inwoners even arm is aan gelegenheden tot ontspanning als de kleinste van onze onder-prefecturen, heeft men haar gedwongen in een keurslijf van wereldsche conventies, waaraan men niet kan ontkomen zonder schade voor zijn goeden naam. Men woont in glazen huizen, altijd open voor kwaadsprekendheid en achterklap. Alleen uitgaan om boodschappen te doen, is een dame niet veroorloofd, evenmin als het haar vrijstaat, zelfs al is ze niet alleen, stil te staan op straat, om een gesprek te voeren met een mannelijken kennis, al ware die ook een vertrouwd vriend des huizes. Ik schrijf aan den aanhoudenden angst voor den laster de somberheid toe van de Braziliaansche in het algemeen en van de vrouwen in Sao Paulo in het bijzonder. Daar ze bovendien apathisch is, geeft ze zich geen moeite, om door lectuur of nuttige bezigheid zich afleiding te verschaffen; in plaats van er tegen te strijden, koestert ze haar somberheid door lange siësta's in een schommelstoel.
Als veel reizigers heb ik mij dikwijls afgevraagd, waarom de Zuid-Amerikanen met zulke trieste gezichten rondloopen onder een zoo lachenden hemel. Ik heb de reden niet kunnen ontdekken. Wat die ook zij, de Braziliaan is zacht van aard, maar hij is niet opgewekt; zijn vroolijkheid is als zijn geestdrift luidruchtig, maar kortstondig. Steden als Sao Paulo herbergen duizenden studenten, zonder dat ooit uitbarstingen van luidruchtige vreugde de aanwezigheid van de jeugd bewijzen.
Intusschen schijnt de stad voor enkele oogenblikken uit haar verdooving gewekt. De heer Doumer zal dezen dag in Sao Paulo komen; er wordt hem een schitterende ontvangst bereid. Alle redenaars uit de provincie zijn op hun post en toen onze landgenoot den voet op het perron van het station zette, stortten zich stroomen van welsprekendheid over zijn hoofd uit. Het was een geestdriftige ontvangst. De kreten van "Leve Frankrijk!" vermengen zich met die van "Leve Doumer!". Er was geen enkele toespraak, waarin niet de betuiging voorkwam van de liefde van Brazilië voor Frankrijk, voor de groote latijnsche zuster.
Ik wil er niet aan twijfelen, maar het kost mij eenige moeite, die liefde in overeenstemming te brengen met de hooge rechten, waarmee onze producten worden getroffen. Dat is een slagboom, die voor het grootste deel de fransche goederen tegenhoudt. In minder dan tien jaren is de fransche invoer in Brazilië gedaald van 408 op 189 millioen francs. Enkele waren betalen honderd procent douanenrecht en jaar op jaar stijgen de tarieven, zoodat de deur bijna hermetisch voor ons wordt gesloten.
In 1900 stemde Frankrijk er op verzoek van Brazilië in toe, de rechten op de braziliaansche koffiesoorten met 20 francs per honderd kilogram te verlagen. Als dank verlangden wij alleen één ding, de handhaving van het status quo, de verzekering dat Brazilië de rechten, die op dat tijdstip bestonden, niet zou verhoogen. Brazilië beloofde. Maar helaas....!
"Die verhooging van rechten," zoo spreekt de fransche Kamer van Koophandel te Rio, "die al in 1900 wisselden tusschen 5 en 180 per honderd op het tarief van 1896, overschrijden thans het maximum, waarmee Frankrijk in 1900 werd bedreigd, als het niet had toegestemd in een reductie op de koffiebelasting." En let wel, dat Brazilië op dit oogenblik actief propaganda maakt, om op de koffie opnieuw reductie te krijgen!
Is thans de tijd niet gekomen, om een eind te maken aan zulk een tarievenoorlog, die voor de beide volken zoo nadeelig is? Het zou hoog tijd wezen, schijnt het, er zich mee bezig te houden, en de taak biedt geen onoverkomelijke moeilijkheden aan. De reis van den heer Doumer naar Brazilië zal er zeker toe hebben bijgedragen, de sympathie te vergrooten en daarvan zou men van beide zijden partij kunnen trekken.
Brazilië, en meer in het bijzonder de staat Sao Paulo, heeft evenveel belang als wij bij het tot stand komen van een overeenkomst. Als wij onze wijnen hebben en onze kant, die van de hand moeten worden gezet, Amerika moet plaatsing vinden voor zijn koffie. Men moet niet vergeten, dat de cultuur van koffie 47 per honderd opbrengt, dat is bijna de helft van den uitvoer van Brazilië. Van de 1200 millioen kilogram koffie, die jaarlijks geoogst worden in de wereld, brengt Brazilië er 960 millioen op, en de staat Sao Paulo alleen voert 600 millioen uit, dat is juist de helft van de productie der geheele wereld. Dit is wel het rijk van de koffie, en Sao Paulo is er de hoofdstad van.
Waar men ook gaat in dezen grooten staat, overal ontmoet het oog koffieboschjes, zich uitstrekkend tot den horizon en tot in het oneindige hun symmetrische rijen van boompjes vertoonend, die bedekt zijn met bloemen of beladen met vruchten. Enkele plantages bezitten vijf millioen koffieboomen, die gemiddeld vier francs per stuk waard zijn, dus een waarde hebben van 20 millioen, zonder te rekenen met den prijs der gronden en gebouwen.
Zoo'n facenda of plantage is een wereld op zich zelf; een heel leger van arbeiders werkt er en is bezig met spitten of planten, met bemesten der boomen, met wieden, alles onder het toezicht van opzichters te paard, die het waakzaam oog van den meester vertegenwoordigen op alle punten van 't domein. Niets is schilderachtiger dan een plantage op het oogenblik van den pluk, als in de lange lanen van roode aarde de drukte en haast van het arbeidende volk een rijkdom van tooneeltjes en tinten te voorschijn roepen, die een schilder zouden doen watertanden.
De meest verschillende typen zijn erbij vertegenwoordigd, van den flegmatieken neger af in zijn gewoon planterscostuum tot den vlijtigen Italiaan, geholpen bij het werk door den een of anderen bruinen landsman, met een rooden doek om het hoofd. Dat alles loopt heen en weer, krioelt door elkaar in een woeling, die toch geen wanorde is. Enkelen, op ladders staande en met een plukker gewapend, maken de roode kersen van de boomen los, waarna de vruchten op groote, door vrouwen opgehouden lakens worden opgevangen. Als een laken vol is, wordt het aan dragers overgereikt, die het brengen naar karren in de hoofdlaan, leidend naar de hoeve. In de tijden van groote drukte gebruiken de arbeiders hun maaltijden op het werk en keeren eerst des avonds naar de facenda terug, waar hun woningen zijn. Die facenda ligt altijd op het midden eener plantage, meestal ver verwijderd van eenige stad; er is daar een huis voor den eigenaar, waaromheen zich de paviljoens bevinden van de opzichters en de hutten der arbeiders. Enkele belangrijke facenda's zijn steden in miniatuur; men treft er kruidenierwinkels, slagerijen en galanteriewinkels aan, en zelfs hier en daar een kerkje met een geestelijke.
Ik had de gelegenheid met de heeren Doumer en Turot de model-facenda te bezoeken van Sainte-Gertrude. Een speciale trein, die uit het prachtige station van Luz vertrok, bracht er ons in enkele uren. De eigenaar van de plaats, graaf Prates, nam zelf de honneurs waar, bijgestaan door den heer Carles Botelho, minister van landbouw van den staat Sao Paulo, die ons zeer vriendelijk de verschillende fasen van de koffiebereiding verklaarde.
Eerst wordt de koffie in groote rechthoekige bakken geworpen, die vol water zijn en wel gelijken op de zoutpannen, in Bretagne in gebruik. Daar heeft een eerste zuivering plaats. De onzuiverheden, die onder de koffie zijn gemengd, stof, steentjes, enz. vallen naar beneden, terwijl de roode kersen alleen boven drijven. Uit dit eerste bekken gaat de koffie naar een tweede, waar de reiniging voltooid wordt. Er dient opgemerkt, dat op de plaats van graaf Prates dat alles automatisch gebeurt, door een vernuftige combinatie van kanaaltjes, die de vruchten naar de verschillende plaatsen brengen, waar ze moeten worden bewerkt.
Er behoeft maar een schuif opgelicht, en de volkomen gewasschen koffie begeeft zich op weg naar de zaal, waar machines de vruchten onder handen nemen. De bessen komen van boven in de machine en de pitten komen van onderen te voorschijn, ontdaan van het vruchtvleesch, en terwijl het omhullende wordt weggevoerd, gaan de boonen naar de plaats, waar de belangrijkste bewerking geschiedt, het uitzoeken. Daar bevindt zich een machine, de monitor genoemd, die een wonder van vindingrijkheid is; zoodra ze de boonen ontvangt, laat ze die over roosters gaan met ongelijke openingen en splitst ze automatisch naar dikte en hoedanigheid. Iedere qualiteit valt in verschillende bakken en wordt van daar altijd door middel van water gevoerd naar groote droogtoestellen, waar de koffie blijft, tot ze in zakken wordt gedaan.
Na het bezoek aan de onderdeelen van de plantage ging ons gezelschapje den koffietuin zien, waar geplukt werd. Zooals ik boven heb gezegd, krijgt men een levendigheid te aanschouwen als in een bijenkorf. Overal komen boven de koffieboompjes hoofden uit. Op verzoek van graaf Prates en den heer Botelho beklimt de heer Doumer een ladder en slaat trossen vruchten af, door dames uit het gezelschap opgeraapt, alsof het ernst was. Een photograaf vereeuwigde voor het nageslacht dit historisch oogenblik. Na den photograaf kwam de kinematograaf aan de beurt. Door een lange brandendheete laan defileerden wij als in een optocht, in bescheiden of heldhaftige houdingen, al naar onzen aard.
De uitvoer der koffie uit Sao Paulo heeft plaats door de haven van Santos, die aan de drukte van dien handel het te danken heeft, dat ze tegenwoordig de eerste handelshaven van Brazilië is. De stad Santos is dan ook alleen interessant door den reuzenomvang van haar handel; daar komt alle rijkdom van het land terecht, daar wonen de groote commissionnairs en de groote speculanten. Het rijzen en het dalen der koffieprijzen roept er allerlei beursoperaties in het leven. De Braziliaan, die een speler in zijn hart is, levert zich met hartstocht over aan speculaties, die hem in een enkelen dag reuzensommen doen winnen of verliezen.
De koffie wordt van Sao Paulo naar Santos vervoerd door een tandradspoorweg, een echt meesterstuk in zijn soort. Daar het hoogteverschil tusschen de beide steden 800 meter bedraagt over een lengte van acht kilometer, begrijpt men, dat de trein zich over een vrij steile helling moet bewegen, zooals geen gewone spoorweg zou kunnen bestijgen. Men gebruikt het systeem Staff, en de uitvoering is het werk van den engelschen ingenieur Bumless. Het is trouwens een engelsche lijn en heet Sao Paulo railway. Er zijn gemakkelijke waggons in, zelfs weelderig ingericht, die dagelijks de groote koffiehandelaren naar Santos voeren of er van terughalen, want hun vaste residentie is Sao Paulo.
Maar wat nog mooier is dan de lijn is het landschap, waar ze doorheen gaat. Het korte traject maakt een onuitwischbaren indruk. Van Alto da Serra af begint de trein te glijden over de helling van den berg, die zoo steil is, dat men denkt in den afgrond te storten. Maar daar let men niet op, want er is zooveel te bewonderen, dat er voor vrees geen plaats is. Het is onmogelijk, zich een grootscher landschap voor te stellen, meer verscheidenheid in de perspectieven en een prachtigen plantengroei. Nu en dan rijdt de trein over een metalen brug, hangend tusschen twee bergen, en als men zich bevindt op dat duizelingwekkende ijzeren lint, ziet men honderden meters beneden zich het maagdelijke woud en al zijn schatten uit het plantenrijk, terwijl de sierra zich boven ons verheft, ook boschrijk, en telkens een doortocht latend aan een bruisenden stroom, die donderend in de diepten langs de hellingen stort. Overal, op den voorgrond, zoowel als aan den horizon, is het schouwspel mooi als in droomland, zoo schoon zoo indrukwekkend, dat men het voor altijd in zijn geheugen zou willen vasthouden. Daarna wordt de helling zachter, en men komt te Santos door eindelooze bananenplantages, beladen met hun gouden vruchten.