Twee groote steden in Brazilië De Aarde en haar Volken, 1908

Chapter 2

Chapter 23,724 wordsPublic domain

Na den maaltijd biedt uw gastheer u koffie aan, de beroemde braziliaansche koffie. Laat ons hier een eerbiedige buiging maken; niets kan geuriger wezen dan die drank, naar braziliaanschen trant klaargemaakt. Geen koffiesoort, zelfs de mokka niet, overtreft die koffie. Onze goede braziliaansche vrienden verwijten ons, dat we geen koffie kunnen drinken. Hoezeer hebben ze daarin gelijk, en wat is er een groot verschil tusschen het vocht, waaraan wij gewoon zijn, en den zachten drank, die geurig is en pittig, zooals men dien daar krijgt. En of ge nu bij den meest bescheiden burger u moogt bevinden, de koffie, die men er u presenteert, is even lekker als die van de koffietafel van het hoofd van den staat. Het is ook de nationale drank. De Braziliaan is zeer matig en maakt geen gebruik van alcohol; hij drinkt niet anders dan koffie; maar daar drinkt hij dan ook veel van. Als ge op een namiddag tien bezoeken aflegt, moet ge tien kopjes koffie naar binnen werken. Komt ge in een winkel, waar men u kent, dan verschijnt al spoedig het blaadje met het kostbare vocht en wat suiker. In het begin wordt men er vermoeid van en slaapt slecht, maar het gewent, en ten slotte kon ik twintig kop koffie per dag gebruiken, zonder er eenigen hinder van te gevoelen.

Na den maaltijd en de koffie, gevolgd door een kort oponthoud in den salon, neemt uw gastheer u mee naar zijn club of laat u de stad zien. Ik heb al gezegd, dat Rio als stad niets bijzonder belangwekkends heeft, maar dat geldt niet voor de menschen, die men er ziet. Bij elke schrede doet er zich voor den opmerkzamen waarnemer een schilderachtige indruk voor of bespeurt hij voorbeelden van eigenaardige gebruiken en gewoonten. Dit is het echte braziliaansche leven, zooals het zich op straat afspeelt.

Pas op straat gekomen, zag ik jongelui, mannen met baarden zelfs, die in elkaârs armen vielen en daarbij elkander op den rug sloegen. Bloedverwanten zeker, die elkaâr na lange scheiding weerzien? Nee, dit is de manier, waarop men elkander begroet in Brazilië, en die menschen hebben mogelijk een uur te voren elkander nog gesproken. De omhelzing vervangt er onzen banalen handdruk.

Daar komt in snellen draf een reeks van rijtuigen naar ons toe. Is het een optocht? Vergissing, het is een begrafenis. De lijkwagen en de stoet draven voorbij. De dooden rijden overal vlug; maar in Brazilië doen ze hun veertig kilometer in het uur. Geen priester noch officiëel vertoon in het sterfhuis. De toespraken en de godsdienstige plechtigheid hebben op het kerkhof plaats zonder eenige ostentatie. Een minuut later zag ik een fiaker voorbijgaan, rood geverfd en met goud afgezet; daarin stond een langwerpige kist, geheel verguld. Ik vroeg na en hoorde, dat de wagen den lijkdienst vervulde en dat de kist het lijkje bevatte van een kindje, dat naar het kerkhof werd gebracht. In Brazilië wordt niet over kinderen gerouwd; trouwens men draagt nauwelijks rouwkleeren voor volwassenen; een half jaar voor een vader of een broeder, drie maanden voor een grootvader. In dit land van schitterend licht houdt men niet van donkere kleuren.

Wij kwamen veel soldaten tegen. Ze leken mij goed gekleed, maar onverschillig in hun houding. Verscheiden onder hen hadden een uniform, veel gelijkend op die van onze artilleristen met gele schoenen. Bij het station Riachuelo zag ik een soldaat, een prachtigen neger, naar het voorschrift correct gekleed, maar zonder schoeisel. Ik wil niet zeggen, dat het braziliaansche leger geen schoenen aan zijn soldaten geeft, ik constateer enkel, dat er soldaten zijn, die het niet streng met de reglementen nemen.

Het braziliaansche leger is niet talrijk; ongeveer twintig duizend man voor een land, dat zoo groot is als heel Europa. De meesten liggen in garnizoen in de zuidelijke provincie Rio Grande, op de grenzen van Argentinië, den aartsvijand. Wat volharding en moed betreft, kan dit legertje wedijveren met de overige legers van Zuid-Amerika; het heeft bewijzen van weerstandsvermogen en dapperheid gegeven in den zwaren oorlog met Paraguay. De heldenmoed is een deugd bij alle volken; hij is ook bij het braziliaansche leger hoog in eere. Wat daaraan ontbreekt, is practische leiding, goed onderwijs. Daar ik er zelf niet over oordeelen kan, herhaal ik het oordeel van de talrijke Brazilianen, die er met mij over hebben gesproken. Al prijzen ze de oorlogsqualiteiten van het leger, ze hebben maar matig respect voor de krijgskundige kennis van soldaten en officieren.

Brazilië heeft pas in Europa een heele vloot van moderne schepen besteld, bestaande uit dertig oorlogsschepen, waarvan drie pantserschepen van 21.000 tonnen, twee kruisers van 14.000 tonnen, transportschepen, twaalf torpedobooten en zes kleinere vaartuigen. Argentinië, dat rechtstreeks bedreigd wordt door die aanwinsten, doet, alsof het er niet ongerust over is. Als men daar de menschen hoort, zouden die machtige schepen enkel gevaarlijk wezen voor diegenen, die er aan boord zijn en de enorme kanonnen zouden nooit andere slachtoffers maken dan hun eigen artilleristen. Die goede Argentiniërs gaan zelfs zoo ver van te beweren, dat die gepantserde kruisers nooit de haven van Rio zullen verlaten, bij gebrek aan matrozen en zeelui, om ze buitengaats te brengen. Brazilië laat ze praten en gaat met zijn bewapening voort.

Dit land, dat geen soldaten of althans weinige heeft, zit vol kolonels. In Brazilië is ieder kolonel, soms zelfs generaal of doctor, maar doctor zonder bul, kolonel zonder aanstelling, maar toch kolonel of doctor. De liefde voor een lintje, die ze ons verwijten, is in Brazilië vervangen voor de begeerte naar een titel. Ik herinner mij, dat ik werd voorgesteld aan een "generaal", die nooit soldaat was geweest. Hij had zijn titel te danken aan den republikeinschen ijver, dien hij aan den dag legde tijdens de omwenteling, welke aan dom Pedro II zijn troon kostte.

Ik sprak daar van doctors; ze zijn nog talrijker dan de kolonels. Indien de laatsten er in grooten getale zijn, van de anderen wemelt het er. Er is zoo weinig noodig, om in Brazilië dien titel te krijgen! Enkele jaren gymnasium, een paar cursussen aan de School voor rechtsgeleerdheid of geneeskunde, dat is voldoende. Er is geen land ter wereld, waar zooveel advocaten wonen; alle vrije ambten zijn er trouwens overvuld. Daar ze nog al decoratief zijn en niet vermoeiend, geeft de Braziliaan er de voorkeur aan boven de moeilijke handelsbetrekkingen en industriëele posten, die hij aan de vreemdelingen overlaat. Als hij grondbezitter is, laat de Braziliaan werken, maar werkt zelf niet; hij ziet zijn koffie groeien, en als hij er het geld voor geïnd heeft, geeft hij dat uit zonder nauwkeurig te rekenen. Die smaak in uitgeven, vereenigd met groote luiheid, begint reeds gevolgen te hebben. De grond gaat langzamerhand in de handen van vreemdelingen over, economen en arbeiders. In de provincie Sao Paulo zijn reeds een groot aantal koffie-plantages gemonopoliseerd door een Duitscher, den heer Schmidt, die als landverhuizer naar Brazilië kwam en nauwelijks zijn naam kon teekenen.

Hoewel ze graag de titels van doctor, kolonel of generaal uitdeelt, verbiedt de braziliaansche regeering onverbiddelijk het dragen van decoraties. Zoo groot is zelfs haar afschuw van die ijdelheidsdingen, dat "ieder braziliaansch burger, die een vreemde decoratie aanneemt, door dat feit alleen zijn hoedanigheid van burger der zuid-amerikaansche republiek verliest". Die woorden zijn duidelijk, laten geen uitzonderingen toe of schikkingen. Een officier van de braziliaansche marine, dien Wilhelm II wilde decoreeren, zag zich genoodzaakt, een eerbewijs af te wijzen, dat in zijn land als een vernedering zou worden beschouwd. Santos Dumont zelfs, de groote luchtvaarder, op wien Brazilië zoo trotsch moest wezen, heeft zijn nationaliteit verloren, omdat hij van president Loubet het roode lint heeft aanvaard.

Maar bij gebrek aan lintjes kan de Braziliaan galon dragen. Al maakt hij daarvan niet voor zichzelven gebruik, hij maakt er gebruik, zelfs misbruik, van voor zijn ondergeschikten, voor ambtenaren en soldaten. Elk ambt, hoe bescheiden ook, brengt een weelde van goudgalon mee op mouwen en hoofddeksels. In een tram of een spoorweg komt een van goud stijve meneer op u toe. Dat moet een generaal zijn, denkt ge. Volstrekt niet, het is eenvoudig maar een controleur, die uw kaartje komt nazien. Op de kepi der officieren is de stof met zooveel goudgalon overdekt, dat men haar niet meer kan onderscheiden. In dit land, waar men geen enkel goudstuk ontmoet, schijnen de uniformen der ambtenaren al het kostbare metaal te hebben opgeslokt.

Ik spreek daar over het braziliaansche goudgeld. Het moet wel bestaan, ten minste dat is mij verzekerd. Ik heb het nooit gezien; niemand heeft er ooit een oog op geslagen. Het wordt angstvallig bewaard in een zekere schatkist van den staat, die amortisatiekas heet. Alle transacties hebben plaats door middel van biljetten, die, wat hun waarde betreft, doen denken aan de assignaten uit den tijd van onze eerste republiek. Niets smerigers is er dan die papiertjes, als ze door duizenden handen zijn gegaan en in allerlei zakken hebben gehuisd. Men is begonnen, zilvergeld in omloop te brengen, om pasmunt te krijgen. Maar dat geld is nog niet algemeen in gebruik, en er is ook niet veel aangemunt. Wat het goud aangaat, dat blijft onzichtbaar. Hoewel in het bezit van mijnen, die ongehoord rijk zijn, heeft Brazilië geen enkele staaf goud. Dat heeft twee oorzaken, de eerste is, dat de Braziliaan, die indolent is en niet van werken houdt, de exploitatie van zijn mijnen aan vreemden overlaat, waardoor het kostbare metaal, zoodra het is te voorschijn gebracht, naar Europa verhuist, en de tweede, dat Brazilië, geen voordeel trekkend uit de rijkdommen van zijn bodem, onophoudelijk een beroep doet op de spaarpenningen der Oude Wereld. Die leeningen met de interesten moeten worden terugbetaald in goud, waardoor al dat metaal uit het land wordt gehaald en er voor de Brazilianen alleen papier overblijft.

Deze lange uitweidingen hebben ons Rio uit het oog doen verliezen. Laat ons erheen terugkeeren en hervatten we onze wandeling door de stad. Op onzen weg ontmoeten we veel lagere scholen en gymnasia. Daar mijn gids een betrekking heeft als inspecteur van het door de overheid gegeven onderwijs, kunnen wij er gemakkelijk binnentreden. Wij worden er uiterst vriendelijk ontvangen en we bezichtigen tot in kleine bijzonderheden verscheiden van die inrichtingen. Hier valt er zonder voorbehoud te prijzen. De openbare scholen zijn uitstekend ingericht, met inachtneming van alle eischen van comfort en hygiëne. Overal lucht en licht, groote lokalen, en ruime speelpleinen en tuinen, waar de kinderen vrij kunnen stoeien en spelen. Over de kennis der onderwijzers valt op het eerste gezicht niet te oordeelen; men zou de algemeene ontwikkeling der bevolking daarvoor moeten nagaan, en die wordt niet zeer hoog gesteld. Maar dat is zonder twijfel minder de schuld van den meester dan van den leerling, die door zijn temperament zoozeer tot luiheid geneigd is.

En toch, hoewel zoo apathisch, is de Braziliaan merkwaardig intelligent; wat anderen om het te leeren veel moeite kost, dat vermeestert hij spelenderwijs. Ook is het niets ongewoons, in Brazilië mannen te ontmoeten van groote beschaving en hooge ontwikkeling. Wat mij het meest heeft verrast, is de buitengewone gemakkelijkheid, waarmee de Braziliaan vreemde talen leert. Zeer talrijk zijn er de personen, die vloeiend Engelsch, Fransch, Italiaansch en Spaansch spreken. Meer dan eenige andere taal is het Fransch er verspreid. Zij, die het bij gebrek aan oefening niet spreken, begrijpen het wel, en ge kunt in Rio u uitstekend redden, zonder een woord Portugeesch te kennen. Onze letterkunde, ons tooneel, zelfs onze politiek worden er op hoogen prijs gesteld, minder misschien uit overgroote sympathie voor Frankrijk, dan wel door die verwantschap, die de latijnsche rassen aan elkander verbindt.

Een zeer belangwekkende bijzonderheid van het onderwijs in Brazilië is, dat het volkomen kosteloos wordt gegeven. Ik ken ingenieurs, dokters en advocaten, die prachtige posities innemen, zonder dat hun opleiding hun familie iets heeft gekost. Dit inderdaad democratische stelsel staat allen toe, de eerste scholen van het land te bezoeken en later openbare ambten te bekleeden. Ieder mag daarnaar streven met kans op succes, zelfs de negers, onder wie tegenwoordig personen van aanzien voorkomen. Om de waarheid te zeggen, maakt het negerras met enkele uitzonderingen geen misbruik van dat recht; het bepaalt zich liever tot de ondergeschikte baantjes, waarmee lange eeuwen van slavernij het vertrouwd hebben gemaakt.

Onder het vervolg van mijn wandeling door de stad, zie ik tot mijn groote verbazing, dat veel straten in Rio naar nog levende menschen zijn genoemd. Allen, die door een titel van generaal niet voldoende beloond zouden zijn voor diensten, worden in Brazilië geëerd, door hen onsterfelijk te maken door een plakkaat op den hoek der straten. Naast oud-presidenten komen er de namen voor van veel ministers, van prefecten, generaals, advocaten, redenaars en illustre onbekenden, wier namen voor altijd vergeten zouden zijn zonder deze officiëele wijding. In Brazilië wordt men gemakkelijk een groot man; er is een beetje talent voor noodig en veel welbespraaktheid. Te kunnen spreken en spreken over alles, dat is het middel, om hier een gevestigden naam te verwerven; maar is dat alleen hier het geval?...

De Braziliaan neemt het den vreemdelingen een beetje kwalijk, dat ze zijn groote mannen niet kennen. Hij kent zelf die van de heele wereld, tegenwoordige en vroegere; hij vereert ze op zijn manier en gebruikt hun namen als doopnamen. In Brazilië worden de kinderen niet gedoopt als Piet en Paul en Jacob of Jan; dat is te afgezaagd en goed voor het oude Europa; hier heet men Chateaubriand, Nelson, Washington, Victor-Hugo, Guillaume-Tell, Albuquerque, enz.

Ik ben ook in den schouwburg geweest. Het eigenlijke seizoen voor Brazilië was voorbij; maar het was de tijd der reizen van europeesche sterren; ik hoorde een italiaansche zangeres, Mevrouw Carelli en een italiaansche tooneelspeelster, Mevrouw Rafaella Chenet, en onzen uitstekenden Coquelin, die voor de tweede maal in Amerika bewondering kwam vragen voor Molière en Rostand. Bij die verschillende voorstellingen was het publiek talrijk en uitgelezen, bestaande uit alles, wat Rio heeft te vertoonen aan rijkdom en mondaniteit. De zaal is op die dagen werkelijk zeer aantrekkelijk met de vele jonge, mooie vrouwen van donkere schoonheid, met schitterende oogen, naar de laatste europeesche mode gekleed. Als eenmaal de tournées zijn afgeloopen, gaat de braziliaansche beau monde niet meer naar den schouwburg. Nationale kunst van eenige waarde bestaat er nog niet. Schrijvers en spelers zijn beide even middelmatig, en de grove grappen, die op het portugeesche programma voorkomen, beletten de goede families naar den schouwburg te gaan. Er wordt intusschen verteld, dat enkele revues, een genre, dat er druk wordt beoefend, zeer geestig zijn, en dat een welaangename muziek de goede satirieke coupletten begeleidt.

Dat wil ik graag gelooven, want de Braziliaan kan geestig wezen, vooral tegenover de regeering laat hij zijn geestigheid vrij spel. Journalisten, kroniekschrijvers, tooneelschrijvers, carikaturisten kiezen bij voorkeur als mikpunt van hun vernuft den toestand van het oogenblik. In geen enkel land geniet men grooter vrijheid van het woord; de pers is koningin en kan zich alles veroorloven. Niemand is veilig voor haar, zelfs het staatshoofd niet, en hij nog minder dan iemand anders. Sla de _Malho_ open, het humoristisch blad van Rio, ge kunt er zeker van zijn, op elke pagina een carikatuur van den president te zien. Nooit bemoeit zich de rechter met aanvallen van dien aard. Ze doen in den grond der zaak weinig kwaad, en de regeering weet wel, dat al is de Braziliaan wat los in den mond, hij toch een trouw onderdaan wil zijn. Men vergeeft hem zijn spot, omdat men zijn patriotisme waardeert.

Men kan overigens gemakkelijk begrijpen, dat de President der Republiek alle kritiek moet slikken, want hij is een verantwoordelijk regeeringspersoon, in tegenstelling met den franschen President. Hij is met aanzienlijke macht bekleed, bijna met een onbeperkt gezag. Zoodra hij gekozen is, omgeeft hij zich met ministers, die hijzelf kiest en die in zijn naam regeeren. Tegenover de Kamers vertegenwoordigen de ministers alleen het staatshoofd en feitelijk wordt hij aan de kaak gesteld in de personen zijner ministers. Om de waarheid te zeggen, zijn het niet meer dan secretarissen. Dat is ook hun officiëele titel.

II. Brazilië en de Brazilianen.--De spoorweg van Rio naar Sao Paulo en Brazilië, gezien van uit het coupé-venster.--Aankomst te Sao Paulo, de stad, de gebouwen en haar handelsontwikkeling.--Ligging en klimaat--De invloed van Sao Paulo op de zaken.--De hoofdstad voor koffie.--Bezoek van den heer Doumer aan een koffieplantage.--De quaestie der douanerechten.--De crisis in de koffie.--Braziliaansche comité's voor prijsbepaling en propaganda.--Beroep op de landverhuizing--De nog onontgonnen hulpbronnen van Brazilië.--Besluit.

Brazilië is een federatieve republiek, bestaande uit twintig staten en een federaal district, zetel der centrale regeering, dat Rio de Janeiro omvat en de onmiddellijke omgeving. Ieder der twintig gefedereerde staten geniet een groote politieke en administratieve vrijheid, heeft een eigen gouverneur, eigen Kamers en zelfgekozen rechters. In sommige der staten gelden eigen wetten, en veel wordt door plaatselijke verordeningen geregeld. Het centrale bestuur heeft de zorg voor de diplomatieke verhoudingen aan zich gehouden, sluit dus verdragen, en stelt bovendien in alle staten de maatregelen vast, die de openbare belangen raken, als de wetten omtrent de hygiëne en dergelijke.

Al die staten, zoo verschillend van klimaat en gewoonten en belangen, zijn aan elkander verbonden door een gemeenschappelijken band, de vaderlandsliefde, een vurig patriotisme, dat hoe loffelijk ook, lastig is, omdat het geen enkel voorbehoud, geen kritiek duldt. Of ge een Braziliaan ontmoet uit Manaos, uit Rio of uit Porte Alegre; of hij komt uit de donkere wouden van den Amazonenstroom of wel van de grenzen van Parana, hij is er altijd van overtuigd, dat Brazilië het eerste land der wereld is, het rijkste en machtigste van alle. Zeer dikwijls hoort ge hem afgeven op sommige misbruiken of lachen met enkele kleingeestigheden, maar wacht u wel, hem gelijk te geven of naar zijn kritiek verder onderzoek te doen, dan zult ge onmiddellijk bespeuren, dat hij zich tegen u keert en dat er niets aan is van wat hij zooeven zei.

Die vaderlandsliefde wordt onuitstaanbaar, als ze iemand onrechtvaardig maakt voor het vaderland der anderen. Dat is een fout, die vrij algemeen is bij den Braziliaan, die naar Europa gaat. Hij komt er meestal met de vooropgezette meening, dat al wat hij er te zien zal krijgen niet van dien aard is, dat een Amerikaan er verbaasd van zal staan. En niets van wat hij ontmoet, verwondert hem dan ook. Maar daar hij snugger genoeg is, wijzigen zich zijn gevoelens gaandeweg en hij ondergaat de bekoring van onze beschaving, als hij langer in Europa vertoeft en zich de moeite geeft inlichtingen in te winnen.

Om van Rio naar Sao Paulo te gaan, kan men over twee vervoermiddelen beschikken. Men kan een der talrijke booten nemen, die naar Buenos Aires gaan en eenige malen per week in Rio aanleggen. In een paar uren wordt men overgebracht. De paketbooten, die Rio bij het vallen van den nacht verlaten, leggen bij het aanbreken van den dag te Santos aan. Aan de haven ginds staat de trein voor het vertrek gereed, en in twee uren voert die u naar Sao Paulo. Deze manier van reizen is verreweg de aangenaamste, en bij voorkeur maken er gebruik van de kooplieden, die dikwijls tusschen de beide steden heen en weer moeten gaan. Maar de vreemdeling, die komt om te zien, neemt liever den spoorweg van Rio naar Sao Paulo, bekend in Brazilië onder den naam van de Centraal. Het is de oudste spoorweg van het land, dateerend van 1850, en ondanks den vrij levendigen handel ligt er nog slechts enkel spoor met wissels op de plaatsen, waar de uit tegenovergestelde richting komende treinen elkaar ontmoeten. Tegenwoordig is het reuzengebied van Brazilië overdekt met een dicht net van lijnen. De meeste spoorwegen van de 16.000 kilometer in exploitatie zijnde lijnen behooren aan particuliere maatschappijen; de braziliaansche regeering bestuurt rechtstreeks niet meer dan ongeveer 3000 kilometer.

Een reis met de Centraal is lang geen pleizierreis, dat scheelt veel. De trein heeft geen andere dan eerste en tweede klasse. In de laatste, die zeer primitief is ingericht, nemen de armen plaats, de negers en de carregadors of sjouwerlui, zoowel als de caipira's of boeren. Alle anderen hoopen zich op in de eerste klasse, die er uit het oogpunt van comfort al niet veel beter aan toe is. Het zijn enorme waggons met vijftig plaatsen, voorzien van banken met beweegbare leuningen en zonder kussens, waarop alles door elkaar plaats neemt. Geen afzonderlijke compartimenten, zelfs geen scheidingen tot op rughoogte, zooals onze meest bescheiden derde-klaswaggons bezitten; men kan er zich onmogelijk een intiem hoekje maken met vrienden of bloedverwanten; de rijke en de arme, de minister en de landverhuizer zitten er onmiddellijk naast elkaar in een opgedrongenheid, die democratisch, maar vreemd is. Ik heb een zeer aanzienlijk personage zien zitten naast een boerin, die een gebraden vogel bij zich had en die onder het rijden een substantieel maal deed, dat geen welriekende geuren verspreidde. Als de reis is afgeloopen, ligt de wagen vol papieren en afval van allerlei aard.

En het stof, dat vreeselijke roode stof uit Brazilië, dat zoo ongrijpbaar en verraderlijk is en overal binnendringt door de nauwste spleetjes van den wagen! Er is niets tegen te doen; men moet er zich in schikken, zijn reis te volbrengen met een gezicht als een Mohikaan. De grootste last van dat stof is, dat men er door genoodzaakt is, de vensters van den waggon dicht te houden, wat ver van aangenaam is in een land, waar de thermometer 35 graden Celsius wijst en alles gloeiend heet is. Half gestikt en onherkenbaar, komt men op de plaats van zijn bestemming aan na een marteling van veertien uren.

Op den Centraal rijden elken dag twee treinen en dan twee nachttreinen in beide richtingen; de nachttreinen zijn betrekkelijk gerieflijker, dan de dagtreinen, want de nachtelijke heeft ruime slaapwaggons met echte bedden, omsloten door gordijnen, waar men tegen een bijbetaling rusten, zoo niet slapen kan.

Ondanks de voordeelen van den nachttrein gaf ik, door nieuwsgierigheid gedreven, de voorkeur aan den dagtrein. Ik wilde het landschap zien, en de langzaamheid van den rit gaf mij daar alle gelegenheid voor. Naarmate men verder van Rio komt, wordt de natuur minder mooi; de zoo schilderachtige kustgebergten verdwijnen aan den horizon, om plaats te maken voor gelijkvormige heuvels, waar de trein zich tusschen door beweegt. Lange uren achtereen is het een onafgebroken opeenvolging van dalen, waar de Parahyba door vloeit, een groote rivier met lage oevers, waarvan de bochten door den trein worden gevolgd.